Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2026; wijzigingslijst
Tekst van het document
Wijzigingslijst Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2026 Nieuw Hoofdstuk 1 Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing 1 Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, onder meer door: a. te helpen bij het verhelderen van de behoefte aan ondersteuning, hulp en zorg; b. begrijpelijke informatie te verstrekken over de ondersteuning, hulp en zorg die door andere mensen en organisaties wordt geboden; c. te verwijzen en zo nodig hulp te bieden bij de toegang naar de mensen en organisaties, bedoeld onder b. 2. Het college voorziet inwoners van begrijpelijke informatie over het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein. 3. Het college wijst inwoners op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning zoals genoemd in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 1.4 Definities In deze verordening en de daarop berustende
Oud
Wijziging
Artikel 2.1 Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Het college zorgt er voor dat inwoners die daar om verzoeken:
Artikel 1.1 vervangt het oude artikel 2.1 en is redactioneel herschikt. De zorgplicht van het college is verduidelijkt en breder geformuleerd als taak om de zelfredzaamheid en participatie van inwoners te bevorderen. De onderdelen over het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte, het verstrekken van begrijpelijke informatie en het verwijzen naar passende instanties zijn inhoudelijk overgenomen uit het oude artikel. De bepaling over cliëntondersteuning is ongewijzigd overgenomen.
a. worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i.
het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en;
ii.
hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;
b. worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; c. worden doorverwezen naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning zoals genoemd in artikel 2.2.4 van de wet. Artikel 1.2 Definities In deze verordening en de daarop berustende
Een aantal definities zijn hierin verwijderd omdat deze later in artikelen aan bod komen of niet 1
bepalingen wordt verstaan onder: -
algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van de zelfredzaamheid of participatie en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op het minimum;
-
zorg in natura: door de gemeente ingekochte zorg bij aanbieders.
bepalingen wordt verstaan onder: meer van toepassing zijn. - algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van de zelfredzaamheid of participatie en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op het minimum; - pgb: persoonsgebonden budget; - professionele zorgaanbieder: de aanbieder die maatschappelijke ondersteuning biedt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; - professionele zorgverlener: een persoon, niet zijnde een partner of familielid van de cliënt, die in het bezit is van branchespecifieke diploma’s voor het verlenen van de betreffende maatschappelijke ondersteuning en die voor het verlenen van de betreffende ondersteuning in dienst is bij een professionele zorgaanbieder of een detacheringsbureau of die hiervoor als zelfstandige zonder personeel geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel; - VOG: verklaring omtrent het gedrag; - wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; 2
-
zorg in natura: door de gemeente ingekochte zorg bij zorgorganisaties. Artikel 1.3 Afstemming op gebruikelijke hulp en mantelzorg De maatschappelijke ondersteuning wordt zo doelmatig als mogelijk is, afgestemd op de gebruikelijke hulp en mantelzorg. Het college bepaalt in nadere regels op welke wijze dit gebeurt.
Dit artikel is komen te vervallen omdat dit nu nader is uitgewerkt in hoofdstuk 3.
Hoofdstuk 2
3
Artikel 2.1 afstemming op andere vormen van ondersteuning, hulp en zorg Het college stemt de hulp en ondersteuning waaraan een inwoner behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a.
de Jeugdwet,
b.
de Leerplichtwet,
c.
de Participatiewet,
d. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, e.
de Wet Inburgering,
f.
de Wet kinderopvang,
g.
de Wet langdurige zorg,
h.
de Wet op het passend onderwijs,
i.
de Wet publieke gezondheid,
j. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, k.
Artikel 2.2 Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning (LID 1) 1.De afstemming heeft in ieder geval betrekking op hulp, ondersteuning en instanties vanuit: a. de Jeugdwet, b. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, c. de Participatiewet, d. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, e. de Wet langdurige zorg, f. de Wet op het passend onderwijs, g. de Leerplichtwet, h. de Wet Inburgering, i. de Wet publieke gezondheid, j. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, k. de Wet kinderopvang, l. de Zorgverzekeringswet, m. Lokaal zorgnetwerk, Zorg & Veiligheidshuis en Veilig thuis.
Oude artikel 2.2 gesplitst om beter aan te sluiten bij de klantreis. Redactionele wijzigingen.
Artikel 2.2 Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning (LID 2 & 3) 2.De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie
2.4.2.a mantelzorg toegevoegd. 2.4.2.b toegevoegd, afweging van gebruikelijke hulp toegevoegd. 2.4.2.c. herschreven.
de Zorgverzekeringswet,
l. Lokaal zorgnetwerk, Zorg & Veiligheidshuis en Veilig Thuis. Artikel 2.4 Vervolg na afstemming met andere wetgeving 1. De afgestemde hulp en ondersteuning wordt
4
die voor cliënt, jeugdige of zijn ouders of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote a. het opheffen van een situatie die voor waarschijnlijkheid leidt tot cliënt, jeugdige of zijn ouders of diens omgeving ernstige gezondheidsschade; levensbedreigend is, of met grote b. stabilisatie van een waarschijnlijkheid leidt tot ernstige crisissituatie, anders dan bedoeld gezondheidsschade; onder a; c. voldoende mate van duurzame b. stabilisatie van een crisissituatie, zelfredzaamheid van cliënt of anders dan bedoeld onder a; jeugdige of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen c. voldoende mate van duurzame ligt; zelfredzaamheid van cliënt of jeugdige of zijn d. voldoende mate van meedoen ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; in de lokale samenleving voor cliënt, jeugdige of zijn ouders, d. voldoende mate van meedoen in de voor zover dat binnen het lokale samenleving voor cliënt, jeugdige of zijn vermogen ligt. ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van hulp 2. Het college zet hulp en ondersteuning en ondersteuning de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en zo doelmatig mogelijk in en betrekt daarbij in ondersteuning van de cliënt of samenhang de volgende aspecten: het gezin, almede de eigen kracht en mogelijkheden van het a.
de aard en omvang van de hulpvraag sociale netwerk; van de cliënt of het gezin, alsmede de eigen b. welke volgorde van inzet van kracht, de inzet van mantelzorg en hulp en ondersteuning naar mogelijkheden van het sociale netwerk; verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en b. in hoeverre in de hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of ondersteuning kan worden voorzien vanuit de moet worden ingezet; gebruikelijke hulp; c. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste c. de volgorde en wijze van inzet van hulp zodanig ingezet dat dit leidt tot:
5
en ondersteuning, voor zover deze naar verwachting het meest doelmatig bijdragen aan het behalen van het beoogde resultaat, waarbij tevens wordt beoordeeld of gelijktijdige inzet noodzakelijk of wenselijk is.
maatschappelijke kosten op lange termijn.
Hoofdstuk 3 Artikel 3.1 Eigen kracht 1. Onder eigen kracht wordt verstaan de mate waarin de cliënt in staat is zelf, dan wel met ondersteuning van diens sociaal netwerk, oplossingen te vinden voor zijn ondersteuningsvraag.
Heel hoofdstuk 3 is nieuw toegevoegd vanuit de nadere regels. Dit hoofdstuk concretiseert de wettelijke verplichting van het college om bij het onderzoek naar een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te betrekken in hoeverre de cliënt, diens sociaal netwerk en leefeenheid ondersteuning kunnen bieden. Het hoofdstuk biedt een normatief kader voor het beoordelen van eigen kracht, gebruikelijke hulp en de verhouding tot mantelzorg, met oog voor belastbaarheid, redelijkheid en de menselijke maat. Artikel 3.1 definieert het begrip ‘eigen kracht’ en benoemt concrete beoordelingsfactoren, zoals belastbaarheid, zelfredzaamheid, planbaarheid en overbelasting. Hiermee wordt het toetsingskader voor de beoordeling van eigen kracht verduidelijkt en geüniformeerd.
2. Bij de beoordeling van de eigen kracht worden ten minste de volgende factoren meegewogen: a. de fysieke en psychische belastbaarheid van de cliënt; b. de mate van zelfredzaamheid van de cliënt; c. de planbaarheid van de benodigde zorg en ondersteuning; d. het risico op overbelasting van cliënt. Artikel 3.2 Gebruikelijke hulp 1. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: de hulp die, naar algemeen aanvaarde opvattingen, in redelijkheid mag worden verwacht van huisgenoten, echtgenoten of andere leden van de leefeenheid waarmee
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Nissewaard 2025 - Hoofdstuk 2 https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR7331 02/1#hoofdstuk_2
Komt ook vanuit de nadere regels en is herschreven zodat het passend is binnen de verordening. Inhoudelijk is hier niks aan veranderd, redactioneel wel. Artikel 3.2 biedt een duidelijke afbakening van gebruikelijke hulp ten opzichte van mantelzorg en beschrijft wanneer, door wie en onder welke omstandigheden 6
de cliënt een gezamenlijk huishouden voert. 2. Gebruikelijke hulp onderscheidt zich van mantelzorg. Bij mantelzorg, zoals bedoeld in bijlage 1, wordt de normale gebruikelijke zorg in zwaarte, duur of intensiteit aanmerkelijk overschreden.
gebruikelijke hulp verwacht mag worden. Houdt rekening met draagkracht, redelijkheid en uitzonderingssituaties.
3. Van huisgenoten wordt verwacht dat zij: a. huishoudelijke taken verrichten die in de betreffende leefsituatie gebruikelijk zijn; b.
bij tijdelijke ziekte of beperkingen ondersteuning bieden aan elkaar, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is;
c. verzorging en begeleiding bieden bij dagelijkse levensverrichtingen, voor zover dit past binnen hun draagkracht en belastbaarheid. 4. Bij de beoordeling van de inzet van gebruikelijke hulp worden ten minste de volgende factoren betrokken: a. de aard, duur en frequentie van de ondersteuningsbehoefte; b. de fysieke en psychische belastbaarheid van de huisgenoot; c. andere verplichtingen, waaronder 7
werk, studie of zorgtaken van de hulpvrager en de huisgenoten; d. de planbaarheid ondersteuning;
van
de
e. de samenstelling huishouden.
van
het
5. Voor inwonende kinderen geldt dat zij niet zwaarder belast mogen worden dan redelijk is in vergelijking met leeftijdsgenoten in reguliere gezinnen. Daarbij wordt het risico op overbelasting en de invloed van huishoudelijke taken op schoolprestaties meegewogen. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot zorg, zoals vermeld in de bij deze verordening behorende bijlage 2. 6. Tot de gebruikelijke hulp van kinderen aan jongere gezinsleden kan slechts worden gerekend ondersteuning waartoe het kind uitdrukkelijk bereid is, die geacht wordt passend te zijn gezien diens leeftijd, belastbaarheid en ontwikkelingsniveau, en waarvoor instemming van de ouders aanwezig is. 7. Indien een huisgenoot de vereiste huishoudelijke vaardigheden of organisatorisch vermogen mist, kan tijdelijk 8
ondersteuning worden ingezet gericht op het aanleren van deze vaardigheden, voor zover dit noodzakelijk is. Deze ondersteuning is van korte duur en gericht op zelfredzaamheid. 8. Beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden niet gecompenseerd, voor zover de cliënt deze beperkingen, naar het oordeel van het college, kan ondervangen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met een algemeen gebruikelijke voorziening of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Indien die mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn, beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 3
Nummering van alle artikelen
9
Artikel 4.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.1, wordt door de cliënt gemeld. Als de cliënt zich laat bijstaan of vertegenwoordigen, wordt de onderlinge relatie schriftelijk vastgelegd en het doel van de vertegenwoordiging duidelijk omschreven, zodat de hulpvraag en de voorziening zo objectief mogelijk kunnen worden vastgesteld. 1. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en start uiterlijk binnen zes weken een onderzoek. 2. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 3.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.1, wordt door de cliënt gemeld. Als de cliënt zicht laat bijstaan of vertegenwoordigen, dan wordt de onderlinge relatie schriftelijk kenbaar gemaakt. Als er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie wijst het college nadrukkelijk op onafhankelijke cliëntondersteuning zoals bedoeld in artikel 3.2.
Tekstuele wijzigingen. Verwijzing naar clientondersteuning weggehaald, komt terug in artikel 4.2.
2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en starten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het toegangsproces.
3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het toegangsproces.
10
Artikel 4.2 Cliëntondersteuning 1. Het college borgt dat cliënten bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 4.3, de mogelijkheid hebben gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot cliëntondersteuning.
Artikel 3.2 Cliëntondersteuning 1.Als er sprake is van een vertegenwoordiger borgt het college onafhankelijkheid bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 3.3 en verder, door onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden. 2.Bij een melding zoals bedoeld in artikel 3.1 dient de verhouding tussen de cliënt en vertegenwoordiger en het doel van de vertegenwoordiging duidelijk te zijn om zo objectief mogelijk de hulpvraag en de voorziening te kunnen vaststellen. 3.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot cliëntondersteuning.
Redactionele wijzigingen.
11
Artikel 4.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1. Het college verzamelt voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en diens situatie. 2. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 op te stellen en stellen hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 3. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4. Als de cliënt en diens omstandigheden genoegzaam bekend zijn bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 3.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, in aanvulling op de informatie verzameld bij de integrale ingang, zoals bedoeld in hoofdstuk 2, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maken zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stellen hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 3.Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 4.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Het artikel beperkt zich nu tot het verzamelen van relevante gegevens. Daarnaast is de bepaling aangescherpt dat het college van een vooronderzoek kan afzien niet alleen wanneer de cliënt, maar ook diens omstandigheden genoegzaam bekend zijn.
12
Artikel 4.4 Onderzoek 1. Als de cliënt een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 2. Het college onderzoekt, zo nodig met behulp van deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, waar mogelijk met de mantelzorger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.
de
mogelijkheden
om
met
Artikel 3.4 Onderzoek 1.Het college onderzoekt zo nodig met behulp van deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, waar mogelijk met de mantelzorger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en
In het nieuwe artikel is de volgorde van de leden gewijzigd: het betrekken van het persoonlijk plan staat nu voorop in plaats van achteraf. Daarnaast zijn enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd. Inhoudelijk blijft de onderzoeksopdracht verder ongewijzigd.
13
gebruikmaking van een algemene voorziening, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid maatwerkvoorziening verstrekken;
om
een te
i.
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verschuldigd zal zijn, en
j.
de mogelijkheden om te kiezen voor
zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen, bedoeld in artikel 2.2 van de wet, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, beperkt het college het onderzoek in aanvulling op de bekende gegevens ten behoeve van de hulpvraag.
14
de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, beperkt het college het onderzoek in aanvulling op de bekende gegevens ten behoeve van de hulpvraag. Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 4
15
Artikel 5.1 Aanvraag maatwerkvoorziening Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Tevens kan een ondertekend verslag van het onderzoek worden aangemerkt als aanvraag als de cliënt dit op het verslag heeft aangegeven.
Artikel 5.2 Criteria maatwerkvoorziening
voor
een
1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt;
voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen; en
als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in
Artikel 4.1 Aanvraag maatwerkvoorziening 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2.Het college kan een ondertekend verslag van het onderzoek aanmerken als aanvraag als de cliënt dit op het verslag heeft aangegeven. Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: -
ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt;
-
voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen; en
Redactioneel aangepast.
In het nieuwe artikel is de systematiek grotendeels gelijk gebleven, maar zijn enkele inhoudelijke aanscherpingen doorgevoerd. Het artikel verwijst nu naar het nieuwe onderzoeksartikel (4.4 in plaats van 3.4). Verder is de bepaling over financiële maatwerkvoorzieningen gewijzigd: waar voorheen het college opdracht gaf om per voorziening de maximale bedragen vast te stellen, is nu bepaald dat de hoogte wordt vastgesteld op maximaal de kosten van een vergelijkbare voorziening in natura. Daarbij is verduidelijkt wat onder “niet tijdig” verstaan wordt: als een passende voorziening niet of pas na drie maanden beschikbaar is, tenzij de individuele situatie een kortere termijn vereist.
16
artikel 4.4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: i.
voor het gebruik van een eigen auto; ii. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel; iii. verhuisen (her)inrichtingskosten; of iv. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is.
-
als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3.4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
3.Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: i. voor het gebruik van een eigen auto; ii. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel; iii. verhuis- en (her)inrichtingskosten; of iv. een voorziening waarvoor 17
4. De hoogte van een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in lid 3 wordt vastgesteld op maximaal de kosten voor een vergelijkbare voorziening in natura. Dit geldt voor de voorzieningen: a. b. c. d.
niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is.
4.Voor de tegemoetkoming zoals bedoeld in het derde lid, geeft het college opdracht om nader verhuis- en herinrichtingskosten; vast te stellen wat per voorziening, in aanvulling de aanschaf en het onderhoud van op wat algemeen gebruikelijk is, maximaal verstrekt kan worden. Dit geldt voor de een sportrolstoel; voorzieningen: het gebruik van een eigen auto; a. verhuis- en herinrichtingskosten; waarbij niet tijdig een passende
voorziening in natura beschikbaar b. de aanschaf en het onderhoud van een is en stelt het college het bedrag sportrolstoel; vast. Van ‘niet tijdig’ is sprake wanneer een passende voorziening c. het gebruik van een eigen auto; niet, of pas na drie maanden, beschikbaar is, tenzij uit de d. waarbij niet tijdig een passende individuele situatie blijkt dat gelet voorziening in natura beschikbaar is en op de urgentie een kortere termijn stelt het college het bedrag vast. noodzakelijk is. In dat geval stelt het college een passende termijn 5.Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met en het bijbehorende bedrag vast. betrekking tot zelfredzaamheid en participatie 5. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening geldt dat een cliënt alleen voor een met betrekking tot zelfredzaamheid en maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de participatie geldt dat een cliënt alleen voor noodzaak tot ondersteuning: een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning: a. voor de cliënt redelijkerwijs niet a. voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, b. waarbij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden
vermijdbaar was, b. waarbij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te 18
maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. 6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven: a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 7.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.
hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. 6.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven: a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 7.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.
19
Artikel 5.3 Woonvoorziening 1. Een woonvoorziening is een bouwkundige of niet-bouwkundige individuele aanpassing in of aan de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in de woning kan blijven. Voor het realiseren van een stallingsmogelijkheid voor een elektrische rolvoorziening zijn eisen van toepassing zoals neergelegd in artikel 5.9. 2. Als de kosten van de woonvoorziening hoger zijn dan € 6.000,00, dan wordt onderzocht of de cliënt kan verhuizen naar of een aan de beperking van de client aangepaste woonruimte of naar goedkoopst adequaat aan te passen woonruimte. Als dat het geval is, dan wordt de gevraagde woonvoorziening voor de huidige woonruimte geweigerd en een verhuiskostenvergoeding aangeboden. 3. Het college stelt nadere regels met betrekking tot de hoogte van het in het tweede lid genoemde bedrag.
Artikel 4.3 Woonvoorziening 1.Een woonvoorziening is een bouwkundige of niet-bouwkundige individuele aanpassing in of aan de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in de woning kan blijven. 2.Als de kosten van de woonvoorziening hoger zijn dan € 6.000,00, dan wordt onderzocht of de cliënt kan verhuizen naar aangepaste woonruimte. Als dat het geval is, dan wordt de gevraagde woonvoorziening geweigerd en een verhuiskostenvergoeding aangeboden. 3.Als er een geschikte woning beschikbaar is waar de cliënt naar toe kan verhuizen en de cliënt dit niet wil, wordt aan de cliënt op verzoek voor de betreffende aanpassing een vergoeding verstrekt. De hoogte van deze vergoeding is maximaal het bedrag dat wordt verstrekt bij een verhuizing. 4.Het college stelt nadere regels met betrekking tot de hoogte van het in het derde lid genoemde bedrag. De vergoeding wordt alleen verstrekt als de verhuizing binnen een jaar na het besluit tot toekenning van de verhuisvergoeding plaatsvindt.
Het primaat van verhuizen, inclusief de grens van € 6.000 en de uitzonderingen bij contra-indicaties (medisch, mantelzorg en inkomstenderving), bestond al in de beleidsregels en is nu in de verordening vastgelegd. Een nieuwe weigeringsgrond toegevoegd: een woonvoorziening wordt geweigerd wanneer een cliënt vanuit een reeds adequate en aangepaste woning verhuist naar een niet-aangepaste woning.
4. Het primaat van verhuizen wordt buiten toepassing gelaten indien sprake is van een contra-indicatie. Een contra-indicatie wordt aanwezig geacht in elk geval indien: a. uit medisch advies blijkt dat van de cliënt redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat deze zich, gelet op cognitieve beperkingen, zal kunnen aanpassen aan een nieuwe woning of woonomgeving, 20
en geen aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg; b. de verhuizing leidt tot verlies van essentiële mantelzorg die in de directe omgeving van de woning wordt verleend; c. de verhuizing leidt tot onevenredige inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten in of aan huis niet langer kunnen worden uitgeoefend. 5. Een woonvoorziening wordt geweigerd indien een cliënt verhuist vanuit een reeds adequate en aangepaste woning naar een niet-aangepaste en niet-adequate woning.
21
Artikel 5.4 Aanpassing keuken en badkamer 1. Als aanpassing van de keuken of badkamer noodzakelijk is vanwege de beperkingen van de cliënt, wordt de maatwerkvoorziening vastgesteld op basis van de noodzakelijke aanpassing. 2. Als vervanging van een keuken of badkamer noodzakelijk is, wordt uitsluitend een maatwerkvoorziening verstrekt voor die aanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met de beperkingen van de cliënt. 3. Indien onderdelen van de bestaande keuken of badkamer technisch zijn afgeschreven, wordt beoordeeld of een deel van de kosten als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Daarbij wordt uitgegaan van wat voor algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen als gebruikelijk geldt.
Artikel 5.7 Voorwaarden en weigeringsgronden Het college kan een maatwerkvoorziening,
Artikel 4.4 Vergoeding aanpassing keuken en badkamer 1.Bij het geheel of gedeeltelijk vervangen van de keuken of badkamer wordt rekening gehouden met de afschrijftermijn. Wanneer een keuken of badkamer vervangen moet worden in verband met de beperkingen van de cliënt, dan betaalt de cliënt zelf het deel van de kosten dat gezien de leeftijd van de keuken of badkamer als afgeschreven geldt. 2.Als de te vervangen voorziening de leeftijd van de afschrijftermijn nog niet bereikt dan worden de meerkosten die nodig zijn als gevolg van de beperking en een deel van de vervangingskosten vergoed. Op de vergoeding van de vervangingskosten wordt een percentage van de vervangingskosten in mindering gebracht voor elk jaar dat de voorziening oud is: o a. bij een badkamer geldt een afschrijftermijn van 20 jaar met een afschrijfpercentage van 5% per jaar; o b. bij een keuken geldt een afschrijftermijn van 15 jaar met een afschrijfpercentrage van 6,7% per jaar. 3.Is de voorziening ouder dan de gestelde afschrijftermijn, dan vergoedt de gemeente alleen de meerkosten die nodig zijn als gevolg van de beperking.
In artikel 5.4 is de regeling over de aanpassing van keuken en badkamer vereenvoudigd en minder technisch uitgewerkt dan in de oude verordening. De expliciete afschrijftermijnen en percentages zijn geschrapt, dit is in strijd met de wet. In plaats daarvan wordt nu bepaald dat uitsluitend de noodzakelijke aanpassingen in verband met de beperking van de cliënt worden vergoed en dat, indien onderdelen technisch zijn afgeschreven, wordt beoordeeld of (een deel van) de kosten als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarmee is de harde normering met vaste termijnen vervangen door een beoordeling op basis van maatschappelijke opvattingen over wat gebruikelijk is.
Artikel 4.7 Voorwaarden en weigeringsgronden Het college kan een maatwerkvoorziening,
Het artikel is grotendeels gelijk gebleven, maar op enkele punten verduidelijkt en aangevuld. Zo 22
gericht op het versterken of behouden van de zelfstandigheid of participatie weigeren, als naar hun oordeel: a. recht op een vergoeding of voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, voor zover de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning; b. ondersteuning niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; c. de cliënt géén ingezetene is van de gemeente Nissewaard; d. voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover aan de zijde van de cliënt, geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie; e. het een voorziening betreft die de cliënt vóór het verstrekken van de beschikking zoals bedoeld in artikel 5.6 heeft gerealiseerd of geaccepteerd; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die al eerder aan cliënt is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de
gericht op het versterken of behouden van de zelfstandigheid of participatie weigeren, als naar hun oordeel: a. een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, voor zover de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning; b. ondersteuning niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; c. de cliënt géén ingezetene is van de gemeente Nissewaard; d. voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover aan de zijde van de cliënt, geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie; e. het een voorziening betreft die de cliënt vóór het verstrekken van de beschikking zoals bedoeld in artikel 4.5 heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak van de voorziening achteraf nog kan worden vastgesteld; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die al eerder aan cliënt is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van
is onder a het toetsingscriterium aangescherpt, door expliciet te benoemen dat het moet gaan om ondersteuning voor dezelfde problematiek. Verder is onder e de uitzonderingsgrond verwijderd waarin achteraf alsnog toestemming kon worden verleend; dit bevordert duidelijkheid en rechtszekerheid.
23
voorziening nog niet is verstreken; i. tenzij de verstrekte voorziening niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen zoals omschreven in artikel 7.1; ii. tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; iii.
tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten.
g. een woonvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; h. de voorzieningen ten behoeve van een woningaanpassing in hotels, pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADLclusterwoningen en gehuurde kamers betreft; i. het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in aantoonbaar voor mensen met een beperking of ouderen bedoelde gebouwen; j. de noodzaak het gevolg is van een
de voorziening nog niet is verstreken; i. tenzij de verstrekte voorziening niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen zoals omschreven in artikel 6.1; ii. tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; iii. tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten. g. een woonvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; h. de voorzieningen ten behoeve van een woningaanpassing in hotels, pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADLclusterwoningen en gehuurde kamers betreft; i. het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in aantoonbaar voor mensen met een beperking of ouderen bedoelde gebouwen; j. de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; 24
k. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college; l. k. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn de cliënt verhuisd is vanuit of naar een of haar beperkingen op dat moment woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar meest geschikte woning, tenzij daarvoor door bewoond te worden; vooraf schriftelijke toestemming is m. verleend door het college; de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee l. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een samenhangende zorg in een instelling op grond woonruimte die niet geschikt is het van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan gehele jaar door bewoond te worden; te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan m. de cliënt aanspraak heeft op verblijf en doen gelden en weigert mee te werken aan het daarmee samenhangende zorg in een verkrijgen van een besluit dienaangaande; instelling op grond van de n.
Zorgverzekeringswet en de Wet de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan langdurige zorg, dan wel er redenen zijn het opstellen en nakomen van het om aan te nemen dat de cliënt daarop ondersteuningsplan dat naar oordeel van het aanspraak kan doen gelden en weigert college noodzakelijk is voor het bereiken van mee te werken aan het verkrijgen van resultaten; een besluit dienaangaande; o. n. de cliënt niet of onvoldoende wil de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan meewerken aan het opstellen en behandelingen die in redelijkheid gevraagd nakomen van het ondersteuningsplan dat kunnen worden en hierdoor onnodig een beroep naar oordeel van het college noodzakelijk op de wet gedaan moet worden. is voor het bereiken van resultaten; verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
o. de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kunnen worden en 25
hierdoor onnodig een beroep op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gedaan moet worden.
26
Artikel 5.10 Regels voor het pgb 1. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2. De hoogte van een pgb voor een cliënt ten behoeve van een zaak, zoals een hulpmiddel, woningaanpassing en autoaanpassing, wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak volgens het gecontracteerde tarief in natura zou zijn verstrekt. Daarbij wordt rekening gehouden met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.
Artikel 4.10 Regels voor het pgb 1.De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2.De hoogte van een pgb voor een cliënt ten behoeve van een zaak, zoals een hulpmiddel, woningaanpassing en autoaanpassing, wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak volgens het gecontracteerde tarief in natura zou zijn verstrekt. Daarbij wordt rekening gehouden met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten. 3.De hoogte van een pgb voor een cliënt die gebruik maakt van het collectief vervoer wordt vastgesteld op basis van de kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer, inclusief btw en na aftrek van de eigen bijdrage,
Lid 3 van artikel 5.10 is aangepast om de berekeningswijze van het persoonsgebonden budget (pgb) voor collectief vervoer te verduidelijken en te harmoniseren met gangbare normen. Waar voorheen het pgb werd vastgesteld op basis van een vaste kilometerprijs die de gemeente aan het collectief vervoer betaalt, is nu gekozen voor een benadering die uitgaat van de door het Nibud gehanteerde kostprijs per kilometer voor het betreffende autotype. Dit model houdt rekening met reële en actuele kostencomponenten en zorgt voor een meer rechtvaardige en transparante bepaling van de pgb-hoogte. Lid 4 van het artikel met betrekking tot de tarieven voor pgb’s voor inzet van het sociaal netwerk zijn aangepast op basis van de CRvBuitspraak van 30 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en ECLI:NL:CRVB:2025:1276). Een pgb is toereikend wanneer het minimaal het wettelijke minimumloon inclusief 8% vakantiegeld bedraagt, waarmee eerdere uitspraken uit 2023 over cao VVT-tarieven worden teruggedraaid.
27
3. De hoogte van een pgb voor een cliënt die gebruik maakt van het collectief vervoer wordt vastgesteld op basis van de door het Nibud gehanteerde kosten per kilometer voor het gebruikte autotype, met een maximum van het aantal kilometers wat gehanteerd wordt bij het collectief vervoer. 4. De hoogte van een pgb voor een cliënt ten behoeve van een dienst wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura dat voor alle diensten geldt, overeenkomstig de door het college vast te stellen nadere regels, waarbij wordt uitgegaan van: a. 100% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; b. 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die wordt geboden door een ter zake gediplomeerde zelfstandige zonder personeel; c. het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld wanneer de zorgverlening wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk; d. wanneer de door de cliënt gecontracteerde zorgverlener een
overeenkomstig de door het college vast te stellen nadere regels. 4.De hoogte van een pgb voor een cliënt ten behoeve van een dienst wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura dat voor alle diensten geldt, overeenkomstig de door het college vast te stellen nadere regels, waarbij wordt uitgegaan van: a. 100% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; b. 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake gediplomeerde zelfstandige zonder personeel; c. het wettelijk minimumloon indien het zorgverlening door een persoon uit het sociaal netwerk betreft; d. het toepasselijke Cao-loon indien de huishoudelijke hulp of begeleiding van de cliënt wordt uitgevoerd door een ter zake deskundige gediplomeerde persoon uit het sociaal netwerk; e. wanneer de door de cliënt gecontracteerde zorgverlener een lager tarief rekent dan het tarief voor zorg in natura, dan vergoedt de gemeente het lagere tarief. 5.Een pgb mag niet worden besteed aan:
28
lager tarief rekent dan het tarief voor zorg in natura, wordt dat lagere tarief gehanteerd. 5. Een pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor tussenpersonen belangenbehartigers;
bemiddeling, of
b. kosten voor het pgb beheer; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen van een pgb; d. kosten voor coördinatie; e. reiskosten van de zorgverlener; f.
hulpmiddelen of aanpassingen die door progressiviteit van het ziektebeeld snel vervangen dienen te worden;
g. voorzieningen waarvoor een algemene of collectieve voorziening aanwezig is; h. feestdagenuitkeringen zorgverlener;
aan
de
i.
bedrag
of
een vrij besteedbaar vrijwilligersvergoeding;
a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het pgb beheer; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen van een pgb; d. kosten voor coördinatie; e. reiskosten van de zorgverlener; f. hulpmiddelen of aanpassingen die door progressiviteit van het ziektebeeld snel vervangen dienen te worden; g. voorzieningen waarvoor een algemene of collectieve voorziening aanwezig is; h. feestdagenuitkeringen aan de zorgverlener; i. een vrij besteedbaar bedrag of vrijwilligersvergoeding; 6.Een pgb is niet bedoeld voor besteding in het buitenland. In individuele gevallen kan het college hiervan afwijken. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het pgb.
6. Een pgb is niet bedoeld voor besteding in het buitenland. In individuele gevallen kan het college hiervan afwijken. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het pgb. 29
30
Artikel 5.12 Kwaliteitseisen pgb 1.
2.
3.
4.
Artikel 4.12 Kwaliteitseisen pgb 1.Uit de aanvraag moet blijken dat de aanbieder Onder professionele zorgaanbieder wordt van de met het pgb in te kopen ondersteuning, verstaan de aanbieder van maatschappelijke verantwoorde hulp levert, waaronder wordt ondersteuning die handelt overeenkomstig verstaan hulp van een goed niveau, die in ieder de op hem rustende professionele geval veilig, doeltreffend, doelmatig en verantwoordelijkheid, zoals deze voortvloeit cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd uit de geldende professionele standaard. op de behoefte van de cliënt. Uit de aanvraag moet blijken dat de 2.Indien de met het pgb in te kopen aanbieder van de met het pgb in te kopen ondersteuning wordt geleverd door een ondersteuning, verantwoorde hulp levert, professionele zorgaanbieder komen de waaronder wordt verstaan hulp van een goed kwaliteitseisen overeen met de kwaliteitseisen niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, die gesteld zijn aan zorgaanbieders die zorg in doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en natura leveren. De kwaliteitseisen zorg in natura die is afgestemd op de behoefte van de zijn opgenomen in bijlage 2. cliënt.
3.Indien het ondersteuning betreft die geboden Indien de met het pgb in te kopen wordt door ter zake deskundig persoon uit het ondersteuning wordt geleverd door een sociaal netwerk, dient de ondersteuning professionele zorgaanbieder komen de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2 van kwaliteitseisen overeen met de deze verordening passend en toereikend te zijn kwaliteitseisen die gesteld zijn aan gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen zorgaanbieders die zorg in natura leveren. De van de cliënt. Dit is afhankelijk van de kwaliteitseisen zorg in natura zijn deskundigheid van de hulpverlener, de wijze van hulpverlenen en van de situatie en de opgenomen in bijlage 3. achtergrond van de problematiek van de cliënt. Indien het ondersteuning betreft die Voorts wordt minimaal voldaan aan de volgende geboden wordt door ter zake deskundig vereisten: persoon uit het sociaal netwerk, dient de a.de zorgverlener verstrekt een ondersteuning overeenkomstig het bepaalde verklaring omtrent het gedrag in artikel 5.2 van deze verordening passend (VOG), specifiek voor de en toereikend te zijn gelet op de betreffende functie en op het problematiek en ontwikkelingsdoelen van de moment dat de levering van de cliënt. Dit is afhankelijk van de deskundigheid maatwerkvoorziening aanvangt
Er is een nieuw lid toegevoegd waarin wordt gedefinieerd wat onder een “professionele zorgaanbieder” wordt verstaan, wat inhoudelijk een verduidelijking van de bestaande regeling vormt. Verder zijn enkele verwijzingen aangepast: de kwaliteitseisen voor zorg in natura worden nu genoemd in bijlage 3 in plaats van bijlage 2, en de verwijzing naar het eerdere artikel over passendheid bij ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is aangepast van artikel 4.2 naar artikel 5.2.
31
van de hulpverlener, de wijze van hulpverlenen en van de situatie en de achtergrond van de problematiek van de cliënt. Voorts wordt minimaal voldaan aan de volgende vereisten: a. de zorgverlener verstrekt een verklaring omtrent het gedrag (VOG), specifiek voor de betreffende functie en op het moment dat de levering van de maatwerkvoorziening aanvangt maximaal drie maanden oud; b. de zorgverlener beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift; c. er bestaat geen belangenverstrengeling of schijn van belangenverstrengeling; d. de zorgverlener de hulp niet als gebruikelijke zorg of als mantelzorger kan verlenen; en e. de zorgverlener dient aan te kunnen geven dat de ondersteuning aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.
maximaal drie maanden oud; b.de zorgverlener beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift; c.er bestaat geen belangenverstrengeling of schijn van belangenverstrengeling; d. de zorgverlener de hulp niet als gebruikelijke zorg of als mantelzorger kan verlenen; en e.de zorgverlener dient aan te kunnen geven dat de ondersteuning aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt. 4.Het college ziet toe op de besteding van het pgb. Hiertoe kan zij gegevens opvragen om te beoordelen of de geleverde zorg voldoet aan de onder het eerste tot en met het derde lid gestelde kwaliteitseisen. De cliënt of zijn vertegenwoordiger moet hiertoe op aanvraag alle gevraagde en relevante gegevens overleggen.
5.Het college ziet toe op de besteding van het pgb. Hiertoe kan zij gegevens opvragen om te beoordelen of de geleverde zorg voldoet aan de onder het eerste tot en met het derde lid gestelde kwaliteitseisen. De cliënt of zijn vertegenwoordiger moet hiertoe op aanvraag alle gevraagde en relevante gegevens 32
overleggen. Artikel 5.13 Pgb voor een woningaanpassing 1.
2.
3.
4.
5.
Artikel 4.13 pgb woningaanpassing 1.Als een pgb wordt aangevraagd voor Indien een pgb wordt aangevraagd voor een een woningaanpassing, dan stelt de woningaanpassing, wordt de hoogte daarvan gemeente, eventueel in samenwerking vastgesteld op basis van de kosten van de met een externe adviseur, een goedkoopst adequate voorziening in natura. programma van eisen op voor de Voor de vaststelling van het bedrag wordt goedkoopst adequate woningaanpassing. gebruikgemaakt van door het college De woningeigenaar vraagt op basis van vastgestelde prijslijsten voor standaard dat programma van eisen twee offertes woningaanpassingen of van een, door of bij aannemers op. namens het college opgevraagde, offerte. 2.Het college beoordeelt welke offerte de De woningeigenaar vraagt minimaal één goedkoopst adequate oplossing biedt. offerte op waarmee een veilige en adequate 3.Het college geeft toestemming voor de oplossing wordt geboden voor het woningaanpassing, op voorwaarde dat woonprobleem. niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden De hoogte van een pgb kan nooit meer waarop het pgb betrekking heeft. bedragen dan de kosten die worden 4.De woningeigenaar is verantwoordelijk gehanteerd in door het college afgesloten voor de uitvoering van de overeenkomst in het kader van woningaanpassing conform het woningaanpassingen in natura.
programma van eisen en de eventuele Het college geeft toestemming voor de daarmee samenhangende formele woningaanpassing, op voorwaarde dat niet opdrachtverlening aan de aannemer. reeds zonder toestemming een begin is 5.Het college verleent slechts een pgb gemaakt met de werkzaamheden waarop het voor een woningaanpassing als aan de pgb betrekking heeft. door hem aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de De woningeigenaar is verantwoordelijk voor woningaanpassing wordt verricht. de uitvoering van de woningaanpassing Controle vindt achteraf plaats. De conform het programma van eisen en de genoemde personen moeten ook inzicht eventuele daarmee samenhangende formele krijgen in bescheiden en tekeningen,
De bepaling dat de gemeente een programma van eisen opstelt in samenwerking met een externe adviseur is vervallen. In plaats daarvan wordt nu de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura, waarbij gebruik kan worden gemaakt van door het college vastgestelde prijslijsten of een door of namens het college opgevraagde offerte. De verplichting voor de woningeigenaar om minimaal één offerte op te vragen is toegevoegd, terwijl vroeger twee offertes werden verlangd.
33
opdrachtverlening aan de aannemer. Het college verleent slechts een pgb voor een woningaanpassing als aan de door hem aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. 7. Het pgb wordt uitbetaald aan de aanvrager, tenzij deze toestemming heeft verleend aan de gemeente om het aan de woningeigenaar uit te betalen. Direct na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie het pgb wordt uitbetaald aan de gemeente dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verleend. Degene aan wie het pgb wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 8. De gemeente dan wel de cliënt is niet 6.
welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. 6.Het pgb wordt uitbetaald aan de aanvrager tenzij deze toestemming heeft verleend aan de gemeente om het aan de woningeigenaar uit te betalen. Direct na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie het pgb wordt uitbetaald aan de gemeente dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verleend. Degene aan wie het pgb wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 7.De gemeente dan wel de cliënt is niet gehouden de woningaanpassing ongedaan te maken, indien de cliënt niet langer gebruik maakt van de woning.
34
gehouden de woningaanpassing ongedaan te maken, indien de cliënt niet langer gebruik maakt van de woning. Hoofdstuk 5, 6, 7, 8, 9 Hoofdstuk 6, 7, 8, 9, 10