Korte Schenkeldijk vastgestelde toelichting
Tekst van het document
4.5.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt op circa 19 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 412 meter (figuur 4.4).
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Door de ruime afstand wordt ook de kans klein geacht dat het invloed heeft op Voornes Duin op het gebied van stikstof. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 7 voor de memo en bijlage 8 voor de berekening). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiksfase van de ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
34
4.5.3 Soortenbescherming In bijlage 5 is de quickscan ecologie toegevoegd. In de bebouwing en in de boomholtes in het projectgebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De bomenrijen en de watergangen maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Onder de dakpannen van de bebouwing zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren rondom de bebouwing maken mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. Er zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. De groenstructuren en de watergangen in het projectgebied maken onderdeel uit van geschikt broedbiotoop voor algemene soorten broedvogels. Omdat uit de quickscan blijkt dat het plangebied mogelijk beschermde soorten herbergt is een aanvullend onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er geen nesten van de gierzwaluw en de huismus zijn vastgesteld in het plangebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de huismus. Er zijn twee nesten van de ekster en één van de zwarte kraai vastgesteld in het plangebied. De nestlocaties van deze vogels zijn niet jaarrond beschermd.
Er zijn geen beschermde functies van vleermuizen vastgesteld in het projectgebied. Er zijn geen beschermde functies voor de onderzochte diersoorten in het projectgebied aangetroffen. Er is dan ook geen noodzaak voor de aanvraag van een ontheffing van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect soortenbescherming wordt nader onderzocht.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
35
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.6.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een tuincentrum. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 1.282 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,90 µg/m³ en van fijnstof van 0,21 µg/m³ (figuur 4.5). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Met de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zie figuur 4.5.
Figuur 4.5 Resultaten van berekening met de NIBM-tool Uit de NIMB-tool blijkt dat de verkeerstoename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Maaswijkweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 18,9 µg/m³ voor NO2, 16,3 µg/m³ voor PM10 en 8,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,0. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
36
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7
Bedrijven en milieuhinder
4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. 4.7.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie worden een tuincentrum en sportzaal gerealiseerd. Hiermee worden milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In het gebied zijn voornamelijk woonfuncties gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'.
Ten oosten van het plangebied is de RWZI van Spijkenisse gelegen. De richtafstand voor de rioolwaterzuivering is 200 meter (categorie 4.1) tot een rustige woonwijk in verband met het aspect geur. Het plangebied ligt op circa 260 meter afstand van de inrichting. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Daarnaast liggen er reeds geurgevoelige objecten dichterbij de inrichting. De rioolwaterzuivering wordt dan ook niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door de beoogde ontwikkeling. Tevens is het van belang om te onderzoeken of de nieuwe situatie voldoet aan de gestelde richtafstanden uit de VNG-brochure. Aangrenzend aan het plangebied bevinden zich woonbestemmingen. Een tuincentrum, een kinderdagverblijf en een sportschool zijn op basis van de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. Horeca en kantoor worden op basis van de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. De richtafstand van het tuincentrum, kinderdagverblijf en sportschool zijn daarom maatgevend. De afstand tot omliggende woonpercelen betreft circa 30 meter tot aan het plangebied. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt 40 meter. De woningen bevinden zich buiten de richtafstanden. Hiernaast vinden de activiteiten binnen plaats.
Omdat voldaan wordt aan de richtafstanden kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De geluiduitstraling van het laden en lossen is in praktijk groter dan de richtafstand, namelijk 50 meter. De afstand van de los- en laadplek tot de woningen is echter groter dan 50 meter zodat ook voor dit aspect kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wel wordt geadviseerd om bij de aanvraag omgevingsvergunning, in het kader van het activiteitenbesluit, akoestisch onderzoek uit te laten voeren naar de 24-uurs sportschool.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
37
Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. 4.8.2
Onderzoek
Figuur 4.6 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied zwart omkaderd
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
38
De ontwikkeling voorziet in een niet kwetsbaar object zoals bedoeld in het Bevi. In de directe omgeving van het plangebied zijn twee risicovolle inrichtingen gelegen en vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Oude Maas en door een leiding (risicobronnen Gemeente Spijkenisse). Het gaat hierbij allereerst om het benzineservicestation DCB Maaswijk. Deze inrichting heeft een maatgevende PR 10-6 risicocontour van 110 m rondom het vulpunt. Het aandachtsgebied van het groepsrisico bedraagt daarnaast 150 m. Het plangebied ligt op circa 500 m afstand van de inrichting. Dit is ruim buiten de risicocontouren. Ten oosten van het plangebied ligt daarnaast de gaswinningsinstallatie Spijkenisse-oost. De PR 10-6 risicocontour van deze inrichting is 80 m. Het plangebied ligt op circa 250 m afstand. Dit is ruim buiten de risicocontour. Ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door de aardgasleiding van de NAM (diameter 8 inch, werkdruk 115 bar). De PR 10-6 risicocontour is niet buiten de leiding gelegen. Het aandachtsgebied van het groepsrisico van de leiding is 145 m. Het plangebied ligt op ruim 200 m afstand, buiten de risicocontouren. Ten oosten van het plangebied vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via het water over de Oude Maas (vaarwegroute Rotterdam-Moerdijk). Het invloedsgebied van deze vaarroute bedraagt 1.070 m.
Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 740 m en valt hiermee in het invloedsgebied. Omdat de afstand tot het plangebied meer dan 200 m bedraagt, is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt. Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Gaddijk en Korte Schenkeldijk. Deze wegen sluit aan op het verdere wegennetwerk van Spijkenisse. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
39
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een tuincentrum en sportschool gerealiseerd worden. Eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een overdrukscenario met een wolkbrand of een explosiescenario het meest aannemelijk is. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de vaarwegroute Rotterdam – Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.9.2 Onderzoek en conclusie In 2020 is op het perceel van de boerderij en de gemeentewerf een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een bodemonderzoek, naar asbest in bodem conform NEN 5707 uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 9.
Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond verhogingen van lood en PAK’s ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. Tevens wordt in één punt een verhoging van lood ten opzichte van de tussenwaarde in de bovengrond (0-50 cm-mv) aangetroffen. In de ondergrond worden geen verhoogde parameters aangetroffen. Wat betreft PFAS wordt enkel in mengmonster MB2 een verhogingen ten opzichte van de normwaarde voor AW aangetroffen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
40
In het grondwater worden verhogingen van barium, nikkel en zink ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De hypothese ‘verdacht’ wordt middels de resultaten bevestigd. De verhoging van lood ten opzichte van de tussenwaarde ter plaatse van het bovengenoemde punt, betreft vermoedelijk een verhoging welke te relateren is aan de restverontreiniging onder het asfalt rond de boerderij. Bij eventuele ontwikkelingen op de locatie ter plaatse van B7.1 of het asfalt wordt geadviseerd een actualiserend nader onderzoek uit te voeren. Gezien de veroudering van het onderzoek uit 1998 zal de verontreinigingssituatie opnieuw in kaart gebracht moeten worden. Ter plaatse van het overige en grootse deel van de onderzoekslocatie worden maximaal verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Op basis van deze resultaten is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Er zijn op dit deel van de locatie geen belemmeringen met betrekking tot de geplande ontwikkelingen.
4.10
Cultuurhistorie en archeologie
4.10.1 Cultuurhistorie In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Als gevolg van de voorziene ontwikkeling worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verstoord. 4.10.2 Archeologie Beleidskader De gemeente Spijkenisse heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (AWK), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het bovenstaande sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese Verdrag van Malta is ontwikkeld en dat aansluit bij de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007). Belangrijk gemeentelijk toetsinstrument is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (vaststelling in procedure).
Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Onderzoek Het plangebied is gelegen in een gebied met Waarde - Archeologie – 2. Voor de historische dijktracés en wegen, alsmede voor het gebied waar de sedimenten van de Afzettingen van Duinkerke III dikker zijn dan 50 cm (Waarde - Archeologie - 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
41
Figuur 4.7 Uitsnede archeologische beleidskaart De ontwikkeling wordt voorgelegd aan het BOOR. Zij adviseren of archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Op de verbeelding en in de regels zijn dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van eventuele archeologie waarden ter plaatse. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.11.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied ligt een rioolleiding. Ter plaatse van deze rioolleiding mag geen bebouwing worden opgericht. Dit is geborgd middels de dubbelbestemming Leiding - Riool. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
42
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
43
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van I&M een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
5.2
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
44
5.3
Bestemmingsregels
Artikel 3 Gemengd Binnen deze bestemming is het tuincentrum en de sportschool mogelijk. In de specifieke gebruiksregels is de maximum brutovloeroppervlakte van het tuincentrum opgenomen. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied Deze gronden zijn bestemd voor verkeer en verblijfsgebied. Het gebied met deze bestemming heeft de functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. Daarnaast zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeer-, nutsvoorzieningen, groen en water toegestaan. Artikel 5 Water Aan de oostzijde van het plangebied wordt voorzien in watercompensatie. Deze watergang is bestemd als 'Water'. Artikel 6 Leiding - Riool Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt dat geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 en Artikel 8 Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid.
5.4
Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 10 Algemene bouwregels Deze algemene regels zijn van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Het betreft hier onder andere de overschrijding van bouwgrenzen. Ook is duidelijk vastgelegd hoe met ondergronds bouwen moet worden omgegaan. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdige gebruik. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen bijvoorbeeld het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte. Artikel 13 Overige regels In deze regels wordt bepaald dat waar naar wettelijke regelingen wordt verwezen, de regelingen bedoeld worden zoals bepaald op het moment van vaststelling van het plan. Ook is hier een parkeerregeling opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
45
5.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht en Overgangs- en slotregels De overgangsbepalingen zijn conform het Besluit ruimtelijke ordening.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
46
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
47
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 24 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder kon in deze periode een inspraakreactie op het plan geven. Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. Op het voorontwerpplan zijn 18 inspraakreactie en 3 vooroverlegreacties ingediend. Deze zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota inspraak en overleg, zie bijlage 10. 6.1.2 Zienswijzen De formele bestemmingsplanprocedure is gestart met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 31 maart 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Belanghebbenden konden binnen deze periode een zienswijze indienen. Op het plan zijn acht zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn beantwoord in de Antwoordnota zienswijzen. Eventuele wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen zijn verwerkt in het bestemmingsplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Het beoogde bouwplan betreft een particulier initiatief. Voor het kostenverhaal wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn en welke ten laste van de initiatiefnemer komen. Omdat het kostenverhaal via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
48
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725