ETFAL (Stella Nova IV)
Tekst van het document
Er is sprake van een verbetering van de ruimtelijke situatie, in vergelijking met de bestaande situatie.
3.1.9 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling (die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en) die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing De wijk Sterrenkwartier in Spijkenisse is gebouwd in de jaren 1960/1970. In de afgelopen jaren is de wijk in verschillende fases vernieuwd, de fase I en II zijn opgeleverd, fase III is in realisatie. Stella Nova fase IV wordt de laatste fase van de grote herstructurering Stella Nova. Fase 4 bestaat net als de vorige fases uit zowel huur- als koopwoningen.
Hierbij worden 204 woningen gesloopt om plaats te maken voor maximaal 192 nieuwe woningen. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij plannen vanaf 12 woningen of bij een functiewijziging of toevoeging van bebouwing met een andere stedelijke functie vanaf 500 m2 bvo. In dit geval gaat het niet om een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat er planologisch
27
geen extra woningen worden toegevoegd. Het projectgebied ligt op een binnenstedelijke locatie. De behoefte is uit het oogpunt van een evenwichtig toedeling van functies aan locaties beschreven. Beschrijving woningbehoefte De woningbehoefte in de gemeente Nissewaard blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld. Woningbehoefteraming WBR 2023 De provincie Zuid-Holland heeft onderzocht hoeveel extra woningen er in Zuid-Holland nodig zijn in de periode 2023 tot en met 2032 om in de verwachte vraag aan woningen te voorzien. Dat zijn er meer dan tot nu toe werd verwacht. Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2023 blijkt dat in de die periode in de Rotterdamse regio behoefte is aan 71.000 woningen. De behoefte is zo groot dat het belangrijk is de bestaande regionale woningbouwprogramma’s snel uit te voeren. Daarvoor is belangrijk dat meer plannen ‘hard’ worden en woningen daadwerkelijk worden gebouwd. De provincie gaat hierover als sturende partij in gesprek met de vijf woondealregio’s van Zuid-Holland. Daarbij wordt gekeken naar of de woningbouwplannen bijdragen aan het verhogen van de woningproductie. De provincie let er dan vooral op of er voldoende juiste woningen, op de juiste plek en het juiste moment worden gebouwd.
Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2021-2030 (december 2022) Het Regioakkoord 2022 bevat afspraken over de woningbouw in de 12 regiogemeenten. Hierin is afgesproken dat Nissewaard zich inzet voor het toevoegen van circa 3.760 woningen, waarvan 28% sociaal, 43% middelduur en 30% in het dure segment. Regionale Realisatie Agenda 2022 De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Zuid-Hollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen. Er is grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland en Zuid-Holland. Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Hierbij wordt in 2023 verder bekeken hoe deze opgave past bij de lokale situatie.
Onder het betaalbare segment vallen: huurwoningen onder liberalisatiegrens, door woningbouwcorporatie te bouwen sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot maximaal €1.000 per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen tot €355.000. In dit project wordt gelet op de grote behoefte aan betaalbare woningen ingezet op woningen in meerdere segmenten.
Tabel 3.1 programma beoogde ontwikkeling Categorie
aantal
Huur, appartement, sociale huur
115 woningen
28
Huur, huis, sociale huur beneden- bovenwoningen
18 woningen
Huur, huis, sociale huur
8 woningen
Huur, huis, vrije sector
8 woningen
Koop, appartementen, middeldure koop
10 woningen
Koop, appartement, vrije sector koop
17 woningen
Koop, huis, vrije sector koop
16 woningen
Totaal beoogde ontwikkeling
192 woningen
29
Woonvisie Nissewaard, een plek voor iedereen! (september 2020) Het doel van de Woonvisie voor Nissewaard is dat het voor iedereen goed wonen is in de gemeente en de woonwensen en woningbehoefte van alle huidige en toekomstige inwoners zoveel mogelijk binnen de gemeentegrenzen mogelijk te maken. Groei van de woningvoorraad is vooral nodig omdat het aantal 65-plussers toeneemt en huishoudens gemiddeld steeds kleiner worden. In de woonvisie staat uitgelegd hoe de gemeente wil komen tot een betere balans in de woningvoorraad. Daarbij hoort dat er wordt bijgebouwd in de woningsegmenten die nu ondervertegenwoordigd zijn, maar ook dat er aandacht is voor de toenemende vraag naar toekomstbestendig wonen. Uiteraard is er in de woonvisie ook aandacht voor leefbaarheid, duurzaamheid en wonen met zorg. Dit initiatief geeft mede invulling aan de doelstellingen uit de woonvisie gericht op het op peil houden van de voorraad woningen voor senioren en kleine huishoudens. Prestatieafspraken voor 2025 en 2026 tussen huurdersorganisaties, woningcorporaties en gemeente (december 2024) Deze prestatieafspraken geven aan welke bijdrage de verschillende partijen leveren aan het volkshuisvestelijk beleid van de gemeente, zoals vastgelegd in de Woonvisie Nissewaard 2020-2030 “Nissewaard, een plek voor iedereen!”.
De partijen willen de sociale huurvoorraad op peil houden en evenwichtiger over de gemeente spreiden. Corporatie Maasdelta zet zich in voor een voorraad van ruim 5.200 woningen in 2030. In het kader van het Regioakkoord hebben partijen de intentie uitgesproken om, naast de bestaande plannen, tot 2030 nog ruim 500 extra sociale woningen te bouwen. Deze woningen zijn meegerekend in de inzet van de corporaties. De gemeente spant zich maximaal in om hiervoor geschikte bouwlocaties te vinden. Voor Maasdelta gaat het om 135 woningen. Conclusie Voor Nissewaard wordt uitgegaan van een opgave van 3.760 woningen tot en met 2030. Dit betekent dat (veel) nieuwe harde plancapaciteit moet worden toegevoegd om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Er is behoefte aan alle woningtypen en prijsklassen, met een accent op betaalbare woningen voor kleinere huishoudens. Hierin wordt mede voorzien met deze ontwikkeling. 3.1.10 Cultureel erfgoed, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden.
De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd wat aanzien van de bescherming betreft. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
30
Onderzoek en motivering Archeologie In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van gemeente Nissewaard “De Hoek-Sterrenkwartier 2009” ligt een deel van het projectgebied in een zone met dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 2. In deze zone is het verplicht een rapport te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. De projectlocatie is groter dan deze vrijstellingsgrenzen en bij het bebouwen van de projectlocatie zullen de werkzaamheden dieper reiken dan de grens van 80 cm -mv. Daarom is er, in opdracht van de gemeente Nissewaard, door Transect b.v. in januari en juli/oktober 2022 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het gehele projectgebied (inclusief de andere fases). Aangezien uit het vooronderzoek bleek dat fase IV een lage verwachting heeft, is dit gebied niet meegenomen in dit onderzoek. Hieruit kan geconcludeerd worden dat archeologie geen belemmeringen zal veroorzaken voor de ontwikkeling. Cultuurhistorie In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van gemeente Nissewaard “De Hoek-Sterrenkwartier 2009” zijn geen cultuurhistorische panden aangegeven in of nabij de projectlocatie. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Er zijn geen voorschriften benodigd om te voldoen aan de instructieregels en etfal.
3.1.11 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Toetsingskader Het Bkl bevat regels voor nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte en het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Onderzoek en motivering De planlocatie is ruim opgezet. Alle woonblokken liggen op korte afstand van parkeergelegenheid. De planlocatie is zo ingedeeld dat het slechts enkele meters tussen de woonblokken en de parkeervakken ligt. Daarnaast is er veel ruimte voor groen en looppaden op de projectlocatie. Conclusie Door de ruime opzet van de planlocatie kan worden geconcludeerd dat met deze ontwikkeling rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
31
3.1.12 Overige instructieregels Bkl Instructieregel
Paragraaf Bkl
Slagschaduw van windturbines
5.1.4.4a
Niet relevant, er zijn geen windturbines in de omgeving. Landsverdediging
5.1.7.2
Niet relevant, geen militaire terreinen, voorzieningen of gebouwen aanwezig nabij projectlocatie. Rijksvaarwegen
5.1.7.4
Niet relevant, er zijn geen rijksvaarwegen nabij de projectlocatie gelegen. Landelijke fiets- en wandelroutes
5.1.7.6
Niet relevant, er zijn geen landelijke fiets- en of wandelroutes aanwezig nabij de projectlocatie. Hyperscale datacenters
5.1.7.7
Niet relevant, er zijn geen hyperscale datacenters aanwezig nabij de projectlocatie. Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen
5.163
Voorgenomen ontwikkeling brengt geen belemmeringen mee op hoofdspoorweginfrastructuur en of rijkswegen. Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
5.165
Voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen industrieel afvalwater. Bebouwingscontour houtkap
5.165b
Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de het kappen van houtopstanden binnen of buiten bebouwingscontouren. 3.1.13 Verkeer en parkeren Toetsingskader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving. Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. De richtlijnen vanuit het CROW zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaan. De gemeente beschikt over de Nota Parkeernormen parkeerbeleid. Zie ook: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR682918. Onderzoek en motivering Gemotoriseerd verkeer De projectlocatie wordt ontsloten via de Mizarstraat en Grote Beerstraat op de Planetenlaan. De Mizarstraat en Grote Beerstraat zijn ingericht als een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Planetenlaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In oostelijke richting komt de Planetenlaan uit op het kruispunt Hekelingseweg – Eikenlaan – Planetenplein. Zowel de Hekelingseweg als de Eikenlaan zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 50 km/u. In zuidelijke richting leidt de Hekelingseweg naar Nieuw-Beijerland en de N217, tussen Nieuw-Beijerland en Dordrecht. In noordelijke richting leidt de Hekelinseweg naar de Groene Kruisweg, een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/u.
In oostelijke richting leidt de Groene Kruisweg naar Rotterdam en de in westelijke richting leidt de weg via de N218, tussen Spijkenisse en de Maasvlakte, leidt naar de aansluiting op de A15, tussen de Maasvlakte en Bemmel.
32
Langzaam verkeer Voor het langzaam verkeer is aan de westzijde van de Mizarstraat een vrijliggende voetpad aanwezig. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Door de lage maximumsnelheid en de inrichting van de rijbaan conform het ontwerpprincipe Duurzaam Veilig wordt de verkeersveiligheid van de fietsers geborgd. Op de Planetenlaan zijn aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig. Voor fietsers zijn ten hoogte van de aansluiting van de projectlocatie aan weerszijden van de rijbaan fietssuggestiestroken aanwezig. In oostelijke richting lopen de fietssuggestiestroken over in vrijliggende fietspaden bij het kruispunt Hekelingseweg – Eikenlaan – Planetenplein, waarbij het gemotoriseerde verkeer voorrang dient te verlenen aan het langzaam verkeer. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte ligt aan de zuidelijke grens van de projectlocatie aan de Planetenlaan. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van de buslijn 902, richting Spijkhopper. De projectlocatie is gelegen op circa 650 meter loopafstand van het Metrostation Spijkenisse Centrum. Parkeren Afwijking gemeentelijke parkeernormennota Voor de ontwikkeling van het Sterrenkwartier Fase 4 wordt afgeweken van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Parkeernormennota Nissewaard'.
Het college is op grond van de geldende regelgeving bevoegd om van deze nota af te wijken. In artikel 4.3 van het bestemmingsplan (Afwijken van parkeren en laden en lossen) is expliciet opgenomen dat het bevoegd gezag kan afwijken van de parkeernormen, zoals opgenomen in de parkeernormennota. Een dergelijke afwijking kan onderbouwd worden op basis van het zogeheten normautobezit. Dit is een maatstaf die wordt berekend aan de hand van het aantal voertuigen per adres binnen een bepaald gebied, in dit geval het Sterrenkwartier. Voor het projectgebied bedraagt het normautobezit 0,9 voertuig per huishouden. Inclusief de bezoekersnorm van 0,3 voertuig per huishouden, komt het totaal op 1,2 voertuig per huishouden. Voor woningen en appartementen in de sociale huursector geldt echter altijd een afwijkende norm van 0,7 voertuig per huishouden, inclusief bezoekersnorm van 0,3 voertuig. Parkeerbehoefte Op basis van het normautobezit en de beoogde ontwikkeling is de parkeerbehoefte berekend. Naast de beoogde ontwikkeling zijn in de toekomstige situatie nog 77 van de bestaande woningen aanwezig die niet worden gesloopt. Voor het berekenen van de totale parkeerbehoefte van het projectgebied in de toekomstige situatie dient ook de parkeerbehoefte van de bestaande woningen meegenomen te worden. In tabel 3.2 is de parkeerbehoefte van de projectlocatie in de toekomstige situatie berekend.
33
Tabel 3.2 Parkeerbehoefte toekomstige situatie Functie
Bestaande (huur
woningen
Aantal
Parkeernorm
woningen
0,3 voor bezoekers)
(incl.
Parkeerbehoefte (pp) Bewoners
Bezoekers
Totaal
77
0,7 per woning
30,8
23,1
53,9
115
0,7 per woning
46
34,5
80,5
appartement,
sociale huur) Huur
appartement,
sociale huur)
woningen
Huur huis sociale huur
26 woningen
0,7 per woning
10,4
7,8
18,2
Huur huis vrije sector
8 woningen
1,2 per woning
7,2
2,4
9,6
Koop
appartement
10 woningen
1,2 per woning
9
3
12
appartement
17 woningen
1,2 per woning
15,3
5,1
20,4
16 woningen
1,2 per woning
19,2
4,8
24
138
81
219
goedkoop Koop
middelduur Koop appartement duur Totaal
In totaal bedraagt de parkeerbehoefte van de projectlocatie in de toekomstige situatie 219 parkeerplaatsen, waarvan 81 parkeerplaatsen voor bezoekers. In de toekomstige situatie zijn binnen planlocatie 223 parkeerplaatsen aanwezig. Daarmee wordt binnen de projectlocatie in voldoende parkeerbehoefte voorzien. Verkeersgeneratie en afwikkeling Het planvoornemen voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 204 van de bestaande woningen worden gesloopt om plaats te maken voor de realisatie van maximaal 192 nieuwe woningen. Aangezien de beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop van bestaande functies is saldering toegestaan. Met behulp van de kencijfers uit CROW publicatie 744 is de verkeersgeneratie berekend voor een gemiddelde weekdag. Echter is voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de gemiddelde werkdag maatgevend is. Conform CROW publicatie 744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In tabel 3.3 is de verkeersgeneratie van het plangebied in de bestaande en toekomstige situatie berekend.
34
Tabel 3.3 Verkeersgeneratie bestaande en beoogde situatie Bestaande situatie Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdag (mvt/etmaal)
Werkdag (mvt/etmaal)
Huur, appartement, sociale huur, 75100 m² bvo
204 woningen
2,9 per woning
591,6
656,7
Beoogde ontwikkeling Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdag (mvt/etmaal)
Werkdag (mvt/etmaal)
Huur, appartement, sociale huur, 75100 m² bvo
99 woningen
2,9 per woning
287,1
318,7
Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo
16 woningen
2,6 per woning
41,6
46,2
Huur, huis, sociale huur
26 woningen
4 per woning
111,8
124,1
Huur, huis, sector
vrije
8 woningen
5,9 per woning
47,2
52,4
Koop, appartement, <75 m² bvo
10 woningen
4,9 per woningen
49,0
54,4
Koop, appartement, 100 m² bvo
17 woningen
5,6 per woning
95,2
105,7
Koop, appartement, >100 m² bvo
16 woningen
7,1 per woning
113,6
126,1
Totaal beoogd
192
745,5
827,6
+153,9
+170,9
75-
Toename (beoogdbestaand)
Ten opzichte van de bestaande situatie leidt de beoogde ontwikkeling tot een verkeerstoename van 154 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie in het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat in het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeersgeneratie van (154 x 0,1 =) 15 mvt/uur gedurende het maatgevende uur, wat neerkomt op 1 voertuig per 4 minuten. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de verkeersdoorstroming op de omliggende wegen gering is. De
35
beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 154 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet gering is. Daarnaast stijgt de parkeerbehoefte van het plangebied in de toekomstige situatie naar 219 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied wordt voorzien in een parkeeraanbod van 223 parkeerplaatsen. Daarmee wordt in voldoende parkeerbehoefte voorzien. 3.1.14 Duurzaamheid en gezondheid Toetsingskader De bruidsschat kent een artikel over energiebetreffende maatregelen. Hieraan moet worden voldaan. Onderzoek en motivering De woningen worden ontworpen met een sterke nadruk op energiezuinigheid en voldoen daarmee volledig aan de BENG-regelgeving (Bijna Energieneutrale Gebouwen), wat bijdraagt aan het verminderen van het energieverbruik en de CO₂-uitstoot. Naast het realiseren van een hoge mate van duurzaamheid wordt er ook zorgvuldig aandacht besteed aan de ecologische aspecten van het ontwerp. Specifiek worden de gevels zo vormgegeven dat ze geschikt zijn als verblijfplaatsen voor beschermde diersoorten zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen.
Hiermee wordt niet alleen tegemoetgekomen aan wettelijke natuurbeschermingsvereisten, maar wordt ook bijgedragen aan het behoud en de versterking van de lokale biodiversiteit. Dit integrale ontwerpprincipe zorgt ervoor dat de nieuwe woningen zowel op het gebied van energieprestatie als ecologie toekomstbestendig en milieuvriendelijk zijn.
Het park tussen de rijwoningen wordt zodanig vormgegeven dat het een optimaal leefklimaat biedt voor mens, dier en natuur. Dit wordt gerealiseerd door de beplanting zorgvuldig af te stemmen op de aanwezige flora en fauna. Daarnaast wordt het park voorzien van speelvoorzieningen en zitgelegenheden, waarmee het tevens uitnodigt tot recreatie en ontmoeting voor bewoners. Op deze wijze draagt het park bij aan de verhoging van de leefkwaliteit en de toekomstbestendigheid van het plangebied. Luchtkwaliteit De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 μg/m³ voor NO2, 15 μg/m³ voor PM10 en 5 μg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. De concentraties ter hoogte van het de projectlocatie zijn, hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor de projectlocatie, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Conclusie Het project voldoet aan de geldende instructieregels voor duurzaamheid en gezondheid.
De woningen worden energiezuinig ontworpen conform de BENG-regelgeving en de gevels worden zo vormgegeven dat ze geschikt zijn voor beschermde diersoorten, waarmee tevens wordt voldaan aan de natuurbeschermingsvereisten. Het park draagt bij aan een verbeterde leefkwaliteit en versterking van
36
de biodiversiteit in het gebied.
Hoewel de luchtkwaliteit op regionaal niveau aandacht vereist, is de lokale bijdrage aan de concentraties beperkt en daarmee aanvaardbaar. Op basis hiervan is het project uitvoerbaar zonder onaanvaardbare risico’s op het gebied van duurzaamheid en gezondheid.
3.1.15 Milieubelastende activiteiten Toetsingskader Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen kan veroorzaken voor het milieu. Het Rijk stelt via het Bkl rijksregels op voor milieubelastende activiteiten. Waar dit niet geregeld is door het Rijk, kunnen decentrale overheden aanvullende regels stellen in een omgevingsplan. Onderzoek en motivering De beoogde ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van woningen. Woningen zijn milieugevoelige gebouwen, daarom dienen milieuhinderlijke/milieubelastende activiteiten inzichtelijk te worden gemaakt en dient te worden aantoont dat er sprake is van een goed woon- leefklimaat ter plaatse van de woningen en dat de bedrijven niet worden beperkt in haar bedrijfsruimte. Uit het bestemmingsplan 'De Hoek-Sterrenkwartier', dat deel uitmaakt van het omgevingsplan, blijkt dat zich
ten
zuidoosten
van
de
projectlocatie
een
garagebedrijf
en
een
verkooppunt
voor
motorbrandstoffen zonder lpg bevinden. Voor het aspect geur en geluid geldt een richtafstand van 30 meter. In paragraaf 3.1.4 en paragraaf 3.1.8 is dit tankstation behandeld. Uit de geur- en geluidsparagraaf blijkt dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en het tankstation niet wordt beperkt in haar bedrijfsruimte. 3.1.16 Natuur Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onderzoek en motivering Soortenbescherming De
woningbouwcorporatie
Maasdelta
Groep
heeft
naast
deze
ontwikkelingen
meerdere
verduurzamingswerkzaamheden op de planning staan. Om te voorkomen dat voor elke ingreep afzonderlijk onderzoek moet plaatsvinden, is besloten om in een Soortenmanagementplan (SMP) de gebieden in Spijkenisse waar woningen van Maasdelta Groep staan onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van flora en fauna. Op basis van het SMP is in oktober 2023 voor de projectlocatie een Wnb besluit genomen voor de ontheffing voor de beschermde soorten huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger (bijlage 5). De ontheffing heeft een geldigheid voor een periode van vijf jaar en is via het overgangsrecht omgezet in een omgevingsvergunning voor florafauna-activiteit. In de ontheffing zijn diverse noodzakelijke maatregelen opgenomen om negatieve effecten op de genoemde soorten tot een minimum te beperken.
37
Gebiedsbescherming De projectlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oude Maas ligt op circa 1,7 kilometer. De projectlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 1,4 kilometer.
Figuur 3.1 Natura 2000-gebieden (Ministerie van Economische zaken)
38
De afbeelding k an niet worden weergegev en.
Figuur 3.2 Natuurnetwerk Nederland (IPO,2022) Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. Stikstof In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening en memo is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat in Natura 2000 gebieden geen stikstofdepositie wordt waargenomen (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het plan zal dus niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het project is geen vergunnings- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdeposities. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het project niet evident onuitvoerbaar vanwege nadelige gevolgen op van nature in het wild levende dieren of planten.
Ten behoeve van de werkzaamheden is reeds een Wnb-ontheffing verleend. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt. Stikstofonderzoek heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
39
3.1.17 M.e.r. Toetsingskader Onderdeel van de onderbouwing van een BOPA-aanvraag, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Onderzoek en motivering In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor
mer-beoordelingsplichtige
activiteiten
moet
worden
onderzocht
of
deze
aanzienlijke
milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd, betreft de realisatie van maximaal 192 woningen. Dit is een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. In de huidige situatie bevinden zich 204 woningen binnen het projectgebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in een afname van het aantal woningen. Bij toetsing aan de beslisboom van de DCMR, die bepaalt of een ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, blijkt dat de huidige en toekomstige situatie op veel punten nauwelijks van elkaar verschillen.
Zowel de milieubelasting als het aantal milieugevoelige functies neemt licht af. Op basis van deze uitgangspunten kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van bijlage V bij het Omgevingsbesluit en dat een m.e.r.-beoordeling niet nodig is.
3.2
Provincie
3.2.a Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zuid-Holland (Herziening Omgevingsbeleid 2024, 17 februari 2025) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste
ruimtelijke
ontwikkelingen
en
een
goede
leefomgevingskwaliteit.
Toekomstige
40
beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor zeven vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1.
Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten;
2.
Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor;
3.
Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen;
4.
Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland;
5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving;
6.
Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit;
7.
Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant:
Wonen: voorzien in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur.
Verstedelijking: de provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen:
1.
Bouw naar behoefte;
2.
Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied;
3.
Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties;
4.
Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;
5.
Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving.
Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling worden verouderde woningen gesloopt en worden nieuwe, duurzame woningen toegevoegd binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is in overeenstemming met de verstedelijkingsambitie van de provincie.
41
3.2.b Instructieregels provincie Deze paragraaf geeft weer welke regels van de provincie relevant zijn. Thema
Paragraaf ZHOV
Relevant?
Vaarwegbeheer
7.1.4
Nee
Geen provinciale vaarwegen nabij projectlocatie. De ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die gevolgen hebben voor deze vaarwegen. Wegbeheer
7.1.5
Nee
De ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die gevolgen hebben voor deze provinciale wegen. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen
7.3.6
Ja
Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) 1.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
wateroverlast door overvloedige neerslag;
overstroming;
hitte;
droogte;
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2.
Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1.
Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met een of meer gebouwen met een totaal vloeroppervlak van 1.000 m2 of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen, die mede afhankelijk zijn van de functie van het gebouw en de daarmee samenhangende gebiedsontwikkeling.
2.
De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken:
de risico’s van klimaatverandering;
de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;
de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;
de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO
het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen;
het versterken van de biodiversiteit; en
het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
Toetsing (art. 7.41a en 7.41aa) De beoogde ontwikkeling moet klimaatbestendig en gasloos gebouwd worden. Bij de uitwerking van
42
de plannen moet rekening worden gehouden met de doelen en eisen uit het programma van eisen van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland. De uitwerking van de gebouwen
moet
voldoen
aan
de
wettelijke
eisen
en
regelgeving
met
betrekking
tot
klimaatverandering en duurzaamheid. Uit kaarten en gegevens van de klimaateffectatlas blijkt dat er in de huidige situatie geen uitzonderlijke knelpunten bestaan voor de aspecten, wateroverlast, overstromingskans, hitte en droogte. De ontwikkeling voorziet in een toename van onverhard gebied en zal deels bestaande bestrating voorzien met meer groene, (half)open gebieden. Dit bevordert de situatie ten aanzien van hittestress, droogte en wateroverlast. Bij de woningen worden de volgende maatregelen getroffen; Door de vloerpeilen van de nieuw te realiseren woningen 20 centimeter boven het niveau van de aangrenzende weg aan te leggen, wordt voorkomen dat bij extreme neerslag – zoals een bui van 90 mm, overeenkomstig de maatgevende situatie uit het Komend LIOR voor nieuwbouw – water de woning kan instromen. Hiermee wordt bijgedragen aan het beperken van waterschade en het waarborgen van water robuust bouwen. Bij verdere uitwerking van het plan kunnen de volgende maatregelen worden overwogen om bij te dragen aan klimaatbestendige inrichting van het gebied;
Groene daken – voor waterberging en verkoeling.
Infiltratievoorzieningen – zoals wadi’s om regenwater op te vangen.
Hittestress beperken – door meer groen en schaduwrijke plekken.
Verhoogde drempels en waterkeringen – tegen overstroming.
Herbruik van regenwater – voor tuin of toiletspoeling.
Ruimtelijke kwaliteit
7.3.7
Ja
Artikel 7.43 onder a (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1 Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2 In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten, genoemd in bijlage IX, onder A.
43
Artikel 7.43c lid 1 (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1 Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Toetsing 7.43, 7.43a, 7.43c lid 1 Met het planvoornemen worden maximaal 192 woningen gerealiseerd op een locatie waar 204 woningen worden gesloopt. Met deze bopa wordt voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij ter plaatse wordt voorzien in ruimtelijke kwaliteit op basis van het stedenbouwkundig kader. Met de ontwikkeling vindt dan ook een inpassing plaats waarbij de nieuwe woningen aansluiten op de stedenbouwkundige identiteit en structuur van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen
7.3.8
Ja
Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak. Toetsing 7.45c, 7.45e, 7.45f Voor de nieuwe sociale huurwoningen, die met deze ontwikkeling worden voorzien, wordt een parkeernorm van 0,7 autoparkeerplaats per woning gehanteerd. Daarmee wordt aangesloten op artikel 7.45f. Voor de overige woningen wordt aangesloten op het lokale normautobezit. Daarnaast houdt de ontwikkeling rekening met de gevolgen voor de bereikbaarheid. Dit is in paragraaf 3.1.13 onderbouwd.
Wonen
7.3.8a
Ja
Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet
44
in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13 , eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. 2. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan: a. minimaal 1/3 sociale huurwoningen; dan wel b. wat hierover is vastgelegd in een mede door gedeputeerde staten vastgestelde afgestemde regionale woningbouwprogrammering in het kader van de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. 3. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in de motivering in op: a. welke wijze de nieuwe ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen; b. hoe die ontwikkeling bijdraagt aan het doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; en c. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de nieuwe ontwikkeling op dit aandeel. 4. Als het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer in een afgestemde regionale woningbouwprogrammering is opgenomen, dan kan de motivering, bedoeld in het derde lid, bestaan uit een verwijzing naar die programmering. Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) 1.
Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. 2 Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan: a. minimaal 2/3 betaalbare woningbouw; dan wel b. wat hierover is vastgelegd in een mede door gedeputeerde staten vastgestelde afgestemde regionale woningbouwprogrammering in het kader van de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. 3. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw. 4. Als het aandeel betaalbare woningbouw in een ontwikkeling met 12 woningen of meer in een afgestemde regionale woningbouwprogrammering is opgenomen, dan kan de motivering bedoeld in het derde lid, bestaan uit een verwijzing naar die programmering. Toetsing De actuele regionale afspraken die door de provincie zijn vastgesteld, zijn leidend voor het woningbouwprogramma en het aandeel betaalbaar. Vertrekpunt is tweederde betaalbaar, waarvan 30% sociale huur. Hiervan kan per project worden afgeweken, mits het totale programma in de gemeente hier maar aan voldoet. Er staan nu 204 sociale huurwoningen. Van de 192 nieuw te bouwen woningen zijn 129 woningen
45
sociaal, wat neerkomt op 67% van het totaal. Hiermee wordt voldaan aan deze instructieregel. Stiltegebied
7.5.2
Nee
Op basis van kaarten en gegevens van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bevindt het dichtstbijzijnde stiltegebied zich op circa 6 kilometer afstand van de projectlocatie. De voorgenomen
ontwikkeling
heeft
geen
negatieve
invloed
op
de
belangen
of
instandhoudingsdoelstellingen van dit stiltegebied. Grondwaterbescherming
7.5.3
Nee
Op basis van kaarten en gegevens van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bevindt het dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebied zich op circa 25 kilometer afstand van de projectlocatie. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de belangen of instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied. Stortplaatsen
7.5.6
Nee
De projectlocatie ligt niet nabij een stortplaats en voorziet niet in activiteit op of rond gesloten stortplaatsen.
3.3
Waterschap
3.3.a Beleid waterschap In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water, hemelwater(beleid) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Daarbij zijn er doelen voor toekomstbestendig waterbeheer. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staat beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is. 3.3.b Omgevingsvergunning voor wateractiviteiten Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het kan daarbij gaan om onderstaande activiteiten.
46
Tabel 3.4 – Overzicht regels waterschap Activiteit
Relevant?
Lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam
Nee
De ontwikkeling voorziet in (milieubelastende) activiteiten/functies waarbij er stoffen worden afgevoerd op oppervlaktewaterlichamen of een rioolwaterzuiveringsinstallatie Lozingsactiviteit op een rioolwaterzuiveringsinstallatie
Nee
De ontwikkeling voorziet in (milieubelastende) activiteiten/functies waarbij er stoffen worden afgevoerd op oppervlaktewaterlichamen of een rioolwaterzuiveringsinstallatie Activiteiten in of nabij het oppervlaktewater
Nee
Aan de hand van de analyse in paragraaf 3.1.2. blijkt dat de ontwikkeling buiten de beschermingszones van oppervlaktewateren blijft. Activiteiten in, op of nabij waterkeringen
Nee
Er zijn geen waterkeringen nabij de projectlocatie. Het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem
Nee
Dit is aspect is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap.
Nee
De projectlocatie ligt nabij een weg in beheer van het waterschap.
3.4
Gemeente
3.4.a Beleid gemeente Een aanvraag voor een BOPA wordt beoordeeld aan de hand van het gemeentelijk beleid. Welke onderwerpen uit het gemeentelijk beleid relevant zijn, hangt allereerst af van de inhoud van de aanvraag en de effecten daarvan op de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt de motivering gegeven van de relevante gemeentelijke beleidsdocumenten. Woonvisie Nissewaard, een plek voor iedereen! (september 2020) Het doel van de Woonvisie voor Nissewaard is dat het voor iedereen goed wonen is in de gemeente en de woonwensen en woningbehoefte van alle huidige en toekomstige inwoners zoveel mogelijk binnen de gemeentegrenzen mogelijk te maken. Groei van de woningvoorraad is vooral nodig omdat het aantal 65-plussers toeneemt en huishoudens gemiddeld steeds kleiner worden. In de woonvisie staat uitgelegd hoe de gemeente wil komen tot een betere balans in de woningvoorraad. Daarbij hoort dat er wordt bijgebouwd in de woningsegmenten die nu ondervertegenwoordigd zijn, maar ook dat er aandacht is voor de toenemende vraag naar toekomstbestendig wonen. Uiteraard is er in de woonvisie ook aandacht voor leefbaarheid, duurzaamheid en wonen met zorg. Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2021-2030 (december 2022) Het Regioakkoord 2022 bevat afspraken over de woningbouw in de 12 regiogemeenten.
Hierin is afgesproken dat Nissewaard zich inzet voor het toevoegen van circa 3.760 woningen, waarvan 28% sociaal, 43% middelduur en 30% in het dure segment. Regionale Realisatie Agenda 2022 De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van
47
900.000 woningen tot en met 2030. Zuid-Hollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen. Er is grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland en Zuid-Holland. Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Hierbij wordt in 2023 verder bekeken hoe deze opgave past bij de lokale situatie. Onder het betaalbare segment vallen: huurwoningen onder liberalisatiegrens, door woningbouwcorporatie te bouwen sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot maximaal €1.000 per maand en koopwoningen tot €355.000 (prijspeil 2022).
Prestatieafspraken voor 2025 en 2026 tussen huurdersorganisaties, woningcorporaties en gemeente (december 2024) Deze prestatieafspraken geven aan welke bijdrage de verschillende partijen leveren aan het volkshuisvestelijk beleid van de gemeente, zoals vastgelegd in de Woonvisie Nissewaard 2020-2030 “Nissewaard, een plek voor iedereen!”. De partijen willen de sociale huurvoorraad op peil houden en evenwichtiger over de gemeente spreiden. Corporatie Maasdelta zet zich in voor een voorraad van ruim 5.200 woningen in 2030. In het kader van het Regioakkoord hebben partijen de intentie uitgesproken om, naast de bestaande plannen, tot 2030 nog ruim 500 extra sociale woningen te bouwen. Deze woningen zijn meegerekend in de inzet van de corporaties. De gemeente spant zich maximaal in om hiervoor geschikte bouwlocaties te vinden. Voor Maasdelta gaat het om 135 woningen. Toetsing De toetsing aan gemeente woonbeleid heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 3.1.9 in het kader van het behoefteonderzoek. Dit initiatief geeft mede invulling aan de doelstellingen uit het gemeentelijk woonbeleid gericht op het op peil houden van de voorraad woningen voor senioren en kleine huishoudens. Verder is er behoefte aan alle woningtypen en prijsklassen, met een accent op betaalbare woningen voor kleinere huishoudens. Hierin wordt mede voorzien met deze ontwikkeling.
48
4. Uitvoerbaarheid Economisch uitvoerbaarheid.
4.1 4.1.1
Financieel economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een overeenkomst gesloten tussen de gemeente en Maasdelta, waarbij Maasdelta ontwikkelt. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd. 4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
4.2.1
Participatie
PM 4.2.2
Advies en vooroverleg
PM
49
5. Conclusie In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Een ETFAL betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een ETFAL. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de ETFAL zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in deze onderbouwing. Met het project is sprake van een ETFAL. De vergunning voor de aangevraagde buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden verleend.
50
Bijlagen
51
Bijlage 1
Externe Veiligheid
52
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation Mizarstraat 2 in Spijkenisse
Project
245989
Datum
8 november 2024
Auteur
ing. A.J.H. Schulenberg
Versie nr.
2
Opdrachtgever
Rho Adviseurs Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation
1 Inleiding Men is voornemens het Sterrenkwartier in Spijkenisse te herontwikkelen. Daartoe wordt de huidige bebouwing gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Figuur 1 toont de voorkeursverkaveling.
Figuur 1.
Verkaveling Sterrenkwartier
Aan de Mizarstraat 2, op de rand in het zuidoosten van het gebied, bevindt zich een benzine tankstation (zonder LPG) alwaar onbemand getankt kan worden, zie uitsnede in figuur 1. De afstand tussen een afleverzuil voor benzine en het dichtstbijzijnde pand behorend tot het Sterrenkwartier is circa 17.4 m. In deze notitie worden de mogelijke gevolgen door het onbemand opereren voor de nieuwbouwplannen beoordeeld.
2
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation
2 Beoordelingskader 2.1
Besluit Activiteiten Leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving [1]. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving: Burgers, bedrijven en overheid. Hoofdstuk 3 van het Bal bevat een opsomming van milieubelastende activiteiten. Paragraaf 3.8.10 is van toepassing op tankstations. Volgens art. 3.296 wordt het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen aangewezen als milieubelastende activiteit. Het tanken van LNG of waterstof is op deze locatie niet van toepassing. Het betreft, op basis van art. 3.299, een meldingplichtige activiteit zonder vergunningplicht. Volgens art. 3.298 dient bij het verrichten van de activiteit “Tankstations” te worden voldaan aan de regels over het grootschalig tanken zoals bedoeld in paragraaf 4.40 van het Bal. Paragraaf 4.40 is van toepassing als totaal meer dan 25 m3 vloeibare brandstoffen per jaar wordt getankt. Uitgaande van een tankinhoud van een personenauto van 50 l wordt deze grenswaarde bij meer dan 500 tankende bezoekers overschreden, met andere woorden, bij ongeveer twee bezoekers per dag. Dat zal hier zeker het geval zijn. Artikel 4.507 schrijft voor dat met het oog op het waarborgen van de veiligheid dient te worden voldaan aan PGS 28 [2].
2.2
PGS 28 Volgens deel 28 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 28) is een onbemande tankinstallatie (atypische situatie) gelijk aan een enkelvoudige ondergrondse tankinstallatie op een tankstation. Het enige verschil is het ontbreken van (direct) toezicht. Om die reden moet een noodstopvoorziening op of nabij de tankzuilen aanwezig zijn, alsook temperatuurgevoelige elementen die bij brand de elektriciteitsvoorziening van de brandstofpomp afsluiten. Bij calamiteiten is er geen opgeleid persoon aanwezig om direct adequaat in te grijpen. Door middel van alarmering via de noodstopvoorziening worden op afstand personen gealarmeerd. Deze moeten actie ondernemen voor alarmopvolging.
3
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation
2.3
Omgevingsplan gemeente Nissewaard Zoals reeds geconstateerd in paragraaf 3.1 gaat het om een tankstation zonder vergunningplicht. Er gelden voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en uit het omgevingsplan. Hierbij heeft het bevoegd gezag ruimte om maatwerkvoorschriften te stellen. Een tankstation kan toestemming vragen een gelijkwaardige maatregel toe te passen. De regels die door het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automatisch zijn toegevoegd aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeenten worden de ‘Bruidsschat’ genoemd. De regels van de bruidsschat zijn een bijzondere vorm van overgangsrecht. Voor wat betreft het overgangsrecht voor het onbemand tanken met een tankzuil op minder dan 20 m van woningen geldt het volgende: • De voorschriften van de vervallen vergunning worden maatwerkvoorschriften. • Eerder aangeleverde informatie bij een vergunningaanvraag of een melding op grond van het Activiteitenbesluit, geldt als invulling van informatie-plichten in het Bal. Bij inwerkingtreding van het nieuwe stelsel zal het meestal niet nodig zijn extra informatie aan te leveren. • Als de gemeente voor een tankstation een maatwerkvoorschrift had verleend onder het Activiteitenbesluit, blijft dit gelden.
• Als een tankstation eerder toestemming had gekregen om een gelijkwaardige maatregel toe te passen, blijft die toestemming gelden. In het omgevingsplan Nissewaard zijn geen maatwerkvoorschriften opgenomen voor het tankstation aan de Mizarstraat 2 [3].
4
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation
3 Conclusie Op een (onbemand) tankstation voor verkoop van benzine zijn de regels uit paragraaf 3.8.10 van het Bal van toepassing. Hieruit blijkt dat dit een activiteit is waarvoor een meldingsplicht geldt. Naast de regels uit het Bal zal ook getoetst moeten worden aan het Omgevingsplan. Volgens het Bal moet deze activiteit voldoen aan PGS 28. PGS 28 schrijft voor dat in geval van een onbemand tankstation een noodstopvoorziening aanwezig moet zijn. In het omgevingsplan Nissewaard zijn geen maatwerkvoorschriften opgenomen voor het tankstation. Het tankstation vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het Sterrenkwartier in Spijkenisse.
5
Notitie / Beoordeling nieuwbouw nabij onbemand benzine tankstation
Referenties 1.
Ministerie BZK
2018
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Stb. 2018, 293. Laatst gewijzigd Stb. 2024, 167
2.
PGS 28
2021
Vloeibare brandstoffen in ondergrondse installaties en aflevertoestellen PGS 28:2021 versie 1.0, Augustus 2021
3.
Gemeente Nissewaard
2024
Omgevingsplan gemeente Nissewaard Laatst gewijzigd: 07-03-2024
6
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
53
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
54
Sterrenkwartier te Spijkenisse Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend milieukundig bodemonderzoek
Kenmerk Datum
: :
A3927/BJO/rap1 28 april 2023
Opdrachtgever
: : : :
Rho Adviseurs B.V. De heer D. Greguss Weena 505, 3013 AL Rotterdam
Goedkeuring
Functie
Datum
De heer B. de Jong (Adviseur milieu)
Opsteller, auteur
28 april 2023
Mevrouw P. Mulder (Projectleider)
2e lezerschap en vrijgave
28 april 2023
Handtekening
BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................... 4
2.
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 6 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK ................................................................................................. 6
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................... 7
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ........................................................ 8
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST.................................................................................................... 9
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................................... 10
2.6
BEÏNVLOEDING ............................................................................................................................ 11
2.7
BODEMVERONTREINIGING ........................................................................................................ 12
2.8
TERREINVERKENNING ............................................................................................................... 13
2.9
BEOORDELING............................................................................................................................. 13
2.10 CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING.................................................................................... 13 3.
4.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 15 3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ......................................................................................................... 15
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK................................................................................................ 15
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................................ 17
3.4
TOETSINGSKADER ...................................................................................................................... 18
3.5
INTERPRETATIE........................................................................................................................... 20