Bijlage Mer-beoordeling - Archeologie
Tekst van het document
blad 29 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
plangebied (oppervlakte)vondsten uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bekend. Water‐gerelateerd erfgoed zal aanwezig zijn nabij of in de geul.
Uiterlijke kenmerken Resten uit de ijzertijd‐Romeinse tijd kunnen bestaan uit boerderijplattegronden (paalkuilen, paalsporen, huttenleem) perceelgreppels, ploegsporen, haardkuilen, afvalkuilen, waterputten en vondsten zoals aardewerk, natuursteen, metaal, bewerkt hout, houtskool, andere organische resten zoals leer, textiel, bewerkt bot, resten van voedsel‐ en voedselbereiding (bot, schelp, plantaardig materiaal). Dergelijke vondsten worden ook verwacht in een donkergekleurde, humeuze, ‘vuile’ laag die kenmerkend zijn voor nederzettingsterreinen uit de midden en late ijzertijd, en ook de Romeinse tijd. Ook is het mogelijk om vondsten van glas aan te treffen vanaf de late ijzertijd. Mogelijk werd afval ook (deels) in de geul en op de oevers gedeponeerd. Vanaf de Romeinse tijd is het mogelijk bouwkeramiek (waaronder dakpannen) aan te treffen. Vondsten die behoren tot een Romeins grafveld bestaan (onder andere) uit (on)verbrand bot, aardewerk, glas, metaal en houtskool. In en nabij de geul kan water‐gerelateerde vondsten worden gedaan zoals resten van dammen, duikers, steigers, beschoeiing, kano’s, visgerei waaronder fuiken, bruggetjes en dergelijke. Deze zullen dan voornamelijk uit hout of ander plantaardig materiaal hebben bestaan. Archeologische resten en sporen uit de middeleeuwen kunnen mogelijk ook bestaan uit een dergelijke vondstrijke, humeuze, ‘vuile laag’.
Verder bestaan de resten uit de middeleeuwen uit huisplattegronden, perceelsloten, paalgaten, funderingsresten van boerderijen of schuren. Verder kunnen er afvallagen of afvalkuilen, sporen van landinrichting en landbouw (akkerlaag, ploegsporen) worden aangetroffen. Vanaf de late middeleeuwen kan bouwkeramiek zoals bakstenen en dakpannen voorkomen, en vondsten van steengoed, pijpaarde en vanaf de 17e eeuw ook porselein. Vanaf de nieuwe tijd kent het plangebied een agrarisch karakter. Tot 1994 was een oude weg aanwezig die door het meest noordwestelijke deel van het plangebied liep. Voor deze periode worden er voornamelijk resten van perceelsloten, sporen van landinrichting en landbouw (akkerlaag, ploegsporen) en oud bestratingsniveau of een oud wegdek (pakket van karresporen) verwacht.
Mogelijke verstoringen Alleen in het meest noordelijke deel en langs de zuidwestelijke rand van het plangebied liggen bestaande kabels en leidingen. Hier zal vermoedelijk de bodem al verstoord zijn geraakt. Binnen het overige deel van het plangebied zijn geen bestaande kabels en/of leidingen aanwezig. Hier is de bodem hoogstwaarschijnlijk nog intact. Dit is ook duidelijk uit de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het plangebied. Omdat het plangebied lange tijd een agrarisch karakter heeft gehad, kunnen agrarische werkzaamheden wel voor bodemverstoring hebben gezorgd.
2.4
Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Op basis van dit archeologisch bureauonderzoek is het volgende advies geformuleerd. Aan de hand van landschappelijke en met name bekende archeologische gegevens geldt er binnen het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van (nederzettings)resten uit de ijzertijd (met name midden en laat), Romeinse tijd en de middeleeuwen. Dit in vertaald in het gemeentelijke beleid waardoor voor de toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied, nader archeologisch onderzoek verplicht is. Dit bureauonderzoek is uitgevoerd als eerste stap binnen de cyclus van Archeologische Monumentenzorg. Op basis van de bevindingen is als vervolgstap een verkennend en karterend archeologisch veldonderzoek noodzakelijk (zoals geadviseerd door het bevoegd gezag).32 Het verkennend inventariserend veldonderzoek (KNA 4.2, protocol 4003, IVO‐O) dient te worden uitgevoerd met als doel de ondergrond in kaart te brengen, kansrijke zones te definiëren en eventuele bodemverstoringen vast te stellen (verkennend). Het karterend onderzoek is gericht op het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische waarden, zoals verwacht uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen. 32
Loopik 2025, pg. 25.
blad 30 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
In het eerder genoemde en opgestelde Programma van Eisen (zie Loopik 2025) is vastgesteld dat de inventariserende boringen in een verspringend grid van 20 bij 25 meter worden geplaatst. Het aantal boringen komt hiermee op circa 135 uit. Voor de karterende fase van het booronderzoek dient er rekening te worden gehouden met inzet van extra boringen (10% van de totale boringen), maximaal 13 boringen.
blad 31 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
3.
Veldonderzoek
3.1
Doel‐ en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende en karterende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. De karterende fase van het onderzoek heeft tevens als doel het bepalen van de aan‐ of afwezigheid van archeologische vindplaatsen in een gebied dat bij eerder onderzoek als kansrijk op archeologische vindplaatsen is gewaardeerd. Voor het booronderzoek is een Programma van Eisen opgesteld door de adviseur van gemeente Nissewaard, Archeologie Rotterdam (BOOR),33 met daarin opgenomen de volgende onderzoeksvragen:
33
Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied? Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? Zijn in het plangebied stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? Op welke diepte bevinden deze niveaus zich? Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig en kan, indien mogelijk, een eerste indruk gegeven worden van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden? In de uiterste noordoostelijke hoek zijn een viertal boringen op de locatie van een historisch dijklichaam geplot. Is deze dijk ook daadwerkelijk aanwezig? Is in het plangebied, gelet op de geplande bodemingrepen, vervolgonderzoek noodzakelijk?
Loopik 2025, 27.
blad 32 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
Juli 2025
Veldteam Weersomstandigheden
M. van Dasselaar (Antea Group) geassisteerd door Anita Perlot, Kevin Hovens, Wouter Post en Melvin Speelmeijer (Vriens Archeo) Grotendeels droog, niet al te warm zomerweer (20‐25 graden).
Boortype
Edelman, diameter 7cm en guts, diameter 3 cm.
Methode conform Leidraad Het PvE bepaalt dat: ‘De boringen worden in een verspringend grid van 20 bij 25 m geplaatst, waarbij de afstand tussen de raaien 25 m SIKB34 bedraagt. Dit vanwege de mogelijke aanwezigheid van Midden‐ IJzertijd vindplaatsen zoals vindplaats 10‐142, met een grootte van circa 450 m2. De methode is conform tabel 38, nr. I: ‘nederzettingen met archeologische laag, huisplaats 500‐2000 m2’ uit RAAP‐rapport 1000 (Tol, Verhagen, Borsboom & Verbruggen 2004)’. Motivatie boormethode Voor het onderzoek is een PvE boren opgesteld door Archeologie Rotterdam (BOOR). In het PvE‐boren is de gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld, waarop de veldstrategie is gebaseerd en bevat eisen waaraan het archeologisch onderzoek moet voldoen, alsmede onderzoeksvragen die moeten worden beantwoord. Aantal boringen Uitgevoerd zijn 115 boringen. Oriëntatie grid t.o.v. geo‐ morfologie/paleo‐ landschap Wijze inmeten boringen
In raaien over het perceel, niet gericht op geomorfologie /paleolandschap.
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeo‐ logische indicatoren Bemonstering
n.v.t.
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA
GPS.
ASB Brokkelen/snijden. Er zijn zeefmonsters genomen van de cultuurlaag ijzertijd. Dit zijn kleine monstertjes uit de guts en B061b is met Edelman 7 cm diameter doorgeboord tbv de monstername. Matig (aardappelveld) tot goed (langs paden). Continu verzameld waar zichtbaar.
34
Het boorplan is aangepast aan de bestaande paden door het met aardappels beplante perceel. Zowel ARBO‐ technisch (lopen/boren in het aardappelveld met hoge ruggen en lage delen), als om schade aan de aardappels te voorkomen, was het uitvoeren van de boringen in het aardappelveld niet wenselijk. In het noordelijke deel zijn enkele boringen komen te vervallen vanwege de ligging van een gasleiding en bijbehorende Eis Voorzorgsmaatregel. In overleg met het bevoegd gezag is voor het bepalen van de diepste delen van de bodemopbouw, gekozen om hiervoor eerst 15 boringen uit te voeren tot onder het veen/ in de top van de afzettingen van het Laagpakket van
Tol e.a. 2012
blad 33 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden
3.3
Naaldwijk, de afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Na de beknopte rapportage van de resultaten van deze boringen is door het bevoegd gezag besloten dat de overige boringen tot in de top van het Hollandveenpakket konden worden uitgevoerd.35 Geen bijzonderheden. Geen bijzonderheden.
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in naar de boorpuntenkaart en boorprofielen (0499411.10‐07 en 08) in de kaartenbijlagen.
3.3.1
Bodemopbouw De bodemopbouw is grotendeels aangetroffen conform de vooraf opgestelde verwachting. Onder een pakket van mariene afzettingen ligt op een diepte van 2 tot circa 4 meter ‐mv Hollandveen. Om te bepalen of er onder het Hollandveen afzettingen van Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer aanwezig zijn, zijn aan het begin van het onderzoek 15 boringen uitgevoerd verspreid over de onderzoekslocatie. Deze boringen zijn tot onder het Hollandveen (of maximaal tot 5 m‐mv) gezet. Binnen deze 15 diepe boringen zijn 5 boringen waarin, binnen de boordiepte van 5 meter, de top van de onder het veen liggende Wormer afzettingen is aangetroffen. Deze afzettingen (Laagpakket 1) bestaan uit sterk siltige klei (op een diepte van 4,70‐4,90 tot 5,0 m‐mv). In B044 is van 4,8‐5,0 m‐mv net een zandig niveau opgeboord. De sterk siltige slappe klei wijst op kwelderachtige afzettingsomstandigheden zonder substantiële zandige kreek‐ of oeverafzettingen, waarop eventueel bewoning mogelijk was geweest in het neolithicum. Nader onderzoek naar dit niveau was daarom niet nodig, hetgeen is afgestemd met het bevoegd gezag.
Laagpakket 2: Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket Vanaf 5 m‐mv of net daarboven is een veenpakket gevormd, dat momenteel nog circa 2 á 3 meter dik is. De onderste delen van het veenpakket bevatten kleine houtresten en riet. Naar boven toe verdwijnen de houtresten en blijft rietveen over. Plaatselijk is binnen het Hollandveenpakket een dunne kleilaag van enkele mm tot circa 20 cm dik afgezet. De top van deze kleilaag is zeer scherp. Mogelijk is de laag een zogenaamde ‘klapklei’, ingespoelde klei van een nabijgelegen veenriviertje, waarbij de klei door een scheur in het eerder gevormde veenpakket is binnengedrongen. Het bovenliggende veenpakket is hierdoor gaan drijven (zie Afbeelding 22, rechtsonder, B074, B075, B075a). Laagpakket 3: Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Walcheren Boven het Hollandveen en gedeeltelijk hierin ingesneden zijn verschillende fases van meer of minder zandige kleiige afzettingen (getijdengeul‐ en oeverafzettingen). Er worden vijf niveaus onderscheiden, drie kleiige fases en twee zandige fases. Het onderste niveau van het laagpakket van Walcheren bestaat overal uit humeus, licht venige klei en bevat weinig tot geen zand (Afbeelding 22, fase 1). Daarboven is een fase met zandige klei en zandlagen afgezet (fase 2), waarin verspoelde veenresten zijn opgenomen (zogenaamde detrituslagen).
Boven en vermoedelijk gedeeltelijk gelijktijdig met deze lagen is een humeuzer kleiig niveau gevormd (fase 3), met daarboven weer sterk siltige /zandiger mariene afzettingen met slappe klei en silt en zandige kleilagen (fase 4). Plaatselijk is op de top hiervan nog een lichtere kleiige afzetting afgezet (fase 5). De resultaten van het booronderzoek worden besproken aan de hand van het noord‐zuid profiel op basis van de boringen getekend is (Afbeelding 22). Hierin is de onderverdeling van de laagpakketten opgenomen, gecombineerd met de aangetroffen archeologische resten en vergeleken met de bodemkundige en archeologische waarnemingen van de eerder uitgevoerde onderzoeken.
35
Emails dhr. Loopik dd. 1 juli en 17 juli 2025.
blad 34 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Afbeelding 22: profiel noord‐zuid (zie bijlage voor een grotere versie, bron: Antea Group).
3.3.2
Archeologie Op twee verschillende niveaus zijn archeologische resten aangetroffen: ‐ in de top van het Hollandveenpakket: midden ijzertijd ‐ binnen en op de geul‐ en oeverafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (late ijzertijd‐ Romeinse tijd‐ middeleeuwen) Op deze verschillende niveaus zijn in totaal zes verschillende vindplaatsen te definiëren, welke hieronder worden beschreven. Onderstaande afbeelding geeft aan waar deze vindplaatsen binnen het plangebied liggen.
blad 35 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Afbeelding 23. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart, met de verschillende vindplaatsen aangeduid (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo).
Achtereenvolgens betreft het: Midden‐ijzertijd in de top van het Hollandveen: 2 vindplaatsen Vindplaats 1: Conform het eerder uitgevoerde booronderzoek van BOOR is in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied op de top van het Hollandveen in een aantal boringen een donkere cultuurlaag aangetroffen. In de nu uitgevoerde boringen zijn dat met name in de boringen 052a en 075a, (zie Afbeelding 25, vindplaats BOOR 10‐142). De donkere veenlaag bevat fragmentjes houtskool en (klein) aardewerk. In Afbeelding 25 zijn de twee kernen van de vindplaats aangegeven, grotendeels gebaseerd op de boorpuntenkaart van BOOR (zie afbeelding 19, de blauwe symbolen op de kaart van Moree 2011). Hieromheen is in een aantal boringen op beperkte schaal houtskool aanwezig in de kleiige top van het veen (B021, 021a, B041 en B054). Gecombineerd met de resultaten van de boringen van BOOR, is de periferie van de vindplaatsen in Afbeelding 25 aangegeven met lichtblauwe cirkels. De omschrijving en interpretatie van de vindplaats door BOOR wordt gevolgd: vermoedelijk betreft het twee boerderijplaatsen, welke van elkaar gescheiden worden door een geulafzetting (in de boringen te herkennen in B043 en 051). De datering is eerder door BOOR vastgesteld op midden ijzertijd.
Vindplaats 2: Eveneens in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied, maar dan in het zuidelijke deel, zie afbeelding 23, werd in boring 061 op hetzelfde niveau, de top van het veen, een circa 10 cm dik laagje met houtskoolresten en verbrand bot aangetroffen. De twee extra uitgevoerde boringen bevatten ook archeologische indicatoren (B061a met hout in een zandige (geul?)afzetting, en B061b een donkere houtskoolhoudende cultuurlaag, met daaronder een opvallend lichtbruin veen/mest(?) pakket, beide lagen ca. 15 cm dik (zie Afbeelding 24).
blad 36 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Afbeelding 24. Boring 061b (bron: Antea Group).
De boringen 061/ 061a/b worden gezien als de kern van deze vindplaats (mogelijk boerderijplaats, vindplaats 2). Ook rondom deze kern is in een aantal boringen houtskool aangetroffen in de top van het veen. In Boring 031 is er redelijk veel houtskool en in Boring 028 enkele spikkels. In Boring 066 lijkt de top van het veen veraard (mogelijk het gevolg van antropogene bewerking). De boringen B028/031 en B66 zijn aangegeven met een blauwe cirkel; periferie van de vindplaats. Gezien de vergelijkbare stratigrafische positie als BOOR vindplaats 10‐ 142 is de datering van deze vindplaats vermoedelijk ook midden ijzertijd. De landschappelijke positie van beide vindplaatsen In Afbeelding 25 is de diepte van de top van het veen weergegeven ten opzichte van het maaiveld. Door het veen lopen in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied kleiige banen die dieper in het veen zijn ingesneden. In beide gevallen liggen de vindplaatsen juist op de rand van het nu nog hoger gelegen deel van het veen (lichtbruin, hoger dan 2,5 m‐mv), met een dieper (kleiig) geultje (donker roodbruin (2,5‐ 3 m‐mv) en lichtpaars (dieper dan 3 m‐mv)).
Afbeelding 25. Diepte van de top van het veen, met midden ijzertijd vindplaatsen, vindplaats 1 en 2, aangegeven met de blauwe zones (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo).Een gedetailleerde versie zit in bijlage 12.
blad 37 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
In en op de geul‐ en oeverafzettingen van het Laagpakket van Walcheren: 3 vindplaatsen (zie Afbeelding 26) Vindplaats 3: De eerder door BOOR vastgestelde vindplaats 10‐036 (Romeinse tijd, zie Afbeelding 18, de gele symbolen op de kaart van Moree 2011) is daar in de boringen weer aangetroffen, met aardewerk en houtskoolresten in enkele boringen. Ook ligt hier een concentratie van oppervlaktevondsten, met name rond B075/B076. Zowel naar het noordwesten als naar het westen zijn archeologische indicatoren aanwezig, aansluitend aan de langs de Groene Kruisweg gelegen BOOR‐vindplaatsen 10‐167 en 10‐171,. Met name de boringen B117, B118a en B119 bevatten zowel humeuze kleilagen ( cultuurlagen) als fragmenten aardewerk en houtskool. Ook zuidelijker, tot boring 121a/B 112/B80 komen baksteen/dakpanspikkels en houtskool verspreid voor. Ook bevatten verschillende boringen groene (fosfaathoudende) niveaus (B111, B087, B052a, B075a, B44). In het gehele noordelijke deel van de onderzoekslocatie zijn dus verspreid in zowel de boringen, als in de vorm van oppervlaktevondsten (zie beschrijving 3.3.2.1 vondstmateriaal) meerdere archeologische indicatoren aanwezig. Het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is vindplaats 1 late ijzertijd/Romeinse tijd, zie afbeelding 25). Vindplaats 4 en 5 zijn kleiner dan vindplaats 3.
Vindplaats 4: Deze bevindt zich in de zuidoostelijke hoek van de onderzoekslocatie. Hier zijn in zes boringen archeologische indicatoren aangetroffen (zie profiel 1, afbeelding 22, B057 t/m 061). In de boringen zijn fragmenten van grijsbakkend aardewerk (B061) en kleine brokjes handgevormd aardewerk (B059) aangetroffen. Daarnaast zijn hier houtskoolfragmenten (B058 en B059, baksteen/(of aardewerkspikkels (B060 en B031), en botmateriaal (B060) opgeboord). Ook is aan het oppervlak een klein aantal aardewerkfragmenten en tussen B060 en B061 een fragment botmateriaal verzameld (mogelijk (menselijke) schedelfragment. Zie voor een volledige beschrijving wederom paragraaf 3.3.2.1 vondstmateriaal. Vindplaats 5: Dit is de bekende vindplaats waar Stiboka in 1957 aardewerk heeft gevonden (Archis 2841937100, in Moree 2011 aangeduid als ‘locatie 12‘ ). Ook is hier, vergeleken met het noordelijke deel van het perceel een beperkt aantal scherven gevonden. In de boringen is met name in B108 een humeuze laag met baksteen/aardewerkspikkels waargenomen. Boring 109 bevat op vergelijkbare diepte een plastic drainage buis met recente baksteenresten. Ook in B092 en B094 zijn in de bouwvoor felrode baksteen‐/aardewerkspikkels zichtbaar.
blad 38 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Afbeelding 26. Vindplaatsen Romeinse tijd‐middeleeuwen, vindplaatsen 3, 4 en 5 (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo). Een gedetailleerde versie zit in bijlage 12.
Middeleeuwen /Nieuwe tijd: 1 vindplaats Vindplaats 6: De loop van de Hogelandsche weg is vermoedelijk te herkennen aan de drie donker humeuze lagen in de boringen 046, 075b en mogelijk B078. Dit zijn vermoedelijk bermgreppels van de weg. In Boring 046 is Romeins en ijzertijd aardewerk in de vulling aangetroffen. De meest logische verklaring hiervoor lijkt het dat de greppels gedempt zijn met grond van de omliggende akker, waarin veel oppervlaktevondsten uit de Romeinse tijd aanwezig zijn. De locatie van het dijklichaam dat door het uitstekende noordoostelijke hoekje aan de onderzoekslocatie zou lopen is niet vastgesteld. In het zuidelijke deel van dit uitstekende perceeltje loopt de gasleiding en kon niet geboord worden. In het noordelijke deel zijn boring 016 en 016a uitgevoerd, maar deze zijn beide gestuit op circa 50 cm‐mv op een (vermoedelijk recent opgebrachte) puinlaag. Het gehele perceeltje maakt een rommelige indruk en lijkt recent opgehoogd.
3.3.2.1 Vondstmateriaal Zoals hierboven vermeld, zijn er tijdens het booronderzoek meerdere archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van (oppervlakte)vondsten. Deze vondsten zijn door specialisten geanalyseerd en de resultaten worden hieronder weergegeven.
blad 39 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00 36
Aardewerk (J. van Kerckhove) In het vondstenspectrum zijn drie periodes vertegenwoordigd: de Romeinse tijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd. De vondsten uit al deze periodes zijn behoorlijk verweerd en verschillende perioden zijn binnen dezelfde boringen vertegenwoordigd. Romeinse tijd Het aardewerk uit de Romeinse tijd is verweerd en gefragmenteerd. De meeste scherven hebben een lange doorlooptijd. Zij lijken echter alle in de Midden‐Romeinse tijd te dateren. Enkele scherven dateren in de periode tussen ca. 70 en 120/150 na Chr. Het betreft een handgevormde scherf bij B109 en een ruwwandig reducerende, Rijnlandse scherf in Opp. 101. De geverfde scherven in techniek b met zandstrooiing (B075B, 102A en B076) wijzen op een datering tussen ca. 90 en 180 na Chr. De periode na ca. 120/150 na Chr. is vertegenwoordigd door een rand van een kom Niederbieber 104 in een Maaslands baksel en een bord Stuart 216 bij B076. Zowel de fijne waar (terra sigillata, geverfd), het ruwwandige gebruiksaardewerk (vooral Low Lands Ware 1) en de amforen goed vertegenwoordigd. Uit deze assemblage zijn geen bijzondere patronen af te leiden. Bij 102A zijn twee verbrande gladwandige scherven verzameld. Deze zouden afkomstig kunnen zijn van fragmenten van de brandstapel die in graven zijn gedeponeerd. Helemaal zeker is dit echter niet.
Het is echter niet uit te sluiten dat de overige vondsten niet eveneens afkomstig zijn van onverbrande grafgiften. Het is evenzeer mogelijk dat het om nederzettingsafval gaat.
Middeleeuwen Het middeleeuwse aardewerk bestaat uit vol‐middeleeuws aardewerk (Paffrath‐type, Pingsdorf‐type) en in mindere mate laat middeleeuws aardewerk (grijsbakkend aardewerk). Nieuwe tijd Behoorlijk wat van het aardewerk dateert in de nieuwe tijd. Het gaat vooral om roodbakkend aardewerk. Mogelijk is het keramisch bouwmateriaal ook in deze periode te dateren. Conclusies Er zijn in totaal 123 scherven verzameld uit de Romeinse tijd, de volle en late middeleeuwen en de nieuwe tijd. De recentste, nieuwtijdse vondsten die op het oppervlak zijn verzameld, zijn uiteraard het beste bewaard. Het aardewerk uit de Romeinse tijd is veelal verweerd, maar toch zit ook hier nog een redelijk goed bewaarde aardewerkcomponent. Het betreft in ieder geval scherven uit de midden Romeinse tijd. De lage hoeveelheid handgevormd aardewerk doet vermoeden dat het om een complex gaat dat na ca. 90 na Chr. te dateren is, iets wat ook ondersteund wordt door de geverfde waar met zandbestrooiing. Scherven die onmiskenbaar in de 3de eeuw te dateren zijn, zijn niet herkend. We kunnen dus voorzichtig stellen dat de nadruk van het Romeinse complex in de 2de eeuw ligt. Dit is echter een voorlopige conclusie, aangezien het slechts een beperkte hoeveelheid scherven betreft uit een booronderzoek. Het aardewerk uit de volle en late Middeleeuwen is een stuk verweerder.
Bij het vol‐middeleeuwse aardewerk is met name het wat jongere, 12de‐eeuwse Pingsdorf‐ type aardewerk beter gerepresenteerd.
Botmateriaal (C. Nater)37 Zoals hierboven genoemd, is er tussen B060 en B061 een fragment bot van 4 x 1,5 cm verzameld. Het lijkt een schedelfragment, mogelijk menselijk. Er zijn verder geen diagnostische kenmerken, dus de interpretatie als ‘menselijk’ is niet met zekerheid te bepalen.
36 37
Aardewerk en Archeologie, senior KNA aardewerkspecialist. Zie voor volledig rapport bijlage 11. Determinatie C. Nater (Antea Group, specialist menselijk botmateriaal).
blad 40 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
3.4
Beantwoording onderzoeksvragen Voor het booronderzoek is een Programma van Eisen opgesteld door de adviseur van gemeente Nissewaard, Archeologie Rotterdam (BOOR),38 met daarin de eerder genoemde onderzoeksvragen (zie paragraaf 3.1) opgenomen. Hieronder worden deze onderzoeksvragen beantwoord:
Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied? De bodemopbouw is grotendeels aangetroffen conform de vooraf opgestelde verwachting. Onder een pakket van mariene afzettingen (Fm. Van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) ligt op een diepte van 2 tot circa 4 meter ‐mv het Hollandveen laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de meeste boringen reikt het veen dieper dan 5 m –mv (maximale boordiepte). In enkele boringen die tot 5 m –mv zijn gezet, en waar het veen tot 4,7 m –mv reikte, was er onder de veenlaag een laag aanwezig van sterk siltige klei en zand (1 boring) van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). De ligging van de aangetroffen kreekrug/geulafzettingen komt niet exact overeen met de paleogeografische kaarten. Daarop staat een groter geulsysteem dat in de ijzertijd en Romeinse tijd vlak ten oosten van de onderzoekslocatie loopt. Mogelijk is de aangetroffen kreekrug binnen de onderzoekslocatie daar een kleine aftakking van.
Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? Afgezien van de loop van een gasleiding door het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is overal sprake van een zo goed als intacte (natuurlijke) bodemopbouw. In het kleine noordoostelijk uitstekende deel van de onderzoekslocatie zijn boring 016 en 016a uitgevoerd, maar deze zijn beide gestuit op circa 50 cm‐mv op een (vermoedelijk recent opgebrachte) puinlaag. Het gehele perceeltje maakt een rommelige indruk en lijkt recent opgehoogd.
Zijn in het plangebied stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? De top van het Hollandveen is een niveau met archeologische potentie. Ook verschillende niveaus binnen de over het veen afgezette mariene afzettingen van het Laagpakket van Walcheren hebben archeologisch potentie. Deze afzettingen zijn onder te verdelen in vijf fases, waarvan de top van de 2e, vol 4e en 5e fase archeologische potentie hebben. Volgens de oude geologische benamingen zijn de 2e en 4e fase (beide bestaand uit zandige geul– en oeverafzettingen) vermoedelijk te benoemen als respectievelijk de afzettingen van Duinkerke I en Duinkerke III. Hierboven is als laatste fase (ook nog Duinkerke III klei afgezet.
Op welke diepte bevinden deze niveaus zich? De top van het veen bevindt zich op een diepte van ca. 2 tot 4 m onder het huidige maaiveld (zie Afbeelding 25). De top van de afzettingen van Duinkerke I varieert van ca. 1 tot 1,5 m‐mv. De top van de afzettingen van de zandige delen van Duinkerke III ligt op ca. 50‐80 cm ‐mv (zie de profielen in bijlagen 0499411.102‐08 en 0499411.102‐09).
Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig en kan, indien mogelijk, een eerste indruk gegeven worden van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden? Niet voor niets is het onderzoeksgebied en een groot gebied ten westen ervan aangewezen als archeologisch monument; op basis van de aangetroffen archeologische resten én de reeds bekende archeologische gegevens van verschillende vindplaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is er een goed beeld van het landschap en de aanwezigheid van vindplaatsen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en in beperkte mate ook uit de middeleeuwen te schetsen. Twee vindplaatsen uit (vermoedelijk) de midden ijzertijd liggen op de rand van het veen, beide aan een zijtak van een toenmalig veenriviertje. De noordelijke vindplaats (B10‐142) is door BOOR geïnterpreteerd als ‘twee boerderijplaatsen’ uit de midden ijzertijd, de nu ontdekte vindplaats rondom boring 061 zal dat vermoedelijk ook zijn. Uit het booronderzoek ontstaat het beeld van smalle geulen die van de grote geul in het westen van de onderzoekslocatie naar het veen in het oosten lopen. Deze kleinere geulen waar de vindplaatsen aan liggen zijn ‘verdacht’ op watergebonden archeologische resten uit de ijzertijd.
38
Loopik 2025, 27.
blad 41 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Voor de Romeinse tijd is sprake van drie locaties. Met de resultaten van de cropmarks in het terrein ten westen van het onderzoeksgebied ontstaat het beeld van een ingericht landschap in de Romeinse tijd, dat met perceelsgreppels verdeeld is en waarin zich verschillende gebouwen bevinden (vindplaats 3). De percelering en de daarop gerichte bebouwing volgt globaal de loop van de kreekrug, waarbij de kreek vermoedelijk al vanaf de ijzertijd actief geweest is. Dit complex maakt deel uit van een groter landschap waarin ook zuidelijker veel vindplaatsen bekend zijn en waarin noordelijker onder andere twee grafvelden liggen. Eerder zijn hier door kleine waarnemingen delen van bebouwing aangetroffen (10‐037, 10‐167 en 10‐171) of (oppervlakte)vondsten gedaan tijdens booronderzoek (10‐036). De concentratie van de vondsten bevindt zich in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie, maar ook in het zuidelijke deel zijn nu twee kleine vindplaatsen (vindplaats 4 en 5) door het booronderzoek vastgesteld. Tenslotte zijn in de boringen bermgreppels waargenomen die waarschijnlijk behoren bij de Hogelandscheweg en die dateren in de nieuwe tijd (vindplaats 6).
3.5
In de uiterste noordoostelijke hoek zijn een viertal boringen op de locatie van een historisch dijklichaam geplot. Is deze dijk ook daadwerkelijk aanwezig? Vanwege de ligging van de gasleiding en het (met puin?) opgehoogde deel van dit deel van de onderzoekslocatie zijn hier geen geslaagde boringen uitgevoerd en kan deze vraag dus niet beantwoord worden.
Is in het plangebied, gelet op de geplande bodemingrepen, vervolgonderzoek noodzakelijk? Gelet op de geplande bodemingrepen en de aangetroffen archeologische waarden is er zeker vervolgonderzoek nodig. Op deze vraag wordt verder gegaan in de synthese.
Synthese Binnen het uitgevoerde bureauonderzoek werd een hoge archeologische verwachting opgesteld voor het aantreffen van resten uit de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. De focus lag hierbij op resten uit de midden en late ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen. Het plangebied bevindt zich in twee AMK‐terreinen, en voor beide AMK‐terrein geldt dat er resten uit deze perioden aanwezig zijn. De terreinen hebben een hoge en zeer hoge archeologische waarde.
Midden ijzertijd Voor de midden ijzertijd was bekend dat er bewoning plaatsvond op de oevers van de geulen die op dat moment actief waren (aanwezige Duinkerke I‐geulensysteem). Eerder uitgevoerd archeologisch booronderzoek binnen het plangebied toonde aan dat de midden ijzertijd resten zich op het Hollandveen bevonden, op een diepte van circa 1,7 tot 3,5 meter beneden maaiveld. Deze boringen zijn destijds door BOOR in het noordoostelijke deel van onderhavig plangebied gezet. Onderhavig booronderzoek uitgevoerd door Antea Group bevestigt dat binnen het noordoostelijke deel van het plangebied inderdaad een vindplaats uit de midden ijzertijd aanwezig is. Ook in het zuidelijke deel van het plangebied blijken resten uit de midden ijzertijd aanwezig. Op de top van het Hollandveen zijn meerdere archeologische indicatoren aangetroffen (donkere cultuurlaag, houtskool). Het Hollandveen ligt op een diepte van 2 tot circa 4 meter beneden maaiveld, soms zelfs dieper dan 5 meter beneden maaiveld.
Late ijzertijd‐Romeinse tijd Op basis van bekende archeologische gegevens (AMK‐terrein, eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek) was er tevens een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de late ijzertijd‐Romeinse tijd opgesteld in het bureauonderzoek. De bewoning was in deze perioden, voornamelijk in de late ijzertijd, nog steeds gevestigd langs de oevers van de actieve geulen. Duidelijk werd ook, op basis van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek zowel binnen als net buiten het plangebied, dat het gebied zeer intensief werd gebruikt in de Romeinse tijd. Er zijn resten van bewoning bekend zeer nabij het plangebied en op een geringe afstand naar het noorden ligt een Romeins grafveld. Eventuele resten werden van de late ijzertijd en de Romeinse tijd werden in de top van de Afzettingen van Duinkerke I verwacht, op een gemiddelde diepte van 1,8 meter beneden maaiveld. Romeinse resten zouden zich eventueel ook nog direct onder de bouwvoor kunnen bevinden.
blad 42 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Bij onderhavig booronderzoek zijn meerdere oppervlaktevondsten aangetroffen, en bij enkele boringen zijn er ook archeologische indicatoren aangetroffen, bestaande uit aardewerk, houtskool, botmateriaal en kleine fragmenten baksteen/dakpanmateriaal. Het aardewerk dateert voornamelijk uit de midden Romeinse tijd. De afzettingen waarop de resten uit de late ijzertijd en Romeinse tijd werden verwacht, de top van de Afzettingen van Duinkerke I, bevonden zich binnen het plangebied op een diepte van gemiddeld 1 tot 1,5 meter beneden maaiveld. Dit is dus iets minder diep dan opgesteld in het bureauonderzoek. Uiteindelijk zijn met het booronderzoek drie vindplaatsen aangeduid waar Romeinse resten worden verwacht. Bij één van deze vindplaatsen (vindplaats 4) is de datering mogelijk Romeins‐middeleeuws. Binnen het bureauonderzoek werd aangegeven dat het niet uit te sluiten is dat er eventueel resten van een Romeins grafveld aanwezig kunnen zijn. Indicatoren die hierop zouden kunnen wijzen zijn enkele verbrande scherven aardewerk uit de Romeinse tijd, mogelijk afkomstig van grafgiften die van de brandstapel in graven zijn gedeponeerd. Het aardewerk kan echter ook als nederzettingsafval worden geïnterpreteerd. Verder is er tijdens het onderzoek een botfragment aangetroffen dat mogelijk menselijk botmateriaal betreft; deze determinatie is echter niet zeker.
Of er een grafveld aanwezig is, kan dan ook niet met zekerheid worden vastgesteld. Het kan echter ook niet worden uitgesloten.
Middeleeuwen‐nieuwe tijd Ook voor deze periode was er, op basis van het bureauonderzoek, een hoge verwachting voor het aantreffen van nederzettingsresten. Nabij het plangebied zelf waren er enkele oppervlaktevondsten gedaan uit deze perioden, maar ten noorden van het plangebied (nabij het eerder genoemde Romeinse grafveld) waren er meerdere huisplattegronden uit de middeleeuwen bekend. Resten uit deze periode werden direct onder de bouwvoor verwacht. Binnen het booronderzoek zijn er meerdere archeologische indicatoren aangetroffen uit deze perioden. Enkele scherven aardewerk dateren uit de volle middeleeuwen, maar er zijn ook enkele scherven aardewerk uit de late middeleeuwen aangetroffen. Redelijk veel van het aardewerk dateert echter uit de nieuwe tijd; mogelijk is dit te verklaren door bemesting met huishoudelijk afval in deze periode. De diepteligging van de afzettingen waarop middeleeuwse resten werden verwacht, ligt direct onder de bouwvoor (0,5 tot 0,8 meter dik). Een vindplaats waar Romeins/middeleeuws wordt verwacht ligt in het zuidelijke deel van het plangebied. De loop van de Hogelandsche weg is vermoedelijk te herkennen aan de drie donker humeuze lagen in de boringen 046, 075b en mogelijk B078. Dit zijn vermoedelijk bermgreppels van de weg. De aanwezigheid van het dijklichaam dat op basis van het bureauonderzoek werd verwacht, is in het onderzoek niet vastgesteld.
Er werd binnen het bureauonderzoek de verwachting opgesteld dat de bodem, met uitzondering van het noordelijke deel (aanwezigheid kabels/leidingen), hoogstwaarschijnlijk nog intact is. Het booronderzoek heeft beide vermoedens bevestigd.
blad 43 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
4.
Conclusies en advies
4.1
Conclusies In de periode juli‐augustus 2025 is in opdracht van de gemeente Nissewaard door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase/deels karterende fase) uitgevoerd voor het plangebied Bedrijventerrein Halfweg in Spijkenisse (gemeente Nissewaard). Aanleiding voor het onderzoek is de inrichting en verkaveling van een westelijke uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg‐Molenwatering. Het gehele plangebied heeft, op basis van bekende archeologische gegevens, een hoge archeologische verwachting voor resten tussen de midden ijzertijd en nieuwe tijd. Het plangebied ligt tevens grotendeels binnen een AMK‐terrein dat een terrein van hoge archeologische waarde betreft. De bodemopbouw is grotendeels aangetroffen conform de vooraf opgestelde verwachting. Onder een pakket van mariene afzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) ligt op een diepte van 2 tot circa 4 meter ‐mv het Hollandveen laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de meeste boringen reikt het veen dieper dan 5 m –mv (maximale boordiepte). In enkele boringen die tot 5 m –mv zijn gezet, en waar het veen tot 4,7 m –mv reikte, was er onder de veenlaag een laag aanwezig van sterk siltige klei en zand (1 boring) van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). Op twee verschillende niveaus zijn archeologische resten aangetroffen.
Deze worden hieronder per vindplaats en niveau beschreven. De locaties van de hieronder genoemde vindplaatsnummers zijn weergegeven in Afbeelding 27.
1 Midden‐ijzertijd in de top van het Hollandveen: 2 vindplaatsen Vindplaats 1: AG‐boringen 74, 75 en 75a, en 52, 52a en 53: Conform het eerder uitgevoerde booronderzoek van BOOR is in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied op de top van het Hollandveen in een aantal boringen een donkere cultuurlaag aangetroffen. Hieromheen is in een aantal boringen op beperkte schaal houtskool aanwezig in de kleiige top van het veen. De omschrijving en interpretatie van de vindplaats 10‐142 door BOOR wordt gevolgd: vermoedelijk betreft het twee boerderijplaatsen, welke van elkaar gescheiden worden door een geulafzetting (in de boringen te herkennen in B043 en 051). De datering is eerder door BOOR vastgesteld op midden ijzertijd. Vindplaats 2: AG‐boringen 61, 61a en 61b: In het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied, werd in boring 061 en een aantal aanvullende boringen op hetzelfde niveau, in de top van het veen, een cultuurlaag aangetroffen. Deze dateert vermoedelijk ook uit de midden ijzertijd. 2 Binnen en op de geul‐ en oeverafzettingen van het laagpakket van Walcheren (late ijzertijd‐ Romeinse tijd: 3 vindplaatsen) Vindplaats 3: In het gehele noordelijke deel van de onderzoekslocatie zijn verspreid sporen van aardewerk, houtskool, botmateriaal en kleine fragmenten/spikkels baksteen/dakpanmateriaal aangetroffen.
Deze bevindingen sluiten aan op de eerder door BOOR in en direct aangrenzend aan het plangebied aangetroffen vindplaatsen 10‐036, 10‐071 en 10‐136 uit de Romeinse periode. In het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie zijn twee kleine vindplaatsen uit Romeinse tijd (en/of middeleeuwen) aangegeven: Vindplaats 4: AG boringen 58, 59, 60, 61a en 61c: in de zuidoosthoek. Deze vindplaats ligt iets ten noorden van de hierboven beschreven midden‐ijzertijd vindplaats 2. Vindplaats 5: AG‐boringen 92, 93, 94 en 108: in het zuidwesten van het plangebied. Deze vindplaats komt overeen met de locatie van de oppervlaktevondsten door Stiboka in 1957 (‘vindplaats 11’, zie Moree 2011).
blad 44 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
3 Middeleeuwen /Nieuwe tijd: 1 vindplaats Vindplaats 6: ligt in het noordelijke deel van het plangebied, net boven de midden ijzertijd vindplaats (1). In enkele boringen is de loop van de historische Hogelandsche weg vermoedelijk te herkennen aan de drie donker humeuze lagen in drie boringen. Dit zijn vermoedelijk bermgreppels van de weg. Hier zijn ook aardewerkresten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen. De hoge archeologische verwachting voor het plangebied uit het bureauonderzoek, is in het veldonderzoek bevestigd. De hoge archeologische verwachting geldt voornamelijk voor het aantreffen van (nederzettings)resten uit de ijzertijd, Romeinse en de in zekere mate de middeleeuwen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek (in combinatie met bekende archeologische informatie) is er sprake van: ‐ ‐ ‐
2 vindplaatsen uit de midden ijzertijd (vindplaatsen 1 en 2) waarvan de diepteligging vanaf 2 meter beneden maaiveld is; 3 vindplaatsen (vindplaatsen 3, 4 en 5) die dateren tussen de late ijzertijd en middeleeuwen; voor deze drie vindplaatsen geldt dat deze relatief ondiep liggen (0,5 tot 1,5 meter beneden maaiveld). 1 vindplaats uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd (vindplaats 6): bermgreppels behorend bij de Hogelandsche weg; diepte tot circa 1,40 meter beneden maaiveld.
Afbeelding 27. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart, met de verschillende vindplaatsen aangeduid (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo).
blad 45 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
4.2
Advies De vindplaatsen uit de midden‐ijzertijd (vindplaatsen 1 en 2) en uit de late‐ijzertijd/Romeinse tijd (vindplaatsen 3, 4 en 5) zijn tot op heden uitsluitend door middel van verkennend en karterend onderzoek vastgesteld. Vindplaats 6, uit de nieuwe tijd, wordt alleen vertegenwoordigd door enkele bermgreppels en heeft verder een lage archeologische waarde. Voor deze vindplaats wordt geen nader onderzoek geadviseerd. Voor de overige vindplaatsen (1 t/m 5) geldt echter wel dat er sprake is van een hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Met het oog op de toekomstige ontwikkeling als bedrijventerrein, is het de vraag in hoeverre behoud in situ een reële optie is. Daarom wordt als vervolgstap een proefsleuvenonderzoek aanbevolen, in ieder geval voor de late ijzertijd/Romeinse tijd‐vindplaatsen 3, 4 en 5. Dit om de in de ondergrond bevestigde archeologische vindplaatsen nader te karteren en te waarderen conform KNA 4.2. De vindplaatsen 1 en 2 zijn dieper gelegen, op een diepte van in ieder geval 2 meter beneden maaiveld. Indien de mogelijkheid bestaat om door een planaanpassing (archeologievriendelijk bouwen) deze vindplaatsen nu én in de toekomst niet verder te verstoren, en ook het behoud van organische resten te garanderen (door o.a. toekomstige beheersing van de grondwaterstand) zou voor deze vindplaatsen kunnen worden afgezien van verder archeologisch onderzoek.
Indien behoud in situ of langdurig beheer van grondwaterstand geen optie is voor deze locatie, adviseert Antea Group ook voor deze vindplaatsen een waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO‐P, protocol 4003, KNA 4.2) uit te voeren. Echter, binnen het gehele plangebied geldt een hoge tot zeer hoge archeologisch verwachting, en het ligt tevens binnen een AMK‐terrein. De vindplaatsen die alleen nog door middel van verkennend en deels karterend onderzoek zijn vastgesteld, vertegenwoordigen waarschijnlijk de woonlocaties. Deze zullen gelegen zijn in een ingericht landschap, waarvan tevens resten kunnen worden verwacht binnen het plangebied. Gezien deze hoge tot zeer hoge archeologische verwachting voor het plangebied, waar tevens de vindplaatsen uit de late ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen relatief ondiep liggen en onderdeel vormen van een complex van nederzettingen en landinrichting, wordt geadviseerd om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen het gehele plangebied (protocol 4003, KNA 4.2). Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Nissewaard. Antea Group Capelle aan den IJssel, augustus 2025
blad 46 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Literatuur en geraadpleegde bronnen Asmussen, P.S.G. en J.M. Moree, 1990: De gevolgen van polderpeilverlaging voor de conserveringstoestand van archeologische vindplaatsen op Voorne‐Putten. Rotterdam, BOORrapporten 5. Bult, E., 2009: Spijkenisse Hartel‐West. Het aardewerk van de middeleeuwse nederzetting op vindplaats 10‐117, Rotterdam, BOORrapporten 479. Döbken, A.B., A.J.Guiran & M.C. van Trierum 1992: Archeologisch onderzoek in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 1987‐1990, in: A.B.Döbken (red.) BOORbalans 2, 271‐313. Goossens, T.A., 1996: Bernisse: Busbaan 2. In: J. Brugman, G.M.E. Dorren, K. Goudriaan, L. Heidebrink, P.C. Jansen, M. Keblusek, P. Knevel, E. Kreuwels, J. Steenhuis, G. Verhoeven & E.L. Wouthuysen (red). Archeologische kroniek van Holland over 1995. 28e jaargang, nummer 6. Historische Vereniging Holland. Loopik, J., 2025: Programma van Eisen voor een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in het plangebied ‘Bedrijventerrein Halfweg’ te Spijkenisse in de gemeente Nissewaard. Archeologische Rotterdam (Boor). Meer, A., van de, 2014: Spijkenisse Afvalbrengstation. Een bureauonderzoek en verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. BOORrapporten 570. Moree, J.M., 2011: Bernisse en Spijkenisse regionaal bedrijventerrein. Een bureauonderzoek. Rotterdam, BOORrapporten 524.
Moree, J.M. & M.C.A. Gout de Kreek 2010: Archeologische Waardenkaart Spijkenisse en Bernisse. Rotterdam, BOOR. Moree, J.M., A. Carmiggelt, T.A. Goossens, A.J. Guiran, F.J.C. Peters en M.C. van Trierum, 2002: Archeologisch onderzoek in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 1991‐2000, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum (red.): BOORbalans 5 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied. Rotterdam, 118‐127. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. 7
Vos, P.C., J. Bazelmans, J.H.T. Weerts & M.J. van der Meulen (red.), 2014 (2011): Atlas van Nederland in het Holoceen. Amsterdam.
Kaarten Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen via Publieke dienstverlenging op de kaart (PDOK) Geomorfologische kaart 1:50.000, Alterra, Wageningen via PDOK Historische kaarten (topotijdreis/HISGIS) Topografische kaart 1:25000 (Topoplus, spotinfo.nl) Internet ahn.maps.arcgis.com archis.cultureelerfgoed.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl cultureelerfgoed.nl cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid‐Holland (pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas) dinoloket.nl kadaster.nl nationaalgeoregister.nl omgevingswet.overheid.nl
blad 47 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied (kaart: Topoplus, © SPOTinfo). ....................... 4 Afbeelding 2. Ligging van het plangebied binnen het onderzoeksgebied (stippellijn)(kaart: Topoplus, © SPOTinfo). ............... 9 Afbeelding 3. Ligging van het plangebied met de (tot nu toe) bekende werkzaamheden (bron: Verkavelingsvoorstel 28‐07‐ 2025 / kaart: Topoplus, © SPOTinfo). ........................................................................................................................................ 10 Afbeelding 4. Het plangebied geprojecteerd op de vigerende bestemmingsplannen (kaart: Topoplus © SPOTinfo, bron: omgevingswet.overheid.nl)........................................................................................................................................................ 11 Afbeelding 5. Het onderzoeksgebied (stippellijn) en plangebied (rood) geprojecteerd op de paleogeografische kaarten van Nederland. Linksboven (a) 5.500 voor Chr., rechtsboven (b) 2.750 voor Chr., links midden (c) 500 voor Chr., rechts midden (d) 250 voor Chr., links onder (e) 800 na Chr. en rechts onder (f) 1250 na Chr. (bron: nationaalgeoregister.nl & cultureelerfgoed, Vos et al. 2018/ kaart: Topoplus, © SPOTinfo). Legenda hieronder. ............................................................ 13 Afbeelding 6.
Het onderzoeksgebied (stippellijn) en plangebied (rood gebied) geprojecteerd op de geomorfologische kaart van Nederland (bron: Geomorfologische kaart 1:50.000, WUR/ kaart: Topoplus, © SPOTinfo). .............................................. 14 Afbeelding 7. Het onderzoeksgebied (stippellijn) en plangebied (zwart) geprojecteerd op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: AHN4, AHN.nl/ kaart: Topoplus, © SPOTinfo). .............................................................................................. 15 Afbeelding 8. Het onderzoeksgebied (stippellijn) en plangebied (zwart) geprojecteerd op de bodemkaart (bron: Bodemkaart 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen/ kaart: Topoplus, © SPOTinfo) ................................................................................. 16 Afbeelding 9. Uitsnede uit de kaart van de Maas en Merwede met de grote Zuid‐Hollandse waard. Dit is een mogelijk beeld van het middeleeuwse kustgebied op basis van een kopie van Nicolas Diert uit 1556. De ligging van Spijkenisse/het plangebied is in rood omcirkeld (bron: Historische atlas van de Biesbosch). De plaatsnamen Spijkenisse en Geervliet lijken te zijn verwisseld op de kaart. ........................................................................................................................................................ 17 Afbeelding 10.
Het plangebied weergegeven op de kadastrale minuut uit 1819. De blauwe pijlen geven de Hogelandsche en Friesche weg aan, en dus ook het mogelijke dijklichaam (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). ........................................... 18 Afbeelding 11. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart uit 1900 (bron: topotijdreis.nl). .............................. 18 Afbeelding 12. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart uit 1910 (bron: topotijdreis.nl). .............................. 19 Afbeelding 13. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart uit 1940 (bron: topotijdreis.nl). .............................. 19 Afbeelding 14. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart uit 1994 (bron: topotijdreis.nl). .............................. 20 Afbeelding 15. Het plangebied en het oriënterende KLIC‐oriëntatieverzoek geprojecteerd op de topografische kaart (bron: Kadaster/ kaart: Topoplus, © SPOTinfo). ................................................................................................................................... 21 Afbeelding 16. Ligging van de AMK‐terreinen binnen het onderzoeksgebied weergegeven op de topografische kaart (kaart: Topoplus © SPOTinfo / bron: archis.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................ 22 Afbeelding 17.
Bekende onderzoeksmeldingen in het onderzoeksgebied weergegeven op de topografische kaart (kaart: Topoplus © SPOTinfo / bron: archis.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................ 24 Afbeelding 18. Ligging van het plangebied en de bekende vindplaatsen, zoals beschreven in het bureauonderzoek van Moree 2011 (kaart: Topoplus © SPOTinfo / bron: Moree 2011). .............................................................................................. 25 Afbeelding 19. Resultaten bekende vindplaatsen en cropmarks (zie onder, bron: Antea Group, op basis van luchtfoto uit 2018, via nationaalgeoregister.nl). ............................................................................................................................................ 26 Afbeelding 20a. Cropmarks op luchtfoto 2018 (bron: nationaalgeoregister.nl)........................................................................ 27 Afbeelding 21. Het plangebied op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (kaart: Topoplus © SPOTinfo / bron: Moree & Gout de Kreek 2010). Legenda hieronder. .................................................................................................................. 28 Afbeelding 22: profiel noord‐zuid (zie bijlage voor een grotere versie, bron: Antea Group).
................................................... 35 Afbeelding 23. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart, met de verschillende vindplaatsen aangeduid (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo). ............................................................................................................................ 36 Afbeelding 24. Boring 061b (bron: Antea Group). ..................................................................................................................... 37 Afbeelding 25. Diepte van de top van het veen, met midden ijzertijd vindplaatsen, vindplaats 1 en 2, aangegeven met de blauwe zones (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo). ........................................................................................... 37 Afbeelding 26. Vindplaatsen Romeinse tijd‐middeleeuwen, vindplaatsen 3, 4 en 5 (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo). .................................................................................................................................................................................. 39 Afbeelding 27. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart, met de verschillende vindplaatsen aangeduid (bron: Antea Group / kaart: Topoplus © SPOTinfo). ............................................................................................................................ 45
blad 48 van 59
Antea Group Archeologie 2025/254 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bedrijventerrein Halfweg te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) projectnummer 0499411.102 21 augustus 2025 // rev00
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
Archeologische perioden AMZ‐cyclus Plangebied (0499411.102‐03) KLIC (0499411.102‐KLIC) ARCHIS (0499411.102‐ARCHIS) Bekende vindplaatsen (0499411.102‐06) Boorpuntenkaart (0499411.102‐07) Boorbeschrijvingen (0499411.102‐08) Dwarsprofiel (0499411.102‐09) Programma van Eisen booronderzoek Specialistenrapport aardewerk Resultaten booronderzoek
Beschrijving van de archeologische perioden Beschrijving/weergave van de Archeologische Monumentenzorg Weergave plangebied Plangebied en KLIC‐melding Bekende ARCHIS‐gegevens Bekende vindplaatsen (BOOR), naar: Moree 2011. Plangebied en boorpuntenkaart Beschrijving en weergave van de boorprofielen Landschappelijk dwarsprofiel van de boorstaten PvE booronderzoek (Loopik 2025) Rapportage Aardewerk en Archeologie (J. van Kerckhove) Resultaten booronderzoek + bekende informatie
blad 49 van 59
Bijlage 1: Archeologische perioden
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.