Mer-beoordeling Haven-Noord (Molenzicht)
Tekst van het document
Bezoekadres: Stationsweg 2 8011 CZ Zwolle
Notitie
11180-60652-02v3 Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
Postadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl W http://www.cauberghuygen.nl K.V.K. 58792562 IBAN NL71RABO0112075584
Datum
Referentie
Behandeld door
19 september 2025
11180-60652-02v3
M.J.M. Blankvoort
1
Inleiding
Voor de woningbouwontwikkeling Molenzicht in Spijkenisse wordt een (wijziging van het) omgevingsplan voorbereid. De ontwikkeling is gelegen aan de Ir. Herman de Grootweg in Spijkenisse. Het plangebied heeft een omvang van circa 6 hectare. Binnen het plangebied worden gefaseerd 1.700 woningen en 7.000 m2 commerciële ruimte gerealiseerd, met de daarbij behorende infrastructuur en groenvoorzieningen. Een sfeerimpressie van de voorziene ontwikkeling is grafisch weergegeven in afbeelding 1.
Afbeelding 1: woningbouwontwikkeling Molenzicht
Voormelde ontwikkeling valt uiteen in vier deelplannen, te weten drie omgevingsplannen (WOP1 t/m 3) en één buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). In afbeelding 2 zijn de vier deelplannen grafisch weergegeven.
Afbeelding 2: vier deelplannen woningbouwontwikkeling Molenzicht
De voorgenomen woningbouwontwikkeling is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in categorie J11, kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Op grond daarvan is een gecombineerde plan-/project-mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk. Deze procedure begint met het opstellen van de zogenaamde aanmeldnotitie, waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Voorliggende notitie brengt verslag uit van de aanmeldnotitie.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 2
2
Aanleiding gecombineerde plan-/project-mer-beoordeling
2.1
Wet- en regelgeving
In paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet zijn regels opgenomen over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Uit 16.34, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat deze paragraaf gaat over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s als bedoeld in artikel 2, onder a, van de smb-richtlijn,1 waarvan de vaststelling is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en waarin het voor de vaststelling van die plannen en programma’s bevoegde bestuursorgaan en de procedure voor de opstelling ervan is vastgelegd. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat in deze paragraaf onder een plan of programma in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Artikel 16.36, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport wordt gemaakt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport maakt als bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt.
Uit het derde lid van dit artikel volgt dat voor een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid het bevoegd gezag een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma of de wijzigingen daarvan aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Uit het vierde lid van dit artikel volgt dat voor een plan of programma dat het kader vormt voor andere projecten dan bedoeld in het eerste lid het bevoegd gezag een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 2.2
Noodzaak van de beoordeling
Op het moment dat een bepaald document, zoals een ruimtelijk-functioneel kader of ontwikkelkader, materieel moet worden gekwalificeerd als programma in de zin in artikel 3.5 van de Omgevingswet merken we dit document aan als plan of programma in de zin van artikel 16.34, eerste lid, van de Omgevingswet. Bij een ontwikkelkader gaat het bijvoorbeeld om een uitwerking van het te voeren beleid van de ontwikkeling van een bepaald deelgebied. Dit betekent dat het document onder de reikwijdte van paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet over milieueffectrapportage bij plannen en programma’s komt te vallen. Of uiteindelijk een plan-mer(beoordelings)plicht geldt, moet worden nagegaan of sprake is van één van de gevallen als bedoeld in artikel 16.36 van de Omgevingswet. Uit dit artikel volgt dat een plan-mer moet worden gemaakt, indien: het plan of programma het kader vormt voor projectmer-(beoordelings)plichtige projecten, als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met bijlage V van het Omgevingsbesluit; 1 De
eisen aan een plan-mer-beoordeling (bijlage II Europese SMB richtlijn) en project-mer-beoordeling (bijlage III Europese mer-richtlijn) zijn tekstueel enigszins anders. In jurisprudentie is gesteld dat beide inhoudelijk vergelijkbaar zijn.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 3
(of) In bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangewezen in welke gevallen een project-mer-plicht (kolom 2) of project-mer-beoordelingsplicht (kolom 3) geldt. Gevallen zijn: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen (J11), (kolom 3). De ontwikkeling van Molenzicht valt onder categorie J11. Er geldt echter daarnaast de volgende belangrijke uitzondering, waarbij geen plan-mer hoeft te worden gemaakt, maar een plan-mer-beoordeling mag worden uitgevoerd (artikel 16.36, derde lid, van de Omgevingswet): Als sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. Het gaat daarbij om een plan of programma dat betrekking heeft op een klein gebied, dat wordt vastgesteld door een bestuursorgaan van een gemeente. Uit artikel 11.1, derde lid, van het Omgevingsbesluit volgt dat van een klein gebied sprake is als de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. Vooralsnog wordt vast gehouden aan het in de Nederlandse rechtspraak geaccordeerde richtcijfer van 1% : een gebied van ongeveer 1% van het grondgebied van de gemeente merken we als ‘klein gebied’ aan. Het totale grondgebied van de gemeente Nissewaard (waarvan Spijkenisse onderdeel uitmaakt) is ruim 98 km2. De omvang van het plangebied bedraagt ongeveer 0,06 km 2.
Het omgevingsplan heeft dus betrekking op het gebruik van circa 0,06% van het gemeentelijk grondgebied, zodat sprake is van een ‘klein gebied op lokaal niveau’. De ontwikkeling van Molenzicht voldoet daarmee aan het richtcijfer van 1% en geldt dus een plan-merbeoordeling in plaats van een directe plan-mer-plicht. 2.3
Criteria voor het toetsen van activiteiten in een plan m.e.r-beoordeling
Bij het beoordelen of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden de toetsingscriteria gehanteerd die zijn gebaseerd op Europese regelgeving. In bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect. 1. Kenmerken van de projecten: Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project, b) de cumulatie met andere projecten, c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, d) de productie van afvalstoffen, e) verontreiniging en hinder, f) risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande grondgebruik, b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de c) natuurlijke hulpbronnen van het gebied, Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 4
d) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i. wetlands ii. kustgebieden iii. berg- en bosgebieden iv. reservaten en natuurparken v. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) vi. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden; vii. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid viii. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), b) het grensoverschrijdende karakter van het effect c) de waarschijnlijkheid van het effect, d) de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. 3
Kenmerken en plaats van het plan Molenzicht
3.1
Ligging projectgebied en bestaand grondgebruik
Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Spijkenisse, direct ten zuiden van de Groene Kruisweg en ten westen van de Oude Maas. In het plangebied zijn de verkeerswegen Ir. Herman de Grootweg alsmede de Veerweg gelegen. De gronden binnen het plangebied zijn bestemd voor bedrijfsmatige doeleinden, het huidige gebruik is dan ook bedrijfsmatig. De gronden zijn voor een groot deel bebouwd en verhard. Het plangebied grens aan de zuidoost- en zuidwestzijde aan overwegen bebouwd gebied, met aan de noordzijde de Groen Kruisweg alsmede bestaande sportparken. In de onderstaande afbeelding 3 en 4 is de globale begrenzing en ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 5
Afbeelding 3: regionale ligging Molenzicht (rood vlak)
Afbeelding 4: Ligging Molenzicht (Molenpark) in Spijkenisse Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 6
3.2
Aard en omvang van de ontwikkeling
Waar nu nog sprake is van veel industriële activiteiten, wordt een herontwikkeling van het gebied ingezet met in de toekomst in hoofdzaak woningbouw. In onderstaande afbeelding 5 is de beoogde indeling in een drietal woongebieden en commerciële activiteiten weergegeven. De uiteindelijke inrichting kan afwijken van deze ontwerp schets afhankelijk van onderzoeken die nog worden uitgevoerd.
Afbeelding 5: Ontwikkeling Molenzicht
Het plan omvat zo’n 1.700 wooneenheden en 7.000 m2 commerciële activiteiten. Hierbij is sprake van diverse typen wooneenheden: van sociale huur tot vrijesectorwoningen.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 7
3.3
Gevoelige gebieden
Om te onderzoeken of belangrijke nadelige effecten op het milieu kunnen optreden, is ook van belang in hoeverre de beoogde ontwikkeling van Molenzicht gevoelige gebieden kan raken. Dit betreft zaken als natuurgebieden en cultuurhistorische waarden. Natuurgebieden Het plangebied ligt op circa 0,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, alwaar stikstofgevoelige habitats ontbreken. Het betreft Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’. Op circa 6,6 kilometer afstand is Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ gelegen, alwaar evenmin stikstofgevoelige habitat aanwezig is. Op circa 13,3 kilometer afstand is voorts Natura 2000-gebied ‘Oudeland van Strijen’ gelegen; ook hier is geenstikstofgevoelige habitat aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, alwaar stikstofgevoelige habitat aanwezig én waarbij sprake is van een overbelaste situatie doordat op verschillende habitats de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) van dat habitat, betref Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’, gelegen op circa 17 kilometer afstand in westelijke richting. In afbeelding 6 is de planlocatie weergegeven met de omliggende Natura 2000-gebieden.
Afbeelding 6: Plangebied Molenzicht en omliggende Natura 2000-gebieden
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 8
Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 0,4 kilometer van het plangebied. Het betreft NNN grote wateren en Noordzee, zie afbeelding 7.
Afbeelding 7: Plangebied Molenzicht en omliggende NNN
3.4
Overige kenmerken
De beoogde ontwikkeling bestaat vrijwel geheel uit woningbouw met een beperkte omvang aan commerciële ruimten, inclusief ontsluitingen en heeft gezien de aard en omvang geen bijzondere kenmerken ten aanzien van: − De mate waarin het plan een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing/gebruik van natuurlijke hulpbronnen. − De mate waarin het plan, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt. − De relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling (zie hoofdstuk 4). − De productie van afvalstoffen. 3.5
Cumulatie met andere projecten
De locatie Molenzicht vormt het sluitstuk van de transformatie van het verouderde bedrijventerrein naar een aantrekkelijke woongebied met commerciële ruimten en vormt tevens integraal onderdeel van het centrumgebied van Spijkenisse. Laatstgenoemde relatie volgt uit de Omgevingsvisie van gemeente Nissewaard, zie afbeelding 7.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 9
Afbeelding 8: Plangebied Molenzicht als onderdeel van Omgevingsvisie centrum Spijkenisse
In afbeelding 9 zijn de verschillende projecten weergegeven, die eveneens onderdeel uitmaken van de Omgevingsvisie centrum Spijkenisse.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 10
Afbeelding 9: Plangebied Molenzicht en omliggende projecten
Cumulatie is het tegelijk optreden van effecten waardoor het totaaleffect groter wordt. In het kader van Molenzicht kan sprake zijn van twee soorten cumulatie: − Binnen het project: cumulatie van effecten van de deelgebieden samen; − Met andere projecten in en rond het plangebied (autonome ontwikkelingen). Cumulatie is met name relevant als het effect bij Molenzicht gering is en niet aanzienlijk, maar cumulatie met effecten van andere deelgebieden en/of projecten in de omgeving ervoor zorgt dat het totaaleffect groter en daarmee mogelijk wel aanzienlijk is. Als het effect van Molenzicht op zichzelf al aanzienlijk is, zijn sowieso maatregelen nodig om het effect te voorkomen dan wel te beperken (mitigatie). Daar verandert cumulatie met andere projecten niets aan. Cumulatie is ook niet relevant als Molenzicht geen negatieve effecten veroorzaakt, omdat er in dat geval geen basis is om aanvullende effecten te beschouwen of te combineren met die van andere projecten in de omgeving. Het gaat bij cumulatie om het toevoegende effect van andere deelgebieden en/of andere projecten op het effect van Molenzicht. Het gaat niet om een toetsing van de effecten van de omliggende projecten. Dat gebeurt in het kader van de plan- en besluitvorming voor die projecten.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 11
Om te bepalen of er sprake is of kan zijn van cumulatie met andere projecten is (bovenstaand) een inventarisatie gedaan van projecten in en rond het plangebied. Dit is globaal gedaan, gericht op de grotere projecten met verwachte effecten en waarvan verwacht kan worden dat er sprake kan zijn van cumulatie. Mer-technisch/juridisch hoeven bij cumulatie alleen die projecten betrokken te worden waarover een plan is vastgesteld / besluit is genomen (bv omgevingsplan of vergunning) maar die nog niet zijn gerealiseerd. Projecten die al zijn gerealiseerd behoren tot de achtergrond / huidige situatie. Projecten waarvoor planvorming is gestart maar waarover nog geen besluit is genomen worden “nog onzekere toekomstige ontwikkelingen genoemd” en hoeven strikt genomen niet bij cumulatie betrokken te worden. Ditzelfde geldt voor trendmatige ontwikkelingen als klimaatverandering e.d. Van de genoemde autonome ontwikkelingen (afbeelding 9) zijn de meest nabijgelegen plannen reeds in uitvoering danwel gerealiseerd. Cumulatie van effecten van Molenzicht en/of overige stedelijke ontwikkelingen kan met name optreden op de aspecten verkeer en hinderaspecten, zoals geluid en luchtkwaliteit. Voor overige aspecten is het effect lokaal (bijvoorbeeld archeologie, bodem) of de onderlinge afstand te groot voor een gezamenlijk effect (bijvoorbeeld grondwater).
In het verkeersmodel is rekening gehouden met autonome ontwikkelingen (voor zover bekend bij het opstellen van het model). Daarmee geeft het verkeersmodel naast de effecten van Molenzicht alleen ook de verkeersintensiteiten van alle ontwikkelingen samen. De toename van geluid van Molenzicht is naar verwachting dermate gering, dat ook in cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving het effect gering en niet aanzienlijk negatief zal zijn. Ook de toename van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door Molenzicht is naar verwachting dermate gering, dat ook in cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving het effect gering en niet aanzienlijk negatief zal zijn. Meer nog dan bij geluid geldt dat de luchtkwaliteit in de binnenstad van Spijkenisse wordt bepaald door de (landelijke) achtergrondconcentraties. Dit geldt evenzo voor het aspect stikstofdepositie. Conclusie is dat er geen sprake is van wezenlijke cumulatie van effecten van Molenzicht met andere ontwikkelingen rondom het plangebied en dat cumulatie er daarmee niet leidt aanzienlijke negatieve milieueffecten. De ontwikkeling van Molenzicht betreft daarnaast een kleine ontwikkeling qua omvang (<1%) binnen het grondgebied van de gemeente Nissewaard.
De effecten van de planontwikkeling zijn er niet of hebben een beperkte omvang (zie hoofdstuk 4) en zullen verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de effecten van andere ontwikkelingen binnen de gemeente Nissewaard. Er is dus geen sprake van significante effecten door cumulatie door de toekomstige realisatie van plangebied Molenzicht.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 12
4
Kenmerken van de potentiële effecten
4.1
Algemeen
Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste milieueffecten van het plan. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de nieuwe beoogde situatie uit het plan te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de bestaande situatie inclusief de effecten van autonome ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plan zijn geen significante ontwikkelingen voorzien die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van Molenzicht. 4.2
Waarde en kwetsbaarheid van het gebied
4.2.1
Bodem
De locatie van het plan is middels een milieuhygiënisch vooronderzoek onderzocht, waaruit het volgende blijkt. De planlocatie heeft volgens de bodemkwaliteitskaart en de bodemnota van de gemeente Nissewaard gebiedskwaliteit Natuur. De locatie is nog in gebruik en op basis van rapporten alsmede locatieinspectie zijn meerdere verdachte activiteiten, puntbronnen en (rest)verontreinigingen aanwezig. Bovendien zijn er tekenen dat de ondergrond op de gehele locatie baggerspecie bevat. Om deze reden is geadviseerd om op de gehele locatie een bodemonderzoek uit te voeren voor de algemene kwaliteit van de locatie, met extra inzet op de locaties van puntbronnen, verdachte activiteiten en (rest)verontreinigingen. De ontwikkeling zelf leidt ook niet tot bodem- en/of grondwaterverontreiniging. Mocht uit aanvullend bodemonderzoek onverhoopt blijken dat de bodemkwaliteit de voorgenomen functie niet toelaten, wordt er gesaneerd, wat betekent dat verbetering van de bodemkwaliteit plaatsvindt. Vanuit het milieuaspect bodem zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.2
Archeologie
Voor het plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd, waaruit het volgende blijkt. Bekende archeologische waarden in het plangebied Aan de uiterst westelijke grens van het plangebied ligt vindplaats 18-133. Het gaat om de funderingen van de ronde stenen stellingmolen Nooitgedacht, een korenmolen uit ca 1844. De funderingsresten bevinden zich in de top van een dijklichaam. Gelet op de aangetroffen funderingsresten heeft de huidige molen volgens de molenrestaurateur mogelijk een voorganger gehad. De waarnemingen zijn gedaan tijdens het ophogen van de molen, er heeft behalve foto’s geen verdere documentatie plaatsgevonden. In het plangebied zijn verder geen archeologische vindplaatsen bekend. Er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 13
Bekende archeologische waarden in de directe omgeving van het plangebied Direct ten zuiden van het plangebied is door Archeologie Rotterdam in 2015 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd.2 Het zuidelijke deel van voorliggend plangebied, inclusief de zuidelijke ontsluitingsweg via de Veerweg, is tijdens dit onderzoek al onderzocht. Uit de resultaten van het veldwerk blijkt dat in het plangebied regelmatig meer dan 5 meter havenslib is opgebracht, met uitzondering van de locaties van de historische dijken. Van de drie verwachte dijken zijn resten van twee aangetroffen. Naast de dijken zijn de vermoede overstromingsafzettingen, de Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, herkend. In het overige deel van het plangebied zijn deze afzettingen niet (meer) aanwezig, of opgenomen in het dijklichaam en niet meer als zodanig herkenbaar. De overstromingsafzettingen gaan naar beneden toe over in kreekafzettingen. De kreekafzettingen zijn verspreid over het hele plangebied aangetroffen. Voor het gehele plangebied geldt dat de archeologische verwachting voor de aanwezigheid van aan scheepvaart gerelateerde resten uit de Late Middeleeuwen gehandhaafd blijft. Nederzettingsterreinen of andere sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen worden niet in het plangebied verwacht.
Direct ten westen van het plangebied is door IDDS in 2023 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Koekkelkoren 2023). Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat binnen 5,0 m -mv geen afzettingen aanwezig zijn van vóór de IJzertijd. De verwachting voor IJzertijd en Romeinse tijd in de top van het Hollandveen komt te vervallen omdat dit niveau is verdwenen. In de Middeleeuwen was het plangebied gelegen in een nat landschap, dat niet geschikt was voor bewoning. In de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kon er wel weer gewoond worden, maar de top van deze afzettingen is verdwenen bij het bouwrijp maken van de wijk in de 20e eeuw. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een groot aantal vindplaatsen, daterend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze vindplaatsen hangen samen met de historische kern van Spijkenisse. Uit paragraaf 2.5.2 mag duidelijk zijn dat het plangebied echter in het verleden als agrarisch gebied is gebruikt en geen onderdeel is geweest van deze kern. Dit wordt ondersteund door de aanwezigheid van een molen op historische kaarten uit 1617 en 1701. Op circa 350 meter ten westen van het plangebied ligt vindplaats 18-08, een terp uit de Late Middeleeuwen. Er zijn tevens een reeks vindplaatsen uit de IJzertijd bekend.
Advies en conclusie Op grond van de verworven informatie over de historische situatie, de bodemopbouw ter plaatse en de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied kan de archeologische verwachting voor de bovenste 8 meter van de bodem in plangebied Molenzicht worden aangegeven. Van het bodemtraject dieper dan 8 meter beneden het maaiveld is geen of slechts in zeer beperkte mate informatie beschikbaar. Om deze reden kan voor de periode Mesolithicum-Bronstijd geen archeologische verwachting worden opgesteld. Voor de dijken geldt een grote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd op en in de nabijheid van het dijklichaam.
2 Nissewaard Spijkenisse De Haven. Een Verkennend Inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen.
BOORrapporten 594, Rotterdam https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1930.OVElementwg-1001/b_NL.IMRO.1930.OVElementwg1001_bd1.pdf Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 14
Voor het overige deel van het plangebied geldt een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen A en B en Nieuwe tijd in het bodemtraject top Hollandveen Laagpakket - basis opgebrachte laag havenslib (of bouwvoor). Het gaat om nederzettingsterreinen en om sporen van inrichting en agrarische gebruik van het gebied. De nederzettingsterreinen uit de IJzertijd-Late Middeleeuwen A kenmerken zich door het voorkomen van een veelal donker gekleurde, humeuze, vondstrijke ‘vuile’ laag. In het niveau kunnen aardewerk, verbrand en onverbrand bot, natuursteen, glas, metaal, bewerkt hout, as, houtskool, fosfaat en mest en dergelijke voorkomen. In en onder zo’n vondstlaag kunnen zich resten van constructiehout bevinden. Het vondstmateriaal van nederzettingsterreinen uit de Late Middeleeuwen B (en eventueel Nieuwe tijd) is grotendeels vergelijkbaar met dat van de er aan voorafgaande periode, maar komt in grotere dichtheden voor. Aan het vondstenlijstje kunnen bouwmaterialen als baksteen worden toegevoegd. De realisatie van de nieuwe woonwijk en ontsluitingsweg in het plangebied zal gepaard gaan met grondroerende activiteiten. Hierbij kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast. Dit geldt voor archeologische waarden uit alle bovengenoemde perioden.
Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van de nieuwbouw in het plangebied zullen worden uitgevoerd, is een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van archeologische waarden uit alle bovengenoemde perioden. De resultaten van het aanvullende veldonderzoek kan aanleiding geven om een aantal meters onder maaiveld vrij te geven in verband met de aanwezigheid van opgebrachte grond in allerlei vormen: dijken (nu flink aangetast), havenslib en spuitkades. Voor het plangebied, het mondingsgebied van de haven van Spijkenisse, blijft de verwachting op het aantreffen van scheepswrakken van kracht, deze kunnen bewaard zijn onder de ophogingslagen of op en in de havenbodem. Daarnaast is er een verwachting voor oudere archeologische resten in dieper gelegen bodemlagen. Daartoe kunnen in de planregels archeologische waarden beschermd worden, waarmee vanuit het aspect archeologie zijn er geen aanzienlijke nadelige effecten te verwachten. 4.2.3
Cultuurhistorie
Het plan vindt niet plaats in een cultuurhistorisch waardevol gebied maar op een reeds bestaand bedrijventerrein. In het plan(gebied) zijn geen specifieke cultuurhistorische waarde aanwezig. Direct ten zuidwesten van het plangebied is molen Nooit Gedacht, gelegen aan Noordeinde 97/99, aanwezig. Deze molen heeft tevens een molenbiotoop die zich uitstrekt over het plangebied. In de planuitwerking wordt de molenbiotoop in acht genomen, zodat het aantal draaiuren van de molen niet wordt beperkt, zie afbeelding 10.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 15
Afbeelding 10: Molenbiotoop geprojecteerd in plangebied Molenzicht
Met het plan wordt de molen in een nieuw daglicht geplaatst. Het icoon krijgt nieuw elan nadat de molen in 2010 al is opgehoogd ten behoeve van de bouw van theater De Stoep. De molen heeft daardoor opnieuw een prominente plek gekregen en is vanuit cultuurhistorisch perspectief nieuw leven in geblazen. Dit wordt versterkt door het zicht op de molen vanuit de centrale as binnen het plangebied, zie afbeelding 11.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 16
Afbeelding 11: centrale as vanuit plangebied Molenzicht op de molen
Gelet op het voormelde zijn vanuit het aspect cultuurhistorie geen milieueffecten te verwachten. 4.2.4
Verkeer en parkeren
Belangrijk aandachtspunt voor de ontwikkeling is de vraag op welke wijze het gebied kan worden ontsloten. Immers zowel de Groene Kruisweg als de Schenkelweg zijn nu reeds zwaar belast, zodat het van groot belang is om na te gaan, hoe een goede ontsluiting kan worden gerealiseerd zonder dat zich grote problemen ten aanzien van de verkeersafwikkeling in de omgeving gaan optreden en men toch op een goede wijze het plangebied kan bereiken en verlaten. Het benodigd aantal parkeerplaatsen, dat medebepalend is voor de verkeersgeneratie van Haven-Noord, is berekend op basis van de gemeentelijke “Parkeernormennota Nissewaard 2022”, in combinatie met specifiek maatwerk. Volgens voornoemde nota valt het gebied onder de noemer Spijkenisse schil. Aangezien de commerciële activiteiten niet gelijktijdig met de woonfunctie het volledige parkeerareaal benutten, mag met toepassing van de zogenaamde parkeerbalans een reductie op het berekend aantal parkeerplaatsen worden toegepast. In onderhavig geval mag voor de commerciële parkeervraag een reductie van 50% worden toegepast, omdat dan plaatsen voor wonen kunnen worden benut. Dit resulteert in een parkeervraag van 1.371 plaatsen. In onderstaande tabel 2 is de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen opgenomen.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 17
Tabel 2: aantal parkeerplaatsen
Voorts zijn de volgende aspecten van belang. Zo wordt ervan uitgegaan dat de toegestane snelheid op de Groene Kruisweg naar 50 km/uur wordt teruggebracht. Verder wordt ervan uitgegaan dat het gebied HavenMidden dan is ingericht met zo’n 200 woningen, en dat Horeca World onveranderd blijft. Teneinde een goede ontsluiting voor het plangebied te waarborgen, wordt een nieuwe ontsluiting gerealiseerd. Deze extra ontsluiting is pas noodzakelijk zodra deelplan WOP3 (zie afbeelding 2) gerealiseerd wordt. De nieuwe ontsluiting maakt gebruik van de bestaande busbaan en een route onder de Spijkenisserbrug door om aan de noordzijde op de Groene Kruisweg aan te sluiten, zie afbeelding 12.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 18
Afbeelding 12: gebruik busbaan en ontsluiting onder de brug
Voornoemde ontsluiting biedt een robuuste ontsluitingsroute via een tracé onder de Spijkenisserbrug door. Deze variant heeft tevens de voorkeur van de gemeente Nissewaard. Hoewel de route circa één kilometer langer is dan de verbinding via de Veerweg, biedt dit juist kansen voor een evenwichtige spreiding van het verkeer in het gebied. In de praktijk zal deze route vooral functioneren als een aanvullende en ontlastende verbinding, met name bij hogere verkeersdruk op de Schenkelweg. Door de ligging buiten de directe invloedsfeer van de Groene Kruisweg en de brugopeningen is de doorstroming minder gevoelig voor verstoringen. Samenvattend vormt deze variant verkeerskundig gezien een goede oplossing voor het te ontsluiten gebied Haven Noord. Ook ten aanzien van de verkeersafwikkeling op de routes via Spijkenisse en Hoogvliet richting de A15 zijn gering tot nihil te noemen. Uit de prognoseberekeningen blijkt dat met name op de Hartelweg en de Aveling de invloed van het plan op de verkeersintensiteiten gering is. Het extra berekend verkeer op de Hartelweg bedraagt in het etmaal zo’n 800 mvt/etm, ofwel ruim 1%. In de beide spitsen is de toename eveneens beperkt met zo’n 100 mvt/uur op een totaal van 4.500 respectievelijk 4.800 mvt/uur.
Op de Aveling ter hoogte van de aansluiting op de A15 is de toename nihil; ook op de aansluitende wegvakken van de Aveling is het verschil tussen autonoom en plan gering tot nihil (maximaal 100 mvt/uur).
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 19
Door de vormgeving van de kruispunten Groene Kruisweg – Schenkelweg en Schenkelweg – Veerweg aan te passen en daar bovenop door het realiseren van een tweede ontsluitingsroute, wordt een veilige ontsluiting van het plangebied gerealiseerd. Hoewel de route circa één kilometer langer is dan de verbinding via de Veerweg, biedt dit juist kansen voor een evenwichtige spreiding van het verkeer in het gebied. In de praktijk zal deze route vooral functioneren als een aanvullende en ontlastende verbinding, met name bij hogere verkeersdruk op de Schenkelweg. Herhaald wordt dat deze extra ontsluiting pas noodzakelijk is zodra deelplan WOP3 (zie afbeelding 2) gerealiseerd wordt. De conclusie mag zijn dat – met en zonder extra ontsluitingsroute – op deze wijze een acceptabele ontsluiting van het plangebied Haven-Noord kan worden gerealiseerd, waarbij de verkeersafwikkeling op de Groene Kruisweg en Schenkelweg niet verslechtert. Wel behoeft de duidelijkheid en een veilige vormgeving van de uitrit vanaf de Groene Kruisweg naar het plangebied de nodige aandacht. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.5
Luchtkwaliteit
De stoffen in de lucht die schadelijk kunnen zijn voor onze gezondheid zijn onder andere fijnstof en stikstofoxiden. Fijnstof PM2,5, en PM10 en NO2 zijn categorieën van luchtverontreinigende deeltjes die in de lucht zweven. De aanduidingen "PM2,5" en " PM10" verwijzen naar de grootte van de deeltjes, waarbij PM staat voor Particulate Matter (deeltjes). PM2,5 zijn deeltjes met een diameter van 2,5 micrometer of kleiner, terwijl PM10 deeltjes zijn met een diameter van 10 micrometer of kleiner. Stikstofdioxide is een ander type luchtverontreiniging dat ontstaat door verbrandingsprocessen in voertuigen, industrieën en verwarmingsinstallaties. Voor de drie omgevingsplannen alsmede de Bopa zijn onderzoeken verricht naar de effecten van fijnstof PM 10 en NO2 op de lokale luchtkwaliteit. Uit de berekeningen blijkt dat de bijdrage van NO 2 en PM10 aan de lokale luchtkwaliteit vanwege de verkeersgeneratie van het plan, niet hoger is dan 1,2 µg/m3. In de wetgeving is namelijk bepaald dat als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) geen beoordeling nodig is of aan de omgevingswaarden wordt voldaan, zogenaamde ‘niet in betekenende mate’ bijdragen (NIBM).
Deze bijdrage is bepaald op 3% van de grenswaarde van NO 2 en PM10, wat neerkomt op de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel NO 2 als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Gelet hierop is sprake van een ‘niet-in-betekende-mate’ bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit. Daarnaast heeft de Wereldgezondheidsorganisatie WHO ook advieswaarden gegeven in relatie tot gezondheidsaspecten.3 Voor NO2 geldt een advieswaarde van 20 µg/m3, voor PM10 geldt eveneens een advieswaarde van 20 µg/m3. De heersende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied zijn eveneens lager dan de advieswaarden van de WHO. Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.
3 https://www.who.int/en/news-room/fact-sheets/detail/ambient-(outdoor)-air-quality-and-health
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 20
4.2.6
Geluid
De gemeente Nissewaard wil een goede kwaliteit van de leefomgeving behouden en kansen benutten om, daar waar mogelijk en noodzakelijk, de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de blootstelling aan te veel aan geluid te verminderen. De gemeente wil een beheersbaar geluidniveau bij weg-, railverkeer en bedrijvigheid (industrie). De gemeente wil hiervoor onder andere een passende geluidskwaliteit. Het uitgangspunt van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ blijft. Voor de drie omgevingsplannen alsmede de Bopa is onderzoek verricht naar de geluideffecten op het plangebied. Het plangebied is niet gelegen in geluidaandachtsgebieden van rijkswegen danwel hoofdspoorwegen. Evenmin is het plangebied gelegen in het aandachtsgebied voor nestgeluid regio Rijmond. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone rond industrieterrein Botlek-Pernis. Ook is het plangebied gelegen in de geluidaandachtsgebieden van een aantal gemeentelijke wegen. Scheepvaartverkeer op de Oude Maas valt buiten het toetsingskader. Vanuit de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het scheepvaartverkeer wel betrokken. Er zijn berekeningen uitgevoerd van het weggeluid L den uitgevoerd conform de Omgevingsregeling. De berekeningen van het industriegeluid zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012/Handleiding meten en rekenen industrielawaai (overgangsrecht).
Uit de berekeningen blijkt dat: − De standaardwaarde als gevolg van de gemeentewegen wordt overschreden. De standaardwaarde van 53 Lden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als gevolg van de gemeentewegen wordt overschreden. Op grond van hetzelfde Bkl kan echter een overschrijding van deze standaardwaarde worden toegestaan tot en met een grenswaarde van 70 Lden. Boven deze grenswaarde is het alleen mogelijk geluidgevoelige functies (zoals woningen) toe te staan als bouwkundige maatregelen worden getroffen in de vorm van bijvoorbeeld dove gevels onder voorwaarde dat maatregelen om het geluid te reduceren aan de bron of tussen de bron en ontvanger niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt maximaal 69 Lden. Er kan een overschrijding toegestaan worden tot maximaal 69 Lden. − De geluidbelasting ten gevolge het gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis is bepaald met behulp van het RAK. De geluidbelasting is ten hoogste 55 dB(A) en voldoet hiermee aan de maximale ontheffingswaarde uit de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. − Voorts ligt de locatie buiten het invloedsgebied van het nestgeluid vanwege aangemeerde schepen. − Direct naast het plangebied ligt een bedrijfspand.
Verschillende bouwvolumes in het plan liggen binnen de richtafstand van het bedrijfspand. De huidige bedrijfsvoering levert geen hinder bij de projectlocatie. Evenmin zal de indirecte hinder een belemmering vormen, omdat recentelijke gerealiseerde woningen ten zuiden op kortere afstand liggen. Tevens zijn de voertuigen vanwege de indirecte hinder betrokken in het onderzoek wegverkeerslawaai. − Het plangebied is ook gelegen buiten de richtafstanden van de verplaatste ligplaats Fortuna (ten zuiden), de bestaande sportvelden (ten noorden) alsmede het tankstation (ten noorden). − Evenmin is hinder vanwege technische installaties van bestaande woontorens uitgesloten, omdat de geluidemissie van die technische installatie moeten voldoen aan de rechtstreeks werkende regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 21
− − −
Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, wordt geadviseerd om hogere geluidwaarden toe te staan of vast te stellen. In het onderzoek. is getoetst aan de aanvullende voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel, zo nodig na maatregelen. De effecten van de komst van de nieuwe woningen en de nieuwe ontsluitingsweg op het geluid ter plaatse van de omliggende, bestaande woningen zijn onderzocht. Hierbij is een vergelijking gemaakt met de situatie met de bestaande bebouwing (bedrijvigheid). De geluidwaarden zijn voornamelijk lager en daar waar sprake is van een toename, is het verschil kleiner dan 1 dB. Het toetsingscriterium voor de beoordeling van mogelijke geluidhinder als gevolg van de realisatie van het nieuwbouwplan is een maximaal toegestane toename van het geluid van 1 dB. Bij een enkel is punt is de overschrijding meer dan 1 dB, maar is het resultaat ten hoogste 50 Lden. Dit is lager dan de standaardwaarde voor gemeentewegen (53 Lden). Dit voldoet zonder meer. Een dergelijke toename is niet waarneembaar of hinderlijk, in lijn met de gehanteerde beoordelingssystematiek.
Vanuit het milieuaspect geluid zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.7
Windhinder
De thans voorziene invulling van plangebied Molenzicht, voorziet in hoogbouw aan de noord oostzijde van het plangebied, zie ook afbeelding 5. Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Het is dan ook noodzakelijk het windklimaat inzichtelijk te maken, zodat mogelijke knelpunten kunnen worden aangepakt. Daartoe is middels onderzoek het windklimaat inzichtelijk gemaakt met behulp van berekeningen op basis van Computational Fluid Dynamics (CFD). In dat onderzoek is gebruik gemaakt van de normstelling omtrent windhinder en windgevaar, de Nederlandse norm NEN8100:2006 ‘windhinder en windgevaar in de gebouwomgeving’. Het windonderzoek laat het volgende zien: − Het heersende windklimaat in het projectgebied varieert van windhinderklasse A (geschikt voor langdurig zitten, slenteren en doorlopen) tot windhinderklasse D (alleen geschikt voor doorlopen). De zones met windhinderklasse D bevinden zich vooral aan de randen van het gebied. Aangezien deze zones zich voornamelijk midden of langs de weg bevinden, komt dit overeen met het verwachte gebruik van de plekken.
− Er is geen risico op windgevaar gevonden in het plangebied. − Er zijn voorstellen gedaan om het windklimaat lokaal te kunnen verbeteren. Het is afhankelijk van de beoogde voetgangersactiviteit ter plaatse van deze hogere windhinderklasse of dergelijke maatregelen nodig zijn. Na planrealisatie is sprake van een overwegend zeer windluw klimaat met uitzondering van enkele zones waarin de windhinderklassen aanzienlijk hoger zijn. Onder invloed van deze grote verschillen in windhinderklassen kan men lokaal hinder ervaren. Het is dan ook raadzaam om hier met de inrichting van de openbare buitenruimte rekening mee te houden. Meer specifiek wordt voorgesteld om de verkeersstroom van Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 22
voetgangers zoveel mogelijk de hogere windhinderklassen te laten vermijden. Vanuit het milieuaspect wind(hinder) zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.8
Bezonning cq schaduwwerking
De thans voorziene invulling van plangebied Molenzicht, voorziet in hoogbouw aan de noord oostzijde van het plangebied, zie ook afbeelding 5. Naast het aspect windhinder (zie voorgaande paragraaf) kunnen ook effecten optreden aangaande bezonning cq schaduwwerking. Daarover gaat deze subparagraaf. Daartoe is een onderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van gewijzigde schaduwval ten gevolge van veranderingen in de bebouwing op het bouwperceel Veerweg / Schenkelweg / Groene Kruisweg te Spijkenisse. De bezonningstudie bestaat uit afbeeldingen waarbij de schaduw veroorzaakt door de bebouwing van het nieuwe bouwplan geprojecteerd wordt op de belendende kavels. De bezonningstudie in top view is gemaakt voor de volgende data: − 21 januari − 19 februari − 21 maart − 21 juni − 23 september − 21 oktober − 22 november − 22 december De schaduwen zijn geprojecteerd op een denkbeeldig zuiver horizontaal vlak gelegen op 100 mm minus peil van de bebouwing. Uitgangspunt is dat het peil van dit gebouw op de zelfde hoogte is gelegen ten opzichte van het NAP als het peil van de bebouwing op de belendende kavels. In afbeelding 13 zijn de 3D perspectieven van de bestaande en geplande situatie weergegeven.
Afbeelding 13: 3D perspectieven
Inzake bezonning ontbreekt officiële landelijke wetgeving ten aanzien van bezonning en beschaduwing. Er zijn wel algemeen geaccepteerde TNO-richtlijnen. Deze TNO-norm heeft alleen betrekking op woningbouw. Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 23
Een lichte norm (inhoudende dat er voldoende zonlicht is bij: tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober) en een strenge norm (inhoudende dat er sprake is van goede bezonning bij ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 januari t/m 22 november). Uit het onderzoek blijkt, zie ook afbeelding 14, dat op de eerste dag van de strenge TNO bezonningsnorm, i.e. 21 januari, te zien is dat om 16:00 uur een aantal gebouwen aan de Veerkade extra schaduw ontvangen door het nieuwbouwplan. Omdat deze dag de kortste dag is uit periode van de strenge TNO-norm, is deze dag maatgevend. Omdat het gehele bouwplan de rest van de uren op 21 januari geen extra schaduw veroorzaakt is het uitgesloten dat het bouwplan geen invloed heeft op het al dan niet voldoen aan de TNO bezonningsnorm.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 24
Afbeelding 14: extra schaduwwerking enkele woningen Veerkade
Vanuit het milieuaspect bezonning cq schaduwwerking zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.9
Natuurbescherming
In het plangebied van Molenzicht is het belangrijk om een groene natuurinclusieve ruimte en gebouwen te creëren. Een groene leefomgeving reduceert negatieve omgevingseffecten, het draagt bij aan een schonere lucht, zorgt voor meer koelte en een stillere omgeving. Het stimuleert bewoners om naar buiten te gaan, te tuinieren, te bewegen en elkaar te ontmoeten. Bij de vormgeving en uitvoering wordt rekening gehouden met cultuurhistorische structuren en waterhuishoudkundige aspecten. In een later stadium zal een inrichtingsplan worden gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen dienen rekening te houden met het behoud, uitbreiden en verbinden van bestaande groen structuren. Ecologische barrières als (spoor)wegen dienen waar mogelijk opgeheven te worden door het nemen van faunagerichte maatregelen. Daarnaast dient bij het ontwerp van gebouwen rekening gehouden te worden de mogelijkheid tot faunavoorzieningen. Waar mogelijk wordt gevelgroen ingezet voor vlinders, vogels en planten.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 25
Gebiedsbescherming Voor ieder initiatief / project / plan dient inzichtelijk te worden gemaakt of er significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dit geldt voor zowel de aanleg- als de gebruikersfase van een plan of activiteit. Hiertoe moet de initiatiefnemer een stikstofrapportage opstellen waaruit de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden blijkt conform een berekening met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Op basis van reeds bestaande en toekomstige emissiebronnen is de stikstofdepositie berekend op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2024.2.1. Uit de berekeningen van de stikstofdepositie vanwege de drie omgevingsplannen alsmede de Bopa blijkt dat de stikstofdepositie ≤ 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn significante effecten op de Natura 2000-gebieden van elk van de deelplannen uitgesloten en kan een passende beoordeling achterwege blijven. Nu elk van de deelplannen op zichzelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (= de berekende stikstofdepositie bedraagt niet meer dan 0,00 mol N/ha/jr), en het betreffende plan (of project) om die reden geen negatieve stikstofdepositie gevolgen heeft, dan is er geen reden om cumulatie met andere plannen en/of projecten toe te passen.
Ter onderbouwing daarvan wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1210): “Cumulatie andere projecten 11. [appellant] en anderen betogen dat er geen rekening is gehouden met de vergunde recreatiebungalows aan de Abbestederweg en de Duinweg. In deze bungalows kan op propaangas worden gestookt, wat ervoor zorgt dat mogelijk alle mogelijke stikstofruimte uit het SSRS reeds is benut. 11.1. De raad heeft gesteld dat nu voor het voorliggende project gebruik wordt gemaakt van stikstofruimte uit het SSRS, er als gevolg van dit project per saldo geen toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen optreedt. Er kunnen dan ook geen effecten zijn als gevolg van de uitstoot van stikstof, en dus ook geen cumulatieve effecten met andere projecten. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op dit standpunt gesteld. Dit betoog faalt.” (onderstreping: MBl). Een ander voorbeeld is de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:947):
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 26
“9.3. (…) Daaruit volgt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Hoewel in beginsel rekening moet worden gehouden met de cumulatie van de gevolgen van de toename van stikstofdepositie van andere plannen of projecten, kon dat in dit geval achterwege blijven omdat uitgesloten is dat het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op de genoemde Natura 2000-gebieden, nog daargelaten dat de stichting en anderen niet hebben geconcretiseerd op welke concrete andere plannen en projecten zij doelen. Nu het bestemmingsplan geen gebruik mogelijk maakt waarbij een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jr aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreedt, heeft de raad geen onderzoek naar cumulatieve effecten in verband met deze activiteiten hoeven uit te voeren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1573). Dit betekent dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen passende beoordeling hoefde te worden gemaakt. Hieruit volgt dat geen verplichting bestond tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.” (onderstreping/vet: MBl). Daarnaast kan bijvoorbeeld ook gewezen worden op de uitspraken van de Afdeling van 1 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 26.1) en 21 juli 2021, (ECLI:NL:RVS:2021:1586, r.o. 24.8).
Ondanks het ontbreken van de (juridische) noodzaak tot het in beeld brengen van de cumulatieve effecten vanwege de drie deelplannen alsmede de Bopa, is een aanvullende berekening gemaakt, uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2024.2.1. Daarin is de stikstofdepositie bepaald vanwege het volledige gebruik van de drie deelplannen en de Bopa in 2032. Ook uit deze aanvullende berekening blijkt dat de stikstofdepositie ≤ 0,00 mol/ha/jaar. Voorts is een aanvullende berekening gemaakt, uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2024.2.1, waarin de stikstofdepositie is bepaald vanwege de gebruiksfase omgevingsplan 1 en 2 in combinatie met de bouwfase van omgevingsplan 3, in het jaar 2029. Ook uit deze aanvullende berekening blijkt dat de stikstofdepositie ≤ 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn tevens significante effecten op de Natura 2000-gebieden van de deelplannen als geheel uitgesloten en kan een passende beoordeling achterwege blijven. Soortenbescherming Aanwezige soorten moeten conform de wet- en regelgeving beschermd worden. Hiertoe is een verkennend onderzoek flora- en fauna uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: − Er geen nestlocaties aanwezig zijn van broedvogels met jaarrond beschermde nesten, omdat de daken en de bebouwing zelf geheel ongeschikt zijn qua bouwstijl. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
− Alleen in de woningen aan de noordzijde en de bedrijfspanden aan de westzijde (autoherstelbedrijven) mogelijk sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, door de aanwezigheid van open stootvoegen en er ruimte is onder de beplating onder de dakranden van de woningen. Om een gedegen effectbeoordeling te kunnen maken is hiervoor nader vleermuisonderzoek noodzakelijk. − De loodsen ongeschikt zijn om als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen te dienen, vanwege de constructie ervan met metalen platen. − Er geen sprake is van essentiële foerageergebieden en of primaire vliegroutes van vleermuizen, aangezien er geen goed ontwikkelde hoogopgaande en diverse vegetatie van bomen en struiken aanwezig is op de ingreeplocatie. Effecten op deze functies zijn dan ook uit te sluiten.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 27
−
−
Er groeien tongvarens in minimaal een rioolput. Het behouden van deze groeiplek en de planten, zelf draagt bij aan het behoud van de soort en de biodiversiteit in het gebied en de regio. We adviseren dan ook om de tongvarens intact te houden of indien noodzakelijk te verplanten in de toekomstige nieuwe situatie. Ter plekke van de ingreeplocatie het voorkomen van andere beschermde soorten zoals, planten, libellen, dagvlinders, vissen, reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en overige ongewervelden uit te sluiten is, vanwege het ontbreken van optimaal ontwikkelde leefomstandigheden (zoals poelen, vijvers, schrale graslanden, kruidenrijke en bloemrijke plekken). Effecten op deze soortgroepen treden dan ook niet op.
Tevens dient per initiatief aangetoond te worden hoe het bijdraagt aan de actieve soortbescherming. Deze is gericht op het actief sturen op essentiële condities en natuurlijke processen, zoals het beschermen, herstellen en in stand houden van biotopen en leefgebieden voor soorten in voldoende gevarieerdheid en omvang, ook buiten de Natura 2000-gebieden. In combinatie met de ambities uit de gebiedspaspoorten dient het gebied ontwikkeld te worden op basis van de habitateisen van de ambassadeurssoorten. In het bijzonder dient het plan bij te dragen aan de gebouwbewonende soorten (zoals vleermuizen, huismussen en zwaluwen) door middel van natuur inclusief bouwen. Vanuit het aspect natuurbescherming zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.10 Weging van de waterbelangen De gemeente wil de hoeveelheid groen in het gebied vergroten. Daarom dient de hoeveelheid verharding geminimaliseerd te worden. In het plangebied van Molenzicht is het belangrijk om een groene natuur inclusieve ruimte en gebouwen te creëren. De openbare ruimte verandert in een parkachtige setting met natuurontwikkeling (groen en blauw). Hittestress is een groot probleem in een versteende omgeving. Er dient gezorgd te worden voor voldoende verkoeling.
Dit kan gerealiseerd worden door voldoende grote bomen te plaatsen en/of rekening hiermee te houden in het stedenbouwkundig ontwerp, waardoor schaduwwerking op openbaar toegankelijk gebied ontstaat. Bij de selectie van materialen dient rekening gehouden te worden met de opwarming ervan. Water Het doel is om wateroverlast te voorkomen bij extreme buien, droogte tegen te gaan, hittestress te voorkomen en beleefbaar groen te creëren. Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden en wordt afgekoppeld van het rioolstelsel. Het is niet zonder meer toegestaan om hemelwater op een a-watergang af te voeren. Kortom dient het hemelwater binnen het projectgebied opgevangen en geïnfiltreerd te worden. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: Besparen / hergebruik, dan infiltreren en vasthouden, bovengronds bergen, ondergronds bergen, vertraagd afvoeren. De richtlijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een bergingscapaciteit van minimaal 70 mm per m 2 nieuw initiatief. Om verdroging van het groen in droge periodes te voorkomen geldt er een aanvullende eis van minimaal 10 mm infiltratie (van de 70mm) per m2 nieuwe of vernieuwde verharding. Dit is hemelwater bij een normale regenbui.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 28
De hemelwateropgave gaat hand in hand met groen. Er kan daarom ook worden voorzien in een hemelwaterberging middels de aanleg van een groen- of tuindak met een berging van minimaal 25 liter per m2. Ten aanzien van het milieuaspect water dient rekening gehouden te worden met bovengenoemde uitwerkingsprincipes. Daarnaast is afstemming noodzakelijk met het waterschap. Vanuit het milieuaspect water zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.11 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid betreft het voorkomen en beperken van risico's voor mensen en het milieu als gevolg van mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen, branden, explosies of andere calamiteiten in de leefomgeving. Dit omvat zowel preventieve maatregelen als responsstrategieën om de gevolgen van dergelijke incidenten te minimaliseren. De omgevingsveiligheid bij Molenzicht is een belangrijk aandachtspunt. Ontwikkelingen bij Molenzicht betreffen geen nieuwe risicobronnen. Er is daarmee geen toename van risico’s op de omgeving. Maar de ontwikkeling leidt wel tot een toename van het aantal mensen dat woont, werkt en verblijft binnen aandachtsgebieden van bestaande risicobronnen, te weten: − Vaarwegtracé Oude Maas. − Tankstation met LPG. − Buisleiding. In afbeelding 15 zijn voormelde bestaande risicobronnen grafische weergegeven alsmede plangebied Molenzicht.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 29
Afbeelding 15: plangebied Molenzicht met risicobronnen
Bij stedelijke ontwikkelingen wordt het risico van ongelukken met gevaarlijke stoffen zorgvuldig meegewogen, en veiligheidsmaatregelen zijn bedoeld om de gevolgen voor mensen binnen risicogebieden te beperken. Ter waarborging van de omgevingsveiligheid is een aanzet tot verantwoording van het groepsrisico opgesteld, waarin de volgende omgevingsmaatregelen zijn betrokken, die de basis vormen voor verantwoord veilig ontwikkelen: 1. Bronmaatregelen. 2. Omgevingsmaatregelen. 3. Organisatorische maatregelen. 4. Bouwtechnische maatregelen. Het geheel aan maatregelen moet leiden tot een veilige verantwoorde uitwerking van het plan. Een initiatiefnemer dient bovengenoemde omgevingsmaatregelen als uitgangspunt te nemen, voor het nemen van doeltreffende maatregelen bij de verdere uitwerking van het plan. Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid zijn daardoor geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.
Woningbouwontwikkeling Molenzicht te Spijkenisse Plan-/project-mer-beoordelingsprocedure
11180-60652-02v3 19 september 2025 Pagina 30
4.2.12 Trillingen De woningen binnen het plangebied Molenzicht zijn zogenaamde trillingsgevoelige objecten, die in aanmerking komen voor bescherming tegen hinder vanwege trillingen. Binnen een afstand van 250 meter buiten het plangebied zijn geen relevante bronnen van trillingen gelegen. Voorts voorzien de ontwikkelingen binnen Molenzicht geen nieuwe risicobronnen. Vanuit het milieuaspect trillingen zijn daardoor geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.2.13 Geur Geur valt onder de afweging van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Dit met als doel om bedrijven niet te belemmeren in de bedrijfsvoering en om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de geurgevoelige gebouwen (voor menselijk wonen of menselijk verblijf) te hebben. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid sluit de gemeente aan bij het nieuwe Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2024. Uit voornoemd beleid blijkt dat het plangebied Molenzicht gelegen is buiten het kerngebied geuraanpak Rijnmondgebied en binnen het overige gebied, zie afbeelding 16.