ETFAL (Ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Hoogwerfsingel I, Spijkenisse
datum projectnummer
31 oktober 2024 240422
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl www.avecodebondt.nl
Gemeente Nissewaard Motivering
project projectnummer projectleider
versie fase auteur gecontroleerd
BOPA Hoogwerfsingel I, Spijkenisse 240422 Wilrik Hengstmengel
3.0 Aanvraag omgevingsvergunning Wilrik Hengstmengel ing. Marcel Volbeda
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing besluitgebied Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Het omgevingsplan Leeswijzer
7 7 8 8 9 10
2 2.1 2.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Huidige situatie Voorgenomen ontwikkeling
11 11 11
3 Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties 3.1 Rijk 3.1.1 Omgevingsveiligheid 3.1.2 Waterbelang 3.1.3 Luchtkwaliteit 3.1.4 Geluid door bedrijfsmatige activiteiten 3.1.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 3.1.6 Trillingen 3.1.7 Bodem 3.1.8 Geur 3.1.9 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.10 Cultureel erfgoed, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1.11 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen 3.1.12 Overige instructieregels Bkl 3.1.13 Verkeer en parkeren 3.1.14 Duurzaamheid en gezondheid 3.1.15 Milieubelastende activiteiten 3.1.16 Natuur 3.1.17 M.e.r. 3.1.18 Welstand 3.1.19 Windhinder en bezonning 3.1.20 Kabels en leidingen 3.1.21 Beperkingsgebieden 3.2 Provincie 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Instructieregels provincie (TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) 3.3 Waterschap 3.4 Gemeente 3.4.1 Vigerend bestemmingsplan / Omgevingsplan gemeente Nissewaard 3.4.2 Omgevingsvisie Nissewaard 3.4.3 Ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040 3.4.4 Woonvisie ‘Nissewaard, een plek voor iedereen!’
16 16 17 18 19 21 22 24 25 25 26 29 31 31 32 34 37 38 40 40 41 42 42 43 43 48 52 53 53 53 54 54
4 4.1
56 56
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
4.1.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3
Financieel economische haalbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Advies en vooroverleg Vaststellingsprocedure
56 56 56 56 56
5
Conclusie
57
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13
Project-mer-beoordeling Weging van het waterbelang Quickscan fysieke leefomgeving – natuur Voortoets en stikstofdepositieberekening Akoestisch onderzoek Rapport Bouwakoestiek Trillingsonderzoek Archeologisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Windonderzoek Bezonningsstudie Verslag omgevingsdialoog
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens in Spijkenisse het woningbouwplan Hoogwerfsingel I + II tot ontwikkeling te brengen en het gebied om te vormen naar een aantrekkelijke woonomgeving. Met het plan wordt beoogd de algehele uitstraling en esthetiek van de buurt te verbeteren wat leidt tot een prettigere leefomgeving. Het betreft een moderne ontwikkeling gericht op duurzaamheid en milieuvriendelijkheid wat bijdraagt aan een gezondere omgeving. Onderhavige motivering heeft enkel betrekking op het plan Hoogwerfsingel I.
Uitsnede Ontwerpboek woningbouwplan Hoogwerfsingel I + II, OZ architecten.
Het project Hoogwerfsingel I wordt gerealiseerd op de locatie van de voormalige Crazy Golf, een indoor midgetgolf baan. De huidige functie is een commerciële ruimte met detailhandel “Bank en Beddenoutlet”. Voor deze locatie op de hoek van de Winston Churchilllaan en de Hoogwerfsingel is een nieuw appartementencomplex ontworpen bestaande uit 124 voornamelijk goedkope en betaalbare koopwoningen. Het ontwerp bestaat uit aftrappende hoogbouw in twee richtingen met een lager tussendeel. Op het hoogste punt bestaat dit woonblok uit twaalf bouwlagen. Hiermee wordt aangesloten op bestaande bouwhoogtes in de omgeving. Doel Gelet op de strijdigheid van de voorgenomen ontwikkeling met het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Nissewaard voor gebruik en bouwen, dient het vigerende ruimtelijke regime te worden herzien. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de voorgenomen planontwikkeling middels een BOPA-
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
omgevingsvergunning ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’ juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De ruimtelijke motivering dient conform de Omgevingswet plaats te vinden op basis van het nieuwe toetsingskader ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL).
Zicht op het besluitgebied en directe omgeving vanuit zuidelijke richting. Bron: Cyclomedia Technology BV, 2024.
1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied Het besluitgebied is gelegen in Spijkenisse Noord en wordt omsloten door de Winston Churchilllaan, Hoogwerfsingel, Anjerstraat en het Callaplein. De gronden kennen een oppervlakte van circa 1.800 m2 en staan kadastraal bekend als gemeente Spijkenisse, sectie E, perceelnummers 3768 en 5094. In de directe omgeving bevinden zich flats met woningen, wegen, enkele groenstroken, parkeerplaatsen en een winkelcentrum. Op bovenstaande luchtfoto is de situering van HWS I binnen de directe omgeving weergegeven. 1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. 2. Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid Bkl); b. als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden voor de BOPA.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
1.4 Het omgevingsplan In de huidige planologische situatie vigeert het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Nissewaard, zoals in werking getreden per 1 januari 2024. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en de rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat). Op basis van de regels van het vastgestelde bestemmingsplan “Noord” en het daaropvolgende bestemmingsplan “Noord, eerste herziening” kennen de gronden binnen het besluitgebied de bestemming ‘Bedrijf’, met daarbij ten dele de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – sport/recreatie’. Tevens ligt over het besluitgebied de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’.
Uitsnede bestemmingsplan “Noord” van de gemeente Nissewaard ter plaatse van het besluitgebied (aangeduid met rode contour). Bron: Regels op de kaart, 2024.
Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn de gronden hoofdzakelijk bedoeld voor bedrijvigheid, productiegebonden detailhandel en bij deze bestemming behorende voorzieningen, en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sport/recreatie’ voor voorzieningen ten behoeve van sport en recreatie. Bovendien geldt een maximum bouwhoogte van 8 meter. Burgerbewoning is hier niet toegestaan, waardoor afgeweken dient te worden van het vigerende planologisch regime om reguliere woningbouw te kunnen laten plaatsvinden. Ter plaatse van de aanduiding ‘geluidszone – industrie’ is daarnaast sprake van een geluidszone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Er zijn echter Maximaal Toelaatbare Geluidsbelastingen (MTG's) vastgesteld voor industrieterrein Botlek-Pernis waarbij hogere waarden zijn toegestaan dan 50 dB. Het vigerende planologisch kader staat, gelet op de vigerende bestemming ‘Bedrijf’ met bijbehorende gebruiksen bouwmogelijkheden, de voorgenomen ontwikkeling niet toe. Onderhavige woningbouwontwikkeling wordt
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
derhalve door middel van een BOPA-omgevingsvergunning ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’ juridischplanologisch mogelijk gemaakt. 1.5 Leeswijzer Hoofdstuk twee omvat een beschrijving van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling. In het derde hoofdstuk wordt het voornemen getoetst aan beleid en regels van het Rijk, de provincie, het waterschap en de gemeente. In hoofdstuk vier staat de uitvoerbaarheid centraal. Deze motivering eindigt met een concluderend hoofdstuk.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling
2.1 Huidige situatie Het besluitgebied aan de Hoogwerfsingel 1A beslaat een oppervlakte van circa 1.800 m2 en is gelegen binnen de wijk Hoogwerf, ten noordwesten van het centrum van Spijkenisse. In de huidige situatie is ter plaatse een meubelwinkel gevestigd. De huidige bebouwing op deze locatie dateert uit 1969 en is sinds de bouw ongewijzigd gebleven, met uitzondering van een kleine uitbouw van het pand na 1991. Vanaf de jaren ’70 is hier een autogarage met een tankstation gevestigd geweest. De bedrijfsactiviteiten van het tankstation en de autogarage zijn resp. in 1991 en 2011 beëindigd. Gelet op deze voormalige bedrijfsactiviteiten is de bodemkwaliteit ten behoeve van de voorgenomen woningbouwontwikkeling onderzocht (zie paragraaf 3.1.7). Het besluitgebied wordt omsloten door de Winston Churchilllaan, Hoogwerfsingel, Anjerstraat en het Callaplein. Het terrein rond de bebouwing binnen het besluitgebied is hoofdzakelijk verhard met klinkers en tegels en in gebruik als trottoir en parkeerplaats. In de directe omgeving bevinden zich een appartementencomplex met een bowlingcentrum, een supermarkt, flats met woningen, wegen, enkele groenstroken, parkeerplaatsen en een winkelcentrum.
Huidige situatie: aanzicht besluitgebied vanaf de Winston Churchilllaan. Bron: Cyclomedia Technology BV, 2024.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Het planvoornemen (HWS I) betreft het realiseren van nieuwbouw in de vorm van een woontoren van 12 verdiepingen op de hoek van de Winston Churchilllaan en de Hoogwerfsingel. De grondoppervlakte van de nieuwbouw bedraagt circa 1.650 m2. Het nieuw woonblok zal bestaan uit 124 voornamelijk goedkope en betaalbare koopwoningen verdeeld over diverse woningtypen en groottes. In het centrale deel tussen de trapvormige opbouwen wordt een deels ondergrondse parkeergarage gerealiseerd.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Impressie ontwerp woningbouwplan HWS I, OZ architecten, 2024.
De massa van HWS I is ontleend aan de beschaduwing op de achterliggende woongebouwen. Hierbij is gezocht naar een optimum; aftrappende hoogbouw in twee richtingen met een lager tussendeel waarin de parkeergarage van de bewoners zal komen. De relatie richting het winkelcentrum is een tussenliggend plein (Anjerplein) dat in samenspraak met de gemeente verder ontworpen wordt. De plint van het gebouw wordt ingevuld met een commerciële ruimte (nog nader in te vullen: kantoorfunctie/dienstverlening/maatschappelijk/horeca) en woonwerkwoningen die het werkgedeelte op begane grond niveau hebben. Op de hoeken van de gebouwen zullen zich de entrees naar de woningen bevinden en in het middendeel komt de entree naar de parkeergarage en fietsenstalling. Hiermee wordt beoogd een mooie aanvulling op het publieke programma te maken, het maaiveld te activeren en de sociale controle te bevorderen. Woonprogramma Met het plan wordt voorzien in 124 woningen verdeeld over de volgende verschillende woningtypen en groottes: Type Studio >26 m2 2 kmr app 40-48 m2 3 kmr app 68 m2 3 kmr app 78 m2 Woon – werk 100m2 Loft 100m2
datum referentie
Aantal 21 77 13 5 4 4
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
In het ontwerp is één toren voorzien van een galerij, de andere toren heeft een middencorridor. Hoekwoningen hebben uitzicht vanaf meerdere gevels, en waar mogelijk een dakterras. Door het verschil in woongebouwen ontstaat een gevarieerd aanbod van appartementen, gericht op starters en kleine gezinnen. Daarnaast zijn de appartementen geschikt voor ouderen die kleiner willen gaan wonen. In de plint komt ook een aantal woonwerkwoningen en een maisonnette met de 4,5 meter hoge werkruimte gelegen aan de openbare ruimte. Een gemeenschappelijke groen ingerichte daktuin op de parkeergarage verbindt de woningen tot een gemeenschap. Alle woningen betreffen koopwoningen. Van de in totaal 124 appartementen en woonwerkruimtes vallen 98 woningen in het goedkope segment (79%), 13 in het betaalbare segment (10,5%) en 13 in de vrije sector (10,5%). De exacte prijzen van deze segmenten zijn nog niet bekend en wijzigen bovendien per jaar. De gemeente Nissewaard zal dit t.z.t. aangegeven (waarschijnlijk in 2026 of 2027) wanneer de woningen worden gebouwd/opgeleverd. Met het plan wordt conform regionale bestuurlijke afspraken niet voorzien in (sociale) huurwoningen. Uitgangspunt van de gemeente Nissewaard is dat op gemeentelijk niveau voorzien wordt in voldoende (sociale) huurwoningen en niet per woningbouwplan afzonderlijk. Het woningbouwprogramma is regionaal afgestemd binnen Voorne-Putten.
Nadere toetsing van het woonprogramma aan het gemeentelijk woonbeleid vindt plaats in paragraaf 3.4.4. De Ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 3.1.9 aan bod. Architectuur In samenhang met HWS II vormt het nieuwe woonblok van HWS I een passend geheel dat de wijk Hoogwerf aan de Churchilllaan markeert. De bestaande structuur in de wijk wordt bovendien versterkt door nieuwe bebouwing toe te voegen. Hierdoor ontstaan heldere stedelijke (openbare) ruimten in het gebied, waar ruimte is voor vergroenen, ontmoeten en verblijven. In paragraaf 3.1.11 wordt nader ingegaan op de omgang met de inrichting van de openbare buitenruimte.
HWS I HWS I
Uitsnedes Ontwerpboek Hoogwerfsingel I + II, OZ architecten.
De architectuur van Hoogwerfsingel I is een eigentijdse vertaling van de omliggende wederopbouwarchitectuur uit de directe omgeving. Het principe van een sterk raster met gevarieerde invulling van gevels, balkons en loggia’s. Qua materialisatie is de rood-oranje baksteenarchitectuur omarmd, dit principe is als een alzijdige gevel rondom de massa geprojecteerd. De parkeergarage is een open structuur met groene invulling die aansluit op de daktuin. Deze groene zone zal ook de plek voor biodiversiteit en waterberging zijn. Hoogwerfsingel II krijgt aan de Groene Kruislaan het hoogteaccent en zal op deze identiteit aansluiten qua kleur en vertrappingen in de massa. Qua massaopbouw ontstaat er een bebouwing van variërende hoogte en typologieën langs de Winston Churchilllaan.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Ontwerp Callaplein, OZ architecten.
Tussen de woongebouwen bevindt zich een parkeergarage met voldoende parkeerplaatsen om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte van de nieuwe woningen. Op het aspect verkeer en parkeren wordt nader ingegaan in paragraaf 3.1.13. In het ontwerp is daarnaast rekening gehouden met duurzaamheidsmaatregelen en klimaatadaptie. Op de parkeergarage komt een daktuin, in het dakpakket is rekening gehouden met waterberging en voldoende gronddekking voor groter groen. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatverandering (klimaat adaptief bouwen). Voor het opwekken van energie zullen er op de hogere daken PV panelen (zonnepanelen) worden opgenomen, er wordt onderzocht hoe dit samengaat met de buitenruimte en vluchtroutes van de woningen. Rond het gebouw zal een beperkte ruimte voor de bouwwerkzaamheden beschikbaar zijn, daarom zal onderzocht worden welke verschillende prefab methodieken beschikbaar zijn om snel en duurzaam te kunnen bouwen. Het aspect duurzaamheid komt verder aan bod in paragraaf 3.1.14. De relatie van het plan ten opzichte van de inrichting van de omliggende openbare buitenruimte wordt tot slot nader beschreven in paragraaf 3.1.11.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Impressie ontwerp woningbouwplan HWS I, OZ architecten, 2024.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het initiatief niet passend is binnen de regels van het tijdelijk omgevingsplan (strijdig is met het omgevingsplan voor gebruik en bouwen). In navolgende hoofdstukken wordt nader gemotiveerd dat met het woningbouwplan een relevante bijdrage geleverd kan worden aan het bereiken van maatschappelijke doelstellingen als de urgente woningbouwopgave en dat het planvoornemen passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (art 8.0a, tweede lid Bkl). In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en onderbouwd dat in de nieuwe situatie sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow). Hierbij wordt onder meer verantwoord hoe wordt omgegaan met de aspecten duurzaamheid, gezondheid en klimaatadaptatie binnen het plan. Indien noodzakelijk zijn deze aspecten nader gemotiveerd en onderbouwd door middel van een onderzoeksrapportage.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3
Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Er moet worden voldaan aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Ook mag het plan niet in strijd zijn met de waterschapsverordening van het Waterschap Hollandse Delta Tot slot moet het plan passen binnen het gemeentelijke beleid. In dit hoofdstuk worden deze aspecten afgewogen en waar nodig gemotiveerd. 3.1 Rijk In hoofdstuk 5 van het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de waterbelangen; het beschermen van de gezondheid en van het milieu; het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De voor iedere aanvraag relevante instructieregels zijn nader uitgewerkt in navolgende paragrafen 3.1.1 t/m 3.1.11. Daarnaast zijn er instructieregels die van toepassing zijn afhankelijk van het project en/of de locatie. Deze komen, wanneer relevant, in paragraaf 3.1.12 aan de orde.
Tabel 3.1 – Thema’s Bkl Thema Veiligheid Waterbelangen Luchtkwaliteit Geluid door activiteiten Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Trillingen Bodemkwaliteit Geur Ladder voor duurzame verstedelijking Cultureel erfgoed en werelderfgoed Toegankelijkheid openbare ruimte Locatie- of projectgebonden instructieregels Thema Slagschaduw van windturbines Landsverdediging Rijksvaarwegen Landelijke fiets- en wandelroutes Hyperscale datacenters Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Paragraaf Bkl 5.1.2 5.1.3 5.1.4.1 5.1.4.2 5.1.4.2a 5.1.4.4 5.1.4.5 5.1.4.6 5.1.5.4 5.1.5.5 5.162
Paragraaf Motivering 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.1.9 3.1.10 3.1.11
Paragraaf Bkl 5.1.4.4a 5.1.7.2 5.1.7.4 5.1.7.6 5.1.7.7
Paragraaf H3 3.1.12 (locatiegebonden) 3.1.12 (locatiegebonden) 3.1.12 (locatiegebonden) 3.1.12 (locatiegebonden) 3.1.12 (locatiegebonden)
5.163
3.1.12 (locatiegebonden)
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool Bebouwingscontour houtkap
5.165 5.165b
3.1.12 (locatiegebonden) 3.1.12 (locatiegebonden)
3.1.1 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken. Plaatsgebonden risico Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang: - beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen; - veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; - veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten; - veiligheid rond luchthavens. Onderzoek en motivering Uit inventarisatie van eventuele risicobronnen op basis van de EV Signaleringskaart volgt dat het besluitgebied zich niet bevindt binnen een aandachtsgebied van transportroutes of buisleidingen of voorschriftengebied. Een nadere verantwoordingsplicht voor deze aspecten ten aanzien van het externe veiligheidsrisico is derhalve niet aan de orde. Ten aanzien van risicovolle milieubelastende activiteiten ligt het besluitgebied wel binnen de GAG placeholder van van Seveso-inrichting Nijman/Zeetank. De afstand van deze inrichting tot het besluitgebied is circa 1,2 kilometer. De PR 10-6-risicocontour van deze inrichting reikt niet tot het besluitgebied. Nijman/Zeetank heeft een invloedsgebied voor het GR van 575 meter. De exacte contour van het gifwolkaandachtsgebied is momenteel echter nog niet zichtbaar op de risicokaart, omdat er nog discussie bestaat over de aan te houden afstanden.
Deze zijn ook nog onvoldoende vastgesteld in het Bkl (Omgevingsregeling). Gelet op de situering van het besluitgebied binnen bestaand stedelijk gebied en de ligging buiten de PR 10-6-risicocontour en het GR invloedsgebied van 575 meter wordt derhalve geconcludeerd dat risicovolle milieubelastende activiteiten in de omgeving van het besluitgebied geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van de Atlas Leefomgeving ligt het besluitgebied binnen het gifwolkaandachtsgebied voor bescherming tegen gevaarlijke gassen van enkele bedrijven in de Botlek. De Atlas Leefomgeving heeft echter de data over de berekende aandachtsgebieden nog niet ontsloten. Volgens de planning treedt per 1 juli 2025 bovendien de aangepaste berekeningswijze voor gifwolkaandachtsgebieden in werking. Deze nieuwe berekeningswijze zorgt
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
voor een beter onderbouwde inschatting van het gebied waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd kunnen zijn. Conform artikel 5.15 Bkl dient het bevoegd gezag binnen een aandachtsgebied rekening te houden met het groepsrisico. Hieraan kan worden voldaan indien is gewaarborgd dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in gebouwen en op locaties. Hiertoe kan in de vergunningverlening een voorschrift worden opgenomen. Daarnaast informeert de gemeente Nissewaard haar bewoners actief op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing.
Uitsnede EV-signaleringskaart met het besluitgebied aangeduid met gele ster. Bron: nl.ev-signaleringskaart.nl, 2024.
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 3.1.2 Waterbelang Toetsingskader Een omgevingsplan moet rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het Bkl stelt specifieke regels over de onderdelen van het watersysteem in een omgevingsplan. Voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem worden de opvattingen van het belaste bestuursorgaan betrokken. Daarbij kan worden gedacht aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde. Daarnaast bevatten het Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Onderzoek en motivering De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde weging van het waterbelang. Concreet betekent dit dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin is het wateradvies van de waterbeheerder meegenomen. Door middel van een watertoets (onder de Omgevingswet: ‘Weging van het waterbelang’) is onderzocht hoe binnen het besluitgebied met de waterhuishouding (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Rapportage hiervan is als bijlage toegevoegd. Uit de weging van het waterbelang volgt dat de herontwikkeling uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is, mits de nodige waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd.
Hieronder zijn de belangrijkste aspecten van deze watertoets toegelicht: • De waterbergingseis van de gemeente is leidend en bedraagt 50 mm per m2 verhard oppervlak van het plangebied. Het totaaloppervlak van het plangebied bedraagt 1.800 m 2, dus de totale waterbergingsopgave bedraagt 90 m3. • Het projectgebied bestaat geheel uit (verhard) dakoppervlak, dus waterberging zal op de daken moeten worden gerealiseerd. • In het voorlopig ontwerp zijn groene daken beoogd. De groene daken dienen te worden voorzien van waterberging. In de daktuin op de 3e verdieping is de meeste ruimte op waterberging te realiseren. Om hier de waterbergingsopgave te behalen, zal op het hele dak van de 3e verdieping een bergingscapaciteit van meer dan 100 l/m2 benodigd zijn. Aanvullend kan op de 9e, 12e en cascadeverdiepingen waterberging worden gerealiseerd, waarmee de benodigde bergingscapaciteit meer wordt verdeeld over de verschillende daken. • Er dient bij de nadere uitwerking rekening te worden gehouden met voldoende draagkracht van de bebouwing, maximaal toelaatbare laagdikte en overige gebruiksfuncties van de daken. • Het vuilwater en de lediging van de waterbergingsvoorzieningen kan waarschijnlijk worden aangesloten op het gescheiden rioolstelsel onder de Anjerstraat en Hoogwerfsingel. Hiervoor is nadere afstemming met de gemeente benodigd.
• Er wordt geadviseerd de vloerpeilen minimaal 30 cm boven maaiveld aan te leggen, om wateroverlast bij extreme neerslag te voorkomen. • Vanwege de geringe ontwateringsdiepte wordt geadviseerd een grondwaterstandsonderzoek uit te voeren. Deze informatie is belangrijk voor het voorkomen van grondwateroverlast. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de herontwikkeling op basis van een afgewogen ‘weging van het waterbelang’ uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is, mits de nodige waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd. 3.1.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De overheid moet rekening houden met de omgevingswaarden in een aandachtsgebied. Dit geldt voor de besluiten die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Daarnaast kan het gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als de activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Dit betekent dat een gemeente een initiatief moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben, zoals extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2; Soms heeft de gemeente in een eerdere fase al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.
Onderzoek en motivering Bij nieuwe ontwikkelingen dient getoetst te worden of de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit worden overschreden. Daarnaast dient te worden getoetst aan mogelijk aanwezige omgevingswaarden die provincies en gemeenten hebben vastgesteld. Eveneens heeft het Rijk aandachtsgebieden vastgesteld waar de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit reeds worden overschreden of de achtergrondconcentratie dermate hoog is, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Binnen deze aandachtsgebieden verzamelen gemeenten en provincies gegevens voor de monitoring van de luchtkwaliteit. Indien een ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vormen de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dit kan op twee manieren getoetst worden: • Een ontwikkeling valt onder de standaardgevallen, binnen de grenzen van artikel 5.54 van het Bkl. Deze standaardgevallen beslaan de ontwikkeling van een beperkt aantal veelal woningen, kantoren of een combinatie van beiden; • Het maken van een berekening met de NIBM-tool om aan te tonen dat de toename minder bedraagt dan 1,2 µg/m3.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Verder is het aan de gemeente om beoordelen of er nog extra maatregelen nodig zijn om de luchtkwaliteit op een aanvaardbaar niveau te krijgen. De gemeente kan dit doen door lokale omgevingswaarden te formuleren. De gemeente dient bij nieuwe ontwikkelingen zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op grond van de algemene zorgplicht voor het woon- en leefmilieu dient de gemeente de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit af te wegen. Het initiatief betreft de realisatie van 124 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Het besluitgebied is gelegen in een door het Rijk aangewezen aandachtsgebied (artikel 5.51 Bkl) voor zowel stikstofdioxide (NO 2) als fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden zijn
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog dat, bij toevoeging van een nieuw project, de kans bestaat dat de rijksomgevingswaarde wordt overschreden. Sinds 1 januari 2023 is het CIMLK het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt direct ten westen van het besluitgebied aan de Winston Churchilllaan. Hieruit volgt dat ter plaatse de jaargemiddelde concentraties NO 2 20,6 µg/m³, PM10 17,2 µg/m³ en PM2,5 8,9 µg/m³ betreffen. De concentraties blijven hiermee ruim onder de gestelde grenswaarden, zoals opgenomen in artikel 2.4 en 2.5 Bkl (NO2: 40 µg/m³, PM10 40 µg/m³ en PM2,5 25 µg/m³). Door middel van een berekening met de geactualiseerde NIBM-tool (versie 24 april 2024) wordt onderstaand op basis van een worst case verkeersgeneratie berekening (zie ook paragraaf 3.1.13) aangetoond dat de toename minder bedraagt dan 1,2 µg/m3, waardoor geconcludeerd wordt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie NO2 en PM10 en als zodanig ook geen significante bijdrage levert aan de rijksomgevingswaarden. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit binnen het besluitgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. 3.1.4 Geluid door bedrijfsmatige activiteiten Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten. Het omgevingsplan of de BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierover moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel regels bevatten. Het gaat om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat. Onderzoek en motivering De voor onderhavige ontwikkeling geluidsrelevante aspecten worden nader gemotiveerd in paragraaf 3.1.5. Het aspect bedrijven en milieuzonering komt aan bod in paragraaf 3.1.15.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3.1.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; geluid door windturbines en windparken; geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen. Instructieregels Het Bkl stelt instructieregels die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden.
In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in onderstaande tabel. Tabel 3.2: Standaardwaarden geluid Geluidsbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen 50 Lden Rijkswegen Gemeentewegen 53 Lden Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 Lden Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling.
De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van: a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
c. verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde. Onderzoek en motivering Door Aveco de Bondt is in 2024 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect geluid ten behoeve van de nieuwbouw op de locatie Hoogwerfsingel 1A te Spijkenisse. Rapportage van dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. Het nieuwbouwplan bevindt zich nabij wegen en industrieterrein Botlek-Pernis. Nieuwe woningen dienen te worden aangemerkt als nieuwe geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Doel van het onderzoek in het kader van de Omgevingswet, is te toetsen of wordt voldaan aan de regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is ook rekening gehouden met het (oude) geluidbeleid van de gemeente Nissewaard. Uit de resultaten blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 60 L den is. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 Lden niet. Gebleken is dat de Groene Kruisweg en Winston Churchilllaan maatgevend zijn voor de overschrijdingen van de standaardwaarde. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting door industrieterrein Botlek-Pernis ten hoogste 54 dB(A) bedraagt.
Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), maar wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Het nestgeluid in het plangebied is lager dan 48 L den. Er is dan ook geen aanleiding om verder rekening houden met het nestgeluid ten behoeve van de geluidwering. Het gecumuleerde geluid op de gevels van de nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het plan bedraagt ten hoogste 60 Lcum, met de kwalificatie ‘matig’. Bepalend voor de hoogte van het gecumuleerde geluid is het geluid als gevolg van wegverkeerslawaai. In een stedelijke omgeving is dit geluid niet als onaanvaardbaar te stellen.
Beoordelingskader gecumuleerde geluidbelasting volgens gemeentelijk geluidbeleid.
Uit het akoestisch onderzoek volgt dat om het woningbouwplan mogelijk te maken, in het omgevingsplan meer geluid door gemeentewegen toegestaan dient te worden dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De appartementen worden voorzien van een akoestisch rooster in de gevel plaatsen zodat geluidluw kan worden gespuid. De uitwerking hiervan is opgenomen als bijlage bij deze toelichting in het rapport ‘Bouwakoestiek’. De appartementen zijn voorzien van een geluidluwe buitenruimte. Als akoestisch compensatie voor de appartementen, die niet zijn voorzien van een eigen balkon/buitenruimte, wordt op het dak tussen de twee torens een dakterras aangelegd waar het geluid door het wegverkeer niet hoger is dan 58 Lden. Geadviseerd wordt om voor 81 woningen een hogere waarde vast te stellen van 54 dB(A) voor industrieterrein Botlek-Pernis. Met het oog op artikel 5.78ab Bkl moet bij de verdere uitwerking van het ontwerp worden onderzocht of alle appartementen in het plan zijn voorzien van een geluidluwe gevel en/of geluidluwe buitenruimte. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3.1.6 Trillingen Toetsingskader Bij het wijzigen of afwijken van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. Een ruimtelijk besluit voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Om te kijken of onderzoek naar trillingshinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrilling. Onderzoek en motivering In het Bkl is het onderwerp geregeld in paragraaf 5.1.4.4. Het omgevingsplan moet voldoen aan de bepalingen van het Bkl. In de Bruidsschat is het onderdeel trillingen geregeld in paragraaf 22.3.5. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Trillingsgevoelige gebouwen of een gedeelte van een gebouw zijn gebouwen met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Een trillingsgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied in een gebouw. Het betreffen dezelfde functies als hiervoor genoemd. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De Omgevingswet en de Bkl leggen vast welke meet- en rekenbepalingen gelden voor trillingen. In het omgevingsplan kunnen regels opgenomen worden voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Hiermee kan worden vastgelegd welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. De SBR-richtlijn vormt een belangrijk hulpmiddel voor het meten en beoordelen van trillingen. Met deze richtlijn kunnen trillingbronnen worden getoetst om te bepalen of deze voldoen aan de wettelijke normen. Nieuwe woningen dienen te worden aangemerkt als nieuwe trillinggevoelige gebouwen (met daarin trillinggevoelige ruimten) in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Derhalve is een beoordeling van trillingen benodigd.
Door Aveco de Bondt is in het kader van de Omgevingswet een kwalitatief trillingsonderzoek uitgevoerd om te toetsen of wordt voldaan aan de regels uit het Bkl. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op basis van de analyse is vastgesteld dat er geen aanleiding is tot het ontstaan (vanuit de bron) van trillingen is. Als er geen maatgevende trillingen kunnen ontstaan, is er bij trillinggevoelige ruimten per definitie sprake van een aanvaardbare situatie door activiteiten (wegverkeer in de omgeving). Als verdere uitbreiding op de genoemde aanvaardbaarheid, gaat de SBR-richtlijn ook in op de bouwkundige gevoeligheid van gebouwen. Omdat het gebouw voorziet in een paalfundering en een betonnen draagconstructie, is het risico op overdracht van trillingen vanuit de omgeving nog verder beperkt. Zowel vanuit de activiteiten (wegverkeer in de omgeving) en het ontstaan van eventuele trillingen is de situatie van het plan aanvaardbaar als vanuit de beoogde draag- en fundatieconstructie in het ontwerp. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het woningbouwplan.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3.1.7 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Regels over graven in de bodem. Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Maatwerkregels over het saneren van de bodem. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek en motivering Aangetoond zal moeten worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde functie.
Derhalve is door Grondslag een verkennend bodemonderzoek inclusief verhardingsonderzoek uitgevoerd op de locatie Hoogwerfsingel 1A & 2 te Spijkenisse. Het doel van het bodemonderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik. De aanleiding voor het verhardingsonderzoek betreft de voorgenomen verwijdering van de asfaltconstructie. Rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit het vooronderzoek volgt dat er in de grond geen waarnemingen gedaan zijn die duiden op een brandstof-/smeerolie gerelateerde verontreiniging. In de grond en in het grondwater ter plaatse zijn geen noemenswaardige verhogingen aangetoond. De grond voldoet over het algemeen aan klasse Landbouw/natuur (geschikt voor de beoogde bouw). Het asfalt is deels teerhoudend en moet dus deels worden afgevoerd (niet geschikt voor hergebruik). Daarnaast is de fundatie van beton niet geschikt voor hergebruik, de overige fundaties wel. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is bovendien in 2024 door AVG Explosieven Opsporing Nederland een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd om potentiële risicolocaties met betrekking op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in kaart te brengen. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen.
Uit dit vooronderzoek conflictperiode komt naar voren dat er geen indicaties voor ontplofbare oorlogsresten zijn gevonden. Het onderzoeksgebied is niet verdacht op ontplofbare oorlogsresten en de geplande civieltechnische werkzaamheden kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd. Conclusie De bodem is geschikt voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers. 3.1.8 Geur Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: - geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; - geur door het houden van fokteven van nertsen; - geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; - geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken; Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. Onderzoek en motivering In de omgeving liggen geen veehouderijen, andere agrarische bedrijven of industriële bedrijven met een bepaalde geuruitstraling. Hieruit volgt dat ter plaatse van het besluitgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het onderdeel geur en dat veehouderijen of andere bedrijvigheid niet in de belangen worden geschaad. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
3.1.9 Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader Het Bkl houdt rekening met de behoefte aan stedelijke ontwikkeling met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Onderzoek en motivering De toets aan de ladder voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omgezet naar de Omgevingswet. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b.
Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Onderhavig ruimtelijk besluit voorziet ter plaatse van het besluitgebied in het toevoegen van 124 woningen en is aan te merken als één woningbouwlocatie. Derhalve is deze ontwikkeling als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het besluitgebied kent momenteel een bedrijfsbestemming. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor bedrijvigheid, productiegebonden detailhandel en bij deze bestemming behorende voorzieningen, en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sport/recreatie’ voor voorzieningen ten behoeve van sport en recreatie. Burgerbewoning is niet toegestaan.
Het onderhavige ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het besluitgebied woningbouw mogelijk. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologisch beslag op de ruimte plaats. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2023 volgt dat in de periode 2023-2032 in de Rotterdamse regio behoefte is aan 71.000 woningen. Voor deze woningen bestaat een plancapaciteit van 85.580 woningen, ofwel 121%. De plancapaciteit in een regionaal woningbouwprogramma mag maximaal 130 procent van de gewenste woningvoorraadtoename bedragen om planvertraging en -uitval op te vangen. In de laatste vaststelling door de PZH stond HWS 1+2 nog aangeduid als een kansrijk plan (categorie 1b).
In de komende vaststelling op 1-1-25 zal HWS 1 nog steeds als een kansrijk plan worden beschouwd (vanuit het oogpunt van de PZH). Daarnaast zal het woningbouwprogramma ook opnieuw ingevuld worden in de provinciale planmonitor (aangezien dit door het jaar heen veranderd is). De PZH zal dit daardoor opnieuw beoordelen. Voor de toekomst wordt een groei verwacht van het aantal huishoudens dat woonruimte nodig heeft in Nissewaard. Het aantal eenpersoonshuishoudens en kleine huishoudens neemt door de vergrijzing en de individualisering verder toe waarmee de vraag naar eengezinswoningen afneemt. Voor de kleine huishoudens is de betaalbaarheid van de woning een groot aandachtspunt. De behoefte aan compacte, betaalbare woningen zal daardoor toenemen. Onderhavig plan voorziet in 124 studio’s, appartementen en woonwerkruimtes. Hiervan vallen 98 woningen in het goedkope segment (79%), 13 in het betaalbare segment (10,5%) en 13 in de vrije sector (10,5%). Hiermee bestaat het plan voornamelijk uit betaalbare (koop)woningen en voorziet hiermee in een urgente behoefte. Daarnaast wil de gemeente Nissewaard haar inwoners de kans bieden een wooncarrière te maken binnen de gemeente. Door ook appartementen in de vrije sector aan te bieden wordt hieraan voldaan. Op basis van de Woonvisie gemeente Nissewaard 2020-2030 neemt het aantal huishoudens tot 2030 toe met ruim 1.660.
Aan deze woonvisie ligt een woonbehoefteonderzoek voor Voorne-Putten ten grondslag. In de tien
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
jaar erna groeit het aantal huishoudens verder tot circa 41.800. Onderliggend spelen de volgende ontwikkelingen in de huishoudenstoename: • De doelgroep gezinnen (met kinderen) is met 35% van het totaal aantal huishoudens nu nog de grootste doelgroep in Nissewaard. De omvang van deze groep neemt tot 2030 licht af tot 33% van het totaal aantal huishoudens; • De oudere doelgroep groeit, mede vanwege het verleden van Spijkenisse als groeikern, de komende jaren hard door. Het aantal 65-plussers groeit de komende tien jaar met circa 30% tot 34% van het totaal aantal huishoudens. In 2030 is de 65-plusdoelgroep naar verwachting de grootste doelgroep; • Het aantal alleenstaanden en stellen tussen de 35 en 65 jaar krimpt met circa 8% tot circa 24% van het totaal aantal inwoners; • Nissewaard vergrijst, maar ontgroent de komende jaren niet. Het aantal jonge huishoudens (tot 35 jaar) blijft tot 2030 relatief stabiel. Het aandeel jonge huishoudens neemt als gevolg van de sterke groei van het aandeel ouderen echter wel af tot circa 9%; • Over de hele linie is daarbij, net als in bijna het hele land, sprake van huishoudensverdunning. Er zal een verschuiving plaatsvinden naar steeds kleinere huishoudens. De huishoudensgroei bestaat voor meer dan 80% uit een- en twee persoonshuishoudens. Er is grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland en Zuid-Holland.
Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Hierbij wordt in verder bekeken hoe deze opgave past bij de lokale situatie. In het Coalitieakkoord 2023-2027 is afgesproken dat van alle nieuwe woningen twee derde in de prijscategorie betaalbaar moet vallen en dat 40 procent een sociale huurwoning moet zijn. Conform regionale bestuurlijke afspraken wordt met onderhavig plan niet voorzien in (sociale) huurwoningen. Uitgangspunt van de gemeente Nissewaard is dat op gemeentelijk niveau voorzien wordt in voldoende (sociale) huurwoningen en niet per woningbouwplan afzonderlijk. De verdeling over verschillende segmenten wordt zodoende over de gehele gemeente genomen en niet per project. Het gebrek aan (sociale) huurwoningen zal op andere locaties in de gemeente gecompenseerd worden. Er bestaat kortom voor Nissewaard een urgente woningbouwopgave. Dit betekent dat (veel) nieuwe harde plancapaciteit moet worden toegevoegd om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Er is behoefte aan alle woningtypen en prijsklassen, met een accent op betaalbare woningen. Hierin wordt met dit plan voorzien.
Geconcludeerd kan worden dat met onderhavig planvoornemen een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen in Spijkenisse en tevens passend is binnen de regionale woningbouwafspraken. d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.