Voorontwerp-bestemmingsplan Visserszijde 11a te Geervliet; Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
1.42 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.43 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat gedeeltelijk onder peil is gelegen. 1.44 ondergrondse gebouwen gebouwen of delen daarvan die zijn gelegen beneden peil. 1.45 onderkomen een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent. 1.46 overkapping 7
een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak en voorzien van maximaal één wand.
1.47 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen ten behoeve van een ander tegen vergoeding. 1.48 raamprostitutie een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 1.49 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prositutiebedrijf of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.50 straatprostitutie het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen of aanlokken, dan wel het naar aanleiding daarvan verrichten van seksuele handelingen. 1.51 uitbouw de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.52 verblijfsruimte een in een gebouw gelegen ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen.
1.53 voorgevel de gevel van een hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.54 voorgevellijn de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan. 1.55 voorgevelrooilijn 8
de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd 1.56 Wabo de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.57 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater. 1.58 werk een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.59 wonen het gebruik van een complex van ruimten voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.60 woning een complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden. 1.61 Wro Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
9
Artikel 2 Wijze van meten 2.1 afstanden van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de bouwperceelgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.3 bebouwde oppervlak optellen van de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen tezamen, tenzij in deze regels anders is bepaald. 2.4 bebouwingspercentage het deel van het bouwblok uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden. 2.5 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.6 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.7 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.8 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil; 10
c. in andere gevallen én voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 2.11 ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevelen kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner; b. overstekende daken tot ten hoogste 1 m; c. luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw; buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt ten opzichte van de bouwgrens of de maximale bouwhoogte.
11
2. Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, erven en verhardingen; b. parkeervoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; alsmede voor: d. ter plaatse van de aanduiding 'Waarde Beschermd - stadsgezicht': tevens voor de bescherming en instandhouding van de aanwezige cultuurhistorische waarden. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen en overkappingen Op deze gronden mogen uitsluitend erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a. de horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw +0,3 m; d. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.
12
Artikel 4 Wonen 4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
wonen; tuinen, erven, verhardingen en parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 4.3.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven; c. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m; d. hoofdgebouwen worden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ vrijstaand gebouwd; e. per bestemmingsvlak mogen niet meer woningen worden gebouwd dan de voor dat bestemmingsvlak aangegeven maximum aantal via de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden’. 4.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mag niet meer bedragen dan 60 m²; d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, tenzij anders op de plankaart is aangeduid; e.
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m; f. voor het bouwen van overkappingen gelden ook de volgende regels: 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 2. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3 m.
13
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.3 Specifieke gebruiksregels Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw, zijn respectievelijk bij wijze van medebestemming toegestaan met inachtneming van de volgende regels: a. de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner; b. het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²; c. op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats; d.
het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e. de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien overeenkomstig de richtlijnen van de CROW, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
14
Artikel 5 Waarde - Archeologie - 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1’' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 5.2 Bouwregels a. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte; c. het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning de hierna onder 5.3.2.genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte. 4.3.2 Werken c.q. werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; 15
f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
16
Artikel 6 Waarde - Beschermd stadsgezicht 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Beschermd stadsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het stadsgezicht. 6.2 Bouwregels In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mag aan de gronden en de bebouwing geen verandering worden aangebracht ten aanzien van de volgende karakteristiek/ kenmerken: a. situering van gebouwen; b. (minimale en maximale) goot- en bouwhoogte van gebouwen, de bouwhoogte van gebouwen; c. het bebouwingspercentage en bebouwingsoppervlakte van bouwpercelen, tenzij op de verbeelding anders wordt aangeduid; d. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; e. gevelindeling van gebouwen; f. voorgevelbreedte van gebouwen; g. kaprichting van gebouwen; h. dakhelling van gebouwen; i. kleur- en materiaalgebruik van gebouwen. 6.3 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.2 voor zover en indien daardoor de karakteristiek/kenmerken van het stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast; b. alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in deze gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. verleggen van bestaande paden en wegen; b. bestraten en verharden van onverharde gronden; 17
c. bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen, stoepranden, stoeppalen en waterpompen; d. herinrichten en/of wijzigen van de inrichting van de openbare ruimte; e. herinrichten en/of wijzigen van oevers; f. het aanbrengen en/of wijzigen van niveauverschillen in het maaiveld en peil; g. het vellen, rooien of beschadigen van bomen en andere opgaande beplanting die zichtbaar is vanaf de openbare ruimte en die hoger zijn dan 4 m, met dien verstande dat voor aaneengesloten beplanting een hoogte van 2 m geldt; h. het schilderen, sauzen, pleisteren of ontpleisteren van gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. 6.4.2 Toelaatbaarheid a. De in lid 6.4.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor het in de enkelbestemming toegestane gebruik van de grond, en indien door werkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied; b. alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie. 6.4.3 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 6.4.1 is niet van toepassing op: a.
werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. werken en werkzaamheden die reeds bestaan of in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt. 6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 6.5.1 Slopen Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of delen van gebouwen te slopen anders dan ter uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend of ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is. 6.5.2 Toelaatbaarheid a. De in lid 6.5.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor het in de enkelbestemming toegestane gebruik van de grond, en in geval van gedeeltelijke sloop, indien door de sloopwerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter 18
van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied; b. alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie. 6.5.3 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 6.5.1 is niet van toepassing op: a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. werken en werkzaamheden die reeds bestaan of in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt.
19
Artikel 7 Waterstaat - Waterkering 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat – Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water; b. aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering; met inachtneming van het volgende: c. in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen geldt het volgende: gebouwen zijn niet toegestaan. 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale bouwhoogte van 3 m mogen worden gebouwd ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de waterkering. 7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.2.1 en lid 7.2.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden, met inachtneming van de volgende regels: a. de bebouwing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het waterkerende vermogen van de waterkering; b. het bevoegd gezag wint schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; e. het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
20
7.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 7.4.1 is niet van toepassing op: a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. werken en werkzaamheden die reeds bestaan of in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt. 7.4.3 Toelaatbaarheid a. De in lid 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de functie van de waterkering; b. alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
21
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1 Bestaande afmetingen en afstanden a. In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van bouwwerken die in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, horizontale dan wel verticale diepte in afwijking daarvan als maximaal toegestaan; b. in die gevallen dat de afstand tot enige grens van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven toegestaan, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan; c. in het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde sub a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 9.2 Bestaand bebouwingspercentage In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
9.3 Ondergronds bouwen Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen toelaatbaar zijn; b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen mag niet meer dan 3 m onder peil bedragen; c. ondergrondse gebouwen worden meegerekend bij het bebouwingsoppervlak, indien en voor zover ze niet onder een bovengronds gebouw zijn gelegen.
22
Artikel 10 Algemene gebruiksregels 10.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het doen of laten gebruiken van gronden, alsmede gebouwen, onderkomens en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van (de exploitatie van) een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie; b. het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw als zelfstandige woonruimte; c. het inrichten en/of gebruiken van een vrijstaand bijgebouw als zelfstandige woonruimte en/of voor bewoning; d. het doen of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor het opslaan van goederen voor bedrijfsdoeleinden, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; e. het doen of laten gebruiken van gronden als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; f. het doen of laten gebruiken van gronden als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; g. het doen of laten gebruiken van gebouwen voor zelfstandige kantoren; h. het doen of laten van onbebouwde gronden voor het storten c.q.
lozen en/of het opslaan van bagger, grondspecie, puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; i. het doen of laten van onbebouwde gronden voor het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, containers, oude en nieuwe bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen, machines of onderdelen hiervan, afval, puin, grind en brandstoffen; j. het doen of laten gebruiken van onbebouwde gronden voor het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens. 10.2 Ondergeschikte functie Een ondergeschikte functie mag een omvang hebben van niet meer van 30% van de gezamenlijke brutovloeroppervlakte van de bebouwing. 10.3 Parkeren a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw of een omgevingsvergunning voor een afwijking van het gebruik wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemiddelde van de minimum en maximum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW parkeerkencijfers, publicatie 381 'Toekomsbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ met inachtneming van het volgende: 1. het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal; 2. getoetst moet worden aan de gehanteerde gebiedsindeling “rest bebouwde kom” en “weinig stedelijk”. 3.
Parkeerplaatsen dienen aanwezig te zijn dan wel aangelegd te worden in het plangebied.
23
b. Bij omgevingsvergunning kan door burgemeester en wethouders worden afgeweken van het bepaalde onder a. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: 1. Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. 2. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is (o.a. op grond van planeconomische overwegingen) om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis. c. Indien gedurende de planperiode door burgemeester en wethouders nieuwe parkeernormen worden vastgesteld en bekendgemaakt, treden deze parkeernormen in de plaats van de CROW parkeerkencijfers, publicatie 381 'Toekomsbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels 11.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop 11.1.1 Bouwregels Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 m vanaf het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 m vanaf het middelpunt van de wiek mag geen bebouwing worden opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot de molen, gerekend vanaf het onderste punt van de verticaal staande wiek. 11.1.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 11.1.1 indien: a. er sprake is van een situatie waarin vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt zijn door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt; óf b. zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd.
11.1.3 Voorrang bouwregels Indien op basis van de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemming een lagere bouwhoogte ten hoogste is toegestaan dan de bouwhoogte welke op grond van lid 11.1.1 of lid 11.1.2 kan worden toegestaan, gaat het bepaalde in deze bouwregels voor het hier bepaalde.
24
11.1.4 Specifieke gebruiksregels Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone – molenbiotoop' gelden de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 m vanaf het middelpunt van de molen mag geen beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 m vanaf het middelpunt van de wiek mag geen beplanting aanwezig zijn met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot de molen, gerekend vanaf het onderste punt van de verticaal staande wiek.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit plan voor: a. overschrijding van de gegeven maten, afmetingen en bebouwingspercentages tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit en/of praktische omstandigheden daartoe aanleiding geeft; c. het in geringe mate overschrijden van het bouwvlak, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d. openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² mag bedragen én de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m; e. vergroting van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 40 m; 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 40 m; 3. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 10 m. f.
overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde realisering en/of plaatsing van bestemmingen of bouwwerken of die
25
noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met dien verstande dat: a. verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 3 m toelaatbaar zijn; b. het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden; e. er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving; f. de brand-, verkeers- en openbare veiligheid niet in het gedrang komen
26
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Visserszijde 11a Geervliet '.
27
Akoestisch onderzoek Visserzijde 11a Te Geervliet
Akoestisch onderzoek Visserzijde 11a Te Geervliet
Projectnummer
: BP.1828.R01
Revisie
:0
Rapportdatum
: 30 april 2019
Auteur
: D. Kraaij
Opdrachtgever
: Ziggurat Coolwijkseweg 1a 3218 VC Heenvliet
Contactpersoon
: de heer R. Ariëns
Kraaij Akoestisch Adviesbureau Frisodonk 5 4707 VG Roosendaal T: 0165-544833 M: 06-10078854 E: info@kraaijbv.nl
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING.................................................................................................................................................. 4
2
BEOORDELINGSKADER .............................................................................................................................. 5 2.1 WET GELUIDHINDER ....................................................................................................................................... 5 2.1.1 Wegverkeerslawaai ........................................................................................................................... 5 2.1.2 Industrielawaai .................................................................................................................................. 7 2.1.3 Cumulatie van geluid ......................................................................................................................... 7 2.2 GEMEENTELIJK GELUIDBELEID ........................................................................................................................... 8
3
UITGANGSPUNTEN BEREKENING GELUIDBELASTING ............................................................................... 10 3.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 10 3.2 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................. 11 3.2.1 Verkeersgegevens ............................................................................................................................ 11 3.2.2 Rekenmethode ................................................................................................................................. 12 3.3 INDUSTRIELAWAAI........................................................................................................................................ 12 3.3.1 Gehanteerde gegevens .................................................................................................................... 12 3.3.2 Berekeningssystematiek .................................................................................................................. 12 3.3.3 Rekenmethode ................................................................................................................................. 12
4
MODELLERING ......................................................................................................................................... 13 4.1 4.2 4.3
5
ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 13 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................. 13 INDUSTRIELAWAAI........................................................................................................................................ 13
REKENRESULTATEN EN BEOORDELING GELUIDBELASTING ...................................................................... 15 5.1 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................. 15 5.1.1 Geluidbelasting vanwege de N218 (Groene Kruisweg).................................................................... 15 5.2 GELUIDBELASTING INDUSTRIETERREIN BOTLEK-PERNIS ........................................................................................ 15 5.3 CUMULATIE VAN GELUID ............................................................................................................................... 17
6
CONCLUSIE .............................................................................................................................................. 18 6.1 6.2 6.3
ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 18 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................. 18 INDUSTRIELAWAAI BOTLEK – PERNIS ............................................................................................................... 18
Bijlagen
Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V
: : : : :
Figuren
Figuur 1 : Figuur 2 : Figuur 3 :
BP.1828.R01
Modelgegevens Weggegevens Modelgegevens industrielawaai berekening Rekenresultaten wegverkeerslawaai Rekenresultaten industrielawaai
Overzicht modellering Modellering toetspunten Modellering IT Botlek-Pernis
pagina 3
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
1
INLEIDING
In opdracht van Ziggurat en in samenwerking met Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van een nieuw te bouwen woning aan de Visserszijde 11a in Geervliet. De woning wordt gebouwd op een kavel waar nu een tuinbestemming op rust. Om hier een woning te kunnen bouwen, dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Op basis van de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting bij een bestemmingsplanwijziging waarbij geluidgevoelige objecten mogelijke worden gemaakt, welke binnen de geluidzone van een weg, spoorweg of industrieterrein zijn gelegen, worden bepaald. De berekende geluidbelasting wordt daarbij getoetst aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder (Wgh). Het nieuwbouwplan bevindt zich binnen de geluidzone van de N218 (Groene Kruisweg) en het industrieterrein BotlekPernis. Het nieuwbouwplan ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. De Visserszijde en de Kaaistraat zijn een 30 km/ uur wegen. Dergelijke wegen hebben volgens de Wgh geen geluidzone en formeel dus ook geen toetsingsplicht aan de Wgh. Op basis van jurisprudentie is het, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, echter wel wenselijk de geluidbelasting van dergelijke wegen te beschouwen als deze relevant geacht wordt voor het woon- en leefklimaat in de beoogde ontwikkeling.
De Visserszijde wordt hoofdzakelijk gebruikt door bestemmingsverkeer van de circa 30 woningen aan de Visserszijde en de Kaaistraat. In een niet stedelijk gebied in het centrum van het dorp bedraagt de verkeersintensiteit voor vrijstaande woning 8,3 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersintensiteit van de Visserszijde en de Kaaistraat bedraagt daarmee ca. 250 motorvoertuigen per etmaal. Gelet op deze lage verkeersintensiteit is een beschouwing van de geluidbelasting van deze 30 km/ uur wegen achterwege gelaten. Voorliggend akoestisch onderzoek heeft dus tot doel de geluidbelasting vanwege wegverkeers- en industrielawaai te bepalen en deze te toetsen aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder. Voor onderhavig onderzoek is gebruikt gemaakt van de volgende informatie: • Digitale ondergrond van het onderzoeksgebied, gedownload via de website van het kadaster/Georegister; • Stedenbouwkundige verkenning van Ziggurat d.d. 4-12-2017 • Google Earth; • AHN-viewer; • Verkeersgegevens van de N218 verkregen van de provincie Zuid-Holland; • Rekenmodel van de industrieterreinen ‘Botlek-Pernis’ aangeleverd door DCMR; De genoemde geluidbelastingen in dit rapport zijn inclusief aftrek ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder, tenzij anders is vermeld. Deze aftrek is geregeld in artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.
In hoofdstuk 2 van deze rapportage worden de van toepassing zijnde geluidnormeringen en richtwaarden uiteengezet. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de uitgangspunten voor de berekening van de geluidbelasting uiteengezet. Hoofdstuk 4 omvat een beschrijving van de opzet van de gehanteerde rekenmodellen. Hoofdstuk 5 geeft de rekenresultaten weer. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de conclusie van het onderzoek beandeld.
BP.1828.R01
pagina 4
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
2
BEOORDELINGSKADER 2.1
Wet geluidhinder
Conform de Wet geluidhinder worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de waarden van de geluidbelasting op de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, in acht genomen. De planlocatie bevindt zich binnen zones van wegen en van industrieterreinen. 2.1.1 Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing. De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen een conform deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wet geluidhinder zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (o.a. woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen in het water, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen). In artikel 1 en artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder is de volgende definitie opgenomen voor het begrip gevel: de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak. In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan: a.
b.
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in de NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
Daarnaast gelden voor de verschillende geluidgevoelige ruimten in de verschillende geluidgevoelige bestemmingen, afhankelijk van het gebruik van de ruimte, afwijkende normen met betrekking tot de toelaatbare geluidbelasting binnen deze ruimten. Zones langs wegen De regels en normen die gelden voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wet geluidhinder. De regels en normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) gelden binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. De breedte van de zone van een weg is geregeld in afdeling 1 “Omvang geluidzones” van genoemd hoofdstuk. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder heeft elke weg een geluidzone, met uitzondering van de volgende wegen: 1. 2.
wegen gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
De breedte van een zone is, op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder, afhankelijk van de ligging in stedelijk 1 of buitenstedelijk 2 gebied en van het aantal rijstroken. De afstanden, genoemd in artikel 74, eerste lid, worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Onder stedelijk gebied wordt verstaan, het gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor toepassing van hoofdstuk VI (“Wegen”) van de Wet geluidhinder, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. 2 Onder buitenstedelijk gebied wordt verstaan, het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor toepassing van hoofdstuk VI (“Wegen”) van de Wet geluidhinder, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. 1
BP.1828.R01
pagina 5
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
In onderstaande tabel staan de zones langs wegen weergegeven. Tabel 2.1: Zonebreedtes wegen Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken
Zone in stedelijk gebied 200 meter
Zone in buitenstedelijk gebied 250 meter
3 of 4 rijstroken
350 meter
400 meter
5 of meer rijstroken
350 meter
600 meter
Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de wegas. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de weg. In het onderzoeksgebied is de N218 (Groene Kruisweg) de enige geluidgezoneerde weg. De N218 ligt in buitenstedelijk gebied en heeft ter hoogte van het plangebied 2 rijstroken. De zonebreedte bedraagt dus 250 meter. De afstand van de planlocatie tot de N218 bedraagt circa 200 meter, de planlocatie ligt dus binnen de zone van de N218. In de Wet geluidhinder wordt voor wegverkeerslawaai onderscheid gemaakt in nieuwe situaties, bestaande situaties en reconstructies. De grenswaarden en regels die hierbij gelden zijn opgenomen in de onderstaande afdelingen (artikelen) van hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wet geluidhinder: • • •
afdeling 2 “Maatregelen met betrekking tot nieuwe situaties in zones” (artikel 76 t/m 87i); afdeling 3 “Bestaande situaties” (artikel 87j t/m 90); afdeling 4 “Reconstructies” (artikel 98 t/m 100b).
Voor onderhavige situatie is de afdeling 2 van toepassing. Normering Conform de Wet geluidhinder worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de waarden van de geluidbelasting van de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, in acht genomen. Op grond van artikel 82 bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg 48 dB. In afwijking hierop kan op grond van de artikelen 83 tot en met 85 een hogere waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied de 53 dB niet te boven mag gaan en voor woningen in stedelijk gebied de 63 dB niet te boven mag gaan. In onderhavige situatie is de planlocatie binnen de bebouwde kom van Geervliet gelegen en is voor de toetsing uitgegaan van een ontheffingswaarde van maximaal 63 dB. Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012 Met ingang van 20 mei 2014 is het Reken- en meetvoorschrift Geluid gewijzigd. Deze wijziging is tijdelijk van kracht en betreft een verruiming van de aftrek bij wegen met een snelheid van 70 km/ uur en hoger. De wijziging voorkomt tijdelijke extra belemmeringen voor woningbouwplannen. In onderhavige situatie is de maximale snelheid van de rijksweg N218 80 km/ uur en kan de verruiming dus worden toegepast.
De aftrek is als volgt geregeld: Artikel 3.4 lid 1 De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder toe te passen aftrek op de geluidsbelasting vanwege een weg, van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen bedraagt tot 1 juli 2018: a. 3 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 56 dB is;
BP.1828.R01
pagina 6
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet b.
4 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 57 dB is; 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting afwijkt van de onder a en b genoemde waarden; 5 dB voor de overige wegen; 0 dB bij toepassing van de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012 en bij toepassing van de artikelen 111b, tweede en derde lid, 112 en 113 van de Wet geluidhinder.
c. d. e.
De in artikel 3.5 geregelde aftrek voor ‘stille banden’ is eveneens alleen van toepassing voor wegen met een snelheid van 70 km/uur of hoger en is in onderhavig onderzoek dus eveneens van toepassing op de provinciale wegen. Deze wegdekcorrectie wordt automatisch toegepast in het rekenprogramma en is bij de rekenresultaten inbegrepen. 2.1.2 Industrielawaai De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg, zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor industrielawaai geldt dat hoofdstuk V van de Wgh van toepassing is. De ontwikkellocatie bevindt zich binnen de zone van het geluid gezoneerde industrieterrein “Botlek-Pernis”. Voor wat betreft de nieuwbouw geluidgevoelige objecten binnen een bestaande zone is afdeling 2 “Bestaande geluidzones” van toepassing. Op grond van artikel 59 lid 1 zijn voor wat betreft de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te bouwen en nog niet geprojecteerde woningen, de artikelen 44 en 45 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de vast te stellen waarde 55 dB(A) niet te boven mag gaan. Concreet betekent dit dat voor de nieuwbouw van geluidgevoelige objecten getoetst moet worden aan een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).
Mocht de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijden, dan mag, onder voorwaarden, een hogere waarde worden vastgesteld van maximaal 55 dB(A). Regionaal Afsprakenkader Voor het industrieterrein “Botlek‐Pernis” is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid-Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten. In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de invloedsgebieden van de industrieterreinen. Het RAK biedt een bepalingsmethode voor het akoestisch onderzoek op basis van vastgestelde geluidcontouren. Daarnaast staan er procesafspraken in voor gevallen waarbij de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Het vaststellen van een hogere waarde die lager is dan de waarde die op bovenstaande wijze is bepaald, is volgens het RAK mogelijk als uit onderzoek blijkt dat aan die lagere waarde door afscherming kan worden voldaan, afdoende borging voor die afscherming is getroffen en de gemeente hierover overleg heeft gepleegd met de DCMR. 2.1.3 Cumulatie van geluid Om het woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt te kwalificeren, wordt de gecumuleerde geluidbelasting berekend.
De berekende geluidbelasting van de deelbronnen wordt gecumuleerd conform bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, volgens de onderstaande formules: 1.
L*verkeerslawaai = 1,00 LVL+0,00
2.
L*industrielawaai =1,00 LIL+ 1,00
3.
𝐿𝐿𝐿𝐿𝐿𝐿𝐿𝐿 = 10log ∑𝑁𝑁 𝑛𝑛=1 10^( )
𝐿𝐿
10
Bij de berekening van de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai wordt geen aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder toegepast.
BP.1828.R01
pagina 7
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet De berekende gecumuleerde geluidbelasting wordt kwalitatief beoordeeld aan de milieukwaliteitsmaat, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 2.2: Milieukwaliteitsmaat gecumuleerde geluidbelasting (bron: RIVM) Geluidbelasting Kwalificatie
2.2
< 45 dB
Zeer goed
46 - 50 dB
Goed
51 – 55 dB
Redelijk
56 – 60 dB
Matig
61 – 65 dB
Slecht
> 65 dB
Zeer slecht
Gemeentelijk geluidbeleid
Door de gemeente Nissewaard is het hogere grenswaardenbeleid Wet geluidhinder gemeente Nissewaard vastgesteld. Dit beleid is gebaseerd op het beleid van de voormalige gemeente Bernisse waar Geervliet toe behoorde. Als uitgangspunt voor deze nota Hogere grenswaardenbeleid is de modelnota Hogere waardenbeleid Wet geluidhinder gebruikt. Deze modelnota is opgesteld in opdracht van de DCMR milieudienst Rijnmond door Meurs juristen. Naast toetsing aan de Wgh dient ook toetsing aan dit gemeentelijk geluidbeleid plaats te vinden. In het hogere waardenbeleid is aangegeven in welke volgorde de verschillende categorieën geluidbeperkende maatregelen moeten worden onderzocht en zijn afgewogen, voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld. De maatregelen, die de geluidbelasting beperken op de gevel van de geluidgevoelige bestemmingen hebben daarbij de voorkeur. Dit betekent dat eerst wordt onderzocht en overwogen of bronmaatregelen mogelijk zijn, vervolgens of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn en tot slot welke maatregelen bij de ontvanger kunnen worden getroffen. Indien geen doeltreffende maatregelen kunnen worden getroffen, zal worden gestuurd op geluidluwe gevel en/of een geluidluwe buitenruimte.
Geluidluwe gevel Een geluidluwe gevel is een gevel waar de geluidbelasting vanwege: • Wegverkeerslawaai lager is dan 53 dB • Spoorweglawaai lager is dan 55 dB • Industrielawaai lager is dan 50 dB(A) Bij het vaststellen van een hogere waarde is het belangrijk dat de geluidsituatie bij de geluidluwe zijde niet wordt verstoord door ander geluid dan waarover het hogere waardenbeleid gaat, zelfs niet als dit afkomstig is van bronnen, die niet onder een juridisch kader vallen. Zo blijkt bijvoorbeeld het parkeren op binnenterreinen regelmatig aanleiding te geven tot geluidhinder bij de omliggende woningen. Dus bij parkeren op binnenterreinen, in het bijzonder bij het belasten van geluidluwe gevels, zal aandacht worden besteed aan de geluidniveaus. Ook een speelplaats van een school kan overlast veroorzaken. Geluidluwe buitenruimte Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe zijde. Als er geen buitenruimte aanwezig is, wordt met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. Als een woning meerdere buitenruimten heeft, is het voldoende als één buitenruimte is gelegen aan de geluidluwe zijde. Aan bewoners wordt de mogelijkheid geboden om aan de geluidluwe zijde van de woning te verblijven. De geluidbelasting mag in principe niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidluwe gevel.
Cumulatie Bij het vaststellen van een hogere waarde moet rekening worden gehouden met eventuele cumulatie van geluidbelastingen (artikel 110a, zesde lid, Wgh). Dit kan het geval zijn, indien een geluidgevoelige bestemming is gesitueerd binnen meerdere geluidzones, zoals genoemd in artikel 110f van de Wgh. BP.1828.R01
pagina 8
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet De hogere waarde kan alleen worden vastgesteld, voor zover de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een naar het oordeel van B&W onaanvaardbare geluidbelasting. In welke gevallen sprake is van ‘onaanvaardbare geluidbelasting’ is niet aangegeven in de regelgeving. Het is zeer lastig om dit vooraf in beleid te formuleren, daarom zal per aanvraag de gecumuleerde geluidbelasting worden beoordeeld. In tabel 2.2. zijn waarden opgenomen waarin de landelijk geaccepteerde kwalificatie van gecumuleerde geluidbelasting is vermeld. Deze tabel wordt als richtlijn gebruikt bij de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting.
BP.1828.R01
pagina 9
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
3
UITGANGSPUNTEN BEREKENING GELUIDBELASTING 3.1
Algemeen
De planlocatie bevindt zich aan de Visserszijde 11a in Geervliet. De planlocatie wordt rondom omgeven door woningen. Op ruim 200 meter ten zuiden van de planlocatie bevindt zich de N218. Dit is de doorgaande weg vanaf Spijkenisse naar Brielle/Maasvlakte. Ten noorden van de planlocatie bevindt zich op circa 900 meter het industrieterrein Botlek/Pernis. In onderstaande figuur is een luchtfoto opgenomen met daarop aangegeven de planlocatie in relatie tot de omgeving.
Industrieterrein Botlek Pernis
Figuur 3.1: Weergave planlocatie (bron: luchtfoto PDOK)
De planlocatie omvat een perceel van circa 750 m2. Het perceel is vrij smal (15 meter) en langgerekt (ca. 50 meter). Het bouwvlak is direct aan de Visserszijde geprojecteerd in de voorgevellijn met de andere panden. De woning zal maximaal uit 2 lagen met een kap gaan bestaan. In onderstaande figuur is de situatie weergegeven.
BP.1828.R01
pagina 10
30-04-2019
Akoestisch onderzoek Visserszijde 11a Geervliet
Figuur 3.2: Nieuwbouwplan
3.2
Wegverkeerslawaai
3.2.1 Verkeersgegevens Voor de berekening van de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai is het noodzakelijk de samenstelling van het verkeer (lichte-, middelzware- en zware motorvoertuigen) en de verdeling van het verkeer over de dag- (07.00 - 19.00 uur), de avond- (19.00-23.00 uur) en de nachtperiode (23.00 - 07.00 uur) te kennen. In het rekenmodel is uitgegaan van verkeerscijfers voor het prognosejaar 2030, minimaal 10 jaar na realisatie van de nieuwbouw. De provinciale weg N218 wordt beheerd door de provincie Zuid-Holland. De prognosecijfers voor 2030 zijn door de provincie Zuid-Holland verstrekt en opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 3.1 Verkeersgegevens Weg: Etmaalintensiteit 2018 (weekdag)
N218 Groene Kruisweg 28.428 motorvoertuigen
Etmaalintensiteit 2030
31.973 motorvoertuigen
Type wegdekverharding weg
Dicht asfaltbeton (W0 - referentiewegdek in het rekenmodel)
Maximaal toegestane rijsnelheid
80 km/u
Verdeling in percentages
Dagperiode 07 - 19 u 6,3
Avondperiode 19 – 23 u 3,5
Nachtperiode 23 – 07 u 1,3