CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke opvang en vrouwenopvang ZHE 2026

Gemeenteraad 10 december 2025, gemeente NissewaardBij agendapunt: Verordeningen Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdhulp, Beschermd Wonen ZHE, Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang13.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 3.6 Verstrekkingsvorm In dit artikel wordt beschreven op welke wijze een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. De wetgever heeft vastgelegd dat cliënt altijd een persoonsgebonden budget (pgb) moet kunnen aanvragen, wanneer een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo wordt toegekend. Vandaar dat in deze verordening de regels voor een pgb zijn overgenomen uit de lokale verordening Wmo 2015 van de gemeente Nissewaard. Een maatwerkvoorziening opvang dient te voorzien in verblijf, passende begeleiding en bij de maatschappelijke opvang ook 24/7 toezicht. Dit is een wezenlijke combinatie, waarbij als een van deze onderdelen ontbreekt, er geen sprake is van opvang. Door deze wezenlijke combinatie is het in de praktijk lastig voor te stellen dat een maatwerkvoorziening opvang in de vorm van een pgb zal worden verstrekt. Maar in theorie bestaat daartoe de mogelijkheid. Wanneer de cliënt de verstrekkingsvorm wil wijzigen tussen zorg in natura en ondersteuning in de vorm van een pgb, staat het college dit toe, maar alleen nadat op basis van artikel 4.7 lid 1b 1° tot en met 10° getoetst is of de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoende pgb vaardig is.

Bij wijziging in financieringsstroom dient er aandacht besteed te worden aan het voorkomen van oneigenlijk gebruik. Artikel 3.7 Beoordeling van de aanvraag pgb

Het college toetst conform artikel 2.3.6 lid 2a van de wet of de cliënt of diens eventuele vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. De criteria genoemd in lid 1 zijn gebaseerd op de 10 punten pgb-vaardigheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De gemeenteraad van Nissewaard acht het nodig dat het college deze pgb-vaardigheid toetst aan de hand van de criteria die zijn beschreven in 4.6 lid 1. Als blijkt dat een maatwerkvoorziening nodig is en de inwoner wil dit in de vorm van een pgb, dan is de inwoner verplicht hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit plan kan tijdens de onderzoeksfase ingeleverd worden. De uiterste inleverdatum is bij het indienen van een aanvraag. Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. De gemeente werkt met een formulier waaraan een pgb-plan minimaal moet voldoen. In Nissewaard wordt dit het zorg- en budgetplan genoemd. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd.

Tijdens het gesprek krijgt de inwoner alle informatie (mondeling, brochure, formulieren, pgbvoorwaarden) die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan (zorg- en budgetplan) en het beheren van het pgb. Artikel 3.8 Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Het eerste, tweede en derde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.

Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college

voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Het eerste, tweede en derde lid geven regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn.

Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. Van belang is dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Een pgb wordt slechts verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

Artikel 3.9 In de beschikking kan bijvoorbeeld opgenomen worden dat er een intakegesprek is geweest en wanneer dat gevoerd is; afwijzing kan onderbouwd worden met als argument dat deze niet passend is of dat er een andere oplossing is gevonden. In het geval van Vrouwenopvang verstuurt de instelling zelf de beschikking.

Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten Artikel 4.1 Bijdrage voor woonlasten en levensonderhoud De hier genoemde bijdrage is geen eigen bijdrage in de zin van artikel 2.1.4. van de Wmo 2015; deze eigen bijdrage (het abonnementstarief) geldt namelijk niet voor een opvangvoorziening. Daarnaast geldt dat cliënten die in de opvang verblijven en hiernaast nog een andere vorm van ondersteuning vanuit de

Wmo ontvangen, tijdelijk geen eigen bijdrage voor de ondersteuning vanuit de Wmo hoeven te betalen. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het CAK. Lid 4 onder b De meeste cliënten van de vrouwenopvang zijn afhankelijk van een uitkering op grond van de Participatiewet. Echter, in de eerste periode van hun verblijf is deze uitkering meestal nog niet geregeld. Om de cliënten niet al direct met een schuld te belasten wordt daarom deze 1e maand vrijgesteld van de eigen bijdrage. De overweging om in de laatste maand geen eigen bijdrage te heffen, ligt in het gegeven dat vrouwen in de periode extra kosten moeten maken vanwege de verhuizing en inrichting van de eigen woning. Deze vrijstellingen worden ook geadviseerd door de landelijke ombudsman. Onder maand wordt hier verstaan een volle maand. Bijvoorbeeld: begin opvang 21 februari. Inhouding eigen bijdrage gaat in per 21 maart. Lid 4, onder c Door het onderschrijven van het verdrag van Istanbul, mogen personen zonder verblijfsvergunning die slachtoffer zijn van huiselijk geweld of slachtoffer zijn of dreigen te worden van eergerelateerd geweld in de opvang verblijven. In de periode dat ze nog geen vergunning hebben, beschikken zij echter ook niet over een inkomen omdat de uitkering op grond van de Participatiewet pas geregeld kan worden als er een verblijfsvergunning is.

Wanneer over deze periode wel een eigen bijdrage gevraagd zou worden, worden deze cliënten al direct met een start belast. In navolging van het advies van de landelijke ombudsman stelt daarom de gemeente Nissewaard deze periode vrij van een eigen bijdrage. Artikel 4.2 lid 2 De vaste dagbijdrage is gebaseerd op: •

Op grond van de bijstandsnorm voor alleenstaande eventueel min maximaal 20% voor cliënten in de opvang zonder woonlasten (op grond van de participatiewet artikel 27). Dit is het gemiddelde inkomenssituatie van cliënten binnen de maatschappelijke opvang in de regio ZuidHollandse Eilanden;

•

de uitkomst van berekeningen conform de eerdere normsystematiek. De eerdere normsystematiek betrof het verschil tussen de van toepassing zijnde norm voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder of gehuwde, bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22 van de Participatiewet, op 1 januari van enig jaar, minus de norm voor persoonlijke uitgaven, bedoeld in artikel 3.20 van Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, op 1 januari van enig jaar;

•

Voor de norm voor persoonlijke uitgaven zoals bedoeld in artikel 3.20 van Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt het actuele zak- en kleedgeldbedrag zoals bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 van de regeling langdurige zorg (Rlz) aangehouden.

•

en de wens om administratieve lasten te verminderen en cliënten vooraf duidelijkheid te geven over hun bijdrage.

Het vaste bedrag per dag zoals vermeld in de nadere regels is getoetst aan de draagkracht van cliënten met een inkomen op of rond bijstandsniveau zoals bedoeld in de eerdere normsystematiek. Omdat het uitgangspunt van de Wmo blijft dat niemand financieel in de knel mag komen, is opgenomen dat tijdelijk- maatwerk toegepast kan worden of een betalingsregeling kan treffen als de bijdrage

onevenredig zwaar uitvalt en de cliënt financieel niet uitkomt met het feitelijke inkomen. De hoogte van de zak- en kleedgeld regeling wordt ieder jaar door het CAK vastgesteld en gepubliceerd op de website. Artikel 4.2 lid 5 Het gaat erom dat de opvangorganisatie minder dan drie maaltijden aanbiedt en niet bij zelf weigeren van een maaltijd. Ook kan het voorkomen dat opvang noodzakelijk is maar er geen plaats is in de opvanginstelling. In dat geval wordt een alternatieve vorm van opvang verstrekt, bijvoorbeeld in een hotel of appartement op een recreatieterrein. In het laatste geval zal iemand zelf kunnen koken en kan de Nibud norm toegepast worden voor kosten voor voeding en zal dat bedrag afgetrokken worden van de eigen bijdrage. Bij een hotelplaatsing echter, is in de regel alleen een ontbijt inbegrepen bij de geboden opvang en zal in overleg met de cliënt bepaald moeten worden hoe deze voorziet in zijn voeding en welke kosten daarmee gepaard gaan. Soms is het bijvoorbeeld mogelijk dat een cliënt wel mee kan eten in een opvanginstelling of een andere regeling kan treffen. Artikel 4.3 Uitgangspunt is dat de zorgaanbieder zelf de eigen bijdrage rechtstreeks bij de client int. Eventueel kunnen regiogemeenten zelf afspraken maken over direct inhouden op de uitkering.

Hoofdstuk 5 Kwaliteit en Veiligheid Artikel 5.1 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen, deze staan in bijlage 1. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Dit cliëntervaringsonderzoek laat het college jaarlijks uit voeren, onder inwoners die een maatwerkvoorziening Wmo ontvangen, hierbij inbegrepen de cliënten van een opvangvoorziening. Artikel 5.2 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking

van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Artikel 5.3 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Op grond van het derde lid kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 3 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. De gemeente kan deze termijn overnemen, maar heeft de beleidsvrijheid om op dit punt eigen regels te stellen. Zie ook de Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, blz. 156-157 (bovenaan). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Het college kan overgaan tot terugvordering. Die beslissing vereist een belangenafweging, bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het spreekt voor zich dat deze bevoegdheid alleen gebruik wordt gemaakt met in achtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Welke belangen precies een rol spelen en hoe die dienen te worden afgewogen tegen het algemene belang van een rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden is sterk afhankelijk van de te beoordelen situatie. Het besluit tot herziening c.q. intrekking en beëindiging van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt geen executoriale titel, met uitzondering van de terugvordering op grond van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 (als de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt). Er is sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling, voor welke vordering het Burgerlijk Wetboek, boek 6, artikel 203 en verder, de wettelijke basis biedt. In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Indien mogelijk dient de debiteur de vordering in één keer af te lossen. Indien aflossing in één (1) keer niet mogelijk is, vindt de aflossing van de vordering in maandelijkse termijnen plaats, waarbij het college rekening houdt met de beslagvrije voet, totdat het gehele verschuldigde bedrag is terugbetaald. Als de debiteur binnen Nederland staat ingeschreven in het Basisregistratie personen, wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op een bedrag van € 150, voor zover de (bruto) vordering binnen 36 maanden volledig kan worden afgelost.

Als dit niet haalbaar is, wordt op

basis van een onderzoek een bedrag naar draagkracht vastgesteld. Indien de debiteur zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft of niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen wordt geen onderzoek naar draagkracht gedaan en op basis van art. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en afgezien van het gebruik van een beslagvrije voet. In gevallen waarbij de debiteur niet tijdig betaalt of een betalingsregeling niet nakomt, biedt het college door middel van een aanmaning een termijn om alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Indien het teruggevorderde bedrag niet vanzelf wordt terugbetaald, gaat het college over tot executie van de vordering en vaardigt hiertoe een dwangbevel uit. Waar mogelijk gaat het college over tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de persoon waarop de vordering is ontstaan, heeft op het college. Artikel 5.5 Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden.

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2) de cliënt niet voldoet aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of 3) de cliënt het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik

van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. Artikel 5.6 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

Hoofdstuk 6 Klachtenregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Artikel 6.1 In het eerste lid is overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet een regeling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente open voor het indienen van de klacht. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Hardheidsclausule

De individuele omstandigheden van de cliënt, zoals zijn persoonskenmerken en behoeften, kunnen het in bijzondere gevallen noodzakelijk maken om ten gunste van de cliënt gemotiveerd af te wijken van de verordening. Artikel 7.3 Overgangsrecht Cliënten die voor 1 januari 2026 recht hebben op de maatschappelijke opvang (geplaatst of met wachtlijstindicatie) en mensen die zich voor 1 januari 2026 gemeld hebben bij de regiogemeenten en/of centrale toegang van de centrumgemeente vallen onder het overgangsrecht. Het overgangsrecht geldt tot einde van het traject of uiterlijk tot en met 31 december 2026.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16360046/3