Commissie Milieueffectrapportage
Tekst van het document
Windpark Brielse Maasdijk (gemeente Nissewaard)
Advies over de reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectrapport 6 april 2021 / projectnummer: 3516
Advies over inhoud milieueffectrapport (MER) De gemeente Nissewaard wil de bouw van windturbines mogelijk maken aan het Hartelka-
naal, langs de Plaatweg en het oostelijke deel van de Brielse Maasdijk. HVC Landwind b.v. zal
het park, met een opgesteld vermogen van minimaal 18 MW, realiseren en exploiteren. Daarvoor wil de gemeente het bestemmingsplan wijzigen en de benodigde vergunningen verle-
nen. Voor het besluit over het windpark wordt een MER opgesteld. De gemeente Nissewaard heeft de Commissie gevraagd te adviseren over de inhoud van het op te stellen MER.
Essentiële informatie voor het MER
Voor het meewegen van het milieubelang in het besluit over het windpark Brielse Maasdijk
moet het MER in ieder geval het volgende beschrijven: • •
hoe is bepaald op welke posities een windturbine kan worden gebouwd;
alternatieve combinaties van die posities, voor turbines van verschillende grootte, en de
milieugevolgen daarvan. Het gaat in het bijzonder om de gevolgen voor de natuur (vooral
vogels en vleermuizen), het landschap, de geluidhinder (voor omwonenden en recreanten) en de veiligheid (scheepvaart, hoogwater, leidingen);
•
de milieumaatregelen die onderdeel zijn van het uiteindelijk gekozen ontwerp en de effectiviteit ervan.
Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER.
● Bestaande turbines ● Mogelijke nieuwe turbineposities
Figuur 1 Indicatieve posities voor turbines van windpark Brielse Maasdijk, als vertrekpunt voor het onderzoek naar (de milieueffecten van) de uiteindelijk aan te wijzen posities.
-1-
In de volgende hoofdstukken beschrijft de Commissie in meer detail welke informatie het
MER moet bevatten. Ze bouwt in haar advies voort op de “Notitie reikwijdte en detailniveau
windpark Brielse Maasdijk”, hierna NRD. Ze herhaalt slechts punten die al in de NRD aan de
orde komen, als dat voor een goed begrip van het advies nodig is of als ze voorstelt de aanpak op onderdelen aan te passen. Aanleiding MER De Plaatweg en het oostelijke deel van de Brielse Maasdijk zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland aangewezen als zoekgebied voor een windpark. 1 Om het park mogelijk te maken moet de gemeente het bestemmingsplan van dat gebied aanpassen en zijn een waterwet- en een omgevingsvergunning nodig. Het Besluit milieueffectrapportage bepaalt dat voor de planwijziging een MER moet worden opgesteld. Het gezamenlijk vermogen van de turbines is namelijk groter dan 15 MW (categorie D22.2). Ter onderbouwing van zowel het plan als de vergunningen stelt HVC Landwind b.v. een MER op. De gemeenten Nissewaard en mogelijk Rotterdam 2 zijn bevoegd gezag in deze procedure, mede namens het Waterschap Hollandse Delta en Rijkswaterstaat, en zal na afronding van het MER dus besluiten over de vestiging van windpark Brielse Maasdijk. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten. Dat doet de initiatiefnemer. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies.
U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3516 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Achtergrond, randvoorwaarden en besluitvorming Achtergrond
De Plaatweg en de Brielse Maasdijk zijn in de omgevingsverordening van de provincie Zuid-
Holland aangewezen als vestigingsplaats voor een windpark.1 Dit betekent dat het MER gaat
over de keuze van het type windturbine en van de precieze posities waar ze kunnen worden
gebouwd binnen deze locatie, en niet meer over de vergelijking van een windpark in dit ge-
bied met een park in andere gebieden. Licht het proces dat heeft geleid tot aanwijzen van dit gebied kort toe in het MER.
Randvoorwaarden
Hoofdstuk 2 van de NRD benoemt een aantal kaderstellende beleidsafspraken vanuit de EU,
het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeente, zoals de afspraak om voor het einde van 2025 langs het Hartelkanaal turbines te plaatsen met een totaal vermogen van minimaal 18 MW. Neem die afspraken over in het MER en licht toe hoe ze tot stand zijn gekomen. Licht bijvoorbeeld toe hoe de doelstelling voor het minimaal op te stellen vermogen is bepaald.
In bijlage 5 van de leidraad Windenergie Voorne-Putten staan de wettelijke randvoorwaarden
waaraan het windpark moet voldoen, zoals de normen voor de geluidbelasting en de externe
1
Zie: https://ruimtelijkeplannenzuidholland.nl/omgevingsbeleid/ (kaart 16). Ter onderbouwing van de keuze van deze en
2
Dat is het geval als een deel van de turbines of turbineposities op Rotterdams grondgebied valt.
andere locaties heeft de provincie een MER opgesteld, dat de Commissie in 2017 heeft getoetst (project nummer 3078).
-2-
veiligheid. 3 Neem deze randvoorwaarden over in het MER en laat zien in hoeverre elk van de onderzochte windturbineopstellingen eraan voldoet.
Participatie
Over de realisatie van het project wordt intensief overlegd met de omwonenden, woningcorporaties en ondernemers, die ook in het windpark kunnen participeren. 4 De afspraken die
met de omwonenden worden gemaakt zullen worden vastgelegd in een gebiedsconvenant. 5
Aan dat overleg en die afspraken wordt terecht veel waarde gehecht. 6 Het is dan ook belangrijk dat het MER goed verslag doet van dat participatietraject en aangeeft hoe de gemaakte afspraken de vormgeving van het windpark hebben beïnvloed.
Te nemen besluiten
Paragrafen 4.1, 5.1 en 5.2 van de NRD geven duidelijk aan hoe de te nemen besluiten tot
stand komen en wie waarvoor verantwoordelijk is. Geef aan of naast de genoemde besluiten nog andere besluiten nodig zijn voor de realisatie van het windpark. Geef in dat geval aan welke dat zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de planning is.
De besluitvorming over het windpark interfereert met die over de waterkering waarop het
plangebied is gesitueerd. Laat in het MER zien hoe bij de voorbereiding en realisatie van het windpark rekening wordt gehouden met de aanpassing van de waterkering.
Opstellingsalternatieven Posities, aantallen en afmetingen
In de NRD staan negen mogelijke windturbineposities (zie figuur 1), die op grond van een beperkt aantal criteria zijn geselecteerd, zoals de aan te houden afstanden tot de Hartelkering
en tot het Hartelkanaal. In paragraaf 3.2 van de NRD zijn daarmee alternatieve combinaties van 4 tot 9 turbineposities gemaakt, waarvan de effecten zullen worden onderzocht in het
MER.
De NRD stelt dat de wettelijke haalbaarheid van die negen mogelijke posities nog moet wor-
den gecontroleerd. 7, 8 Het is niet uitgesloten dat enkele posities door de vele belemmeringen
in het gebied alsnog afvallen of verschuiven. 9 Dat heeft vervolgens consequenties voor (het
samenstellen van) de mogelijke alternatieven. Dat uiteindelijk andere alternatieven zullen
3
Gasunie beschrijft in haar zienswijze het beleid voor windturbines bij gasinfrastructuur en hoe veiligheidsafstanden moeten
worden bepaald. 4
De Commissie constateert op grond van de zienswijzen dat veel omwonenden zich zorgen maken over de consequenties
van het windpark voor hun leefomgeving en hun gezondheid en dat verschillende van hen aangeven onvoldoende geïnformeerd of bij de voorbereiding betrokken te zijn.
5 6 7 8
Zie paragraaf 1.3 van de NRD.
Zie https://www.windbrielsemaasdijk.nl/participatie Zie bladzijde 23 van de NRD.
Dat is ook bevestigd in het gesprek dat de Commissie op 15 februari met het bevoegd gezag, de initiatiefnemer en zijn adviseur heeft gevoerd.
9
Zo kunnen posities afvallen omdat ze te dicht bij woningen liggen, bij de leidingstraat die het plangebied kruist (zie hier-
voor de zienswijze van Gasunie), bij hoogspanningsstations en -verbindingen (zie hiervoor de zienswijze van TenneT) of bij
de meest oostelijke turbine van het windpark Hartelbrug II. Verder kunnen de voorgenomen werkzaamheden aan de waterkering de positiekeuze of de inrichting van posities beïnvloeden. Ook in een aantal van de zienswijzen worden potentiële
conflicten benoemd, zoals die van XL Wind BV, PVV Nissewaard en die met nummer 296, 396 en 423.
-3-
worden onderzocht, is dus niet uitgesloten. Daarom adviseert de Commissie om eerst alle
belemmeringen goed in beeld te brengen en pas dan de mogelijke posities en te vergelijken
combinaties van posities te bepalen. Start dus met een kaart waarop de belemmeringen staan die opgeteld aangeven welke gebieden voor plaatsing van windturbines zijn uitgesloten.
Hanteer bij de keuze van de alternatieven de criteria die in de NRD zijn voorgesteld (positie,
aantal en afmetingen (vermogen/hoogte/rotordiameter) en onderzoek het volledige spectrum aan mogelijkheden. 10 Ga in op de criteria die de bandbreedte hebben bepaald van de turbi-
neafmetingen die in aanmerking worden genomen. 11
Beschrijf naast de positie en de grootte van de turbines ook (de positie van) de bijkomende
voorzieningen en activiteiten, zoals de netaansluiting en de opstelplaatsen voor de bouwkranen. 12 Doe dat voor de te realiseren opstelling en voor zover dat nu al mogelijk is.
Referentie
Beschrijf de bestaande toestand van het milieu in het studiegebied. Beschrijf ook de te verwachten toestand als gevolg van de autonome ontwikkeling, als referentie voor de te ver-
wachten milieueffecten. Onder de 'autonome ontwikkeling' verstaan: de toekomstige milieutoestand zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gereali-
seerd. Ga bij beschrijving van deze ontwikkeling uit van te verwachten veranderingen in de huidige activiteiten in het studiegebied en van nieuwe activiteiten waarover al is besloten.
Milieugevolgen De milieueffecten van de alternatieven moeten onderling en met de referentiesituatie worden
vergeleken. Doel van de vergelijking is laten zien in hoeverre de alternatieven andere effecten veroorzaken. Vergelijk bij voorkeur op grond van kwantitatieve informatie en betrek daarbij
de grens- en streefwaarden van het milieubeleid. Geef daarnaast voor ieder alternatief aan in hoeverre daarmee de gestelde doelen worden gerealiseerd.
Laat zien voor welke milieuaspecten er onvoldoende informatie is door gebrek aan gegevens.
Spits dit toe op aspecten die in de besluitvorming een belangrijke rol spelen, zodat de consequenties van het tekort kunnen worden beoordeeld. Geef ook aan hoe dat wat ontbreekt, op korte termijn kan worden ingevuld.
Onderscheid effecten die optreden tijdens de aanlegfase 13 en effecten die zich in de ge-
bruiksfase voordoen.
Hoofstuk 4 van de NRD somt de milieuaspecten op die zullen worden onderzocht. De onder-
zoeksaanpak is voor een groot aantal aspecten al in detail uitgewerkt. Daarom heeft de Commissie slechts op een beperkt aantal punten aanvullende aanbevelingen. 14
10
Onderzoek naast opstellingen waarmee de doelstelling van 18 MW net wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld ook de opstelling
11
Zoals hoogtebeperkingen met het oog op de luchtvaartveiligheid.
met het grootst mogelijke opgestelde vermogen.
12 13 14
Zie bladzijde 16 van de NRD.
Zoals de omvang en de routes van het werkverkeer, over de weg of het water, en de verwachte duur van de aanlegfase.
In de zienswijzen van de omwonenden komen de volgende aspecten het vaakst aan bod: de afstand tot woningen, geluid-
en lichthinder, hinder door slagschaduw en effecten op het landschap (zichtbaarheid).
-4-
Natuur Aanleg vs. gebruik
Beschrijf in het MER de soorten binnen het studiegebied die door het windpark kunnen wor-
den beïnvloed. Het park kan in de gebruiksfase leiden tot extra sterfte onder vleermuizen en
vogels door aanvaring met een turbine en tot aantasting van leefgebied van deze soortgroe-
pen door barrièrewerking en verstoring. Beschrijf in het MER voor de gebruiksfase ten minste: •
de sterfte onder
– – – – •
vleermuizen; 15
broedvogels;
vogels die buiten het broedseizoen in het gebied verblijven; 16
vogels tijdens de seizoenstrek.
Onderbouw per relevante soort de schattingen en zet de extra sterfte af tegen de ‘na-
tuurlijke sterfte’; •
de verstoring en de barrièrewerking (bijvoorbeeld tussen slaapplaatsen en foerageerge-
bieden), zowel voor vleermuizen als voor vogels. Ga in op de gevolgen voor de populatie; •
de invloed van de combinaties van ashoogte en rotordiameter op het aantal slachtoffers en op de mate van verstoring en barrièrewerking bij vleermuizen en vogels;
• •
de effecten van het ruimtebeslag op soorten die in het plangebied aanwezig zijn; de maatregelen die effecten kunnen beperken of voorkómen. 17
Breng voor de aanlegfase het gebied in beeld waarbinnen beschermde soorten kunnen wor-
den beïnvloed door werkzaamheden zoals het grondverzet, de aanleg van (tijdelijke) wegen, heien en de (tijdelijke) verlaging van het grondwaterpeil. In deze fase kunnen mogelijk an-
dere beschermde soorten negatieve gevolgen van het voornemen ondervinden dan in de ge-
bruiksfase. Ga in op de mate waarin deze effecten kunnen optreden en op maatregelen die ze beperken.
In de aanlegfase komen stikstofverbindingen vrij die na depositie schadelijk zijn voor de natuur. Die verbindingen zitten in de uitlaatgassen van de machines en voertuigen die bij de
aanleg van het park worden ingezet. De Commissie is zich bewust van het feit dat de emissie gering zal zijn. Gegeven de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak
Stikstof (29 mei 2019), is het toch nodig om met een berekening te laten zien of het voorne-
men niet tot significant negatieve gevolgen zal leiden. Als wel sprake is van significant negatieve gevolgen, beschrijf dan hoe ervoor wordt gezorgd dat het voornemen uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
Gebieds- en soortenbescherming
Het plangebied ligt niet direct nabij Natura 2000-gebieden of gebieden die onderdeel zijn
van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Toch kan het windpark via externe werking gevol-
gen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de meest nabije Natura 2000-gebie-
den en voor de ecologische waarden en kenmerken van de meest nabije NNN-gebieden. Meer concreet zal het gaan om soorten vogels en vleermuizen die buiten de gebieden waar ze
15 16 17
In zienswijze 67 wordt vermeld dat in het Hartelpark een kolonie vleermuizen verblijft. Houd daarbij rekening met slaaptrekbewegingen.
Zo kan het aantal aanvaringsslachtoffers bijvoorbeeld worden verminderd door stilzetten van de turbines op bepaalde mo-
menten. Ga in op factoren die daarbij relevant zijn, zoals de windsnelheid en -richting, het seizoen en de zichtbaarheid van de turbinebladen en op detectiesystemen die kunnen worden ingezet. Geef aan hoe effectief maatregelen zijn en hoe ze worden geborgd.
-5-
bescherming genieten, foerageren of rusten en daarbij hinder ondervinden van de windturbines. Geef aan of en waarom significant negatieve gevolgen op voorhand met zekerheid zijn
uit te sluiten.
Ga in op de mogelijke gevolgen van het voornemen voor soorten die op grond van de Wet
natuurbescherming zijn beschermd. Beschrijf eventuele gevolgen voor de staat van instand-
houding en bepaal of verbodsbepalingen kunnen worden overtreden, zoals het verbod op het
doden, 18 of op het verstoren van een broedplaats of een vaste rust- of verblijfplaats. Ga na of de 1%-mortaliteitsnormen (afzonderlijk en in cumulatie met andere windparken) voor vogel-
of vleermuissoorten worden overschreden. Als er sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding voor bepaalde soorten, 19 geef dan aan met welke effectbeperkende
maatregelen die verslechtering is te voorkomen. Motiveer op grond waarvan verondersteld wordt dat een eventueel benodigde ontheffing wordt ontleend.
Landschap en verlichting Landschap
Beschrijf de karakteristieken van het landschap en betrek daarbij de aspecten zoals de geo-
metrie, de mate van openheid, de grootschalige en kleinschalige structuren, het reliëf (dijken, hoogteverschillen) en aanwezige zichtlijnen.
De initiatiefnemer heeft tijdens het gesprek met de Commissie5 aangegeven dat de webapplicatie Windplanner wordt gebruikt om mogelijke opstellingen zo realistisch mogelijk driedi-
mensionaal te simuleren en te visualiseren. Neem in het MER een selectie op van fotomontages die de effecten op de bestaande patronen en structuren laten zien. Maak deze visualisaties vanaf ooghoogte, van dichtbij en van grotere afstand. Voeg er een beschrijving van het beeld aan toe en een kaart met de positie van de waarnemer. Doe dat voor de beschouwde
combinaties van ashoogte en rotordiameter. Kies standpunten waar de veranderingen goed te zien zijn, plekken op veelgebruikte routes en plekken waar veel mensen verblijven en dus
waar ook de meeste waarnemingen plaatsvinden. Besteed afzonderlijk aandacht aan de wijze waarop recreanten het nieuwe windpark zullen beleven.
Breng de interferentie met windpark Hartelbrug II in beeld 20 en beschrijf in hoeverre het
nieuwe windpark bijdraagt aan het ontstaan van een terrein met een herkenbare eigen identiteit.
Verlichting
Windturbines met een tiphoogte van meer dan 150 m of gelegen nabij primaire (water)wegen, luchthavens en laagvliegroutes moeten worden voorzien van obstakelverlichting. Er zijn ver-
schillende opties voor deze verlichting, die verschillen in zichtbaarheid en hinderlijkheid voor de omgeving. 21 Onderzoek en beschrijf daarom in het MER de invloed van verlichting op de
beleving van het park overdag en bij nacht. Geef aan welke opties er zijn om de hinder terug te dringen. Daarbij kan worden gedacht aan: 18
Het veroorzaken van meer dan incidentele sterfte door de bouw van windturbines is te beschouwen als een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 1e lid (vogels) resp. artikel 3.5 1e lid (vleermuizen).
19 20 21
Voor vogels is de staat van instandhouding te vinden op www.sovon.nl/nl/soortinformatie. Zie hiervoor de zienswijze van XL Wind BV.
Zie hiervoor het informatieblad van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) 'Aanduiding van windturbines en windpar-
ken op het Nederlandse vasteland'.
-6-
• • •
continu brandende in plaats van knipperende lampen; het dimmen van de verlichting bij goed zicht;
innovatieve opties zoals verlichting die op radardetectie reageert.
Beschrijf kwalitatief de verschillen in het effect van die opties op de beleving van het park. Geef aan hoe die bevindingen in de besluitvorming worden meegenomen.
(Laagfrequent) geluid De NRD stelt voor om de belasting met laagfrequent geluid en die met hoorbaar geluid in kaart te brengen. Over de voorgestelde aanpak merkt de Commissie het volgende op:
•
Voor de bepaling van de waarneembaarheid van laagfrequent geluid kan de NSG-curve 22
worden gebruikt en voor de bepaling van de hinderlijkheid de Vercammencurve 23 Vooralsnog wordt laagfrequent geluid niet aangemerkt als afzonderlijk te normeren hinder.
Daarom kan de belasting met laagfrequent geluid geen criterium zijn voor het beoorde-
len van de vergunbaarheid van het windpark. De kans op hinder van de verschillende op-
stellingsvarianten kan wel in kaart worden gebracht. De Commissie adviseert om — in aanvulling op de werkwijze in de NRD — een berekening te maken 24 van de laagfre-
quente hinder op basis van een worst case benadering. Daarbij kunnen de genoemde
curves een rol spelen. •
Naast de wettelijke 47 dB-contour 25 en de 42 dB-contour zal, op grond van een advies
van de WHO, 26 ook de contour van 45 dB worden bepaald. De Commissie adviseert om de informatie over het ruimtebeslag en de aantallen gevoelige objecten binnen de 42 en
45 dB-contouren voor hetzelfde doel te gebruiken, namelijk voor de vergelijking van alternatieven en niet voor het beoordelen van de vergunbaarheid ervan. •
Breng de cumulatie van geluid in kaart, afkomstig van deze en andere windturbines 27,
het verkeer en de industrie. 28 Geef aan waar een substantiële verslechtering van de leef-
baarheid door geluidhinder optreedt. 29 Het gebied ligt nabij de havens, waarvan het ver-
keer en de industrie nu al een relatief hoge geluidbelasting veroorzaken. Het kan beteke-
nen dat het toegevoegde windturbinegeluid wordt gemaskeerd of juist tot een (nog) slechtere milieusituatie leidt. 30
22
Zie bijvoorbeeld: NSG-richtlijn laagfrequent geluid. NSG, Delft (1999)
23
Zie bijvoorbeeld: Vercammen MLS & Heringa PH. 1990. Laagfrequent geluid; grenswaarden, overdracht en meten. Rapport
24
Zie ook de eerder genoemde Leidraad Windenergie Voorne-Putte, bijlage 5.
R 548-13, Peutz, Nijmegen.
25
Het bestemmingsplan moet, in het kader van de goede ruimtelijke ordening, ook de jeugdgevangenis (zie hiervoor zienswijze 431) en de begraafplaats voldoende beschermen tegen geluidhinder.
26
World Health Organization. 2018. Environmental noise guidelines for the European Region. Daarin staat de volgende con-
27
XL Wind BV vraagt aandacht voor cumulatie van geluid van windpark Brielse Maasdijk met dat van windpark Hartelbrug II.
clusie: Evidence for a relevant absolute risk of annoyance at 45 dB Lden was rated low quality.
28 29
Conform de Activiteitenregeling milieubeheer, bijlage 4.
Ook de GGD, de gebiedscommissie Hoogvliet en omwonenden vragen om aandacht voor de cumulatie van geluid afkomstig van verschillende bronnen. Zie hiervoor naast de zienswijzen van de GGD Rotterdam en de gebiedscommissie bijvoorbeeld
30
die met nummer 70, 82, 121, 245, 378 269, 425 en 429. Een aantal omwonenden doet het voorstel om bijvoorbeeld (groene) geluidschermen te plaatsen om de hinder door industriegeluid te verminderen (zienswijze 428).
-7-
Externe veiligheid en veiligheid waterkeringen 31 Beschrijf niet alleen de risico’s die de turbines opleveren voor hun omgeving en voor andere
activiteiten, zoals de lucht- en scheepvaart 32. Ga ook na in hoeverre effecten van installaties in het Botlekgebied op de windturbines aan de orde zijn. 33
Geef in het MER aandacht aan de sterkte (standzekerheid) en de veiligheid van de waterkering. Neem hierbij ten minste mee: • •
het effect van bemaling (aanlegfase) en trillingen (aanleg- en gebruiksfase); de werpafstand bij overtoeren van de windturbine (gebruiksfase).
Energieopbrengst Laat per opstellingsalternatief het vermogen van de windturbines en de (jaarlijkse) verwachte energieopbrengst zien. Gebruik hiervoor betrouwbare windstatistieken en (eventuele) opbrengstgegevens van operationele windturbines.
Laat voor de alternatieven de verhouding zien tussen de milieuwinst (energieopbrengst en
vermeden emissies van CO2, NOX en SO2 en fijnstof) en de nadelige effecten (hinder, natuur-
schade, inbreuken op het landschap). Bepaal de kwantificeerbare milieueffecten (zoals geluid,
vogel- en vleermuisslachtoffers) per eenheid opgewekte energie. Daaruit kan blijken dat al-
ternatieven met relatief grote milieueffecten en hoge energieopbrengsten naar verhouding toch beter scoren dan alternatieven met minder milieueffecten en een lagere energieop-
brengst. Houd, als dat aan de orde is, ook rekening met de gevolgen voor de energieop-
brengst van eventuele effectbeperkende maatregelen die de opbrengst doen afnemen. Denk
bijvoorbeeld aan maatregelen om de geluidhinder en het aantal slachtoffers onder vogels en
vleermuizen terug te dringen.
31 32 33
Voor het aspect luchtvaartveiligheid (radarverstoring) verwijst de Commissie naar de zienswijze van LVNL. Zie hierover de zienswijze van Koninklijke BLN-Schuttevaer.
Zie hierover de zienswijze van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.
-8-
BIJLAGE 1: Projectgegevens Advies van de Commissie over het op te stellen MER
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep geeft aan welke
onderwerpen naar zijn mening moeten worden behandeld in het MER en met welke diepgang. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het voornemen op 15 februari 2021 besproken met het bevoegd gezag en de initiatiefnemer. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep
Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Peter van der Boom MA
Eric van der Burg (voorzitter) drs. Sjef Jansen
dr. Johan Lembrechts (secretaris) ing. Caspar Slijpen
Besluit waarvoor dit milieueffectrapport wordt opgesteld
Wijzigen bestemmingsplan en verlenen omgevings- en een Waterwetvergunning Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld?
Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist
zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D22.2 , “de oprichting van een windturbinepark met een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt of meer”. Voor
deze procedure wordt een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag
Bestemmingsplan: gemeenteraad van de gemeente Nissewaard
Vergunningen: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard en Wa-
terschap Hollandse Delta en Rijkswaterstaat Initiatiefnemer
Bestemmingsplan: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard Vergunningen: HVC Landwind b.v.
Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 26 maart 2021 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER.
Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft gebruikt?
U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3516 in te vullen in het zoekvak.