Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Nissewaard 2026
Tekst van het document
ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
Pagina 27 van 54
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen indien nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortduren toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
Pagina 28 van 54
kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Pagina 29 van 54
Bijlage 3, bedoeld in artikel 5.13, derde lid: Kwaliteitseisen zorg in natura (o.b.v. Kwaliteitskader: Jeugdwet, Wmo gemeente Nissewaard d.d. 1 januari 2023 versie 1.1) Inzet erkende methodieken
De zorgaanbieder dient bij voorkeur methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken, of vergelijkbaar. • Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies. • Nederlands Jeugd Instituut: Databank Effectieve Jeugdinterventies. • Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ. Met vergelijkbaar wordt bedoeld een databank of erkenningsregeling die op een met de werkwijze van Movisie, NJI of Trimbos instituut overeenkomstig protocol tot een onafhankelijke, goed geborgde en deskundige beoordeling komt van interventies en deze kenbaar maakt door middel van een actueel, transparant en goed toegankelijk openbaar register. Het werken met erkende methodieken, of vergelijkbaar, houdt onder meer in dat de zorgaanbieder de ondersteuning uitvoert op een doelgerichte, planmatige en geordende wijze. De zorgaanbieder plant en bewaakt de voortgang van de ondersteuning en is op verzoek van de gemeente bereid en in staat om te rapporteren over de voortgang van de ondersteuning en de mate waarin stappen zijn gezet naar de te bereiken resultaten.
De gemeente behoudt zich het recht voor om interventies die niet zijn opgenomen in een van de genoemde databanken, of vergelijkbaar, te beoordelen op de vraag of deze een voldoende en aantoonbare bijdrage leveren aan het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.
Uitgangspunten kwaliteit Ondersteuning op grond van de Wmo 2015
De onderstaande uitgangspunten zijn van toepassing op perceel hulp bij het huishouden, begeleiding en dagbesteding en casusregie over Wmo cliënten betreft. Voor de aanbestedende dienst is de kwaliteit van de ingezette ondersteuning van wezenlijk belang. Wij sluiten hiervoor aan bij de landelijke standaard, zoals deze is neergelegd in de basis set Kwaliteitseisen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Pagina 30 van 54
(VNG). Zorgaanbieders dienen te voldoen aan de in de basis set neergelegde kwaliteitseisen. Er wordt waar mogelijk inclusie bevordert conform de doelstellingen van het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap. De cliënt wordt betrokken • Het handelen van de zorgaanbieder is professioneel en gericht op het behoud, het herstel en het versterken van de eigen regie en zelfredzaamheid van de cliënt en het versterken van het sociale netwerk en de veerkracht van de cliënt. Er wordt uitgegaan van wat een cliënt wil en belangrijk vindt. Als het handelen van de cliënt een ernstig gevaar oplevert voor hem en/of zijn omgeving, dan moet de betrokken medewerker van de zorgaanbieder noodzakelijke actie(s) ondernemen. De ondersteuning sluit aan bij de leefwereld van de cliënt, in taalgebruik, denkniveau, cultuur en tempo en houdt rekening met de levensfase en de eigen kracht en zelfredzaamheid van een client. De aard, omvang en frequentie van de ondersteuning, wordt door de zorgaanbieder in samenspraak met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en/of zijn mantelzorger bepaald, uitgevoerd en geëvalueerd. De Ondersteuning is veilig • De relatie tussen cliënt en medewerker van de zorgaanbieder is voor de cliënt vertrouwd en stabiel. Wijzigingen in (schriftelijk) gemaakte afspraken tussen cliënt en professional worden binnen 5 dagen en op een bij de cliënt passende manier gemeld.
• De medewerker van de zorgaanbieder is in staat ervoor te zorgen dat de onderlinge relatie voor zowel de professional als de cliënt veilig is zowel lichamelijk als mentaal. • Er is schriftelijk overeenstemming met de cliënt over welke informatie door de professional gedeeld wordt en met wie. • De medewerker van de zorgaanbieder onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid en/of geweld dan wel mishandeling in de leefsituatie en het sociale netwerk van de cliënt, zoals omschreven de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. De Ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten • De medewerker van de zorgaanbieder heeft de kennis, houding en vaardigheden voor de betreffende ondersteuningsvraag van
Pagina 31 van 54
de cliënt en onderhoudt deze bijvoorbeeld door het volgen van relevante opleidingen. De professional krijgt de ruimte om hierin zelf keuzes te maken. • De ondersteuning aan de cliënt is aantoonbaar gericht op het behalen van het in ondersteuningsplan afgesproken resultaat. Dit wordt periodiek geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. • De medewerker van de zorgaanbieder is op de hoogte van en bekend met de andere hulpverleners die bij een cliënt betrokken zijn. Hij consulteert andere hulpverleners bij vragen en werkt samen waar dat zinvol is voor de doelstellingen van de cliënt en het behalen van het resultaat. Algemene uitgangspunten
Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten: • Het realiseren van zoveel mogelijk integrale begeleiding of behandeling. • Het waar mogelijk realiseren van afschaling, dat wil zeggen overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning zodra dit verantwoord is. • De zorgaanbieder maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, de ouders en/of de mantelzorgers en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen. • De zorgaanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de cliënt. • Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde omgeving van gezin, school en buurt.
Kwaliteit van de ondersteuning
De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval: • veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; • afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de cliënt ontvangt. • verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voort- vloeiende uit de professionele standaard. • verstrekt met respect voor en inachtneming van de (wettelijke) rechten van de Cliënt zoals onder andere het recht op privacy, het recht op vrijheid van meningsuiting et cetera.
Pagina 32 van 54
Inzet van personeel
De medewerker blijft binnen de grenzen van zijn of haar bekwaamheid en bevoegdheid. • Medewerkers die contact hebben met de cliënt zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring dient specifiek voor de betreffende functie die door de medewerker wordt uitgevoerd te zijn afgegeven. De verklaring mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene bij de aanbieder in dienst is getreden. Na indiensttreding draagt de aanbieder er zorg voor dat voor de medewerker ten minste eenmaal per vijf jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Deze VOG-verklaringen dienen op eerste verzoek van de aanbieder per omgaande te worden overlegd. • Alle medewerkers die direct contact hebben met cliënten beheersen de Nederlandse taal in woord en geschrift.
Melden calamiteiten
Calamiteiten binnen de Wmo zijn: • Een gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van ondersteuning en die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt heeft geleid. • Een gebeurtenis tijdens het ondersteuningsproces die tot schade aan de cliënt en/ of medewerker heeft geleid, had kunnen leiden of (nog) zou kunnen leiden. De zorgaanbieder is verplicht calamiteiten direct bij de gemeente te melden.
Signaleringsfunctie
De zorgaanbieder heeft een brede signaleringsfunctie. Hieronder wordt verstaan dat de zorgaanbieder op zo kort mogelijke termijn (zo snel als redelijkerwijs mogelijk is) overlegt met de gemeente en/of andere verwijzers als de zorgaanbieder op basis van zijn eigen professionele oordeel constateert dat sprake is van een of meer van de volgende situaties: • Het systeem van de cliënt kan op een intensievere manier een rol spelen bij het behalen van de doelen (resultaten) zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt. • Het geboden segment is niet voldoende dan wel te uitgebreid om de doelen/resultaten vastgesteld in het ondersteuningsplan van de cliënt te bereiken.
Pagina 33 van 54
• De doelen opgenomen in het zorgplan van de cliënt zijn niet passend bij de behoefte, situatie, omgeving en/of mogelijkheden van de cliënt. • Er is een ondersteuningsvraag van andere aard (zoals: schulden, werk, verslaving). • De cliënt vermijdt noodzakelijke ondersteuning. Signalering inzake huiselijk geweld en kindermishandeling De zorgaanbieder voert de opdracht uit met in achtneming van de actuele Meldcode voor Huiselijk Geweld en Kinderminshandeling. De zorgaanbieder maakt gebruik van het voor de sector waarin hij werkzaam is toepasselijke afwegingskader. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het adviesen meldpunt voor huiselijk geweld en/of kindermishandeling voor onder andere de gemeente Nissewaard. Veilig Thuis is 24/7 gratis bereikbaar op telefoonnummer 0800-2000 of via https://veiligthuisrr.nl/professional-en-wil-advies. Samenwerking met andere professionals
De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met andere professionals. De zorgaanbieders zijn verplicht om samen te werken op basis van de volgende principes: • In de samenwerking ligt de focus op het in het ondersteuningsplan geformuleerde doel (resultaat). Dit overstijgt de eigen belangen van de zorgaanbieder. • Het belang van de cliënten staat voorop in de samenwerking. • De zorgaanbieders verdiepen zich in elkaars ervaring, kennis, vaardigheden. • Bij onvrede, onduidelijkheid, frustratie, onenigheid of een vergelijkbare situatie gaan zorgaanbieders proactief een open gesprek aan om te achterhalen wat de wederzijds beweegredenen en belangen zijn en streven gezamenlijk naar een bevredigende oplossing.
Competenties medewerkers
Om zo veel mogelijk aan te sluiten bij landelijk geldende kaders volgt de Aanbestedende Dienst voor Hulp bij het huishouden, Begeleiding, Groepsbegeleiding en Dagbesteding de door Movisie43 opgestelde competenties maatschappelijke ondersteuning. Dit houdt in dat de medewerker van een zorgaanbieder ondersteuning moet kunnen bieden op basis van de volgende competenties:
Pagina 34 van 54
1. Verheldert vragen en behoeften van de Cliënt. 2.Versterkt eigen kracht en zelfredzaamheid van de Cliënt. • 3. Is zichtbaar en handelt proactief. • 4. Stimuleert verantwoordelijk en oplossingsgericht gedrag van de Cliënt. • 5. Stuurt aan op betrokkenheid en participatie van de Cliënt. • 6. Verbindt individuele en gemeenschappelijke vragen en potenties. • 7.Werkt samen en versterkt netwerken. • 8. Beweegt zich tussen verschillende werelden en culturen. • 9. Signaleert en speelt in op veranderingen. • 10. Is ondernemend en benut professionele ruimte. Als er aanleiding is om deze (competentie) profielen aan te scherpen en/of aan te vullen bespreekt de gemeente dit met de zorgaanbieders. • •
Ambulante ondersteuning, groepsgewijze ondersteuning, arbeidsmatige ondersteuning, hulp bij het huishouden.
In de dienstomschrijving in de Dienstencatalogus Nissewaard zijn in de bepalingen opgenomen aan welke kwalificaties medewerkers dienen te voldoen. De catalogus is te vinden op Nissewaard.nl
Pagina 35 van 54
Toelichting op de verordening Op grond van de Wet maatschappeljke ondersteuning 2015 moet door de gemeenteraad een verordening ter uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning worden vastgesteld, de zogenaamde verordeningsplicht. In de wet is op diverse punten aangegeven wat ten minste in de verordening moet worden opgenomen. Een van de uitgangspunten van de wet is dat hierbij telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en diens sociale netwerk. Daarna wordt door de gemeente onderzocht waar de gemeente in aanvulling hierop de cliënt in staat stelt om gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan diens mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren in de maatschappij. Er moet telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Doel is om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren.
Dit om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de wet valt. De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning bestond een recht op compensatie, terwijl het er nu om gaat dat er zorgvuldig moet worden gekeken naar de mogelijkheden die de client zelf heeft. Pas als is vastgesteld dat de client dit niet (voldoende) heeft kan er tot ondersteuning worden overgegaan. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning alleen waar ondersteuning nodig is. Als de cliënt van mening is dat het college de cliënt ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op diens bezwaar.
De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning, gelet op de situatie en de beperkingen van de cliënt, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Op grond van artikel 2.1.7 van de wet kunnen gemeenten bepalen dat personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen met daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Gemeenten hoeven dit echter niet te bepalen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid met betrekking tot de besteding van de middelen voor het bieden van maatwerk aan cliënten met meerkosten vanwege een beperking of chronische ziekte.
Pagina 36 van 54
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1. en 1.1.2) al een aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening (zie bijlage 1). Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ en ‘beschikking’. De procedure in de Wmo wijkt af van het aanvraagproces zoals dat is beschreven in de Awb. Voordat volgens de Wmo sprake is van een aanvraag moet er eerst een melding door de client of zijn vertegenwoordiger worden gedaan. De gemeente is dan verplicht om te onderzoek wat de hulpvraag en behoeften van de client zijn. In dat onderzoek, waarbij de client onder meer gewezen wordt op de mogelijkheden van clientonderzoek moet gekeken worden naar de eigen mogelijkheden van de client en zijn sociale netwerk. In een zogenaamd keukentafelgesprek wordt dit besproken met de client, waarna er een onderzoeksverslag wordt opgesteld. Dit verslag kan gevolgd worden door het indienen van een aanvraag. Pas daarna zijn de bepalingen over de aanvraag en de beschikking vanuit de Awb van toepassing.
Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening geldt dat de voorziening niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, feitelijk beschikbaar is en betaalbaar geacht wordt uit een inkomen op minimumniveau. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 22 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1364) benadrukt dat daarnaast van belang is of de voorziening onder de gehele bevolking als gangbaar wordt beschouwd. Een voorziening die slechts in beperkte mate of door een specifieke doelgroep wordt gebruikt, kan daarom niet zonder meer als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de beoordeling niet alleen ziet op de financiële en feitelijke beschikbaarheid, maar tevens op de maatschappelijke gebruikelijkheid van de voorziening.
Hoofdstuk 2 Integrale ingang Deze bepalingen zijn opgenomen om het zelf- en samen oplossend vermogen van de inwoner te stimuleren en te versterken. Het gaat hierbij een herkenbare en integrale ingang voor sociaal maatschappelijke vragen, waarbij informatie-, advies- en ondersteuningsvragen van inwoners op een eenduidige wijze worden behandeld.
Hoofdstuk 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp Artikel 1.3 is opgenomen, omdat gemeenten volgens de wetgever en de CRvB beleid moeten maken over gebruikelijke hulp, zodat de beoordeling niet afhangt van toeval of willekeur. Datzelfde geldt ook wanneer er mantelzorg geboden wordt. Vervolgens moeten gemeenten in individuele situaties steeds een goede afweging maken en daarbij rekening houden met alle specifieke omstandigheden (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 28-29 en Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 140. Dit hoofdstuk bevat bepalingen over de wijze waarop het college bij het onderzoek naar de noodzaak van een maatwerkvoorziening (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet) de eigen kracht van de cliënt en de inzet van gebruikelijke hulp betrekt. De Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2024:3237) stelt, in lijn met eerdere uitspraken in het kader van de Jeugdwet, dat het bestuursorgaan bij zijn beoordeling
Pagina 37 van 54 transparant en toetsbaar moet maken in hoeverre eigen kracht en hulp uit het sociaal netwerk kunnen worden ingezet. De bepalingen in dit hoofdstuk beogen een eenduidig en toetsbaar kader te bieden voor zowel de beoordeling als de communicatie richting cliënten en hun omgeving. Daarbij is steeds sprake van een individuele, op maat gemaakte afweging van de relevante omstandigheden. Artikel 3.1 Eigen kracht In dit artikel is nader uitgewerkt wat onder ‘eigen kracht’ wordt verstaan. De definitie sluit aan bij de jurisprudentiële invulling van het begrip in zowel het sociaal domein als de Wmo-praktijk. De beoordeling van de eigen kracht betreft een integrale afweging, waarin niet alleen wordt gekeken naar de mogelijkheden van de cliënt zelf, maar ook naar de draagkracht en bereidheid van het sociaal netwerk. De genoemde beoordelingsfactoren bieden houvast voor een transparante en zorgvuldige beoordeling, en maken ook duidelijk dat sprake is van maatwerk: factoren als belastbaarheid, planbaarheid van de zorg, beschikbaarheid van mantelzorgers en het normenkader van het netwerk spelen daarin een belangrijke rol. Artikel 3.2 Gebruikelijke hulp Dit artikel geeft nadere invulling aan het begrip gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp betreft de ondersteuning die huisgenoten binnen een gezamenlijke leefeenheid redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten.
Deze hulp maakt geen onderdeel uit van een maatwerkvoorziening en wordt als een voorliggende voorziening beschouwd in de zin van artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet. De begripsomschrijving sluit aan bij landelijke richtlijnen, zoals de Handreiking Gebruikelijke Hulp en de Indicatiewijzer, en is onderbouwd door jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2020:2964). Het onderscheid tussen gebruikelijke hulp en mantelzorg wordt expliciet gemaakt. Mantelzorg betreft vrijwillige zorg die de gebruikelijke hulp in duur, intensiteit of zwaarte overstijgt en kan bij de beoordeling van eigen kracht worden meegewogen, zonder dat zij onderdeel uitmaakt van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet). Bijzondere omstandigheden zoals langdurige afwezigheid van een huisgenoot door werkverplichtingen of opleiding worden meegewogen bij de beoordeling van de inzet van gebruikelijke hulp, zoals genoemd in artikel 3.3, lid 6. Daarnaast geldt dat gebruikelijke hulp door kinderen niet mag leiden tot overbelasting, met name niet ten koste van hun schoolprestaties en ontwikkeling (artikel 3.3, lid 7 en 8). Verder voorziet dit artikel in de mogelijkheid om tijdelijk ondersteuning te bieden bij het aanleren van huishoudelijke vaardigheden, zodat huisgenoten beter in staat zijn hun gebruikelijke hulp te verlenen (artikel 3.3, lid 9).
De grenzen van wat van huisgenoten redelijkerwijs verwacht mag worden worden zorgvuldig afgewogen, waarbij het college oog houdt voor de draagkracht van het sociale netwerk en de cliënt (artikel 3.3, lid 10).
Pagina 38 van 54 Hiermee wordt een balans gezocht tussen de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt en het netwerk, en de rol van het college in het bieden van passende ondersteuning waar gebruikelijke hulp en eigen kracht ontoereikend blijken.
Hoofdstuk 4 Melding & Onderzoek Artikel 4.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als uitwerking van de verplichting om te bepalen op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie, (artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet). In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Artikel 3.1 verankert in lijn daarmee in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan nadat (naar aanleiding van de melding) het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding moet bij het college worden gedaan. Dit kan via de website van Thuis in Nissewaard. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.
Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Na de melding van de hulpvraag kan de cliënt een gemotiveerd persoonlijk plan indienen. Het persoonlijk plan gaat vooraf aan het gesprek en is onderdeel van het onderzoek. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over diens zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en ook het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. De cliënt kan in het persoonlijk plan opschrijven wat de voorkeur is van welke personen of organisaties de cliënt ondersteuning wil ontvangen.
Pagina 39 van 54 Artikel 4.2 Cliëntondersteuning Overeenkomstig artikel 2.2.4, eerste lid, van de wet, moet het college ervoor zorgen dat er voor alle ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de cliënt en diens mantelzorger voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning (artikel 2.3.2, derde lid, van de wet). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daar deel van uit. In het eerste lid houdt borgen in dat afhankelijkheid tussen client en zorgaanbieder zoveel mogelijk wordt tegengegaan als de client geen onafhankelijke clientondersteuning wenst te ontvangen.
Hiermee wordt beoogd dat er met voldoende distantie en voldoende objectiviteit vastgesteld kan worden wat de zorgbehoefte is en welke hulp nodig is. Artikel 4.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek al concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 3.4, tweede lid.
De verplichting tot het overleggen van stukken voorafgaand of tijdens het gesprek, zoals vermeld in het derde lid, is opgenomen in het verlengde van de artikelen 2.3.2, zevende lid, en 2.3.4 van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven.
Pagina 40 van 54 Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. Artikel 4.4 Onderzoek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In dit artikel raak je de eerste onderzoeken van de integrale toegang en wordt er in dit stadium dieper op ingegaan. Het gaat hier om een grondiger onderzoek om de noodzaak te beoordelen van de hulpvraag. Dit lid benadrukt het belang van een grondig en zorgvuldig onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, waarbij het college zo nodig deskundigen, de melder, mantelzorgers en familie betrekt. Dit sluit aan bij artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, dat vereist dat de gemeente een volledig beeld krijgt van de hulpvraag, de ervaren problemen en de benodigde ondersteuning.
Het doel is om te bepalen in hoeverre eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en algemene voorzieningen bijdragen aan het voldoen aan de ondersteuningsbehoefte, zodat maatwerkvoorzieningen alleen worden ingezet als dit echt noodzakelijk is. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het onderzoek hoeft uiteraard niet opnieuw plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. De onderdelen van het derde lid zijn in overwegende mate overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet opgenomen. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Een precieze vorm van het onderzoek wordt hiermee niet voorgeschreven. Tijdens het onderzoek komen de onderwerpen genoemd in de onderdelen a tot en met j ter sprake, voor zover het (nog) nodig is dit in persoon te bespreken.
Waar het betreft de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet dient echter zonder meer – in enige mate – onderzoek plaats te vinden. In bepaalde gevallen is hiervoor een gesprek in persoon echter niet (meer) nodig. Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen, omdat in de nota naar aanleiding van het verslag(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183). het volgende is opgenomen: “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of
Pagina 41 van 54 participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal” (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183). Artikel 4.5 Onderzoeksverslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat aanvraag van een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het onderzoeksverslag, ook wel ondersteuningsplan 1 genoemd. Soms kan een onderzoeksverslag direct worden meegegeven, maar toch zal er vaak verwerkingstijd overheen gaan. Er wordt gestreefd om binnen vijf werkdagen na het gesprek een verslag van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken.
Hoofdstuk 5 Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 5.1 Aanvraag maatwerkvoorziening Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie in aanmerking komt. Het doel in deze fase is om helderheid te verschaffen over eventuele verschillen tussen hulpbehoefte, hulpvraag, onderzoek en mogelijk te verstrekken voorzieningen. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier
Pagina 42 van 54 het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In artikel 4:2 van de Awb staat dat een aanvraag wordt ondertekend. De aanvraag bevat tenminste de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. Daarnaast verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door de cliënt gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 3.1 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Het dossier dient dus een getekende aanvraag dan wel een ondertekend verslag te bevatten.
Artikel 5.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde lid van de wet.
Het derde lid is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de wet mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken (zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRV:2019:395 en 396). Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Deze is geregeld in 6.6. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als diens voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De wet verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is ervoor gekozen om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is.
Pagina 43 van 54 Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening. In de memorie van toelichting bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 148) is opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college.
Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. J, p. 18).
Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vierde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Artikel 5.3, lid 2 kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostenvergoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.
Pagina 44 van 54 De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopste adequate" voorziening geldt als norm voor de verstrekking. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan kiest de gemeente voor de goedkoopste voorziening, met daarin de prijs-kwaliteit afweging. Hierbij wordt rekening gehouden met de wensen van de inwoner. Als belanghebbende een duurdere oplossing verkiest of extra-accessoires wil, dan moet betrokkene de meerkosten daarvan zelf betalen. Artikel 5.3 Woonvoorziening Omdat een woonvoorziening een vaak complexe (en vaak kostbare) voorziening is worden hieraan specifieke voorwaarden gesteld. Daarnaast vloeien hier rechten en plichten uit voort. In artikel 5.3 wordt onder meer beschreven wat een woningvoorziening behelst. Artikel 5.4 Aanpassing keuken en badkamer Dit artikel regelt de beoordeling van aanpassingen aan de keuken en badkamer in het kader van de maatwerkvoorzieningen. Het uitgangspunt is dat alleen de noodzakelijke aanpassingen, voortvloeiend uit de beperkingen van de cliënt, in aanmerking komen voor vergoeding. Bij vervanging van bestaande keukens of badkamers wordt strikt beoordeeld welke onderdelen vanwege de beperkingen aangepast moeten worden.
Daarnaast wordt rekening gehouden met de technische afschrijving van de bestaande keuken of badkamer. Kosten die sowieso gemaakt zouden worden vanwege slijtage of veroudering, kunnen worden aangemerkt als ‘algemeen gebruikelijk’ en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij wordt uitgegaan van wat voor algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen als gebruikelijk geldt. Artikel 5.5 Weigering woonvoorziening In dit artikel worden de gronden voor weigering van een woonvoorziening vermeld. Deze behoeven geen verdere toelichting. Artikel 5.6 Bezoekbaar huis Voor een in een instelling in Nissewaard verblijvende inwoner kan in specifieke situaties een woning in Nissewaard bezoekbaar worden gemaakt. Als voorbeeld kun je hier denken aan de voormalige ouderlijke woning, zodat sociaal contact zich niet alleen hoeft te beperken tot de instelling waar de client verblijft. Het moet dan wel gaan om een in een instelling in Nissewaard verblijvende client. Artikel 5.7 Voorwaarden en weigeringsgronden In dit artikel zijn een aantal redenen beschreven op grond waarvan een aanvraag voor een Wmo voorziening geweigerd kan worden. Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat belanghebbende een ingezetene van Nissewaard is (artikel 4.4 onder c). Belanghebbende moet ingeschreven staan in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) van de gemeente Nissewaard.
Het hoofdverblijf betekent
Pagina 45 van 54 volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in de BRP, belanghebbende moet daadwerkelijk en aantoonbaar het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Uitzondering hierop zijn mensen die vanwege opname in een instelling dan wel beschermde woonvorm tijdelijk (korter dan 6 maanden) hun hoofdverblijf buiten Nissewaard hebben. Als belanghebbende kan aantonen op korte termijn in Nissewaard komt te wonen, kan – als belanghebbende nog niet staat ingeschreven in de BRP - de melding in behandeling worden genomen. De inwoner moet dan wel binnen zes weken na de melding zijn ingeschreven in de BRP. Artikel 5.8 Verstrekkingsvorm In dit artikel wordt beschreven op welke wijze een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Wanneer de cliënt de verstrekkingsvorm wil wijzigen tussen zorg in natura en ondersteuning in de vorm van een pgb, staat het college dit toe, maar alleen nadat op basis van artikel 5.10 lid 1b 1° tot en met 10° getoetst is of de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoende pgb vaardig is. Bij wijziging in financieringsstroom dient er aandacht besteed te worden aan het voorkomen van oneigenlijk gebruik. Artikel 5.9 Beoordeling van de aanvraag pgb Het college toetst in overeenstemming met artikel 2.3.6 lid 2a van de wet of de client of diens eventuele vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is.
De criteria genoemd in lid 1 zijn gebaseerd op de 10 punten pgb-vaardigheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De raad acht het nodig dat het college deze pgb-vaardigheid toetst aan de hand van de criteria die zijn beschreven in 5.11 lid 1. Als blijkt dat een maatwerkvoorziening nodig is en de cliënt wil dit in de vorm van een pgb, dan is de cliënt verplicht hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit plan kan tijdens de onderzoeksfase ingeleverd worden. De uiterste inleverdatum is bij het indienen van een aanvraag. Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. De gemeente werkt met een formulier waaraan een pgb-plan minimaal moet voldoen. In Nissewaard wordt dit het zorg- en budgetplan genoemd. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd. Tijdens het gesprek krijgt de cliënt alle informatie (mondeling, brochure, formulieren, pgb-voorwaarden) die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan (zorg- en budgetplan) en het beheren van het pgb.
Pagina 46 van 54 Artikel 5.10 Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de client dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Het eerste, tweede en derde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). De tarieven zoals in het derde lid zijn aangepast op basis van de CRvBuitspraak van 30 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en ECLI:NL:CRVB:2025:1276). Een pgb voor inzet van het sociaal netwerk wordt nu als toereikend beschouwd wanneer het minimaal het wettelijke minimumloon inclusief 8% vakantiegeld bedraagt. Hiermee vervalt de eerdere koppeling aan cao VVTtarieven. Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Het eerste, tweede en derde lid geven regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt
Pagina 47 van 54 een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn. Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. De zaak “die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” (onderdeel a) kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd. Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). In het vijfde lid, onder f, is opgenomen dat het pgb niet mag worden besteed aan hulpmiddelen of aanpassingen wanneer het ziektebeeld progressief is en de verwachting is dat er maar korte tijd gebruik gemaakt zal worden van deze voorzieningen. In dit geval beslist het college beslissen geen pgb te verstrekken; dit om kapitaalvernietiging te voorkomen.
Artikel 5.11 Inhoud beschikking Het ondersteuningsplan 2 of de gesloten zorgovereenkomst dient aangeleverd te worden aan de gemeente. Pas als het dossier compleet is kan er overgegaan worden op beschikken en het uitkeren van het pgb. Tweede lid onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld 'mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel.’ Tweede onder b: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 5.1 van de verordening en artikel 2.1.4, zesde lid. Van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, wordt vastgesteld door het CAK.
Pagina 48 van 54 Artikel 5.12 Kwaliteitseisen pgb Indien aan de eisen wordt voldaan zoals opgenomen in dit artikel, wordt naar oordeel van het college de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning gewaarborgd (zoals bedoel in het tweede lid van artikel 2.3.6.). Indien de met het pgb in te kopen ondersteuning wordt geleverd door een professionele zorgaanbieder komen de kwaliteitseisen overeen met de kwaliteitseisen die gesteld zijn aan zorgaanbieders die zorg in natura leveren. De kwaliteitseisen zorg in natura zijn opgenomen in bijlage 3. Artikel 5.13 pgb woningaanpassing Ook een woonvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van een pgb. Hiervoor is het noodzakelijk de procedure hiertoe in de verordening op te nemen. Artikel 5.14 Contra-indicaties, weigeringsgronden en herzieningsgronden voor het pgb De weigeringsgronden voor wmo-pgb’s kunnen ontleend worden aan artikel 2.3.6. lid 2 van de wet. Daar staan voorwaarden genoemd om voor een pgb in aanmerking te komen. Artikel 4.10 eerste lid onder c is opgenomen om een professionele afstand tussen zorgverlener en zorgaanvrager te borgen, zodat er geen financiële afhankelijkheid wordt gecreëerd tussen vertegenwoordiger en de hulpverlener. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet).
Dit is opgenomen in lid 1 onder i. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Artikel 5.15 Wisselen van zorgverlener Voor het welslagen van een succesvol traject of een succesvol gebruik van een verstrekte voorziening is het noodzakelijk dat client en zorgverlener op een juiste manier met elkaar omgaan. Indien dit naar het oordeel van de client niet aan de orde is kan hij overgaan tot wisseling van de zorgverlener. In dit artikel is bepaald dat wanneer dat dan wel kan worden onderzocht of de nieuwe geboden ondersteuning of zorg voldoet aan de kwalitatieve en doelmatige grondslagen.
Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s Aanbieders van algemene voorzieningen kunnen een bijdrage vragen in de kosten voor consumpties en materialen.
Pagina 49 van 54
Op grond van het Besluit verlaging eigen bijdrage Wlz zorg en maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2017/18, 34 104, nr. 225) betalen vanaf 1 januari 2019 alle cliënten die gebruik maken van één of meer Wmo maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van beschermd wonen of de maatwerkvoorziening opvang, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periodebijdrage zoals genoemd in Kamerstukken II 2017/18, 34 104, nr. 225 per maand. Conform het nieuw toegevoegde onderdeel in het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geldt de maximale periodebijdrage niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de wet bij het vaststellen van de bijdrage. In dit artikel is ook vastgelegd dat gebruikers van het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) een andere eigen bijdrage verschuldigd zijn. Met andere woorden: zij betalen niet het abonnementstarief, maar een bijdrage per gereden kilometer (artikel 3.8, lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en Veiligheid Artikel 7.1 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen, deze staan in bijlage 2. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.