ETFAL (Stella Nova IV)
Tekst van het document
Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Stella Nova IV Gemeente Nissewaard 07-07-2025
1
Inhoud 1.Inleiding ............................................................................................................................................................. 3 1.1Aanleiding ................................................................................................................................................... 3 1.2Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ....................................... 3 1.3Het omgevingsplan ................................................................................................................................... 4 1.4Leeswijzer.................................................................................................................................................... 5 2.Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling ..................................................................................... 6 2.1Huidige situatie.......................................................................................................................................... 6 2.2Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 7 3.Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties ..........................................................
10 3.1 ..Rijk ........................................................................................................................................................... 10 3.2Provincie .................................................................................................................................................... 39 3.2.a Provinciaal beleid................................................................................................................................ 39 3.2.b Instructieregels provincie ................................................................................................................. 41 3.3Waterschap ............................................................................................................................................... 45 3.4Gemeente .................................................................................................................................................. 46 3.4.a Beleid gemeente ................................................................................................................................. 46 4.Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................................ 48 4.1Economisch uitvoerbaarheid.
.............................................................................................................. 48 4.1.1Financieel economische uitvoerbaarheid .................................................................................. 48 4.2Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................... 48 4.2.1Participatie ........................................................................................................................................ 48 4.2.2Advies en vooroverleg ..................................................................................................................... 48 5.Conclusie ......................................................................................................................................................... 49 Bijlagen................................................................................................................................................................. 50 Bijlage 1Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 51 Bijlage 2Akoestisch onderzoek .........................................................................................................................
52 Bijlage 3Verkennend bodemonderzoek .......................................................................................................... 53 Bijlage 4Nader bodemonderzoek ..................................................................................................................... 54 Bijlage 5Ontheffing Wet natuurbescherming ................................................................................................. 55 Bijlage 6Memo en stikstofberekeningen ......................................................................................................... 56
2
3
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
Gemeente Nissewaard en Maasdelta Groep hebben beide de intentie uitgesproken om gezamenlijk de wijk Sterrenkwartier Hoog te herstructureren omdat de huidige woningen niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. De komende jaren wordt een groot aantal woningen gesloopt. Daarvoor in de plaats komen nieuwbouwwoningen - zowel appartementen als grondgebonden woningen met een mix van huur en koop - terug. De sloop- en nieuwbouw in Sterrenkwartier Hoog vindt plaats in vier fases. Voor fase 1 tot en met 3 zijn de ruimtelijke procedures doorlopen waarbij de bestemmingsplannen zijn vastgesteld. Onderhavig initiatief betreft fase IV en daarmee tevens het de laatste fase van deze herstructureringsopgave: 'Stella Nova IV' genaamd. Hierbij worden 204 woningen gesloopt om plaats te maken voor maximaal 192 nieuwe woningen. Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard. Om de realisatie van het plan planologisch-juridisch mogelijk te maken, is gekozen voor het afwijken van het omgevingsplan via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Figuur 1.1 bouwblokken Sterrenkwartier, de blauwe blokken betreffen fase 1, de gele blokken betreffen fase 2, de rode blokken betreffen fase 3 en de oranje blokken betreffen fase 4 waarop onderhavige BOPA betrekking heeft (bron: Maasdelta Groep)
1.2
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.
Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.
2.
Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.
4
Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid Bkl);
b.
als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden voor de BOPA.
1.3
Het omgevingsplan
Het omgevingsplan gemeente Nissewaard bevat regels in het tijdelijk deel. De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 Omgevingswet): 1.
De besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: a.
een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
b.
een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
c.
een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;
d.
een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening;
2.
De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet;
3.
de Bruidsschat.
Hierna wordt kort ingegaan op deze onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.2 wordt getoetst aan dit toetsingskader en wordt ingegaan op de strijdigheden die ontstaan met het omgevingsplan.
Ad a1. Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Op basis van de geldende planologische regeling, het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard waarvan het bestemmingsplan 'De Hoek-Sterrenkwartier 2009' onderdeel uitmaakt, geldt ter plaatse van de projectlocatie de bestemmingen 'Groen' en ‘Maatschappelijk’. 'Verkeer -2' en 'Wonen -1'. Ook is voor een deel van de projectlocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2' van kracht. Binnen de bestemming 'Wonen -1' zijn bouwvlakken opgenomen.
Ad a2, 3 en 4. Lokale verordeningen De Erfgoedverordening Nissewaard 2016 bevat regels omtrent erfgoed. In paragraaf 3.1.10 is hierop nader ingegaan. Er is geen sprake van een strijdigheid met de Erfgoedverordening.
Ad d. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De bodemkwaliteitskaart is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per
gebied.
De
gemeente
Nissewaard
heeft
een
bodemkwaliteitskaart
en
een
bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeheer Nissewaard
5
(geldend vanaf 12 januari 2024). De bodemfunctieklasse van de gemeente Nissewaard kent de functieklasse ‘wonen’ toe aan de projectlocatie en de directe omgeving.
Ad e. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen
of
spoorwegen
zonder
geluidproductieplafond
en
regels
over
gemeentelijke
omgevingsvergunningen.
Welke omgevingsplanactiviteiten zijn in strijd met het omgevingsplan? De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en die door middel van een omgevingsvergunning voor de BOPA zijn aangevraagd, worden onderzocht en onderbouwd in deze onderbouwing. In dit geval gaat het om de volgende omgevingsplanactiviteiten: Gebruik
Gebruik in strijd met het omgevingsplan: Gebruik van gronden voor wonen past niet binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Tuin' en ‘Verkeer – 2’.
De woningen worden buiten de bouwvlakken gebouwd op gronden met de bestemming 'Wonen 1'. De ontwikkeling is hiermee in strijd.
Ruimtelijk bouwen
De woningen worden gebouwd op gronden met de bestemming 'Groen' en 'Tuin' en ‘Verkeer – 2’ waar nu geen gebouwen mogen worden gebouwd. De ontwikkeling is hiermee in strijd.
Voor deze omgevingsplanactiviteiten wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. In voorliggende
onderbouwing
is
onderzocht
of
ten
aanzien
van
deze
buitenplanse
omgevingsplanactiviteiten wordt voldaan aan het beleidskader en de beoordelingsregels waaronder instructieregels en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk twee omvat een beschrijving van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling. In het derde hoofdstuk wordt het voornemen getoetst aan beleid en regels van het Rijk, de provincie, het waterschap en de gemeente. In hoofdstuk vier staat de uitvoerbaarheid centraal. Deze motivering eindigt met een concluderend hoofdstuk.
6
2. Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Huidige situatie
2.1
De projectlocatie ligt in de wijk Sterrenkwartier, in de kern Spijkenisse, en maakt onderdeel uit van de herstructurering Sterrenkwartier hoog die in 2017 gestart is. De wijk is in veel opzichten een typische jaren '60 wijk met onder andere veel hoogbouw aan de rand van de wijk. In de projectlocatie staan vijf naoorlogse appartementencomplexen die in de jaren '60 zijn gebouwd. Dit zijn vrijstaande blokken gelegen in een groene omgeving. Verder zijn aan de Mizarstraat en aan de Grote Beerstraat parkeerplaatsen gelegen. De woningen op de projectlocatie zijn verouderd en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd. Ook is de leefbaarheid op de locatie en in de directe omgeving door de jaren heen verslechterd. De projectlocatie ligt ter hoogte van de Mizarstraat en de Grote Beerstraat in de wijk Sterrenkwartier, gemeente Nissewaard (kadastraal bekend gemeente Spijkenisse, sectie D, nummers 2.539, 8.662, 8.663, 8.664, 8.665 en deels 9.831). De projectlocatie grenst aan de:
Zuidzijde van de Planetenlaan;
Noordzijde aan een bestaande watergang;
Westzijde aan de Grote Beerstraat;
Oostzijde aan een bestaande watergang, de Hekelingsweg en aan een tankstation
Onderstaande figuur geeft de ligging en begrenzing van de projectlocatie weer.
Figuur 2.1 Satellietbeeld de projectlocatie (bron: Cyclomedia)
7
2.2
Voorgenomen ontwikkeling
De hoogbouw in de wijk Sterrenkwartier is inmiddels verouderd en de vraag van de markt is veranderd, daarom wordt een deel van de hoogbouw in het Sterrenkwartier herontwikkeld tot een mix van moderne appartementen en grondgebonden woningen. Daartoe worden de bestaande woningen deels gesloopt en worden nieuwe woningen gerealiseerd. Deze herontwikkeling gebeurt in fases. In deze fase worden 204 woningen gesloopt. Daarvoor in de plaats worden maximaal 192 nieuwe woningen gerealiseerd. Door Geurst & Schulze Architecten is een verkaveling gemaakt voor de projectlocatie.
Figuur 2.2 Stedenbouwkundig matenplan (bron: Gemeente Nissewaard Groene lijnen In het ontwerp heeft het binnengebied veel aandacht gekregen, hier wordt een brede groene zone met speelgelegenheid gecreëerd. Het groen komt op verschillende manieren terug in het plan. Zo wordt de erfafscheiding aan de voorgevels gevormd door lange beukenhagen. Tussen de verschillende parkeerclusters worden bomen geplaatst. Op de hoeken van de bouwblokken gaat het groen van de voorzijde over in een meer stedelijk karakter, vormgegeven met standaard erfafscheidingen in hoogwaardig materiaal. Dit zorgt voor een goede balans tussen steen en groen. Programma Het programma van fase IV bestaat de uit de herontwikkeling van 10 woonblokken/stroken waarin een variëteit aan woningen wordt gerealiseerd. Het programma bestaat uit appartementen, benedenbovenwoningen (bebo) en grondgebonden woningen in de vorm van rijwoningen. Er zijn zowel koopals huurwoningen opgenomen in het programma. De grondgebonden woningen variëren in omvang en kapvorm. In totaal worden er maximaal 192 woningen gerealiseerd. In de volgende tabel is onderscheid gemaakt in het type, aantal en oppervlakte van de woningen.
8
Tabel 2.1 Programma beoogde ontwikkeling Categorie
aantal
Huur, appartement, sociale huur
115 woningen
Huur, huis, sociale huur beneden- bovenwoningen
18 woningen
Huur, huis, sociale huur
8 woningen
Huur, huis, vrije sector
8 woningen
Koop, appartementen, middeldure koop
10 woningen
Koop, appartement, vrije sector koop
17 woningen
Koop, huis, vrije sector koop
16 woningen
Totaal beoogde ontwikkeling
192 woningen
Behouden bebouwing De Mizarflat, het hogere gebouwdeel in het noorden van het projectgebied, blijft behouden. Dit bouwblok bestaat uit 77 woningen. In de huidige situatie is de Mizarflat met de entree gekoppeld aan een lager galerijblok. In de toekomstige situatie wordt dit losgekoppeld.
9
3. Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties Er moet worden voldaan aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Ook mag het plan niet in strijd zijn met de waterschapsverordening van het Waterschap Hollandse Delta Tot slot moet het plan passen binnen het gemeentelijk beleid. In dit hoofdstuk worden deze aspecten afgewogen en waar nodig gemotiveerd. Rijk
3.1
3.1.a Relevant rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: a.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
b.
Duurzaam economisch groeipotentieel
c.
Sterke en gezonde steden en regio's
d.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
b.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
c.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toetsing Het vervangen en toevoegen van woningen binnen de projectlocatie is niet in strijd met de belangen en opgaven van de Nationale Omgevingsvisie. Bovendien past het bouwen van nieuwe woningen binnen de verduurzamingsopgave van de NOVI. 3.1.b Instructieregels Rijk In hoofdstuk 5 van het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer:
10
-
het waarborgen van de veiligheid;
-
het beschermen van de waterbelangen;
-
het beschermen van de gezondheid en van het milieu;
-
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
-
het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
-
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
De voor iedere aanvraag relevante instructieregels zijn nader uitgewerkt in navolgende paragrafen 3.1.1 t/m 3.1.11. Daarnaast zijn er instructieregels die van toepassing zijn afhankelijk van het project en/of de locatie. Deze komen, wanneer relevant, in paragraaf 3.1.12 aan de orde. Tabel 3.1 – Thema’s Bkl Thema
Paragraaf Bkl
Paragraaf Motivering
Veiligheid
5.1.2
3.1.1
Waterbelangen
5.1.3
3.1.2
Luchtkwaliteit
5.1.4.1
3.1.3
Geluid door activiteiten
5.1.4.2
3.1.4
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.1.4.2a
3.1.5
Trillingen
5.1.4.4
3.1.6
Bodemkwaliteit
5.1.4.5
3.1.7
Geur
5.1.4.6
3.1.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.1.5.4
3.1.9
Cultureel erfgoed en werelderfgoed
5.1.5.5
3.1.10
Toegankelijkheid openbare ruimte
5.162
3.1.11
Thema
Paragraaf Bkl
Paragraaf H3
Slagschaduw van windturbines
5.1.4.4a
3.1.12 (locatiegebonden)
Landsverdediging
5.1.7.2
3.1.12 (locatiegebonden)
Rijksvaarwegen
5.1.7.4
3.1.12 (locatiegebonden)
Landelijke fiets- en wandelroutes
5.1.7.6
3.1.12 (locatiegebonden)
Hyperscale datacenters
5.1.7.7
3.1.12 (locatiegebonden)
5.163
3.1.12 (locatiegebonden)
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
5.165
3.1.12 (locatiegebonden)
Bebouwingscontour houtkap
5.165b
3.1.12 (locatiegebonden)
Locatie- of projectgebonden instructieregels
Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen
3.1.1
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken.
11
Plaatsgebonden risico Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang:
-
beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
-
veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten;
-
veiligheid rond luchthavens.
Onderzoek en motivering Met de ontwikkeling wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van de projectlocatie vinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 1: Aandachtsgebieden en PR-contour (RWS,2024)
12
Uit figuur 1 is af te lezen dat de ontwikkeling zich niet bevindt in een van de aandachtsgebieden. In de directe omgeving van de projectlocatie vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water of door buisleidingen met een externe werking. Wel is er een tankstation aanwezig nabij het projectgebied waarbij een PR 10-6 contour is aangeven ( zie figuur 2). Het plaatsgebonden risico reikt niet verder dan de perceelgrens van het tankstation.
Figuur 2: PR 10-6 contour in de projectlocatie (RWS,2024) Er is een notitie externe veiligheid opgesteld door AVIV. Deze is toegevoegd aan bijlage 1. De notitie concludeert dat de beoogde ontwikkeling op voldoende afstand is gelegen van het tankstation en dat er geen maatregelen of vervolgonderzoek benodigd is. De locatie bevindt zich niet binnen de contouren van het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden (gifwolk-, brand- en explosieaandachtsgebieden) van activiteiten met een extern veiligheidsrisico (opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen), noch in een belemmeringengebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het project maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Gelet hierop zijn de instructieregels in § 5.1.2.2 e.v. van het Bkl niet van toepassing. Verder bevindt de projectlocatie zich niet in een van de aandachtsgebieden van de nietbasisnetwegen zoals bepaald in artikel 7.3.2.4. van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland. De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het project te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit de veiligheidsregio worden meegenomen in de verdere planvorming en – waar relevant – verwerkt voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het plan.
In de onderstaande paragrafen wordt op basis van ervaringen uit vergelijkbare planontwikkelingen en eerder uitgebrachte adviezen een eerste opzet gegeven van de te verwachten aandachtspunten. Deze vormen een voorlopige basis en zullen, indien nodig, worden aangevuld op basis van de formele reactie van de veiligheidsregio. De veiligheidsregio attendeert op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. De volgende maatregelen dienen te worden overwogen; een aangepaste drempelhoogte en/of het hoger plaatsen van de aansluitingen voor elektriciteit. Met in achtneming van deze maatregelen zijn de gevolgen, in het kader van veiligheid, aanvaardbaar. Voor deze BOPA zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:
het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
13
de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en
de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet.
Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Met deze verantwoording van het groepsrisico wordt er voldaan aan de instructieregel artikel 5.15 van het Bkl. Om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden dient er te worden voldaan aan de eisen en voorwaarden van het regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR. Conclusie De ontwikkeling maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en de projectlocatie is niet gelegen binnen aandachtsgebieden of plaatsgevonden risicocontouren. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het project te reageren. Eventuele opmerken of aanvullingen worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in de BOPA voordat deze wordt verleend.
Gelet op het voorgaande is het project in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid.
3.1.2
Waterbelang
Toetsingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het Bkl stelt specifieke regels over de onderdelen van het watersysteem in een omgevingsplan. Voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem worden de opvattingen van het belaste bestuursorgaan betrokken. Daarbij kan worden gedacht aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde. Daarnaast bevatten het Bkl rijksregels met betrekking tot: 1.
het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
2.
het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
3.
het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. De LIOR geeft aan dat de watertoets uitgevoerd dient te worden. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
14
Onderzoek en motivering Huidige situatie De projectlocatie bestaat momenteel uit flatgebouwen en groen. De locatie is deels verhard. Bodem en grondwater De projectlocatie maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is de locatie niet gekarteerd. Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van de omgeving de projectlocatie uit knippige poldervaaggronden; klei bestaat. Met betrekking tot het grondwater is in de omgeving van de projectlocatie sprake van grondwatertrap IVu. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 63 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op 110 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 1,40 meter beneden NAP. Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta bevindt zich ten noorden van de projectlocatie een hoofdwatergang, zie onderstaand figuur. Deze watergang heeft een beschermingszone van 5 meter.
Figuur 3: Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta met de projectlocatie rood omkaderd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen de projectlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de projectlocatie. Veiligheid en waterkeringen De projectlocatie bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering.
15
Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie richt zich op het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, hittestress, droogte en overstromingen. Aan de hand van kaarten en gegevens van de klimaateffect atlas blijkt dat de locatie een stedelijk hitte stress kent van 1.2 tot 1.6 Celsius. Bij een hevige bui van (70 mm / 2uur) is er op delen van de projectlocatie sprake van een waterdiepte van >30cm. Het overgrote gedeelte van de projectlocatie kent een waterdiepte van 10-15cm of lager. Het plaatsgebonden overstromingsrisico is getypeerd als een kleine kans, met een kans van 1/300 tot 1/3.000 per jaar. Volgens de sensar data (bodemdaling in de laatste 10 jaar) is er sprake van jaarlijkse wat daling binnen het projectgebied. Toekomstige situatie In de beoogde situatie worden de bestaande woningen gesloopt en maximaal 192 nieuwe woningen gerealiseerd. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Het Waterschap Hollandse Delta hanteert een grens van 500 m2.
Wanneer een ontwikkeling deze grens overschrijdt, dient er voor de verharding gecompenseerd te worden. Er hebben overleggen plaats gevonden tussen het waterschap, de ontwikkelende partij en de gemeente. Hierbinnen zijn afspraken gemaakt over de aanpak ten aanzien van watercompensatie voor de beoogde herontwikkeling;
Voor de ontwikkeling van het project Stella Nova en de bijbehorende vervolgfases wordt watercompensatie gerealiseerd binnen het peilgebied, zoals toegestaan binnen de geldende regelgeving. Deze compensatie hoeft niet per se binnen de projectlocatie van Stella Nova zelf plaats te vinden, maar mag elders binnen het peilgebied worden uitgevoerd. De beoogde locatie voor de watercompensatie bevindt zich tussen de Mizarstraat en de Hekelingseweg. Op deze locatie wordt voorzien in de volledige compensatiebehoefte voor alle vier de fasen van het project. In totaal is hier circa 1.700 m² aan watercompensatie mogelijk. De uitvoering van de compensatie zal in principe in twee delen plaatsvinden. In het eerste gedeelte wordt circa 600 m² gerealiseerd, wat zal dienen als compensatie voor Stella Nova en fase 2 van het project. Het resterende deel zal in een tweede fase worden uitgevoerd. Mocht het uitvoeringstechnisch wenselijker zijn om de volledige compensatie in één keer te realiseren, dan is dat ook een optie. Bij de inrichting van het compensatiegebied wordt ingezet op het realiseren van natuurvriendelijke oevers, waarmee niet alleen aan de compensatieverplichting wordt voldaan, maar ook wordt bijgedragen aan de ecologische kwaliteit van het gebied. De uitvoering van de watercompensatie zal uiterlijk binnen drie jaar na vergunningverlening starten, conform de geldende eisen.
Op 8 juni 2021 heeft waterschap Hollandse Delta een watervergunning (VTH2020-6475) verleend aan de gemeente Nissewaard voor het vergroten van een hoofdwatergang ter hoogte van de Mizarstraat in Spijkenisse. Hiermee wordt 1.200 m² nieuw oppervlaktewater gegraven dat wordt opgenomen in de
16
waterbank en dient als watercompensatie voor het project Vernieuwing Sterrenkwartier Hoog (fase 1 t/m 4). De werkzaamheden omvatten ook de aanleg van natuurvriendelijke oevers. De vergunning is drie jaar geldig voor de uitvoering en onbepaalde tijd voor het beheer en onderhoud, met duidelijke voorschriften ten aanzien van uitvoering, meldplicht, bodemdiepte, ecologie, beheer, en veiligheid. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, nietuitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. De ontwikkeling voorziet niet in bouwwerkzaamheden of het mogelijke maken van objecten binnen de beschermingszone van de nabij gelegen watergang. Hier zijn geen vervolgstappen voor benodigd. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden
rioleringsstelsel
aan
te
leggen
zodat
schoon
hemelwater
niet
bij
een
rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
hemelwater vasthouden voor benutting,
(in-) filtratie van afstromend hemelwater,
afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI,
in de LIOR wordt aangegeven dat er gestreefd moet worden om 50 mm over het totaal verhard oppervlak op eigen terrein te bergen en vertraagd af te voeren.
Klimaatadaptatie Binnen het projectgebied zijn momenteel geen specifieke klimaatmaatregelen voorzien met betrekking tot het voorkomen van water op straat. In het aangrenzende gebied ten zuiden van de projectlocatie zijn dergelijke maatregelen wél gepland. Gezien de onderlinge samenhang van de waterhuishouding in beide gebieden, is het van belang om deze in samenhang te beschouwen. In dit kader is een plan in voorbereiding waarbij hemelwater afkomstig uit het zuidelijk gelegen gebied deels zal worden afgevoerd naar de watergang ten noorden van Sterrenkwartier Hoog, via de Mizarstraat. Deze toekomstige afvoerroute dient in het ontwerp van de ontwikkeling binnen het projectgebied te worden meegenomen, zodat een integrale en robuuste waterstructuur wordt gewaarborgd. Op korte termijn wordt er gestart met het opstellen van een gebiedsgerichte analyse ten aanzien van de benodigde klimaatmaatregelen voor het gehele gebied Sterrenkwartier. Sterrenkwartier Hoog maakt expliciet onderdeel uit van deze analyse. De uitkomsten hiervan zullen richtinggevend zijn voor eventuele aanvullende maatregelen binnen het projectgebied. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoende rekening houdt met de bredere klimaat adaptieve strategie van de omgeving.
Verdere afstemming en integratie van maatregelen zal plaatsvinden in het kader van het lopende traject met betrekking tot klimaat adaptieve maatregelen. Conclusie Voor de herontwikkeling van Stella Nova is, in overleg met het waterschap en de gemeente, afgesproken
17
dat de benodigde watercompensatie binnen het peilgebied plaatsvindt, op een locatie tussen de Mizarstraat en de Hekelingseweg. Op deze locatie wordt circa 1.700 m² aan natuurvriendelijke watercompensatie gerealiseerd. Op 8 juni 2021 heeft waterschap Hollandse Delta een watervergunning (VTH2020-6475) verleend aan de gemeente Nissewaard voor het vergroten van een hoofdwatergang ter hoogte van de Mizarstraat in Spijkenisse. Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De ontwikkeling voldoet aan de relevante instructieregels en er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan ETFAL.
3.1.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De overheid moet rekening houden met de omgevingswaarden in een aandachtsgebied. Dit geldt voor de besluiten die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Daarnaast kan het gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als de activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben, zoals extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan het stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht gaan over: -
beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
-
ammoniakemissies van veehouderijen;
-
geologische opslag van CO2;
Soms heeft de gemeente in een eerdere fase al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan
in een
aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. Onderzoek en motivering De projectlocatie is gelegen binnen een aandachtsgebied (NO₂ én PM₁₀). In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om:
1 ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen; of 2 ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen.
Het project voorziet in de sloop van 204 woningen en de realisatie van maximaal 192 woningen aan een of meerdere bestaande ontsluitingsweg(en). Vanwege de omvang van het project kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate bijdragend’. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de concentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het
18
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Planetenlaan. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn
stof
langs
deze
weg
ruimschoots
onder
de
grenswaarden
lagen.
De
concentraties
luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023: 15,03 µg/m³ voor NO2, 15,30 µg/m³ voor PM10 en 7,78 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te kennen. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 μg/m³ voor NO2, 15 μg/m³ voor PM10 en 5 μg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. De concentraties ter hoogte van het de projectlocatie zijn, hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor de projectlocatie, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
3.1.4
Geluid door bedrijfsmatige activiteiten
Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten. De BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierover moet de BOPA in beginsel regels bevatten. Het gaat om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat. Onderzoek en motivering De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen. Woningen worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen het is van belang om de directe omgeving op mogelijke geluidbronnen te beoordelen. Uit het bestemmingsplan 'De Hoek-Sterrenkwartier', dat deel uitmaakt van het omgevingsplan, blijkt dat zich
ten
zuidoosten
van
de
projectlocatie
een
garagebedrijf
en
een
verkooppunt
voor
motorbrandstoffen zonder lpg bevinden. Voor de inschatting of de beoogde woningen een belemmeringvormen voor nabijgelegen bedrijven gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNGbrochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Als de richtafstanden voor ‘rustig woonwijk’ worden aangehouden, is dit een worst-case indicatie dat de bedrijven kunnen voldoen aan de geluidnorm die is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de bruidsschat). Deze norm geldt voor het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. In dat geval vormen de beoogde woningen geen belemmering voor de bedrijven.
19
Conform de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ vallen deze functies in milieucategorie 2, waarvoor in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt in de huidige situatie niet voldaan, de kortste afstand tussen het tankstation en de bestemming ‘wonen-1’ bedraagt circa 6 meter. In de toekomstige situatie komen de nieuwe woningen op een grotere afstand van het bedrijf te liggen dan de bestaande woningen, op een grotere afstand van circa 6 meter. De milieusituatie verslechtert hiermee niet en de bedrijfsvoering van het garagebedrijf wordt door de ontwikkeling niet verder beperkt. Conclusie Hoewel de formele richtafstand van 30 meter, zoals geadviseerd in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, niet wordt gehaald, resulteert de ontwikkeling niet in een verslechtering van de milieusituatie. De nieuwe woningen worden namelijk op een grotere afstand van het bedrijf gerealiseerd dan de bestaande woningen. Ter plaatse van de projectlocatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de geluidsruimte van omliggende bedrijvigheid niet beperkt door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Vanuit het aspect geluid bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling en er zijn geen voorschriften noodzakelijk om te voldoen aan de (instructie)regels van Bkl en het omgevingsplan. 3.1.5
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: -
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;
-
geluid door windturbines en windparken;
-
geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.
Instructieregels Het Bkl stelt instructieregels die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidaandachtsgebied
20
Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in onderstaande tabel.
Tabel 3.1 Standaardwaarden geluid Geluidsbronsoort
Standaardwaard e
Provinciale wegen
50 Lden
Rijkswegen Gemeentewegen
53 Lden
Waterschapswegen Lokale spoorwegen
55 Lden
Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
50 Lden 40 Lnight
De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van: a.
wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds;
b.
lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en
c.
verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.
Onderzoek en motivering Rho: Onderstaande nog bijwerken na nieuw akoestisch onderzoek Aangezien het project valt onder de categorie geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is akoestisch onderzoek vereist. De projectlocatie bevindt zich binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen en van lokale spoorwegen (metrolijnen C en D), waardoor een beoordeling van de geluidbelasting noodzakelijk is. Het akoestisch onderzoek moet aantonen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en dat het geluidniveau aanvaardbaar is. De resultaten van dit onderzoek worden opgenomen in de onderbouwing bij de aanvraag. Het complete onderzoek is te raadplegen in bijlage 2. Omdat blok C momenteel nog nader wordt uitgewerkt (waarbij de mogelijkheid aanwezig is dat de omgevingsvergunning voor een BOPA voor dit blok op een later moment wordt aangevraagd) zijn ook de resultaten bepaald van de situatie zonder blok C. Uit onderzoek blijkt het volgende:
21
De standaardwaarde vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen wordt overschreden maar de grenswaarde niet. Uit de rekenresultaten blijkt dat dat de geluidbelasting aan de zuidzijde van de ontwikkeling ten hoogste Lden = 62 dB bedraagt. De hoogst berekende geluidbelasting op de ontwikkeling zonder blok C bedraagt ook Lden = 62 dB;
De standaardwaarde vanwege de geluidbronsoort spoorwegen wordt overschreden maar de grenswaarde niet. Uit de rekenresultaten blijkt dat dat de geluidbelasting aan de westzijde van de ontwikkeling ten hoogste Lden = 58 dB bedraagt. Dit geldt ook voor de resultaten vanwege de geluidbronsoort spoorwegen zonder blok C;
Het verlagen van de snelheid op de Planetenlaan van 50 km/uur naar 30 km/uur is doorgerekend en leidt tot een geluidsreductie van circa 4 à 5 dB. Op blok F wordt nu voldaan aan de standaardwaarde;
Het gecumuleerde geluid wordt bij de hoogst belaste bouwvlakken als matig tot tamelijk slecht beoordeeld;
Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten;
Het gezamenlijk geluid dient als uitgangspunt voor het bepalen van de gevel geluidwering. Uitgaande van de hoogst berekende geluidbelasting van 63 dB en de vereiste binnenwaarde van 33 dB zal de maximale gevelgeluidwering 30 dB moeten bedragen. Dit gezamenlijk geluid moet worden vastgelegd in een voorschrift in de BOPA;
Bouwvlakken C en D beschikken over een geluidluwe gevel (55 dB en lager) vanwege railverkeer die voor deze bouwvlakken overeenkomt met die van wegverkeer. Er wordt voor het aspect geluidluwe gevel voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid.
Conclusie Het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het berekende gezamenlijk geluid dient met een voorschrift te worden vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de BOPA. 3.1.6
Trillingen
Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de BOPA moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een ruimtelijk besluit voorziet erin dat trillingen door een activiteit in
22
trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Om te kijken of onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrilling.
23
Onderzoek en motivering Het projectgebied ligt op ca. 70 m afstand van de metrolijnen C/D. In algemene zin geldt dat door het rijden van metrostellen over de metrolijn trillingen kunnen worden opgewekt, welke zich kunnen voortplanten via de bovenbouwconstructie en de bodem. Vervolgens kunnen gebouwfunderingen worden aangestoten en in trilling kunnen brengen. In de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) worden twee afstandscriteria aangegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect trillingen nabij spoorwegen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 m van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 m afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. Voor de projectlocatie is de situatie ten aanzien van spoortrillingen beoordeeld op basis van een quickscan zoals beschreven in paragraaf 10.1 van de Handreiking: Voor de metrolijn in Spijkenisse geldt dat er sprake is van een circa 4 meter boven het maaiveld vrij liggende betonnen metrobaan. De betonnen baansecties staan op betonnen pijlers. Vanwege geluid is de baan voorzien van betonnen geluidafscherming.
Doordat de baan niet rechtsreeks in contact staat met de bodem/maaiveld wordt de overdracht van trillingen van de baan naar de bodem sterk beperkt. Aan de oostzijde van de metrolijn bevindt zich op vergelijkbare afstand als de projectlocatie bestaande woonbebouwing. Er zijn geen klachten bekend vanwege trillinghinder. Om deze reden wordt een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht en dat in het kader van bovengenoemde Handreiking deze quickscan toereikend is voor het aspect trillingen. Conclusie Met deze BOPA worden trillinggevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Vanwege het nabijgelegen metrotraject is de situatie beoordeeld op het aspect trillingen. Uit deze beoordeling blijkt dat sprake is van een aanvaardbare situatie en dat er geen aanleiding is voor nader onderzoek. Het is niet nodig om maatwerkvoorschriften op te nemen; er wordt voldaan aan de geldende instructieregels. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.1.7
Bodem
Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: -
Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
-
Regels over graven in de bodem.
-
Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
24
-
Maatwerkregels over het saneren van de bodem.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek en motivering Met de ontwikkeling worden bodemgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk. Om deze reden is er voor de beoogde ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de navolgende conclusies getrokken met betrekking tot de milieuhygiënische bodemkwaliteit:
In de grond is zeer plaatselijk sprake van sporen bijmengingen met baksteen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen;
De boven- en ondergrond is over het algemeen licht verontreinigd met kwik, lood, PAK en PCB;
Ter plaatse van een enkele boring 25-1 (6-50) is een incidentele sterke verontreiniging met PCB aangetroffen;
Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Naar aanleiding van deze resultaten is er nader bodemonderzoek verricht naar sterke verontreiniging met PCB, zie bijlage 4. Het onderzoek concludeert dat de onderzochte grond in het verticale vlak niet verontreinigd en in het horizontale vlak licht verontreinigd met PCB. De aangetroffen sterke verhoging met PCB in het verkennend bodemonderzoek betreft een uitschieter. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en de bodemkwaliteit is van voldoende kwaliteit voor de beoogde woningen. De bodemfunctieklasse van de gemeente Nissewaard kent de functieklasse ‘wonen’ toe aan de projectlocatie en de directe omgeving. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met deze classificatie en maakt aanpassing hiervan niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik van de locatie. De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor bodemkwaliteit. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.1.8
Geur
Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.
25
Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: -
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;
-
geur door het houden van fokteven van nertsen;
-
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
-
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken;
Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. Onderzoek en motivering De ontwikkeling voorziet niet in een geur belastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van de projectlocatie en of geur belastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.
Figuur 1: Geurkaart voor industrie (DCMR, 2025) Op bovenstaande figuur is te zien dat de projectlocatie buiten de geurcontouren ligt van de verwachte geurhinder industrie. Tankstation Uit het bestemmingsplan ‘De Hoek-Sterrenkwartier’, dat onderdeel is van het omgevingsplan, blijkt dat zich
ten
zuidoosten
van
de
projectlocatie
een
garagebedrijf
en
een
verkooppunt
voor
motorbrandstoffen zonder LPG bevinden. Voor het aspect geur geldt op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies zoals
26
woningen. In zowel de bestaande als de toekomstige situatie wordt strikt genomen niet voldaan aan deze richtafstand en kan geurhinder niet volledig worden uitgesloten. Het ontwerp van de beoogde situatie laat zien dat – ten opzichte van de bestaande situatie – de dichtstbijzijnde woningen circa 6 meter in noordelijke richting worden verplaatst. Hierdoor neemt de afstand tot het tankstation toe, wat bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke situatie. Hoewel formeel nog niet aan de volledige richtafstand wordt voldaan, beschikt het tankstation over diverse technische voorzieningen ter beperking van geuremissie, zoals een dampretoursysteem. Bovendien is uit navraag bij de DCMR gebleken dat de beoogde situatie volgens hen geen belemmering vormt. De situatie wordt als onveranderd beschouwd, mede omdat op vergelijkbare afstand ook in de bestaande situatie woningen zijn gesitueerd. Daarnaast zijn er geen bekende klachten of signalen van geurhinder vanuit de huidige situatie. Gelet op de grotere afstand in de toekomstige situatie, het ontbreken van klachten en het standpunt van de DCMR, vormt geur geen belemmerend aspect voor de beoogde ontwikkeling. Nadere geuronderzoeken zijn derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het woon- een leefklimaat ter plaatse van de woningen – voor het aspect geur- is aanvaardbaar.