CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Ring 18A Simonshaven16.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Ontwikkelperspectief Vitale kernen De kernen van Nissewaard – Abbenbroek, Geervliet, Heenvliet, Hekelingen, Simonshaven (waaronder Biert) en Zuidland liggen op de overgang van de metropool Rotterdam-Den Haag naar de rust en ontspanning van de Zuid-Hollandse delta. De dorpen worden gekenmerkt door hun kleinschalige opzet, hechte gemeenschappen, sterke lokale identiteiten, cultureel erfgoed, groene karakter en ligging in het open landschap. Dat betekent niet dat de wereld in en rond de kernen stilstaat. Om die reden is het van belang om te blijven werken aan de vitaliteit van de kernen. Met het ontwikkelperspectief Vitale kernen wil de gemeente Nissewaard bewoners, ondernemers en ontwikkelaars uitnodigen hieraan bij te dragen. Er is gekeken naar de actuele opgaven, de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de samenhang tussen de kernen met de regio. Het geeft een duidelijk beeld van de gewenste ontwikkelrichting van de kernen en de bijdrage die de stad Spijkenisse en het buitengebied hier aan kunnen leveren. Dit ontwikkelperspectief is een aanvulling op het ontwikkelperspectief ‘Nissewaard naar 2040’ dat zich hoofdzakelijk focust op Spijkenisse. Samen vormen zij belangrijke bouwstenen voor de omgevingsvisie die de gemeente vanaf 2022 met haar bewoners en partners zal opstellen.

De huidige ruimtelijke kwaliteit rond de voormalige haven van Simonshaven laat te wensen over. De nieuwe woningen zijn voor een deel gericht op het omliggende water ter verbetering van het aanzicht van het dorp Simonshaven. De woonwijk wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast door de zuidwestzijde van het plangebied groen in te richten met waterberging, wat een impuls kan opleveren voor de biodiversiteit. De woningbouwontwikkeling draagt daarmee naast de doorstroming in de woningvoorraad bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de overgang van het dorp naar het recreatiegebied. Door het plangebied wordt een verbinding gemaakt met de (recreatieve) fietsmogelijkheden in de omgeving (o.a. een verbinding met Bernisse). De realisatie van dit plan zal de beleving van het gebied als wandel- en fietsgebied doen versterken. Dit plan speelt expliciet in op de ambities van de gemeente Nissewaard voor de kern Simonshaven. Met dit plan wordt een bedrijfslocatie langs de Ring herbestemd naar een kwalitatief hoogwaardige, duurzame en toekomstbestendige woonwijk dat bijdraagt aan de leefbaarheid van het dorp en de doorstroming in de woningmarkt. 3.3.2 Woonvisie ‘Nissewaard, een plek voor iedereen’ In september 2020 heeft de gemeente Nissewaard de woonvisie “Nissewaard, een plek voor iedereen!” vastgesteld.

Hierin staat het beleid van de gemeente Nissewaard op het gebied van wonen beschreven. De richtinggevende uitgangspunten in de Woonvisie zijn: 1. Levensloopbestendig wonen heeft zowel betrekking op nieuwbouw als bestaande voorraad. Doorstroming is hierbij een belangrijk uitgangspunt; 2. Transformatie van leegstaande (winkel)panden op centrale locaties kan een uitkomst bieden voor vraag naar woningen op dergelijke locaties; 3. Aandacht voor middenhuur. Kansrijk voor zowel starters, scheefwoners in de sociale huur, als ouderen die hun koopwoning willen verkopen;

35

4. Er is een herstructureringsopgave. Sociale voorraad waar nodig verdichten of verdunnen. Mix in de wijk is belangrijk en moet leiden tot meer diverse buurten en wijken, woningen en woonmilieus in Nissewaard; 5. Er is veel eenzaamheid in de gemeente onder zowel ouderen als chronisch zieken. Houd hier rekening mee met nieuwe woonvormen. Stimuleer ontmoeten. Inclusief wonen behoeft aandacht; 6. Sta open voor bewonersinitiatieven. Dit is ‘de kracht van de wijk’ en de ‘vitaliteit van de kern’; 7. Zoek aansluiting bij de ambities uit het ontwikkelperspectief ‘Nissewaard naar 2040. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma bestaande uit 34 eengezinswoningen (waarvan 4 senioren rijwoningen) en 10 twee-onder-éénkapwoningen (waarvan 4 seniorenwoningen). De bouwnummers 12 t/m 21 (10 woningen) worden geschaard in de categorie ‘betaalbare koop’. De overige woningen zijn koopwoningen in het middeldure (rond de NHG grens 2023) en enkele in het dure segment. Vooral de middeldure woningvoorraad ontbreekt in de kern Simonshaven. Daardoor is het juist zeer wenselijk om een mix toe te passen van gevarieerde woningtypen met verschillende oppervlakten, zodat de starter en senior goed kunnen slagen in het plan qua woningaanbod.

Hiermee wordt een mix van doelgroepen bewerkstelligd die belangrijk is voor de algehele kwaliteit van de leefomgeving in het plan en waarbij de doorstroming in de wijk wordt gegeneerd. Het woningbouwprogramma levert een maatschappelijke meerwaarde voor de kern Simonshaven. Dit door het aanbrengen van differentiatie in de woningvoorraad, in verschillende grootte en typen. De zelfbewoningsplicht en anti-speculatiebeding voor de betaalbare koop tot en met de NHG grens zorgt ervoor dat deze woningen ook echt beschikbaar komt voor starters en doorstromers. De zelfbewoningsplicht geldt voor de koopwoningen tot de NHG grens 2023 € 405.000. Na oplevering van de woning, mag men als eigenaar er de komende 4 jaar alleen zelf wonen en niet verhuren aan derden. In de zelfbewoningsplicht geldt voor de koopwoningen tot de sociale koopgrens dat hierboven op nog een anti-speculatiebeding komt van maximaal 4 jaar.

3.4 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • •

Het plan past binnen de rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’; Het plan speelt in op een concrete woningbehoefte in Simonshaven; Het plan levert een positieve bijdrage aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt en de leefbaarheid van het dorp Simonshaven.

36

4.

Milieuaspecten

4.1 M.e.r.-beoordeling Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. (drempelwaarde van 2.000 woningen). Dit plan betreft woningbouwontwikkeling bestaande uit 44 woningen. De drempelwaarde wordt in dit plan niet overschreden. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Kenmerken van het plan Het plan betreft een woningbouwontwikkeling bestaande uit 34 eengezinswoningen (waarvan 4 senioren rijwoningen) en 10 twee-onder-één-kapwoningen (waarvan 4 seniorenwoningen).

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken is afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.

37

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Hollandse Delta de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijft het waterschap de doelen voor de planperiode 2022-2027 voor de primaire taken waterveiligheid, voldoende en schoonwater en waterketen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). De speerpunten op het thema waterveiligheid zijn: 1. We houden de waterkeringen op orde; 2. We versterken de natuurlijke duinaangroei; 3. We vergroten de biodiversiteit op de dijken en in de duinen; 4. We vergroten de veiligheid van het gebied achter de dijken en duinen; 5. We vergroten het meervoudig gebruik van de waterkeringen; 6. We verminderen de CO2-uitstoot bij de uitvoering van werkzaamheden aan de waterkeringen; 7. We vergroten de innovativiteit. De speerpunten op het thema voldoende en schoon water zijn: 1.

We geven een impuls aan de waterkwaliteit en bio-diverse waternatuur; 2. We verminderen de watervervuiling; 3. We maken het watersysteem klaar voor het klimaat van 2050; 4. We vergroten de grip op het watersysteem om invulling te geven aan het zoetwatervraagstuk en de functies toekomstbestendig te faciliteren; 5. We vergroten de meerwaarde van water, de zichtbaarheid van goed water en het waterplezier; 6. We verminderen de uitstoot van broeikasgassen bij de uitvoering van het waterbeheer. De speerpunten op het thema waterketen zijn: 1. We voldoen aan de wettelijke eisen; 2. We verbeteren de kostenefficiency, de doeltreffendheid, de adequaatheid en de voorspelbaarheid van de waterketen; 3. We verminderen de uitstoot van broeikasgasemissies bij de uitvoering van werkzaamheden aan de waterketen; 4. We continueren en waar nodig intensiveren de samenwerking met ketenpartners; 5. We vergroten op maatschappelijke verantwoorde wijze de meerwaarde uit afvalwater en zuiveringsslib.

38

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Hollandse Delta heeft als regelgeving haar verordening ‘de Keur’. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat voor de verschillende typen watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van de watergangen niet zonder toestemming van het Waterschap Hollandse Delta werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Veiligheid en waterkeringen In de nabijheid van het plangebied zijn twee regionale waterkeringen gelegen. De woningbouw vindt voor een deel plaats binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor de bouw van deze woningen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Hollandse Delta.

Hiervoor dient aangetoond te worden dat de woningbouw geen nadelige gevolgen heeft voor de stabiliteit van de waterkering en/of onderhoud van de waterkering. Plangebied

Afbeelding 12: Legger waterkeringen

Oppervlaktewater In plangebied is één hoofdwatergang (H15845) acht overige watergangen gelegen. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt een aantal watergangen verbreed en wordt een waterpartij met natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. De watergangen worden rechtstreeks dan wel middels een duiker verbonden met het omliggende watersysteem. Hiermee is sprake van een robuust watersysteem. Voor het dempen en graven van oppervlaktewater en het plaatsen van dammen met

39

duikers of bruggen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Hollandse Delta.

Afbeelding 13: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)

Plangebied

Afbeelding 14: Legger Wateren

40

Waterberging en -compensatie Het realiseren van verharding en/of bebouwing op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, moeten maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) te voorkomen. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap een verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied vrijgesteld van compensatieplicht. Indien de toename van verharding groter is, moet worden gecompenseerd. Bij een toename aan verharding tot 500 m2 dient een melding bij het waterschap worden gedaan. Versnelde afvoer door toename verhard oppervlak (Beleidsregel 11) Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Als gevolg van deze versnelde afvoer wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belasting te reduceren moeten compenserende voorzieningen worden aangebracht. Constructie en uitvoering 1.

De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. 2. De voorkeursvolgorde ten aanzien van het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening betreft: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename, nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied, nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 3. De compensatie dient gelijktijdig of voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd. 4. Het afstromend hemelwater naar open water, al dan niet door middel van een leiding, mag geen uitspoeling van de waterbodem en taluds tot gevolg hebben.

41

Verhardingsbalans Om de benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Oppervlakte (m2) Percentage Meetellend verhard oppervlak (m2) 2 Verharding 2.400 m 100% 2.400 m2 Bebouwing 1.597 m2 100% 1.597 m2 2 Water 1.419 m 0% Groen 22.060 m2 0% 2 Totaal bestaande 27.476 m 3.997 m2 situatie Nieuwe situatie Verharding Tuin Bebouwing Water Groen Totaal nieuwe situatie Verschil

5.376 m2 6.859 m2 2.728 m2 3.320 m2 9.193 m2 27.476 m2

100% 50% 100% 0% 0% -

5.376 m2 3.430 m2 2.728 m2 11.534 m2 7.537 m2 toename

Het Waterschap Hollandse Delta stelt als eis dat 10% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. Het plan resulteert in een toename aan verharding van 7.537 m². Dit komt neer op een compensatie van 704 m2 (10%). Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt een aantal watergangen verbreed en wordt een waterpartij met natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de 10% regeling. Er is meer dan 10% van het verhard oppervlak (inclusief tuinen) aan oppervlaktewater in het plangebied aanwezig. De watergangen worden rechtstreeks dan wel middels een duiker verbonden met het omliggende watersysteem. Hiermee is sprake van een robuust watersysteem. Voor het graven van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Hollandse Delta.

42

Afbeelding 15: Bestaande situatie (uitvergroot in de bijlage)

Afbeelding 16: Nieuwe situatie (uitvergroot in de bijlage)

43

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Met het hemelwaterbeleid streeft het Waterschap Hollandse Delta voor de lange termijn (2050) de volgende doelen na: • Het gebied is zodanig ingericht dat we de sponswerking van bodem en groen optimaal gebruiken; • Het gecombineerde systeem (van buffercapaciteit op en in de bodem, het oppervlaktewater en het rioolstelsel) is in staat om wisselingen van droge en natte periodes op te vangen; • Het energieverbruik voor het afvoeren (en schoonmaken) van overtollig hemelwater is geminimaliseerd; • Wat schoon is, moet schoon blijven: we streven naar verregaande scheiding van schoon en vuil water. Vuil water moet naar de RWZI, schoon water moet terug het gebied in; • Bij de (her)inrichting van gebieden wordt het watersysteem integraal ontworpen, waarbij het waterschap de relevante omgevings-, milieu- en maatschappelijke effecten meewegen. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is. Er valt op jaarbasis meer neerslag dan er verdampt, infiltreert en verbruikt wordt. Ook vanwege de ligging van een groot deel van het beheergebied onder de zeespiegel is het verpompen van overtollig hemelwater vaak noodzakelijk.

Dat neemt niet weg dat er voor alle betrokkenen een grote opgave ligt om zuiniger om te gaan met het hemelwater, om ook in droge periodes over voldoende goed water te beschikken. Het gemeentelijk rioleringsplan beschrijft op welke wijze de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplicht voor stedelijk afval-, hemel- en grondwater. Het GRP is samen met het Waterschap Hollandse Delta opgesteld. Bij nieuwe ontwikkeling gelden de volgende uitgangspunten: • Inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerde afvalwater; • Inzameling van het hemelwater dat niet mag of kan worden gebruikt voor de lokale waterhuishouding; • Transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt, waarbij: • Ongewenste emissie naar oppervlaktewater, bodem en grondwater worden voorkomen; • Geen overlast voor de omgeving wordt veroorzaakt Conform de Leidraad Riolering en het vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. 44

Hemelwaterafvoer Hemelwater in het plangebied infiltreert in de bodem en/of stroomt af via het HWAstelsel en/of op de watergangen in en rondom het plangebied. Door de aanleg van een grote waterpartij en de groene inrichting van het gebied kan hemelwater langer worden vastgehouden in het plangebied. Afvalwaterafvoer In het plangebied wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd. De nieuwe woningen worden aangesloten op dit gescheiden rioolstelsel. Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Nissewaard. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Hollandse Delta. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Hollandse Delta.

45

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, dagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer een geluidgevoelige bestemming in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en wanneer hiervoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van een spoorlijn en/of gezoneerd bedrijventerrein dus dat kan buiten beschouwing worden gelaten. Voor het plan is door Adromi Groep een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek volgt dat uitsluitend ten gevolge van het wegverkeer op de Molendijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. Deze overschrijding vindt plaats op de noord- en oostgevel van de eengezinswoning nr. 12. Voor de overige woningen geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege het wegverkeer op de Molendijk niet overschreden wordt.

De geluidsbelastingen veroorzaakt door de niet gezoneerde wegen (de Beverwijkstraat, de Ring, en de geprojecteerde weg in het plangebied) blijven onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. 46

De cumuleerde geluidbelasting Lcum van alle in het onderzoek betrokken wegen tezamen bedraagt ten hoogste 57 dB. Conclusie Het plan is vanuit akoestisch oogpunt uitvoerbaar. Voor de woning nr. 12 zijn hogere waarde voor wegverkeerslawaai vastgesteld.

47

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij een ruimtelijke procedure de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht voor het jaar 2021 (X:79251.242; Y:426500.806): • Een stikstofconcentratie van 16,41 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 15,60 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 8,25 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

48

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

49

4.5 Bedrijven- en milieuzonering Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 5 zijn de afstanden weergeven.

Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft een woningbouwontwikkeling bestaande uit 34 eengezinswoningen (waarvan 4 senioren rijwoningen) en 10 twee-onder-één-kapwoningen (waarvan 4 seniorenwoningen). Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied Het plangebied is gelegen tussen het centrum van Simonshaven en voetbalvelden. De Molendijk is één van de ontsluitingswegen van het dorp. Het akoestisch onderzoek toont aan dat de Molendijk een behoorlijke verkeersintensiteit kent. Op grond hiervan kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.

50

In de omgeving van het plangebied zijn onderstaande milieubelastende functies / bedrijven gelegen: Tabel 6: Omliggende bedrijven/instellingen Adres Functie Schuddebeursedijk 2a Ring 25 Ring 9-11

Veldsportcomplex met verlichting (voetbal) Horeca cat. 3 (café, bar of zaalverhuur) Schroothandel

Cat.

Richtafstand Werkelijke (gemengd afstand gebied) 3.1 30 meter 77 meter 2.0 10 meter

50 meter

3.1 30 meter

100 meter

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde (richt)afstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Wordt wegbestemd met dit bestemmingsplan

100 meter

50 meter

77 meter

Afbeelding 17: Omliggende bedrijven/instellingen

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuzonering geen belemmeringen.

51

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Toekomstig beleidskader Vanaf 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het beschouwen van externe veiligheid bij ruimtelijke plannen zijn het Bkl en het Bbl van toepassing. Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het huidige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met externe risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en het bevoegd gezag rekening moet houden met de kans op tien of meer slachtoffers (voorheen groepsrisico). Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. 52

Onderzoek Het plangebied ligt nabij het centrum van Simonshaven. Tussen 500 en 1500 meter van het plangebied liggen enkele risicobronnen. Onder meer een aantal hogedruk aardgasleidingen en enkele propaantanks. Voor deze risicobronnen zijn vanwege de grote afstand tot het plangebied geen berekeningen, maatregelen dan wel een verantwoording noodzakelijk.

Plangebied

Afbeelding 18: Risicokaart externe veiligheid

Ontplofbare Oorlogsresten In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan door REASeuro een Oriënterend Onderzoek-Ontplofbare Oorlogsresten (OO-OO) uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is toegevoegd in de bijlage). Op basis van een analyse van het onderzoek van Saricon uit 2013 en het analyseren van aanvullend bronmateriaal is geconcludeerd dat naar aanleiding van oorlogshandelingen gedurende de Tweede Wereldoorlog geen sprake is van een Verwachtingsgebied OO ter plaatse van het plangebied. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden regulier doorgang te laten vinden, zonder verdere maatregelen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.

53

4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Ecologische quickscan Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Soortenbescherming Voor de sloop van de loodsen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim 54

voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer (groene gebied ten zuiden van Rhoon en Barendrecht; zie rapportage ecologische quickscan). Op een afstand van circa 385 meter ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 150 meter ligt Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 9,6 km ligt Groene buffer. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten.

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

55

Afbeelding 19: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Aanvullend onderzoek huismus Door Blom Ecologie is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied. De rapportage van het aanvullend ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage.

56

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van de huismus aanwezig zijn. De overige nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2. Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kunnen op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieonderzoek (lees: Aerius-berekening) uitgevoerd. De berekening is toegevoegd in de bijlage. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens de aanleg- en gebruiksfase niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling.

Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen.

57

4.8 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is, is door DETA Milieu B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Gezien het feit dat in de grondmengmonsters en in het grondwatermonster geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden en/of de streefwaarden zijn vastgesteld, wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘onverdachte locatie voor het plangebied wordt bevestigd. Graafwerkzaamheden op de locatie kunnen zonder aanvullende sanerings- en veiligheidstechnische maatregelen plaatsvinden. Op grond van de onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie voor wonen.

Aanvullend bodemonderzoek In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is door DETA Milieu B.V. voor de noordzijde van het plangebied een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Gezien het feit dat in de grondmengmonsters en in het grondwatermonster geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden en/of de streefwaarden zijn vastgesteld, wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘onverdachte locatie voor het plangebied wordt bevestigd. De aangetoonde verhoogde concentraties aan de barium en xylenen (som) hebben mogelijk te maken met een verhoogde elektrische geleidbaarheid en troebelheid van het grondwater. Er is reeds voldoende inspanning geleverd voor een beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse. Bij het wijzigen van de onderzoeksstrategie naar die voor een verdachte locatie (VED-HE), zouden even veel analyses en ongeveer even veel boringen nodig zijn. Er is derhalve geen reden voor het uitvoeren van vervolgonderzoek, of op het nemen van sanerende maatregelen. Op grond van de onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie voor wonen. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen. 58

4.9 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Gemeentelijk beleid De gemeente Nissewaard heeft een eigen archeologisch beleid met beleidsinstrumenten vastgesteld, waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Het doel van het archeologisch beleid is om te zorgen: 1. Voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; 2. Voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; 3. Dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Belangrijk gemeentelijk toetsinstrument is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (vastgesteld op 29 juni 2011). De Archeologische Waardenen Beleidskaart Spijkenisse is vertaald in de bestemmingsplannen in de vorm van archeologische dubbelbestemmingen. Het plangebied heeft de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1, 2 en 3’. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q.

te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 4 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Onderzoek Door ADC Archeoprojecten zijn een bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek en karterend booronderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Op basis van de resultaten van het karterend booronderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten om in de zone waar een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van resten uit het Neolithicum en mogelijk de Vroege Bronstijd geen bodemingrepen te laten plaatsvinden die dieper reiken dan 2,75 m -mv. 59

Indien op deze locatie graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 2,75 m -mv dient te worden onderzocht wat de duiding is van het ‘verrommelde’ pakket in de top van de oeverafzettingen. Hiervoor is een gravend onderzoek het meest geschikt. Aangezien het een locatie met een zeer beperkt oppervlak (circa 20 x 40 m) betreft, is de meest geschikte onderzoeksmethode hiervoor een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In het overige deel van het plangebied zijn geen potentieel archeologische niveaus aanwezig. Dit deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen werkzaamheden. Ook voor de zuidelijke flank van de Molendijk geldt dat hier geen vervolgonderzoek wordt geadviseerd, op voorwaarde dat de werkzaamheden daar niet dieper reiken dan 0,5 m -mv.

Tot deze diepte bestaat de bodem uit recent bouwzand waarin geen potentieel archeologische niveaus aanwezig zijn.

Afbeelding 21: Advieskaart

60

In overleg met het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) is besloten om voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden, drie archeologische dubbelbestemmingen op te nemen: In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 2,75 m beneden maaiveld. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 3 m beneden maaiveld.

Afbeelding 22: Archeologische deelgebieden (bron: BOOR)

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen.

61

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Ring 18a, Simonshaven’ bestaat uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Ring 18a, Simonshaven’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplannen ‘Simonshaven’ (vastgesteld op 21 mei 2013). De regels van het bestemmingsplan ‘Ring 18a, Simonshaven’, bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Groen De zuidwestzijde van het plangebied wordt een openbaar groengebied/park gerealiseerd (landschappelijke inpassing woonwijk). Deze gronden worden bestemd als ‘Groen’. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verkeer - Verblijfsgebied De ontsluitingsweg van de woonwijk en openbare parkeerplaatsen worden bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Water De watergangen en waterpartijen in het plangebied zijn bestemd als ‘Water’. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wonen De woonpercelen worden bestemd als ‘Wonen’. De woningen dienen binnen de bouwvlakken te worden gebouwd. De woningtypen zijn vastgelegd middels de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' en 'twee-aaneen'. De bouw- en goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan ter plaatse met de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' zijn één of meerdere bijgebouwen toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 150 m2 en een maximale bouw- en goothoogte van 6 meter respectievelijk 4 meter.

62

Waarde – Archeologie 1, 2 en 3 Op het plangebied worden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 2 en 3' gelegd. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water en de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering.

5.4 Aanduidingen • • • • • •

Bouwvlak (voor woningen); Bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’ Bouwaanduiding ‘twee-aaneen’; Bouwaanduiding ‘bijgebouwen’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouw- en goothoogte’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; (verschilt per bouwvlak);

63

6.

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een plan.

6.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de ontwikkelaar. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de ontwikkelaar komt. Tot slot, is door DETA milieu een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Er zijn op basis van de resultaten van het bodemonderzoek geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie voor wonen. Het aspect bodem zit de economische uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

6.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De ontwikkelaar gaat zelf het plangebied ontwikkelen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

64

7.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Participatie Informatieavond In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een ontwikkeling te informeren. De ontwikkelaar heeft in een vroeg stadium een informatieavond georganiseerd om het dorp te informeren over het plan. In een later stadium zal opnieuw een informatieavond worden georganiseerd. Op de informatieavond wordt de nadere uitwerking van het plan toegelicht. Overleg Provincie Zuid-Holland (26 januari 2023) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan, de bouw 44 woningen en de landschappelijke inpassing, in een vroeg stadium besproken met de provincie Zuid-Holland. De provincie heeft in dit overleg de volgende aandachtspunten gegeven: • De landschappelijke inpassing moet één geheel vormen met de woningbouw. • Er dient sprake te zijn van een verbinding tussen de wijk met het dorp. • Het plangebied is gelegen buiten BSD en in groene buffer (beschermingscategorie 2). Met een goede onderbouwing is woningbouw toegestaan. • Het plangebied (ca. 1.3 ha), ligt onder de grens van 3 ha, waardoor het plan niet hoeft te worden voorgelegd aan de Provinciale Staten. • De ontmoetingsruimte is uit het plan gehaald na herhaaldelijk bezwaar vanuit de omgeving.

• Het woonprogramma moet een maatschappelijke meerwaarde hebben voor de langere termijn. Er dient te worden gemotiveerd waarom er sprake is van een aanvulling op bestaande woonvoorraad, met maatschappelijke meerwaarde (o.a. sociale huur). De aandachtspunten van de provincie Zuid-Holland zijn meegenomen in de nadere uitwerking van het plan en de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro en inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners. Gelijktijdig aan het vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro heeft het voorontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken van 8 september 2023 t/m 19 oktober 2023, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn 3 vooroverlegreacties en 117 inspraakreacties ingediend.

65

De vooroverleg- en inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in een Antwoordnota vooroverleg en inspraak. De Antwoordnota vooroverleg en inspraak is toegevoegd in de bijlage. Naar aanleiding van de vooroverleg- en inspraakreacties is het bestemmingsplan op de volgende punten aangepast: 1. De paragraaf “groene buffers” in 3.2.2. van de toelichting van het bestemmingsplan is aangevuld; 2. De bouwhoogte van het te bouwen bijgebouw bij de woning aan de Stompaardsedijk is verlaagd van 8 meter naar 6 meter. Voor het overige leiden de reacties niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Ring 18a Simonshaven’ en het ontwerp-besluit hogere grenswaarden Wet Geluidhinder hebben van 22 december 2023 t/m 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn 104 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Antwoordnota zienswijzen. De Antwoordnota zienswijzen is toegevoegd in de bijlage. Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan op de volgende punten aangepast: • De bouwvlakken van de woningen nrs. 01-11 en 12-24 op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn ca.

3 meter in zuidwestelijke richting opgeschoven; • Als gevolg van de verschuiving van de bouwvlakken van de woningen is één parkeerplaats verplaatst (bij de woningen 22-24 vervalt een parkeerplaats, welke wordt gecompenseerd in de parkeerstrook achter de woningen 01 t/m. 11). Per saldo blijft het aantal parkeerplaatsen gelijk. Voor het overige leiden de zienswijzen niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14214673/1