toelichting aangepaste artikelen APV
Tekst van het document
Toelichting op artikel 2:1 Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Eerste lid Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd. Tweede lid In 2008 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat gevolgen heeft voor de strafbaarstelling van het niet opvolgen van een politiebevel. De hoge Raad heeft bepaald dat het negeren van een politiebevel dat op grond van artikel 2 Politiewet is gegeven, niet strafbaar is op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht (Wsr). Dit artikel stelt het negeren van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk bevel strafbaar.
Artikel 2 Politiewet bevat de algemene taakomschrijving van de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184, eerste lid, Sr. Dit betekent dat als de politie iemand die een politiebevel niet naleeft wil aanhouden hiervoor niet langer artikel 184 Strafrecht dient te gebruiken. Om in geval van niet naleving van bepaalde politiebevelen toch tot vervolging te kunnen overgaan is in samenspraak met de politie het openbaar ministerie en VNG naar een alternatief gezocht. Deze constructie is gevonden in artikel 2:1 model APV. In dit artikel is een gebodsbepaling opgenomen inhoudende het bevel zich te verwijderen. Het niet opvolgen van de gebodsbepaling en dus het politiebevel is strafbaar gesteld in hoofdstuk 6 van de model APV. Via de APV kan het negeren van een bevel van de politie dus worden vervolgd. Alleen indien de APV een gebodsbepaling, een strafbepaling en een adequate toelichting bevat, kan deze constructie succesvol worden toegepast. In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden. De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de model-APV bevat het geven van een bevel in een concreet geval.
Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de (model)APV. Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de model-APV). Naast de politiebevelen ex artikel 2:1- model-APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht. Toelichting op artikel 2:25 Artikel 2:25 Evenementen Artikel 2:25 Evenement Algemeen Bij evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden
22ID000759
voorwaarden. In sommige gevallen kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen. Evenementen en bestemmingsplan Een aanvraag voor een APV-vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden enkel omdat het in strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen bij het beoordelen van de aanvraag geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren (ABRvS 29-03-2003, ECLI:NL:RVS:AF8028). Het bestemmingsplan is vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening uiteraard wel relevant. Het bestemmingsplan moet het gebruik ten behoeve van het gewenste evenement namelijk toestaan. Daarbij moet worden beoordeeld of het evenement naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie heeft. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen omgevingsvergunning nodig. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, meldingen brandveiligheid enz.
Voor het gebruik van een terrein in strijd met het bestemmingsplan voor een evenement met planologische relevantie kan (naast de APV evenementenvergunning) een omgevingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) worden aangevraagd. Het college kan de omgevingsvergunning verlenen met behulp van de in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo genoemde afwijkingsmogelijkheden. Vaak zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van de ‘buitenplanse afwijkingsmogelijkheid’. Het Bor biedt het college namelijk de bevoegdheid om van de bepalingen in het bestemmingsplan af te wijken als het gaat om het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo juncto artikel 4, achtste lid, van de Bijlage II Bor). Wanneer het bestemmingsplan het gebruik als evenemententerrein niet toestaat, er wel sprake is van planologische relevantie en het verlenen van een omgevingsvergunning niet mogelijk is, zal handhavend moet worden opgetreden ((ABRvS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, hof van Twente) en Rb. Leeuwarden 27-07-2005, ECLI:NL:RBLEE:2005:AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland)).
Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen. In het bestemmingsplan dient dan niet alleen het betreffende gebied als evenementterrein te worden bestemd, ook moet daarbij het aantal, soort en duur van de evenementen en het maximaal toegestane aantal bezoekers per evenement worden geregeld. Dit zijn allemaal aspecten met ruimtelijke relevantie die in het kader van de rechtszekerheid in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd (ABRvS 05-01-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BO9802 en ABRvS 16-02-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4728). Regionaal is de 'Handreiking Publieksveiligheid evenementen regio Rotterdam Rijnmond' vastgesteld. In deze handreiking wordt geadviseerd om te werken met een risicoscan. Zo worden alle evenementen regionaal gelijkwaardig beoordeeld en behandeld als het gaat om de inschatting van de mogelijke risico's die een evenement met zich meebrengt. In het evenementenbeleid zijn de
22ID000759
termijnen opgenomen voor het melden van evenementen. Bij de vaststelling van deze termijnen is aansluiting gezocht bij hetgeen regionaal hieromtrent is vastgesteld. Voor de bepaling of een evenement valt onder de vergunningplicht wordt aangesloten bij de uitkomsten van de risicoscan. De risicoscan wordt door de gemeente en de politie ingevuld aan de hand van de gegevens die bij de vergunningaanvraag worden overhandigd. Eerste lid Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria. De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften gelden een aantal voorwaarden, de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling. De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8. De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Een vergunning wordt afgegeven voor één evenement. Tweede en derde lid Kleinschalige evenementen zoals buurtbarbecues en straatfeesten hebben vaak geen of slechts een beperkte uitstraling naar de directe omgeving.
In de praktijk blijkt dat aanvragen voor dergelijke evenementen in beginsel vrijwel altijd worden gehonoreerd. Aan dergelijke vergunningen worden enkel standaardvoorschriften verbonden. Door de termijnen die gelden voor het aanvragen van een evenementenvergunning, blijkt dat spontane initiatieven vanuit de wijken tot het organiseren van een straatfeest bemoeilijkt worden. Meerdere gemeenten hebben daarom in de APV een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor dergelijke kleinschalige evenementen (zogenaamde 0 -evenementen). Er zijn in dit artikel duidelijke criteria opgenomen om te kunnen beoordelen of er sprake is van een klein evenement. Om een goed overzicht te houden over de georganiseerde evenementen binnen de gemeente wordt een meldingsplicht voor de kleine evenementen ingevoerd. De burgemeester krijgt wel de mogelijkheid om naar aanleiding van een ingekomen melding een kleinschalig evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. Bijkomend voordeel voor van het invoeren van een meldingsplicht is dat zowel de administratieve lasten voor de organisator als de bestuurlijke lasten worden verminderd.
Daar komt ook nog bij dat de VRR in de Regionale Handreiking Publieksevenementen RotterdamRijnmond een onderscheid hanteert in vergunningsplichtige en meldingsplichtige evenementen. Door een meldingsplicht voor dergelijke evenementen in de APV op te nemen, haakt Nissewaard aan bij het regionale beleid. Vijfde en zesde lid Voor evenementen waarbij een groot aantal bezoekers wordt verwacht zijn meer risico’s te verwachten. Om deze risico’s goed te kunnen beoordelen is er meer tijd nodig om de aanvraag te beoordelen. Daarom wordt per categorie een andere indieningstermijn gehanteerd. Voor de categorisering van evenementen sluit de gemeente Nissewaard aan bij het onderscheid dat is opgenomen in de Handreiking Publieksveiligheid. Om te bepalen onder welke categorie een bepaald evenement valt, wordt een risicoscan ingevuld. Het soort categorie is bepalend voor het niveau van advisering door de diverse ketenpartners als onderdeel van het vergunningentraject. Het is daarmee een hulpmiddel voor alle bij de veiligheid betrokken partners om een goede
22ID000759
risico-inschatting te kunnen maken. Het puntenaantal wat volgt uit het invullen van de risicoscan is bepalend voor het in behandeling nemen van een aanvraag als zijnde een meldingplichtige aanvraag of een vergunningplichtige aanvraag. Daarbij wordt de volgende verdeling aangehouden: Risicoscan geeft 0 tot en met 5 punten: de aanvraag wordt in behandeling genomen als een melding. Risicoscan geeft 6 tot en met 11 punten: de aanvraag wordt in behandeling genomen als een aanvraag voor een categorie A vergunningaanvraag. Risicoscan geeft 12 of meer punten: de aanvraag wordt in behandeling genomen als een aanvraag voor een categorie B of C vergunningaanvraag. De uiteindelijke advisering door de politie en de brandweer zal bepalen of hier sprake is van een B of C categorie. Aansprakelijkheid vergunninghouder/organisator. Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning.
De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder. Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen. Zevende lid Evenementen waarvoor een meldingsplicht geldt zijn vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.
Toelichting op artikel 2:27 Artikel 2:27 Definities In plaats van de term "horecabedrijf" wordt de term "openbare inrichting" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops. Het waterpijpcafé is aan de definitie toegevoegd. Hierdoor is de zogenaamde ‘shisha lounge’ expliciet als openbare inrichting in de zin van deze afdeling opgenomen. Het roken van een waterpijp, ook bekend onder de namen shisha, hookah, nargileh, ghaliyan of hubble bubble, wordt steeds populairder in Nederland, met name in de grote- en middelgrote 22ID000759
steden. Het roken van waterpijpen is niet zonder brandgevaar en het levert ook de nodige (stank)overlast voor de omgeving op. Bij het omvallen van een waterpijp kunnen brandende kooltjes een ontstekingsbron vormen voor het interieur van de inrichting met rookontwikkeling of brand tot gevolg. ‘Shisha lounges’ en soortgelijke inrichtingen die het roken van waterpijp aanbieden, stralen daarnaast een bepaalde aantrekkingskracht uit op jongeren. In dit soort inrichtingen wordt naast de waterpijpactiviteiten ook vaak gedeald of illegaal gegokt en is vaak sprake van vernielingen, geluidsen parkeeroverlast, bedreiging en mishandeling. Tot slot kunnen er ook banden zijn met criminele organisaties of netwerken. Gelet op de genoemde gevaren en risico’s voor de omgeving van een dergelijke inrichting, die direct ingrijpen in de openbare orde en veiligheid, vallen dit soort inrichtingen altijd onder het vergunningstelsel. Er is sprake van een toename aan afhaal- en bezorgrestaurants. Op grond van de huidige definitie van horeca-inrichting zoals verwoord in artikel 2:27, valt deze categorie niet onder het begrip horecainrichting. Hierdoor zijn zij niet aan de (exploitatie-)vergunningplicht onderworpen. Wel zijn dergelijke restaurants vaak geopend tot in de late uurtjes. Juist dan is er het risico van overlast en het aantasten van het woon- en leefklimaat.
Om dit risico te beperken is het wenselijk om afhaal- en bezorgrestaurants in het vervolg exploitatievergunning plichtig te maken. Door deze aanpassing wordt een einde gemaakt aan elke onduidelijkheid en vallen afhaal- en bezorgrestaurants voortaan ook onder de definitie van openbare inrichting. Een afhaalrestaurant wordt gedefinieerd als een voor het publiek toegankelijke ruimte waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald. Ook het Riec Rotterdam Rijnmond adviseert om dergelijke vormen van horeca vergunningplichtig te maken. In dergelijke gevallen kan dan ook getoetst worden of een exploitant van slecht levensgedrag is. Overigens hebben de gemeenten Den Haag, Eindhoven en Nijmegen een soortgelijke bepaling in hun APV opgenomen. Toelichting op artikel 2:41a Artikel 2:41a Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen Het is een algemeen bekend feit, dat panden kunnen worden gebruikt voor het opslaan van drugs, wapens en andere voorwerpen die verband kunnen houden met zware georganiseerde criminaliteit. Dergelijke panden kunnen ook worden gebruikt voor het verrichten van criminele handelingen, zoals het verbouwen van hennep” of voor het witwassen van geld. Om die redenen is het van belang, dat de lokale overheid bevoegdheden kan aanwenden om deze ondermijnende criminaliteit te voorkómen.
Dit artikel is een aanvulling op de huidige bevoegdheden van de burgemeester (op grond van de APV of artikel 13b van de Opiumwet). De burgemeester kan met behulp van dit artikel optreden wanneer in een voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of wanneer ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals bijvoorbeeld garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus en winkels overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan. In het zesde lid van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting voor (on)bepaalde duur op verzoek van een belanghebbende opheft. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Toelichting op artikel 2:48a 2:48a Verboden lachgasgebruik Lachgas is tot op heden een legaal middel en het bezit of gebruik ervan is dus niet verboden. De verkoop en het oneigenlijk gebruik van het gas als recreatief roesmiddel leveren echter vaak hinder en overlast op. Ook blijkt uit een recente risicobeoordeling door het Coördinatiepunt Assessment en
22ID000759
Monitoring nieuwe drugs (CAM) dat lachgas als recreatief roesmiddel aanzienlijke risico’s meebrengt voor de individuele gezondheid én voor de volksgezondheid. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat).
Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). de lid).
22ID000759