Onderzoeken totaal
Tekst van het document
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 9/42
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1
Toetsingskader
In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) • • • • •
lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) •
• • • •
lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) •
lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 10/42
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht (artikel 1.11) Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: • •
•
lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld2. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Zuid-Holland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 11/42
Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.31, lid d van de Regeling natuurbescherming wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De vrijstelling geldt voor handelingen en projecten ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen of inrichting van gebieden als genoemd in artikel 1.3, eerste lid van het Besluit natuurbescherming. Het betreft hier handelingen en projecten binnen de categorieën: hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakelen transformatorstations en andere hulpmiddelen. De diersoorten waarop de vrijstelling ziet, worden genoemd in Tabel 3-1.
Tabel 3-1
Vrijgestelde soorten behorende bij artikel 3.31, eerste lid van de Regeling natuurbescherming
Nederlandse naam Zoogdieren
Amfibieën
Aardmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Gewone pad
Bunzing
Kleine watersalamander
Dwergmuis
Meerkikker
Dwergspitsmuis
Middelste groene kikker
Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 12/42
Met artikel 3.10 van deze wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in Tabel 3-1. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuwe wet. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Tabel 3-1
Vrijgestelde soorten in Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland 2022)
Aardmuis
Huisspitsmuis
Bastaardkikker
Bosmuis
Konijn
Bruine kikker
Bunzing
Ree
Gewone pad
Dwergmuis
Rosse woelmuis
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Veldmuis
Meerkikker
Egel
Vos
Gewone bosspitsmuis
Wezel
Haas
Woelrat
Hermelijn
3.2
Methode
De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het onderzoeksgebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek, een habitatgeschiktheidsbeoordeling en een analyse en toetsing van mogelijke effecten.
3.2.1
Bronnenonderzoek
Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het onderzoeksgebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • •
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2017 – 2022. NDFF Verspreidingsatlas.
3.2.2
Verkennend veldbezoek
Het verkennend veldbezoek is uitgevoerd op 24 november 2022 van 11.30-14.30 uur en is uitgevoerd door een deskundig ecoloog 3 van Sweco. Tijdens het veldbezoek waren de weersomstandigheden (droog, onbewolkt, 10 graden, 3Bft Z) gunstig voor het uitvoeren van een veldbezoek. Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 13/42
3.2.1
Habitatgeschiktheidsbeoordeling
Op basis van het verkennend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen.
3.2.2
Analyse en toetsing van mogelijke effecten
Op basis van het bronnenonderzoek is een eerste inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.
3.3
Resultaten en effectanalyse
3.3.1
Voorkomende ecotopen
Het onderzoeksgebied/plangebied bestaat uit een hoogspanningsstation en bijbehorende elementen en drie hoogspanningsmasten. Binnen het terrein is voornamelijk bestrating aanwezig met daaromheen kort gemaaid gras, op een deel van het terrein stonden de restanten van wat ruigere begroeiing. Buiten de hekken van het station is hoofdzakelijk gras aanwezig en staan er een aantal groepjes bomen, voornamelijk bestaande uit zomereik, veldesdoorn, zwarte els en meidoorn. Een klein deel van het gebied is in gebruik als akker. Rondom lopen watergangen, deze variëren in diepte. De brede delen van de watergang zijn ondiep. Langs de oever waren restanten van riet zichtbaar. Op het terrein was voornamelijk gras aanwezig waartussen een aantal soorten kruiden groeide zoals; klaver spec., smalle weegbree, paardenbloem en madelief. Voor een impressie van het onderzoeksgebied zie Figuur 3.1. De locaties van mast 066 en 067 bestaan uit grasland met rondom bomenrijen en watergangen, zie Figuur 3.2.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 14/42
Figuur 3.1 Station Simonshaven en directe omgeving.
\ Figuur 3.2 Mast 066 (links) en mast 067 (rechts).
In de volgende paragrafen wordt het mogelijk voorkomen van beschermde soorten uit de verschillende soortgroepen besproken.
3.3.2
Vogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van categorie 1- tot en met 4-soorten altijd jaarrond beschermd zijn. Categorie 5-soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen.
Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 - 4) Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten
De NDFF toont waarnemingen van de huismus (cat. 2), buizerd (cat. 4), sperwer (cat. 4), havik (cat. 4), boomvalk (cat. 4) en ransuil (cat. 4) in de omgeving.
Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 - 4)
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 15/42
Analyse en toetsing van mogelijke effecten
De huismus is een ‘gebouwbewonende’ soort, ze broeden in nissen, onder dakpannen etc. In verband met de afwezigheid van deze elementen in de aanwezige panden in het onderzoeksgebied, zijn verblijfplaatsen van de huismus op voorhand uitgesloten, een negatief effect op het foerageergebied wordt derhalve ook uitgesloten. Nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de huismus is niet nodig. In drie hoogspanningsmasten zijn nesten aangetroffen, daarnaast is ook in één boom binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden een nest aangetroffen. Bij mast 066 en 067 zijn ten tijden van het veldbezoek geen nesten aangetroffen. In mast 068, 069A en 069 zijn wel nesten aangetroffen, zie Figuur 3.3, Figuur 3.4 en Figuur 3.5. Het bosje bij mast 067 was door de grote hoeveelheid blad wat nog aan de eiken zat moeilijk te onderzoeken op de aanwezigheid van nesten, er waren tijdens het veldbezoek geen nesten zichtbaar. Aanbevolen wordt om hier in januari of februari nogmaals langs te gaan als al het blad van de bomen is gevallen en eventuele nesten beter zichtbaar zijn. Nesten die eventueel worden aangetroffen in het bosje worden door de werkzaamheden niet vernietigd, wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben.
De nesten in de masten en in de bomen kunnen mogelijk in gebruik zijn/worden genomen door de ooievaar, slechtvalk, buizerd, sperwer, boomvalk en/of havik. De ransuil broedt voornamelijk in naaldbomen en wordt derhalve niet op de aangetroffen nesten in de masten verwacht maar is niet uit te sluiten in de bomen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen effectafstand van de werkzaamheden kan niet worden uitgesloten. Rondom de nesten is een verstoringszone van 75 meter (BIJ12, 2017a) weergegeven in Figuur 3.6. In de huidige situatie is er over het algemeen geen menselijke activiteit op het station. De wegen rondom het station zijn enkel voor gebruik door langbouwvoertuigen en fietsers/wandelaars (recreanten). Hierdoor zijn de nesten ook geschikt voor verstoringsgevoellige soorten. De werkzaamheden kunnen hierdoor tot verstoring leiden bij het nest in de boom en masten 069A en 069. Het nest in mast 068 wordt door de sloop van de mast vernietigd. Een negatief effect op een eventueel aanwezige broedende vogels is niet op voorhand is uit te sluiten. Om verstoring te voorkomen bij het nest in de boom en masten 069A en 069 dienen de werkzaamheden in september t/m januari te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, is nader onderzoek naar de bezetting van de nesten noodzakelijk in de periode februari t/m juni.
Op basis van de uitkomsten is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vogels mogelijk noodzakelijk. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Voor de sloop van mast 068 is het noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren om te onderzoeken of het nest bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest met categorie 1 t/m 4. Dit onderzoek vindt plaats in de periode februari t/m juni. Indien een jaarrond beschermd nest aanwezig is dient een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Indien het nest niet bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest dan mag deze (mits deze niet in gebruik is) worden weggenomen.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 16/42
Figuur 3.3 Mast 068 nest in bovenste traverse wit
Figuur 3.4 Mast 069A nest in onderste traverse wit
Figuur 3.5 Mast 069 nest in de toren bij de onderste traverse aan de witte zijde
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 17/42
Figuur 3.6 Locaties aangetroffen nesten.
Het onderzoeksgebied en de omgeving zijn geschikt als foerageergebied voor de soorten. Er blijft echter voldoende foerageergebied over bij agrarische percelen in de omgeving, daarnaast zijn de werkzaamheden tijdelijk en is het gebied na de werkzaamheden weer geschikt. Een permanent negatief effect op het foerageergebied is hiermee uitgesloten. Voor nesten van jaarrond beschermde soorten bestaat een protocol (Van den Bremer et al., 2020). Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden in september t/m januari te worden uitgevoerd. Er zijn in meerdere masten nesten aangetroffen. Twee masten staan op het terrein van station SMH binnen de invloedsfeer van uitgevoerde werkzaamheden. De kap van de bosvakken was in februari en daarmee buiten de geadviseerde tijdszone. Er is een aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd (NL23-648800269-54723 d.d. 11 juli 2023). Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd.
Vogels met (potentieel) jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten
Op basis van het aanwezige habitat worden onder andere de ekster, zwarte kraai, blauwe reiger, koolmees en pimpelmees verwacht. Deze soorten hebben geen jaarrond beschermde nesten wanneer er voldoende alternatief aanwezig is, omdat ze voldoende flexibel zijn.
Vogels met (potentieel) jaarrond beschermde nesten (cat. 5)
Analyse en toetsing van mogelijke effecten
Voor soorten, zoals koolmees en pimpelmees zijn er in de bomen en groen in de omgeving mogelijkheden om te broeden. De bomen op het terrein zijn vanwege de beperkte hoogte niet geschikt voor de zwarte kraai en ekster, deze soorten kunnen wel in de omgeving broeden. Ook voor de blauwe reiger blijft er voldoende alternatief over. Een negatief effect op het aanbod nestlocaties voor deze soorten is niet aan de orde. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest in categorie 5 is niet noodzakelijk. Broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd, nesten mogen niet vernietigd of verstoord Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 18/42
worden. Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. Werkzaamheden in de periode augustus t/m februari kunnen zonder aanvullende broedvogelcontroles plaatsvinden.
Overige broedvogels
Overige broedvogels In de bomen en struweel op het terrein kunnen mogelijk algemene vogels, zoals de merel, houtduif gaan broeden. Langs de oevers en op het water in de watergangen en in water rondom het tracé kunnen de waterhoen, meerkoet, wilde eend en knobbelzwaan gaan broeden. Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. De Wnb erkent officieel geen broedseizoen. Er zijn soorten die al (ver) voor half maart kunnen en/of beginnen met broeden, zoals houtduif, bosuil (december/januari) en blauwe reiger (februari/maart). In de Wnb is aangegeven dat van belang is of een broedende vogel aanwezig is. Werkzaamheden in de periode augustus t/m februari kunnen zonder aanvullende broedvogelcontroles plaatsvinden. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
3.3.3
Planten
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Beschermde soorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen, zoals duinen, heiden en venen. Soorten die tijdens het veldbezoek zijn aangetroffen, duiden op een voedselrijke bodem, zoals; witte dovenetel, kleefkruid, aardbei (spec.), smalle weegbree, brede weegbree, madelief, paardenbloem en klaver (spec.). Daarnaast is ook één geschubde inktzwam (Coprinus comatus) waargenomen.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van de aanwezige planten en het gebruik van de percelen wordt uitgesloten dat er beschermde planten aanwezig zijn in het plangebied. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde planten is niet nodig. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot planten niet nodig.
3.3.4
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in de omgeving van het onderzoeksgebied. Daarnaast worden tevens de watervleermuis, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis verwacht in en in de omgeving van het onderzoeksgebied. Overige soorten worden op basis van hun verspreiding uitgesloten.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 19/42
Vaste rust- en voorplantingsplaatsen Vaste rust- en voorplantingsplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen globaal in twee soorten te verdelen: soorten die hun verblijfplaats in gebouwen hebben en vleermuizen die hun verblijfplaats in bomen hebben.
Gebouwbewonende vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten
Gebouwbewonende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis, hebben hun verblijfplaatsen in allerlei kleine holten in gebouwen, zoals in een spouwmuur en achter gevelbetimmering.
Gebouwbewonende vleermuizen
Analyse en toetsing van mogelijke effecten vaste rust- en verblijfplaatsen
Binnen het onderzoeksgebied zijn geen geschikte bouwwerken aanwezig voor gebouwbewonende vleermuizen. Een negatief effect op vaste rust- en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende soorten is hiermee uitgesloten.
Boombewonende vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten
Boombewonende vleermuizen, zoals de watervleermuis en ruige dwergvleermuis, hebben hun verblijfplaatsen onder ander in holtes en achter loszittende bast in bomen. Er zijn bomen aanwezig binnen het onderzoeksgebied.
Boombewonende vleermuizen
Analyse en toetsing van mogelijke effecten vaste rust- en verblijfplaatsen
De bomen bij het station zijn niet geschikt omdat deze te dun en klein zijn. In de omgeving zijn geschikte bomen aanwezig zijn en kunnen de werkzaamheden tot verstoring leiden bij verblijfplaatsen van boombewonende soorten indien er gebruik wordt gemaakt van bouwverlichting. Het is nodig om mitigerende maatregelen te treffen om verstoring (Wnb art. 3.5 lid 2) – in het geval van het gebruik van (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden – op mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen te voorkomen. Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op omliggende groenstructuren c.q. bomen tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Wanneer deze methode niet kan worden toegepast, is nader onderzoek naar verblijfplaatsen noodzakelijk en mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
Foerageergebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen zijn ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die regelmatig en door meerdere individuen gebruikt worden, noemen we een vliegroute. Vliegroutes zijn nodig voor vleermuizen om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en vice versa.
Foerageergebied en vliegroutes
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 20/42
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten
De watergangen en groenstructuren in de omgeving zijn mogelijk geschikt als foerageergebied en de lijnvormige structuren zoals watergangen en bomenrijen als vliegroute.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten
De directe omgeving en het tracé zelf zijn mogelijk geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis. Nader onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes is niet nodig indien de effecten voldoende kunnen worden gemitigeerd. Het is nodig om mitigerende maatregelen te treffen om verstoring (Wnb art. 3.5 lid 2) in het geval van het gebruik van (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen te voorkomen. Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op omliggende groenstructuren tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Wanneer deze methode niet kan worden toegepast, is nader onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes noodzakelijk en mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
3.3.5
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de bever en noordse woelmuis in de omgeving van het plangebied. Vrijgestelde soorten die in de NDFF staan, zijn: woelrat, ree, haas, hermelijn, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, dwergmuis, egel en bunzing. De haas is in het plangebied aanwezig. Het is goed mogelijk dat hier ook voortplanting plaatsvindt. De haas is door provincie Zuid-Holland vrijgesteld van bescherming vanuit de Wet natuurbescherming.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren, omzoomd door (broek)bossen met bomen, zoals wilg en populier. Steile hogere oevers met een begroeiing van bomen of struiken zijn favoriet voor het graven van holen en de constructie van burchten4.
Bever
Op het terrein van het station Simonshaven zijn geen sporen aangetroffen van de bever. Bij mast 066 is niet het juiste habitat aanwezig voor burchten van de bever. Op het weiland waar mast 067 op staat is ook niet het juiste habitat aanwezig voor de soort, echter langs de Bernisse (rivier) is wel geschikt habitat aanwezig voor een beverburcht. De Bernisse is een oude rivierarm van 7 kilometer lang en bestaat uit meertjes, kommen en plassen. Gecombineerd met de bossen en drassige natuur5 vormt dit een geschikt habitat voor de bever. Om verstoring te voorkomen is het van belang dat er in een straal van 100 meter rond geschikt habitat voor burchten geen werkzaamheden plaatsvinden tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang in de periode mei t/m augustus (RVO, 2014). Buiten deze periode geldt een afstand Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 21/42
van 20 meter, zie Figuur 3.7. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Wanneer bovenstaande maatregel niet mogelijk is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte locatie van eventueel aanwezige beverburchten in de periode februari t/m juni. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is op basis van de uitkomsten mogelijk nodig.
Figuur 3.7 Potentieel geschikt beverhabitat waar burchten kunnen zitten met daaromheen een buffer van 20 en 100 meter.
Voor de noordse woelmuis moet er variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Ze mijden door struiken en bomen gedomineerde begroeiingen. Wanneer op minimaal de helft van een perceel vegetatie hoger dan 25 centimeter aanwezig is, komen er duidelijk meer noordse woelmuizen voor dan op een perceel waar dit niet het geval is (BIJ12, 2017b).
Noordse woelmuis
In de omgeving zijn gebieden aanwezig die (zeer) geschikt lijken te zijn voor de noordse woelmuis, zowel als zomer- als winterhabitat. Er is een waarneming van de noordse woelmuis op circa 80 meter van station Simonshaven. De soort kan 200 meter tussen het zomer- en winterhabitat afleggen. De locaties van de masten 066 en 067 zijn ongeschikt voor de soort. Echter op het terrein van station Simonshaven en mast 068 kan op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de percelen niet geschikt zijn voor de noordse woelmuis. Door het ontbreken van riet en vegetatiestructuren in de winter wordt winterhabitat uitgesloten, maar zomerhabitat kan aanwezig zijn op het terrein. Omdat geschikt winterhabitat op circa 40 meter aanwezig is, is een negatief effect op de noordse woelmuis hier niet uit te sluiten. Nader onderzoek is in april t/m september noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van de soort op het terrein vast te stellen. Voor alle inheemse Nederlandse soorten is altijd de zorgplicht van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en
Zorgplicht
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 22/42
planten, in redelijkheid zo veel als mogelijk worden nagelaten, of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In dit geval betekent dit dat er maatregelen moeten worden getroffen, zodat er bij de geplande werkzaamheden geen nadelige gevolgen optreden voor de aanwezige hazen, bijvoorbeeld het opzettelijk doden van individuen of verstoren van legers met kwetsbare jonge dieren tijdens de kraamperiode. Dit kan door de werkzaamheden altijd vanaf een kant op te starten, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten en door te werken buiten de kwetsbare periode (januari tot en met oktober). De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek de noordse woelmuis is noodzakelijk bij het station Simonshaven en mast 068. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Daarnaast zijn er passende mitigerende maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht.
3.3.6
Conclusie
Amfibieën en reptielen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de gewone pad, bruine kikker, groene kikker, bastaard kikker en kleine watersalamander in de omgeving van het plangebied. Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Zuid-Holland. Andere beschermde soorten worden op basis van het aanwezige habitat en hun verspreiding niet verwacht.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Voor de realisatie van de optionele locatie van de nieuwe mast 068 dient er een deel van een watergang gedempt te worden. Op de locatie van de oude mast 068 wordt dan een deel land afgegraven ter compensatie, zie Figuur 3.8. Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden dient men in het kader van de zorgplicht rekening te houden met aanwezige amfibieën, larven, eiklompen en/of eisnoeren. Dit kan door de werkzaamheden rustig op te starten en vanaf één zijde te werken zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Eiklompen en/of eisnoeren dienen naar een geschikte locatie te worden verplaatst. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar beschermde reptielen en amfibieën is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot amfibieën en reptielen is niet nodig.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 23/42
Figuur 3.8 Watercompensatie (400 m2) bij alternatieve locatie nieuwe mast 068.
3.3.7
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont geen beschermde vissen in de omgeving van het onderzoeksgebied. Algemene soorten die in de voor kunnen komen, zijn baars, bittervoorn, blankvoorn, vetje, zeelt etc. Beschermde soorten worden op basis van het aanwezige habitat en hun verspreiding niet verwacht, een negatief effect is hiermee uitgesloten.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Voor de realisatie van de alternatieve locatie van de nieuwe mast 068 dient er een deel van de watergang gedempt te worden. Op de locatie van de oude mast 068 wordt dan een deel afgegraven ter compensatie, zie Figuur 3.8. Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden dient men in het kader van de zorgplicht rekening te houden met aanwezige vissen. Werkzaamheden dienen rustig te worden opgestart zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is niet nodig. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
3.3.8
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 24/42
Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat zoals de aanwezigheid van waardplanten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitattypen die voorkomen in bijvoorbeeld duinen, heiden of venen of hebben specifieke waardplanten nodig. Binnen het onderzoeksgebied is geen sprake van een dergelijke leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden worden daarom niet verwacht in het projectgebied. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 25/42
4
Wet natuurbescherming: houtopstanden
4.1
Wet natuurbescherming Houtopstanden
Houtopstanden buiten de bebouwde kom Houtopstanden zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. In het kader van de Wet natuurbescherming omvat ‘houtopstanden’ het volgende: ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen’ (artikel 1.1 Wnb). Als een houtopstand zich binnen de bebouwde kom Houtopstanden bevindt, is niet de Wet natuurbescherming van toepassing, maar de gemeentelijke verordening (APV of Bomenverordening) van de gemeente binnen welke grenzen de betreffende houtopstand is gelegen. Deze bescherming geldt ook wanneer velling van een (klein) deel van dergelijke beplantingen beoogd wordt. Bij velling van houtopstanden buiten de bebouwde kom Houtopstanden (waarop het beschermingsregime van de Wnb van toepassing is), dient van de voorgenomen velling kennisgeving te worden ingediend bij het desbetreffende bevoegd gezag. In geval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende (dat wil zeggen de eigenaar van de grond) zorg voor het ‘op bosbouwkundig verantwoorde wijze’ herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of teniet gaan van de houtopstand.
RVO is bevoegd gezag op basis van art. 1.3 lid 5, sub a van de Wet natuurbescherming in samenhang met art. 1.3 lid 1a, sub 6 van het Besluit natuurbescherming. Bovenstaand is niet nodig wanneer de houtopstanden vallen onder de volgende categorieën, zoals opgenomen in artikel 4.1 Wnb: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen, bestaande uit: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 26/42
Door middel van een veldinspectie dient in beeld te worden gebracht in hoeverre een te vellen houtopstand voldoet aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden, om welke soort het gaat en om welke aantallen het gaat.
4.2
Inventarisatie
De ligging van de bebouwde kom Houtopstanden is vastgesteld door de gemeenteraad en weergegeven in een interactieve kaart van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid6. De te kappen bomen liggen buiten de bebouwde kom Houtopstanden, Figuur 4.1, waardoor de Wet natuurbescherming op deze houtopstanden van toepassing is.
Figuur 4.1 Grens bebouwd kom Houtopstanden (groene lijn)7 en de locatie met te kappen bomen rood.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 27/42
4.3
Conclusie
Bij houtopstanden vanaf 1000 m2 (10 are) is een melding en herplanting verplicht. Er zijn drie bosjes die 1000 m2 of groter zijn, Figuur 4.2. Deze bomen vallen daarmee onder bescherming van de Wet natuurbescherming Houtopstanden. Het bosje met het oppervlak van circa 1.422 m2 wordt gekapt. Wanneer deze bomen gekapt worden moet er een melding gemaakt worden bij het bevoegd gezag en is herplanting verplicht. Op twee locaties worden bomen aangeplant met in totaal een oppervlakte van circa 2.626 m2. Dit is voldoende ter compensatie van de houtopstanden die worden gekapt. Wel dient nog een boomanalyse uitgevoerd te worden om te bepalen om welke soorten het gaat en om welke aantallen het gaat zodat de herplant kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde houtopstand. De exacte locaties van de bomen herplant wordt nader uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan en kan nog iets wijzigingen. Wel blijven de oppervlaktes gelijk.
Figuur 4.2 Grootte van de houtopstanden op het terrein.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 28/42
5
Natuurbeleidskaders
Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.
5.1
Provinciaal beleid
5.1.1
Toetsingskader
De regels omtrent ruimtelijke kwaliteit waarvan gebieden met natuurwaarden een onderdeel zijn is in de provincie Zuid-Holland is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening8 artikel 6.9. Er zijn drie beschermingscategorieën waarvan categorie 1 en 2 van belang zijn in het kader van gebieden met natuurwaarden. 1. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e of 6.9f. 2. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9c of 6.9d.
Figuur 5.1
Ligging van de gebieden binnen de drie beschermingscategorieën.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 29/42
Natuurnetwerk Nederland (cat. 1) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. De ecologische verbindingszones vallen hier ook onder. Graslanden Bollenstreek (cat. 1) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen graslanden Bollenstreek kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden. Weidevogelgebied (cat. 2) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen als bedoeld artikel 6.9, zevende lid, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied.
Groene buffer (cat.2) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. De afweging voor ruimtelijke ingrepen in beschermingscategorie 1 en 2 gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In provincie Zuid-Holland is de externe werking niet van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het onderzoeksgebied. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’.
5.1.2
Inventarisatie, analyse en toetsing
Beschermingscategorie 1 Mast 067 ligt geheel binnen het NNN en mast 068 en station Simonshaven liggen bij een ecologische verbindingszone, zie Figuur 5.2. Beschermd grasland in de Bollenstreek ligt op meer dan 40 km afstand van de locaties. Voor de herinrichting tijdens fase 3 en 4 bij mast 068 en het station Simonshaven is een bestemmingsplanherziening nodig. De werkzaamheden vallen binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland en een ecologische verbindingszone. Het NNN-gebied bij mast 067 heeft als beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland9. Het versterken vanmast 067 heeft geen permanent effect op het NNN-gebied. Op de locatie zal de vegetatie binnen één groeiseizoen weer terug groeien. Tijdens de werkzaamheden kan verstoring optreden door de werkzaamheden. Door de werkzaamheden langzaam op te starten krijgen aanwezige dieren de tijd om te vluchten.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 30/42
Verstorende werkzaamheden kunnen niet plaatsvinden wanneer er broedvogels aanwezig zijn in de bomen of langs de oever of op het water binnen de effectafstand van de werkzaamheden. Mitigerende maatregelen moeten worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is noodzakelijk om bovenstaande nader te onderbouwen. De ecologische verbindingszone langs mast 068 en het station bestaat uit het beheertype N00.01 nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting). De werkzaamheden hebben mogelijk permanent effect op het nog in te richten beheertype. Enkel de werkzaamheden aan mast 068 hebben een effect op het NNN, de werkzaamheden op het station vallen buiten het NNN. De alternatieve locatie van mast 068 heeft tot gevolg dat een deel van de watergang gedempt wordt, dit wordt echter gecompenseerd door een ander deel uit te graven. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is noodzakelijk om bovenstaande nader de onderbouwen.
Figuur 5.2 Ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het meest nabijgelegen NNN (licht groen) en ecologische verbindingszone (donker groen).
Beschermingscategorie 2 Mast 067 is niet gelegen binnen de Groene Buffer of belangrijk weidevogelgebied. Mast 068 en station Simonshaven liggen wel binnen de groene contour en op circa 40 meter van het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied (Figuur 5.3). Voor de ontwikkelingen bij fase 3 en 4 is een RO-procedure nodig. De sloop en vernieuwbouw van mast 068 zorgt per saldo niet tot een verandering. De ontwikkeling op station Simonshaven betreft geen grootschalige ontwikkeling. In totaal wordt het station met circa 14.840 m2 uitgebreid waarvan circa 4.000 m2 nu nog buiten de hekken van het station valt. Het deel binnen het huidige hekwerk is voor de helft al bestraat en voor de andere helft bestaande uit (uitgezaaide) ruige vegetatie. De huidige toegangsweg wordt verlegd, per saldo neemt de oppervlakte verharding voor de toegangsweg hierdoor iets af.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 31/42
De bomen die gekapt moeten worden om de ontwikkeling mogelijk te maken worden gecompenseerd op het perceel. Het betreft enkel de uitbreiding van het huidige hoogspanningsstation op deze locatie. Dit is nodig om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen. De functie van het terrein wijzigt niet en de belevingswaarde blijft hetzelfde. De geplande werkzaamheden en uitbreiding van het hoogspanningsstation hebben geen negatief effect op de omliggende gebieden. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure t.a.v. de Groene Buffer is niet nodig. De werkzaamheden op het terrein van het hoogspanningsstation Simonshaven liggen op 40 meter van een weidevogelgebied. Externe werking is wel van toepassing op belangrijke weidevogelgebieden. De werkzaamheden kunnen een verstorend effect hebben. Effecten van de werkzaamheden zijn tijdelijk. Indien de werkzaamheden in de periode augustus t/m februari worden uitgevoerd treedt er geen negatief effect op. Bij werkzaamheden in de periode maart t/m juli kan er wel een negatief effect optreden. Het uitvoeren van een effectbeoordeling is nodig bij werkzaamheden in deze periode.
Figuur 5.3 Ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het meest nabijgelegen belangrijk weidevogelgebied (donker groene horizontale streep) en groene buffer (licht groene verticale streep).
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 32/42
6
Conclusies
6.1
Wet natuurbescherming
6.1.1
Gebiedsbescherming
Alle Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km zijn in kaart gebracht, dit zijn er 10. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ ligt op ten minste 3,8 km afstand van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Uit de analyse blijkt dat er mogelijk een toename aan stikstofdepositie kan optreden. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk om uitsluitsel te geven over een eventuele toe- of afname aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en/of gebruiksfase.
Op basis van de resultaten van de AERIUS-berekening dient te worden bepaald of er aanvullend onderzoek naar de effecten van stikstofdepositie in de vorm van een voortoets of passende beoordeling benodigd is, of dat het project zonder aanvullend effectonderzoek doorgang kan vinden.
6.1.2
Soortbescherming
De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op vogels met een jaarrond beschermd nest en de noordse woelmuis. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid dan wel afwezigheid is noodzakelijk. De werkzaamheden bij het tracé hebben geen negatief effect op beschermde planten, reptielen en/of ongewervelden. Wel is het voor enkele soorten – vleermuizen en bever – noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen. Als dit niet mogelijk is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk. Het bosje bij mast 067 was door de grote hoeveelheid blad wat nog aan de eiken zat moeilijk te onderzoeken op de aanwezigheid van nesten, er waren tijdens het veldbezoek geen nesten zichtbaar. Aanbevolen wordt om hier in januari of februari nogmaals langs te gaan als al het blad van de bomen is gevallen en eventuele nesten beter zichtbaar zijn. Nesten die eventueel worden aangetroffen in het bosje worden door de werkzaamheden niet vernietigd, wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben.
Soortgericht onderzoek
Voor de sloop van mast 068 is het noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren om te onderzoeken of het nest bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest (ooievaar, slechtvalk, buizerd, sperwer, boomvalk en/of havik). Dit onderzoek vindt plaats in de periode februari t/m juni. Indien een jaarrond beschermd nest aanwezig is dient een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 33/42
Indien het nest niet bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest dan mag deze (mits deze niet in gebruik is) worden weggenomen. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de noordse woelmuis is noodzakelijk bij het station Simonshaven en mast 068. Het nader onderzoek vindt plaats in de periode april t/m september. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Er zijn in mast 069, mast 070 en in een boom net buiten het terrein van station Simonshaven nesten waargenomen die mogelijk in gebruik kunnen zijn door een soort met een jaarrond beschermd nest. Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden in september t/m januari te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, is nader onderzoek naar de bezetting van de nesten noodzakelijk in de periode februari t/m juni. Op basis van de uitkomsten is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vogels mogelijk noodzakelijk. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
Mitigerende maatregelen
Het is nodig om mitigerende maatregelen te treffen om verstoring (Wnb art. 3.5 lid 2) in het geval van het gebruik van (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden op mogelijke verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen te voorkomen. Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op omliggende gebouwen en groenstructuren (zoals bomenrijen en watergangen) tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Wanneer deze methode niet kan worden toegepast, is nader onderzoek naar verblijfplaatsen noodzakelijk en mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Om verstoring van mogelijk aanwezige beverburchten te voorkomen tijdens de werkzaamheden is van belang dat er in een straal van 100 meter rond geschikt habitat voor burchten geen werkzaamheden plaatsvinden tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang in de periode mei t/m augustus (Figuur 6.1). Buiten deze periode geldt een afstand van 20 meter. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Wanneer bovenstaande maatregel niet mogelijk is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte locatie van de beverburchten in de periode februari t/m juni.
Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is op basis van de uitkomsten mogelijk nodig. Werkzaamheden die in de omgeving van het water plaatsvinden dienen (vissen en amfibieën) rustig te worden opgestart zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. Eiklompen en/of eisnoeren van amfibieën dienen naar een geschikte locatie te worden verplaatst. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. De werkzaamheden dienen daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen in de periode half juli t/m half maart plaats te vinden om verstoring te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens de werkzaamheden plaatsvinden, deze dient opnieuw uitgevoerd te worden als de werkzaamheden twee dagen stil liggen. Wanneer zeker is dat er zich geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Mitigerende maatregelen moeten worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.
Broedende vogels
Sweco | Verkennend Natuuronderzoek station Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Datum: 02-08-2023 Document referentie: NL23-648800269-42824
Versie: D5 34/42