CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Notitie Arcadis over Reikwijdte en Detailniveau(61243230.1)

Gemeenteraad 9 oktober 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Windmolens Brielse Maasdijk: Normenkader14.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NOTITIE REIKWIJDTE EN NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE E DETAILNIVEAU Windpark Brielse maasdijk Windpark Brielse maasdijk

HVC Landwind HVC Landwind 15 JANUARI 2021

13 NOVEMBER 2020

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Contactpersoon PETRA BOONMAN Senior Consultant

M +31 (0) 629397753 E petra.boonman@arcadis.com

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

Arcadis Nederland B.V. Postbus 4205 3006 AE Rotterdam Nederland

2 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

INHOUDSOPGAVE LEESWIJZER

5

1

AANLEIDING PROJECT

6

1.1

Doelstelling project

7

1.2

Projectinitiatief

7

1.3

Participatie

8

1.4

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

8

1.5

Waarom een MER?

9

2

3

4

5

BELEIDSKADER

11

2.1

Europees beleid, rijksbeleid en provinciaal beleid

11

2.2

Gemeentelijk beleid

12

2.3

Overzicht van kaders en brondocumenten

13

VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

14

3.1

Voorgenomen activiteit

14

3.2

Alternatieven

17

3.3

Gemeentegrens Nissewaard – Rotterdam

25

3.4

Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)

26

3.5

Referentiesituatie

26

3.6

Ontwikkelingen in de omgeving

27

3.7

Selectie voorkeursalternatief

27

AANPAK MILIEUBEOORDELING

29

4.1

Aanpak milieubeoordeling

29

4.2

Beoordelingskader en te verwachten effecten

29

4.3

Scoremethodiek

34

4.4

Mitigerende maatregelen, leemten in kennis en evaluatie

34

PROCEDURE EN BESLUITVORMING

35

5.1

35

Wijziging bestemmingsplannen

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

3 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

5.2

Vergunningen

35

5.3

De m.e.r.-procedure

36

5.4

Informatie en inspraak

39

BIJLAGEN BIJLAGE 1 BRONDOCUMENTEN

40

BIJLAGE 2 BESTUURSOVEREENKOMST NISSEWAARD EN PROVINCIE

41

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

4 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

LEESWIJZER Dit is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (verder NRD) ten behoeve van het project Windpark Brielse Maasdijk in de gemeente Nissewaard. De publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is de eerste stap in de formele procedure milieueffectrapportage (verder: m.e.r.) voor het project. De inhoud van deze NRD dient als afbakening voor uit te voeren milieuonderzoeken ten behoeve van een op te stellen Milieueffectrapport (afgekort ‘MER’). De NRD beschrijft de te onderzoeken alternatieven en relevante milieuaspecten in relatie tot het project (de Reikwijdte) en de diepgang en wijze waarop die relevante milieuaspecten worden onderzocht (het Detailniveau). Hoofdstuk 1 van de NRD beschrijft de aanleiding van het projectinitiatief en de projectlocatie. Daarnaast bevat dit hoofdstuk informatie over de organisatie die het project zal gaan voorbereiden, realiseren en exploiteren en van het bevoegd gezag dat op grond van de wet Milieubeheer de Milieueffectrapportage procedureel begeleid en vaststelt. Verder wordt een toelichting gegeven op de keuze om een Milieueffectrapport op te stellen. In hoofdstuk 2 wordt het overheidsbeleid beschreven dat de aanleiding vormt voor het project Windpark Brielse Maasdijk. In dit hoofdstuk wordt een beschouwing gegeven van het maatschappelijk nut en de noodzaak.

Achtereenvolgens wordt ingegaan op internationale klimaat- en duurzame energiedoelstellingen en daaruit voortvloeiend overheidsbeleid op Rijks- Provinciaal en Gemeenteniveau. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van de projectalternatieven die zullen worden onderzocht en de uitgangspunten en kaders die daarvoor worden gehanteerd. Vervolgens is in hoofdstuk 4 beschreven hoe de milieuaspecten worden onderzocht, op welke wijze inhoud wordt gegeven aan het MER wat nog wordt opgesteld en hoe de milieuaspecten zullen worden beoordeeld. Tenslotte bevat hoofdstuk 5 de beschrijving van de stappen die genomen worden in het proces naar een Milieueffectrapportage en de vervolgstappen naar vergunningverlening. Naast de formele (wettelijke) stappen wordt ook inzichtelijk gemaakt op welke wijze belanghebbenden op kunnen participeren in het proces.

De publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is de eerste stap in de formele procedure voor de milieueffectrapportage (verder: m.e.r.) voor het project. Alle belanghebbenden worden na publicatie gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld in te spreken op de inhoud van de NRD. Daarvoor zal deze notitie gedurende zes weken ter inzage liggen. Voorafgaand daaraan is/wordt de inhoud van de NRD zo veel mogelijk besproken met belanghebbenden. Meer details over dit proces en de vervolgstappen zijn te vinden in hoofdstuk 5 van deze NRD. Zienswijzen indienen? Paragraaf 5.4 geeft aan hoe en waar zienswijzen ingediend kunnen worden.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

5 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

1

AANLEIDING PROJECT

In het Verdrag van Parijs (2015) is afgesproken zo snel mogelijk de wereldwijde CO 2-uitstoot te verminderen om verdere opwarming van de aarde beperkt te houden. In Nederland is het beleid om CO 2-uitstoot te reduceren onder meer gericht op het verduurzamen van de energievoorziening en het stimuleren van een variatie aan duurzame energiebronnen. Nederland heeft een doelstelling om de CO 2-uitstoot in 2030 met ten minste 49% terug te dringen. Om dit te kunnen realiseren moet het tempo van verduurzaming snel omhoog. In het op 28 juni 2019 tot stand gekomen Klimaatakkoord zijn met verschillende sectoren afspraken gemaakt over te realiseren reductie van CO2-uitstoot.1. Ondertussen wordt in dit verband ook over ‘de energietransitie’ gesproken. Om deze transitie te kunnen verwezenlijken worden op regionaal niveau afspraken gemaakt in een Regionale Energie Strategie (RES). Daarbij is het uitgangspunt dat naast nieuwe afspraken, de reeds bestaande duurzame energie opgaven ook nog steeds ingevuld moeten gaan worden om de regionale doelstellingen die uit RES-afspraken voortkomen te kunnen realiseren. Voor windenergie zijn dat onder meer afspraken die gemaakt zijn in het Nationale Energieakkoord. Voor de provincie Zuid-Holland geldt vanuit de ‘oude’ doelstellingen een opgave om 735,5 MW opgesteld windenergievermogen te realiseren in 2020.

De gemeente Nissewaard en de provincie, alsmede de andere gemeenten binnen de stadsregio Rotterdam en het Havenbedrijf, hebben op 21 juni 2012 het Convenant2 realisatie windenergie stadsregio Rotterdam gesloten, waarin de deelnemers als inspanningsverplichting op zich hebben genomen tenminste 100 MW en additioneel 50 MW in de regio Rotterdam te realiseren. Met de door de provincie Zuid-Holland aangewezen locaties voor windenergie wordt het behalen van deze doelstellingen mogelijk gemaakt. De locaties zijn beschreven in het PlanMER Partiële herziening Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) Windenergie Zuid-Holland ( vastgesteld op 20 december 2017). De daarin benoemde windenergielocaties zijn per 1 april 2019 door Provinciale Staten beleidsneutraal omgezet naar het Omgevingsbeleid en de Omgevingsverordening Provincie Zuid Holland. Eén van de aangewezen locaties voor windenergie betreft de Brielse Maasdijk, gelegen ten zuiden van het Hartelkanaal en ten noorden van Spijkenisse (gemeente Nissewaard).

1 Bron: www.klimaatakkoord.nl 2 Na evaluatie van het convenant in 2019 is door alle partijen besloten tot verlenging van het convenant tot 31 december 2025.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

6 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Figuur 1 Locatie aangewezen als ‘locatie windenergie’ door Provincie Zuid-Holland. Bron: Omgevingsverordening Provincie Zuid Holland 20 februari 2019, kaart 16

1.1

Doelstelling project

Doelstelling is om op de door de provincie aangewezen locatie (zie Figuur 1), tenminste 18 MW aan windenergie op te wekken. Doelstelling project: Op de locatie Brielse Maasdijk moet, binnen de daarvoor geldende randvoorwaarden, tenminste 18 Megawatt (MW) windturbinevermogen worden gerealiseerd.

1.2

Projectinitiatief

De grond ter plaatse van de projectlocatie is eigendom van Waterschap Hollandse Delta (WSHD). HVC N.V., een onderneming actief in de sector energie en hergebruik, heeft een exclusief recht om de locatie te ontwikkelen. HVC laat het project uitvoeren door HVC Landwind b.v., een 100% dochteronderneming van HVC. Tussen HVC Landwind b.v. en de gemeente Nissewaard bestaat een voorovereenkomst waarin uitgangspunten en voorwaarden zijn overeengekomen over de aanpak van de ontwikkeling van het project. Belangrijk onderdeel van de gemaakte afspraken is de toepassing van de Leidraad Windenergie VoornePutten, een uitgave van de samenwerkende gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard en Westvoorne. De leidraad geeft aanwijzingen over de wijze waarop participatie invulling dient te krijgen. Er is ook een samenwerking gevonden met de Coöperatie vereniging Voorne Putten Energie U.A. (VPE). In onderstaand kader meer over wat VPE en HVC voor organisaties zijn. VPE De Coöperatieve Vereniging Voorne-Putten Energie U.A. (VPE) is een energiecoöperatie van, voor en door inwoners en organisaties in de regio Voorne-Putten. Coöperatief doel is om een bijdrage te leveren aan de energietransitie door het produceren van- en het doen gebruiken van duurzame energie en door de omwonende hierbij te betrekken.

HVC HVC ondersteunt haar aandeelhouders (44 gemeenten en 6 waterschappen uit Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland en Friesland) om lokaal te verduurzamen via zonne- en windenergie, lokale warmte en geothermie. Duurzame energie (warmte, elektriciteit en groen gas) haalt HVC uit afval, biomassa, zon en wind. De geproduceerde energie levert HVC aan gemeenten, waterschappen en particulieren.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

7 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Daarnaast is HVC verantwoordelijk voor het duurzaam afvalbeheer van haar aandeelhouders. HVC zet zich in om zoveel mogelijk afval te scheiden zodat grondstoffen opnieuw kunnen worden gebruikt. Meer informatie over HVC: www.hvcgroep.nl.

De realisatie van Windpark Brielse Maasdijk vult een deel van de provinciale taakstelling in. Daarnaast realiseert het windpark een deel van de afspraken gemaakt in het Convenant ‘realisatie windenergie stadsregio Rotterdam’. En tenslotte geeft de gemeente Nissewaard met het windpark invulling aan haar beleidsdoelstellingen op het gebied van verduurzaming van de energievoorziening.

1.3

Participatie

Voor de realisatie van het Windpark Brielse Maasdijk is een Bewonersplatform en een Omgevingsadviesraad (OAR) ingesteld. Gemaakte afspraken worden uiteindelijk vastgelegd in een gebiedsconvenant en vinden hun reflectie in de manier waarop het windpark uiteindelijk wordt gerealiseerd.

Bewonersplatform (BP) De deelname vanuit de omwonenden is georganiseerd door middel van een bewonersplatform waarin alle omwonenden die mee willen praten zitting kunnen nemen. Hiertoe zijn in een brede straal rond het plangebied de bewoners uitgenodigd. Vanuit dit bewonersplatform neemt een delegatie deel aan de Omgevingsadviesraad en brengt de standpunten in van de omwonenden.

Omgevingsadviesraad (OAR) De Omgevingsadviesraad is een dialoogtafel waar alle belanghebbenden rond het windpark met elkaar in gesprek gaan over de realisatie en de met elkaar te maken afspraken. Voor deelname aan de OAR zijn uitgenodigd de bedrijven die in de directe omgeving gevestigd zijn, de lokale Energiecoöperatie, maatschappelijke organisatie (Natuur en Milieuorganisatie, vogelwacht, etc. ) en de omwonenden. Niet alle uitgenodigde partijen hebben ervoor gekozen om aan de OAR deel te nemen. Als onderdeel van het participatieproces is een 90% versie van het NRD voorgelegd aan het BP en OAR. Hun input is verzameld en waar nodig verwerkt in deze definitieve versie van het NRD.

1.4

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

HVC Landwind als initiatiefnemer De initiatiefnemer van het project ‘Windpark Brielse Maasdijk’ is HVC Groep / HVC Landwind.

HVC Landwind Jadestraat 1 1812 RD Alkmaar https://www.hvcgroep.nl/

Gemeente Nissewaard als bevoegd gezag De Elektriciteitswet regelt dat Provinciale Staten (PS) bevoegd is om een inpassingsplan vast te stellen voor het mogelijk maken van windparken met een vermogen tussen 5 en 100 MW. Gedeputeerde Staten (GS) oefenen in dat geval namens PS de bevoegdheden voor het nemen van besluiten uit en coördineren de besluitvorming met toepassing van de in de wet ruimtelijke ordering opgenomen provinciale coördinatie regeling.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

8 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

De Elektriciteitswet biedt onder meer de mogelijkheid om de bevoegdheid bij een gemeente te leggen indien niet valt te verwachten dat besluitvorming en coördinatie door GS in betekenende mate de besluitvorming zal versnellen en er verder geen aanmerkelijke voordelen zijn verbonden aan de uitoefening van de bevoegdheid door GS. In dit geval is Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland van oordeel dat de gemeente Nissewaard voldoende inspanningen levert om het initiatief op voortvarende wijze te realiseren. In een bestuursovereenkomst getekend op 10 december 2019 zijn GS provincie Zuid Holland en het college van de gemeente Nissewaard overeengekomen dat de laatstgenoemde de noodzakelijke inspanningen zal verrichten om het project waarop deze NRD ziet te realiseren. De bestuursovereenkomst is opgenomen als bijlage bij deze NRD. Daarmee is de gemeente Nissewaard bevoegd gezag voor het windpark. De gemeente is daarbij ook (coördinerend) bevoegd gezag in het kader van deze m.e.r.-procedure.

Gemeente Nissewaard Raadhuislaan 106 3201 EL Spijkenisse https://www.nissewaard.nl/

Vanwege de benodigde watervergunning is Waterschap Hollandse Delta (WSHD) mede bevoegd gezag in de m.e.r.-procedure. Naast WSHD is ook RWS bevoegd gezag vanuit de Waterwet (en dus ook voor de m.e.r.). Beide waterbeheerders zijn daardoor mede bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure. Daarnaast is het mogelijk dat (een deel van) het windpark op Rotterdams grondgebied zal vallen. De gemeente Rotterdam wordt in dat geval mede bevoegd gezag ten aanzien van de vergunningprocedures en de m.e.r.. Voor dit project zal de gemeente Nissewaard optreden als primair aanspreekpunt in de m.e.r.- procedure. Zij zal daarbij afstemmen met mede bevoegde gezagen in het kader van de m.e.r.-procedure.

1.5

Waarom een MER?

M.e.r.(beoordelings)-plicht Voor activiteiten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten hebben moet de procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) worden doorlopen. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming over deze activiteiten. Of er sprake is van een m.e.r.- of m.e.r.beoordelingsplicht is geregeld in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) van de Wet Milieubeheer. Binnen het bestaande bestemmingsplan is het niet mogelijk om een windpark te realiseren. Om het windpark ruimtelijk mogelijk te maken is daarom een planologische wijziging nodig. Dit kan door het wijzigen van of het afwijken op een bestemmingsplan of het vaststellen van een inpassingsplan. Op het wijzigen van een bestemmingsplan of het vaststellen van een inpassingsplan rust een plan-MER3 plicht op grond van bijlage D van de wet Milieubeheer:

3 Indien gekozen wordt voor een afwijking op het bestemmingsplan vervalt de bestemmingsplan procedure

en is de m.e.r.-plicht uitsluitend gebaseerd op de omgevingsvergunning en waterwetvergunning. Bij het opstellen van dit NRD is de keuze nog niet gemaakt. In het MER zullen de procedurele stappen verder uitgewerkt worden. Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

9 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Activiteit D22.2: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 10 windturbines of meer.

Voor de bouw en exploitatie van het windpark is daarnaast een Omgevingsvergunning en een Waterwetvergunning vereist. Voor de Omgevingsvergunning en de Watervergunning gelden een m.e.r.beoordelingsplicht omdat de drempelwaarde van activiteit D22.2 uit het Besluit m.e.r. wordt overschreden. Beoordeeld moet worden of het opstellen van een project-MER noodzakelijk is voor de besluitvorming. HVC wil graag een zorgvuldig afwegingsproces en besluitvorming ondersteunen. Om die reden heeft HVC Landwind er op grond van art. 7.16, 5e lid van de Wet milieubeheer, voor gekozen direct een project-MER op te stellen. Dit NRD is de eerste stap in deze procedure.

Milieueffectrapport voor bestemmingsplan, omgevingsvergunning en waterwetvergunning HVC Landwind kiest voor één m.e.r.-procedure voor zowel de planologische besluitvorming als voor het verlenen van de Omgevingsvergunning en de Watervergunning. Hiervoor wordt een gecombineerd MER opgesteld waarin zowel de relevante informatie van het plan-MER als het project-MER is opgenomen. Waar hierna over het MER gesproken wordt, wordt het gecombineerde MER bedoeld. Procedureel en inhoudelijk zijn er geen verschillen, omdat de uitgebreide m.e.r. procedure zal worden gevolgd.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

10 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

2

BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk is op hoofdlijnen het beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Nissewaard geschetst dat van toepassing is op de ontwikkeling van windenergie. Het beleidskader is relevant aangezien dit enerzijds de achtergrond schetst van het windenergiebeleid in Nederland en anderzijds kaders bevat voor de ruimtelijke ontwikkeling van windenergie in de gemeente Nissewaard.

2.1

Europees beleid, rijksbeleid en provinciaal beleid

Europees beleid en rijksbeleid Door de uitstoot van broeikasgassen treedt wereldwijd klimaatverandering op. Een deel van deze broeikasgassen komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen voor het opwekken van energie. Door over te stappen op duurzame energiebronnen, waarbij geen of minder broeikasgassen vrijkomen, kan de uitstoot worden verminderd. Tegelijkertijd wordt ernaar gestreefd om het aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen te vergroten aangezien fossiele brandstoffen eindig zijn en deze vooral buiten Europa en Nederland beschikbaar zijn. In 2019 is in Nederland het aandeel duurzame energie 8,6% van het totale energieverbruik4. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste beleidsdoelstellingen voor duurzame energie en windenergie van de EU en het Rijk: •

• • •

De Europese Unie heeft ten aanzien van hernieuwbare energiebronnen een taakstelling per Lidstaat vastgelegd in richtlijn 2009/28/EG. Voor Nederland is als taakstelling gesteld dat 14% van het finale eindverbruik van energie in 2020 uit hernieuwbare bronnen dient te zijn opgewekt. In het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ staan afspraken met doelen tot 2023. De doelstelling is vastgesteld om een aandeel hernieuwbare energie van 14% in de totale energieopwekking te realiseren in 2020. In 2023 moet 16% duurzame energie worden opgewekt. Op Rijksniveau is een ambitie vastgesteld van 6.000 MW aan opgesteld vermogen windenergie op land in 2020. Eind 2019 is het opgestelde vermogen aan windenergie op land 3534 MW 5, dat is 59 procent van de doelstelling. Kabinet Rutte III heeft in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de Toekomst’ een doelstelling geformuleerd van 49 procent C02-reductie in 2030.

In de Klimaatwet, per 1 september 2019 in werking getreden, is opgenomen dat we in Nederland in 2030 de CO2-uitstoot met 49 procent moeten hebben verlaagd (artikel 2, lid 2) en in 2050 met 95 procent (artikel 2, lid 1), ten opzichte van het jaar 1990. Ook staat in de wet genoemd dat 100% van onze energie op een duurzame wijze is opgewekt in 2050 (artikel 2, lid 2). Om deze doelen te halen is gewerkt aan een klimaatakkoord (28 juni 2019). In het klimaatakkoord is het volgende opgenomen: in 2030 moet tenminste 35 terawattuur (TWh) duurzame elektriciteit op land (wind én zon) geproduceerd worden. Door middel van de opwekking van elektriciteit uit windturbines wordt voorkomen dat deze elektriciteit wordt gewonnen door middel van verbranding van fossiele brandstoffen. Daarmee wordt dus de emissie van (onder andere) CO 2 voorkomen. Voor hernieuwbare energie op land (35 TWh) wordt vooral gekeken naar wind op land en zonne-energie. Om deze opwekcapaciteit te realiseren is in het Klimaatakkoord opgenomen dat in dertig regio’s door gemeenten wordt samengewerkt aan een regionale energiestrategie (RES). In deze RES wordt opgenomen

4 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/22/verbruik-hernieuwbare-energie-met-16-procent-gegroeid 5 Monitor Wind op Land over 2019

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

11 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

waar en op welke manier deze opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd. Windenergie is hierbij een van de belangrijkste opties. Voor Nissewaard is de RES Regio Rotterdam – Den Haag van toepassing.

Provincie Zuid-Holland Het Rijk, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en circa veertig andere organisaties hebben op 31 januari 2013 een Nationaal Energieakkoord gesloten over de realisatie van 6000 MW (54 PJ) operationeel windvermogen in 2020. Op grond van dat akkoord in juni 2013 is in IPO 6-verband is afgesproken dat de provincies de ruimte die nodig is voor de opgave (voor Zuid-Holland is dat 735,5 MW) uiterlijk op 30 juni 2014 planologisch hebben vastgelegd in de provinciale structuurvisie en/of verordening. Locaties voor windenergie zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid Holland. De gemeente Nissewaard en de provincie, alsmede de andere gemeenten binnen stadsregio Rotterdam en het Havenbedrijf, hebben op 21 juni 20127 het Convenant realisatie windenergie stadsregio Rotterdam gesloten, waarin de deelnemers als inspanningsverplichting op zich hebben genomen tenminste 100 MW en additioneel 50 MW in de regio Rotterdam te realiseren. Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten het provinciale beleid op het gebied van windenergie op land vastgelegd in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en in de Verordening ruimte 2014. Hierin zijn de ‘locaties windenergie’ aangewezen waar gemeenten in hun bestemmingsplannen nieuwe windturbines mogen toestaan.

In 2015 bleek dat de opgave van 150 MW in de regio Rotterdam niet haalbaar was met de oorspronkelijk aangewezen locaties in het Convenant. De deelnemers aan het Convenant gezamenlijk zijn gaan zoeken naar mogelijkheden om de daarin geformuleerde doelstelling alsnog te halen. Middels een partiële herziening VRM-windenergie Provinciale Staten op 20 december 2017 op verzoek van de gemeenten in de Rotterdamse regio 16 nieuwe locaties voor windenergie hebben aangewezen. In de gemeente Nissewaard is de locatie Hartel-Oost en Plaatweg (dit is het plangebied voor Windpark Brielse Maasdijk) aangewezen als locatie voor windenergie De locatie Hartel-Oost en Plaatweg was al als locatie naast andere locaties in de gemeente voor windenergie opgenomen in de initiële provinciale verordening. Omdat de gemeente Nissewaard de andere locaties die de provincie voorstelde niet ondersteunde, hebben zij onderzocht of ze hun deel van de opgave op de locatie Hartel-Oost en Plaatweg konden realiseren. Toen dit uit onderzoek kansrijk bleek, is dit in de partiële herziening vastgelegd. De VRM is per 1 april 2019 door Provinciale Staten beleidsneutraal omgezet naar de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.

2.2

Gemeentelijk beleid

De gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hebben zich in de Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040 uitgesproken om uiterlijk in 2040 energieneutraal zijn. Naast energiebesparing zullen ook duurzame energiebronnen ingezet dienen te worden. Een van die bronnen is windenergie. Ook vanuit de provincie Zuid-Holland wordt nadrukkelijk ingezet op realisatie van een substantieel aandeel windenergie binnen de provincie. Om bij te dragen aan de energietransitie en de lange termijn doelen te halen heeft de gemeente Nissewaard zich gecommitteerd aan de ambitie om tenminste 18 MW windenergie te realiseren binnen het zoekgebied locatie Hartel-Oost en Plaatweg, zoals aangeduid in het VRM. Realisatie is voorzien voor 2024. De definitieve planning moet worden afgestemd met de planning voor de werkzaamheden die nodig zijn voor uitvoering van het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De uitgangspunten en randvoorwaarden die de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hanteren bij het beoordelen van plannen met betrekking tot windenergie staan beschreven in de Leidraad Windenergie Voorne-Putten (2018). Deze leidraad biedt bewoners, bedrijven en marktpartijen duidelijkheid over de mogelijkheden om concrete plannen in te dienen bij een van de gemeenten. Naast het wettelijk kader biedt deze leidraad een afwegingskader.

Dit kader wordt gehanteerd bij de beoordeling van aanvragen voor het plaatsen van de windturbines.

6 Interprovinciaal Overleg 7 Het is de intentie dat het convenant wordt verlengd tot 31 december 2025

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

12 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

De gestelde randvoorwaarden in de leidraad hebben voornamelijk betrekking op de betrokkenheid van de omwonenden in het ontwerp en bij de bouw van de windturbines en daarnaast hoe de omwonenden, maar ook de regio, kunnen meedelen in de financiële opbrengsten van de windturbines. In de geest van de leidraad zal de Coöperatie Voorne-Putten Energie in principe mede-initiatiefnemer worden van het project.

Bestaande bestemmingen / bestemmingsplan Op dit moment zijn binnen het onderzoeksgebied voor het windpark de volgende bestemmingsplannen van toepassing: Beheersverordening Hartel West 2013, het Bestemmingsplan Buitengebied West en de Beheersverordening Hartel-Oostbroek in de gemeente Nissewaard. Bestemmingsplan Botlek Vondelingenplaat in de gemeente Rotterdam. Omdat de Gemeente Nissewaard in 2013 geen ontwikkelingen voorzag in het westelijke gedeelte van het onderzoeksgebied (ten westen van de Hartelbrug) en de huidige mogelijkheden wilde behouden, heeft de gemeente ervoor gekozen om voor dit gebied een beheersverordening op te stellen (Beheersverordening Hartel West 2013). Onder andere de Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt en de Algemene Begraafplaats De Ommering maken deel uit van deze beheersverordening. Deze bestemmingen liggen grenzend aan het onderzoeksgebied. Voor het onderzoeksgebied geldt dat de bestemming ‘groen’ en ‘recreatie’ zijn toegekend in de beheersverordening. Daarnaast zijn er twee besluit-subvlakken opgenomen met ‘Waarde-Archeologie 2’ en ‘Geluidzone-Industrie’.

Vanuit het Bestemmingsplan Buitengebied West heeft de bestemmingen ‘Enkelbestemming - Groen’, ‘Enkelbestemming - Water’, ‘Dubbelbestemming - Waarde - Archeologie 5’, ‘Dubbelbestemming - Waarde Archeologie 8’, ‘Dubbelbestemming - Waterkering’ en ‘Gebiedsaanduiding – geluidszone industrie’. In Beheersverordening Hartel-Oostbroek zijn de volgende bestemmingen toegewezen: ‘Groen’, ‘Recreatie – Dagrecreatie’, ‘Verkeer-1’, ‘Verkeer-2’, ‘Wonen-1’ en ‘Bedrijf’. Daarnaast gelden er drie besluit-subvlakken, namelijk ‘Waterstaat-Waterkering’, ‘Geluidzone-Industrie’ en ‘Archeologie 3’. Er is voor dit gebied geen bestemmingsplan opgesteld. In het Bestemmingsplan Botlek- Vondelingenplaat zijn de volgende bestemmingen toegewezen in het plangebied: ‘enkelbestemming – Groen’ en ‘Dubbelbestemming Waterkering’.

2.3

Overzicht van kaders en brondocumenten

Naast bovenstaande beleidskaders zijn er andere kaders en bronnen die gebruikt worden in het MER. In de bijlage is een niet limitatieve lijst opgenomen van bronnen die relevant zijn voor het milieuonderzoek in het MER. In het MER zal worden aangegeven welke bronnen relevant zijn voor de afweging, het milieu onderzoek en de beoordeling van effecten.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

13 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

3

VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

Dit hoofdstuk bevat een nadere beschrijving van de voorgenomen activiteit. Vervolgens is een beschrijving gegeven van de wijze waarop in het MER-alternatieven zullen worden onderzocht.

3.1

Voorgenomen activiteit

Plangebied Het plangebied voor Windpark Brielse Maasdijk is weergegeven in Figuur 2.

Figuur 2 Plangebied Windpark Brielse Maasdijk

Het plangebied bestaat uit het gebied zoals opgenomen in de Verordening Ruimte van de provincie ZuidHolland. Het plangebied ligt in een gebied waar realisatie van windturbines zijn toegestaan op basis van de Provinciale Verordening Ruimte, zoals hierboven beschreven. Het plangebied is voor het grootste gedeelte gelegen in de gemeente Nissewaard. Het noordelijke deel van het plangebied is gelegen in de gemeente Rotterdam (zie Figuur 3). Het gebied bevindt zich ten noorden van Spijkenisse, ten oosten van Geervliet en ten zuiden van het Hartelkanaal.

Rotterdam

Nissewaard

Figuur 3 Stippellijn is de gemeentegrens Nissewaard - Rotterdam Bron: atlas.zuid-holland.nl

De bestaande windturbine opstelling ‘Windpark Hartelbrug II’ ligt aan de noordzijde van het Hartelkanaal. Ten noorden van het plangebied liggen daarnaast bedrijven en havens van de Rotterdamse haven (zie Figuur 4).

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

14 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Het Hartelkanaal is een kanaal aan de noordzijde van het plangebied. Het kanaal wordt intensief gebruikt door de scheepvaart (scheepvaartklasse VIc). Het kanaal loopt tussen de linkeroever van de Oude Maas en Beerkanaal op de Maasvlakte. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrenst door het voedingskanaal Brielse Meer. Het betreft een provinciale vaarweg. Het voedingskanaal wordt voornamelijk gebruikt door pleziervaart en incidentiele beroepsvaart. De Hartelkering is gelegen in het midden van het gebied en het gehele gebied is onderdeel van een dijk (primaire waterkering). Zowel Rijkswaterstaat als het Waterschap Hollandse Delta zijn verantwoordelijk voor de waterveiligheid in dit gebied. Het gebied bestaat uit agrarische gronden en kenmerkt zich verder door landschappelijk groen, bomenrijen, een jachthaven (W.S.V. HAIRT-hille) en het Hartelpark. Daarnaast bevindt zich op de landtong een evenementenlocatie Innovatiekracht met een aantal woonhuizen.

Figuur 4 topografisch kaart omgeving plangebied met bestaande windturbines Windpark Hartelbrug II

In het plangebied geldt een hoogtebeperking op grond van het nog vast te stellen luchthavenbesluit voor luchthaven Rotterdam The Hague Airport en op grond van internationale afspraken in relatie tot vliegverkeersveiligheid. Het plangebied bevindt zich aan de rand van de zone waar die hoogtebeperking voor geldt. Om hoger te mogen bouwen dan de geldende hoogtebeperking moet een toets plaatsvinden waaruit moet blijken dat de beoogde hoge obstakels, de windturbines, geen onacceptabele hinder veroorzaken of een veiligheidsrisico vormen voor vliegverkeer en daarvoor benodigde geleidingssystemen. In het voorjaar van 2020 is overleg geweest tussen de ontwikkelaar en de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T). IL&T heeft naar aanleiding daarvan op verzoek van de ontwikkelaar een adviestoets uitgevoerd op basis van windturbines op een voor in deze NRD, scenario A (zie paragraaf 3.2), representatieve hoogte en afmetingen. IL&T heeft daarvoor tevens advies gevraagd aan Luchtverkeersleiding Nederland (LVLNL). Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

15 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

De conclusie uit de adviestoets is positief. Daarmee is het zeer aannemelijk dat er met betrekking tot bouwhoogte in relatie tot vliegverkeersveiligheid geen belemmering is om turbines met een tiphoogte tot ordegrootte 220 meter te plaatsen op de beoogde locatie. Voorwaarde is dat de definitieve opstellingen t.z.t. opnieuw worden voorgelegd voor toetsing en dat daaruit moet blijken dat er ook op de definitieve opstellingen een positief advies kan worden gegeven. De toetsing van de definitieve opstellingen is onderdeel van de MER onderzoeken en de planologische toestemmingen die moeten worden verkregen om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen.

Doelstelling project Op de locatie Brielse Maasdijk moet binnen de daarvoor geldende randvoorwaarden tenminste 18 Megawatt (MW) windturbinevermogen worden gerealiseerd voor 31 december 2025.

Onderdelen windpark • • • • •

Het windpark bestaat uit de volgende onderdelen: Windturbines met een in de bodem gefundeerde mast voorzien van gondel met drie rotorbladen. Ondergrondse elektriciteitskabels en mogelijk een onderstation dat vervolgens gekoppeld wordt aan het regionale of nationale hoogspanningsnet. Toevoer- en onderhoudswegen. Daarnaast mogelijk aanlegplaatsen voor lossen onderdelen die per schip worden aangevoerd; Opstelplaatsen voor bouwkranen ten behoeve van de opbouw en onderhoud aan de turbines.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

16 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Een windturbine Figuur 5 geeft welke termen worden gehanteerd voor een windturbine.

Figuur 5 Schematische weergave turbine

Activiteiten Het voornemen ziet op zowel de bouw van het windpark, wat een periode van ongeveer een jaar in beslag zal nemen, als de exploitatie. Onder de bouw van het windpark worden naast de realisatie van de windturbines ook alle bijbehorende voorzieningen verstaan, zoals aanpassing van bestaande wegen, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen en tijdelijke afmeervoorziening ten behoeve van het windpark, aanvoer van bouwmaterialen, realisatie van opstelplaatsen voor kranen en de aanleg van de kabels. Een modern windpark heeft na oplevering een technische levensduur van 25 tot 30 jaar. Dat is door renovatie of vervanging te verlengen. Indien dat niet mogelijk is zullen de windturbines verwijderd worden. Gedurende de exploitatiefase zijn de activiteiten, naast de in bedrijf zijnde windturbines, beperkt tot het periodiek verrichten van inspecties en onderhoud. Bij het turbineontwerp en de materiaalkeuze wordt rekening gehouden met de beperkingen die de projectlocatie oplegt aan inspectie en onderhoud.

3.2

Alternatieven

Trendmatige ontwikkeling De trendmatige ontwikkeling van windenergie op land laat zien (bron: RVO.nl) dat de markt snel opschaalt in vermogen. Voor windturbinelocaties op land, met lagere windsnelheden dan op zee, is bijvoorbeeld bekend dat energie het meest efficiënt wordt opgewekt (energie per m2 rotorblad) door middel van turbines met een hogere ashoogte en grotere rotordiameter (beide vanaf 110 m). De generatorvermogens liggen in de orde grootte 3,6 en 5 MW. De alternatieven voorzien redelijkerwijs in de toepassing van de laatste stand der techniek op het moment van realisatie. Dat brengt met zich mee dat naast reeds in de markt verkrijgbare turbinetypes zo mogelijk ook rekening gehouden wordt met realisatie van types die nu nog ‘op de tekentafel’ liggen.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

17 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Alternatievenbepaling In het MER worden alle alternatieven die mogelijk zijn op de locaties onderzocht. De alternatieven die worden meegenomen betreffen de gehele bandbreedte van maximaal haalbaar tot minimaal inpasbaar. • • • •

De alternatieven die in het MER worden opgenomen zijn bepaald door een aantal factoren Variatie in locatie. Variatie in aantal winturbines. Variatie in afmetingen van de windturbines. Variatie in locatie van de windturbines binnen het plangebied.

Variatie in locatie De locatie waarbinnen de windturbines moeten worden geplaatst is het plangebied en staat vast. In het MER zullen geen andere locaties worden onderzocht dan het plangebied. Een vergelijking van alternatieve locaties is niet aan de orde, gezien de eerdere besluitvorming in het kader van het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijke beleid. Zoals eerder aangegeven (zie hoofdstuk 2) is deze locatie namelijk vastgelegd in de verordening ruimte van de provincie, met een bestuursovereenkomst tussen de gemeente Nissewaard en Provincie Zuid-Holland bekrachtigd en met het convenant Windenergie Rotterdamse Regio.

Variatie in aantal windturbines In het MER wordt onderzocht wat de effecten zijn van de opstelling verschillende hoeveelheden windturbines, De minimale opstelling moet voldoen aan de opgave om tenminste 18 MW te realiseren. Het plangebied leent zich voor een opstelling in een lijn parallel langs het kanaal. Naar de praktijk vertaalt zal de minimale opstelling 4 of 5 turbines bevatten, afhankelijk van het vermogen per turbine. Rekening houdend met onderlinge beïnvloeding moet voor de windturbines op deze locatie een minimale onderlinge afstand van ongeveer 3,5 maal de rotordiameter ten opzichte van elkaar worden gehanteerd. Ook moet rekening worden gehouden met obstakels als bijvoorbeeld de Hartelkering, in de grond aanwezige kabels en leidingen en objecten in de omgeving. Hierdoor kan het maximaal aantal windturbines in het plangebied nooit meer worden dan 9 turbines. In het MER zijn daardoor verschillende alternatieven mogelijk in aantal windturbines (van minimaal 4 tot maximaal 9 turbines)

Afmetingen windturbines Er zijn windturbines met verschillende vermogens en afmetingen (ashoogte en rotordiameter) op de markt beschikbaar. Zie Figuur 5 voor een schematische weergave van een turbine. De afmetingen van de te selecteren turbine bepalen veelal de milieueffecten. Om ook in te kunnen spelen op windturbines die in de nabije toekomst op de markt zullen komen wordt in de te onderzoeken alternatieven ingegaan op een bandbreedte aan mogelijke turbines. Er is in dit stadium nog geen keuze gemaakt voor een bepaald type turbine of een turbineleverancier. De initiatiefnemer HVC is daarbij gebonden aan aanbestedingsregels en zal t.z.t. binnen de kaders van de dan verleende vergunning een aanbestedingsprocedure moeten uitschrijven en een selectie moeten uitvoeren op basis van objectieve gunningscriteria. Om die reden zal in het MER met turbineklassen worden gewerkt waardoor ook nieuwe turbinetypes niet uitgesloten worden, mits ze binnen de reikwijdte van de effecten van de onderzochte turbineklassen vallen. De alternatieven worden gebaseerd op deze klassen. Binnen deze klassen wordt rekening gehouden met het maximale milieueffect per thema. Voor natuur zijn dat de maximale afmetingen, maar voor geluid kan dat een bepaald turbinetype zijn. Hiermee worden milieueffecten worstcase bepaald.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

18 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

De plaatsing van de windturbines binnen de locatie Zoals beschreven concentreert het milieuonderzoek in het kader van het op te stellen MER zich op de milieueffecten als gevolg van verschillende inrichtingsvarianten. Er worden verschillende inrichtingsvarianten onderzocht. Er is een maximale opstelling van 9 windturbines (maximale effecten) langs het voedingskanaal en een minimale opstelling van 4 tot 5 windturbines. De variatie in plaatsing van de turbines binnen het plangebied is beperkt. De Havenmeester heeft aangegeven dat een afstand van 30 meter + ½ rotordiameter tot de rand van de vaarweg op het Hartelkanaal moet worden aangehouden om verstoring van scheepsradar te vermijden. De windturbines zijn daarom in de alternatieven in eerste instantie zo ver mogelijk richting het voedingskanaal geplaatst. Wanneer de rotordiameter kleiner wordt is er een optie om naar het noorden te schuiven met de turbines meer richting het Hartelkanaal zolang aan de afstandseisen kan worden voldaan. In het MER wordt dit nader onderzocht. De onderzoeken voor het MER worden zo ingericht dat deze opties om te schuiven met de windturbines mogelijk zijn.

Korte beschrijving alternatieven in woord In het MER zal een bandbreedte aan milieueffecten onderzocht worden. Dat is vertaald in een diversiteit aan alternatieven zoals gepresenteerd in Tabel 3. Mogelijk zijn niet alle alternatieven haalbaar en of wenselijk. In de eerste fase van het MER wordt gekeken naar de wettelijke haalbaarheid van de verschillende mogelijkheden (bepalen maximale effecten). De haalbare alternatieven worden verder getoetst op verschillende milieuthema’s. Het is belangrijk dat alle mogelijkheden in het MER worden onderzocht. Hierdoor zullen de alternatieven niet alleen variëren in aantal maar ook in type turbines (hoog en laag scenario). Op deze wijze kan gezocht worden naar het alternatief wat het beste past binnen de belangenafweging tussen inwoners, gemeente, initiatiefnemer en andere belanghebbenden. Dit is het zogenaamde voorkeursalternatief (zie paragraaf 3.5). Het voorkeursalternatief kan daarmee één van de onderzochte alternatieven zijn, maar kan tevens in aantal en type turbines een geheel eigen alternatief zijn. In het MER worden om alle bandbreedtes in dimensies van windturbines af te dekken twee scenario’s onderzocht met een variërend aantal turbines van 9, 7, 5 of 4. Scenario A is het hoge scenario waarin de tiphoogte van de turbines maximaal 220 meter en minimaal 180 meter is en de rotordiameter maximaal 150 meter en minimaal 130 meter.

Dit zorgt ook voor een grote energieopbrengst. Scenario B is het lage scenario waarbij de tiphoogte lager is: minimaal 150 meter en maximaal 180 meter. Ook de rotordiameter is kleiner dan in scenario A namelijk minimaal 115 meter en maximaal 135 meter.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

19 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Hieronder de verschillende opstellingen met beide scenario’s beschreven:

Figuur 6 Alternatieven met 9 turbines

• •

A9 hoog: Dit zijn 9 turbines. Tiphoogte van de turbines is maximaal 220 meter en minimaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen. B9 laag: Dit zijn 9 turbines met een tiphoogte: minimaal 150 meter en maximaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen.

Dit is een alternatief met een maximaal aantal turbines en geeft aan wat de maximale milieueffecten kunnen zijn.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

20 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Figuur 7 Alternatieven met 7 turbines

• •

A7 hoog: Dit zijn 7 turbines. Tiphoogte van de turbines is maximaal 220 meter en minimaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen. B7 laag: Dit zijn 7 turbines met een tiphoogte: minimaal 150 meter en maximaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

21 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Figuur 8 Alternatieven met 5 turbines

•

A5 hoog: Dit zijn 5 turbines. Tiphoogte van de turbines is maximaal 220 meter en minimaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen.

•

B5 laag: Dit zijn 5 turbines met een tiphoogte: minimaal 150 meter en maximaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

22 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Figuur 9 Alternatieven met 4 turbines

•

A4 hoog: Dit zijn 4 turbines. Tiphoogte van de turbines is maximaal 220 meter en minimaal 180 meter. Alle onderzoeken die gedaan worden passen binnen deze afmetingen.

•

B4 laag: Voldoet niet aan de minimale opbrengst van 18MW en wordt om deze reden niet meegenomen in het MER.

Gezien de opbrengstdoelstelling van minimaal 18 MW zal het uiteindelijke voorkeursalternatief minimaal 4 of 5 turbines bevatten. In totaal worden 7 alternatieven onderzocht in het MER waarin de grootte en het aantal van de turbine varieert.

MER en trechtering alternatieven In het MER wordt allereerst de wettelijke haalbaarheid van de verschillende turbinelocaties gecheckt. Hierbij wordt gekeken naar de het maximale effect per bepalend milieuaspect. Op basis van expert judgement en kerngetallen worden waar nodig, gezien wettelijke kaders, de alternatieven in fase 2 van het MER geoptimaliseerd. Na deze optimalisatieslag worden de effectbepalingen uitgevoerd met de benodigde berekeningen. Vervolgens wordt in de afweging van belangen, waaronder het milieubelang, een keuze gemaakt voor een voorkeursalternatief (zie paragraaf 3.5).

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

23 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Tabel 1 geeft de dimensies van de mogelijke alternatieven weer voor de parkopstelling. In het onderzoek naar de maximale effecten kan het zijn dat er ook een nadere optimalisatie in ashoogte, rotordiameter of tiphoogte zal plaatsvinden. In het MER worden eventuele aanpassingen toegelicht. Tabel 1 Mogelijke alternatieven voor de parkopstelling variërend in aantal turbines, hoogte van de turbines en grootte van de rotordiameter.

Parkopstelling Scenario

Aantal WT’s8

WT WT WT WT 2 3 4 5 A: Turbines zijn hoog met een grote rotordiameter A9 (Hoog) A 9 1 1 1 1 A7 (Hoog) A 7 1 1 1 A5 (Hoog) A 5 1 1 1 A4 (Hoog) A 4 1 1 1 B: Turbines zijn lager met een kleinere rotordiameter B9 (Laag) B 9 1 1 1 1 B7 (Laag) B 7 1 1 1 B5 (Laag) B 5 1 1 1 B4 (Laag) B 4 1 1 1

WT 6

WT 7

WT 8

WT 9

WT min max 10

1 1 1 1

1 1 1

1 1

1

1 1

120 120 120 120

1 1 1

1 1

1

1 1

1 1 1 1

Hartelkering

Alternatief

Ashoogte (m) tussen

Tiphoogte (m) tussen

Rotordiameter (m) tussen

Turbinevermogen (MW) tussen

Totaal vermogen (MW) tussen

min max min

max

min

max

min max

180 180 180 180

220 220 220 220

120 120 120 120

150 150 150 150

4 4 4 4

5 5 5 5

36 28 20 16

92,5 112,5 150 92,5 112,5 150 92,5 112,5 150 92,5 112,5 150

180 180 180 180

115 115 115 115

135 135 135 135

3.5 3.5 3.5 3.5

4.2 4.2 4.2 4.2

145 145 145 145

45 35 25 20

31.5 37.8 24.5 29.4 17.5 21 14 16.8

8 WT staat voor Windturbine

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

24 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

3.3

Gemeentegrens Nissewaard – Rotterdam

De gemeentegrens tussen Nissewaard en Rotterdam loopt door het plangebied (zie Figuur 3). In het hoge scenario (maximale rotordiameter 150 m) hebben, met uitzondering van WT 10, alle turbines een overdraai van het rotorblad op de gemeente Rotterdam. In het lage scenario (maximale rotordiameter 135 m) hebben alle windturbines, behalve WT 5 en WT 10, een overdraai over de gemeente Rotterdam. Onderstaande Figuur 10 laat zien wat de overdraai is in relatie tot de gemeentegrens bij een rotordiameter van 135 meter.

Figuur 10 Overdraai beoogde windturbineposities met rotordiameter van 135 meter

Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 is de variatie in plaatsing van windturbines beperkt door de benodigde afstand tot de vaarweg van het Hartelkanaal. Bij een rotordiameter van 135 meter (de maximale rotordiameter voor het lage scenario) is een lichte verschuiving richting het noorden van het plangebied mogelijk wanneer de benodigde afstand tot de vaarweg (30 m + ½ rotordiameter) als grens wordt gehanteerd. Op basis van de bij ons thans bekende gegevens over de rand van de vaarweg zal uitsluitend de fundatie van WT 3 van de beoogde turbineposities gelegen zijn binnen de gemeente Rotterdam wanneer de windturbineposities richting het Hartelkanaal verplaatst worden. De fundatie van de overige beoogde windturbineposities (WT2, WT4, WT5, WT6, WT7, WT8, WT 9 en WT10) zijn gelegen binnen de gemeente Nissewaard.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

25 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Figuur 11 Maximale verschuiving van beoogde windturbineposities richting Hartelkanaal bij een rotordiameter van 135 m

3.4

Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)

De beheerder van de waterkering, Waterschap Hollandse Delta, heeft de waterkering, waar het plangebied voor de windturbines deel van uitmaakt, recent beoordeeld. Daarbij is geconstateerd dat op de beoogde plek van het windpark maatregelen nodig zijn om de bestaande waterkering op de gewenste staat van veiligheid te brengen. De maatregelen voor dit gebied zijn opgeknipt in twee aparte projecten. De realisatie van het eerste project staat vooralsnog gepland voor 2021-2022, de realisatie van het tweede project voor 2024-2025. Er wordt bij de ontwikkeling van het windpark intensief overlegd met het Waterschap over de samenloop van dit project in relatie tot het HWBP. Het Waterschap zal daarvoor randvoorwaarden aangeven die mee worden genomen als uitgangspunt voor de constructie van het windpark. De constructie van het windpark wordt door het Waterschap getoetst aan de toekomstige situatie met de dijkversterking. Voor meer informatie over het HWBP programma zie: https://hoogwaterbeschermingsprogramma.nl/default.aspx

3.5

Referentiesituatie

In een MER worden de effecten van de alternatieven altijd vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het project niet wordt gerealiseerd. De effecten op de omgeving worden in het MER afgezet tegen de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling, oftewel de situatie waarin het gebied zich zal ontwikkelen conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van het windpark.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

26 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Dit betekent dat de projecten waarover al een besluit is genomen en die van invloed kunnen zijn op het windpark, worden meegenomen in de beoordeling. Er zijn geen autonome ontwikkelingen bekend in de omgeving van het plangebied voor het windpark. Wel is bekend dat er in het plangebied van het windpark ook werkzaamheden nodig zijn in verband met de uitvoering van het HWBP, zie paragraaf 3.3. Vanuit het HWBP worden eisen meegegeven om de uit het BWHP voortkomende dijkversterkingen ongehinderd mogelijk te maken. De randvoorwaarden die de HWBP projecten stellen zijn daarmee een uitgangspunt voor het ontwerp van het windpark. De referentiesituatie en de uitgangspunten die door het HWBP gesteld worden dienen als referentiekader voor de effectbeschrijving en worden in het MER uitgebreid beschreven.

3.6

Ontwikkelingen in de omgeving

Duurzame energie projecten RES Momenteel zijn er gesprekken over de Regionale Energie strategieën (RES). Zo ook voor de Noordrand van Voorne Putten. De Noordrand betreft het hele gebied ten noorden van de Groene Kruisweg (N218) dat loopt van het oosten, vanaf het uiterste puntje van de Plaatweg van Spijkenisse (gemeente Nissewaard) tot en met het Oostvoorne Meer in het westen (gemeente Westvoorne). Gezamenlijk hebben de vier gemeenten via een energieverkenning laten onderzoeken hoe duurzame opwekking van energie een plek in het landschap van Voorne-Putten kan krijgen. Op zo’n manier dat Voorne-Putten een eiland van rust en ontspanning blijft, waar het prettig is om te wonen en te recreëren. Het eiland Voorne-Putten heeft een uniek en veelzijdig landschap, waar we heel zorgvuldig mee omgaan. Deze energieverkenning geeft een beeld hoe dit, vanuit het landschap gezien, zou kunnen. De gemeenten hebben nog geen standpunt ingenomen over de adviezen uit de energieverkenning. Meer informatie over de RES: https://www.nissewaard.nl/duurzaamheid/duurzaamheid_to/regionale-energiestrategie-res.htm. In relatie tot dit windpark kan bijvoorbeeld gedacht worden aan koppelkansen voor zonne-energie in de omgeving. Of mogelijkheden voor opslag van energie om duurzame energie op te kunnen slaan.

Bereikbaarheid regio – N218 Binnen de regio worden oplossingen onderzocht voor vraagstukken rondom bereikbaarheid. Daarbij wordt gedacht aan een nieuwe oeververbinding ten oosten van Geervliet of een extra oeververbinding naast de bestaande Hartelbrug. Ook wordt gekeken naar andere oplossingen bijvoorbeeld verbetering van OV of betere benutting van aanwezige infrastructuur. Bij de totstandkoming van deze NRD is er nog geen concretere informatie beschikbaar. De verwachting is dat er wel meer informatie beschikbaar komt gedurende de ruimtelijke procedures. De wijze waarop die informatie betrokken zal worden in de uitwerking van het voorkeursalternatief zal worden afgestemd met het bevoegd gezag. Voor bovenstaande ontwikkelingen is nog geen juridisch besluit genomen. Daarom zijn deze ontwikkelingen vooralsnog geen onderdeel van de referentiesituatie. Wel zal bij de planvorming van het windpark voor zover mogelijk, rekening worden gehouden met deze projecten.

3.7

Selectie voorkeursalternatief

Met de gemeente is afgesproken dat er binnen de locatie gezocht zal worden naar een alternatief dat, met inachtname van de duurzame energie doelstellingen, het beste past binnen de belangen afweging tussen omwonenden, initiatiefnemer en andere belanghebbenden. Het MER dat wordt opgesteld is één van de informatiebronnen om tot een dergelijke belangenafweging te komen. Het bevoegd gezag zal op basis van deze belangenafweging in overleg met de omwonenden, de initiatiefnemer en overige belanghebbenden een voorkeursalternatief. Dit kan één van de in het MER onderzochte alternatieven zijn, een combinatie daarvan of een aanpassing van één van de alternatieven.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

27 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Zoals beschreven in paragraaf 1.3 over participatie is de omgeving proactief betrokken bij de bepaling van het voorkeursalternatief.

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

28 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

4

AANPAK MILIEUBEOORDELING

De inhoud van het MER zal voldoen aan de inhoudelijke vereisten zoals opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. In paragraaf 4.1 zijn de stappen beschreven die voor de milieubeoordeling worden doorlopen. In paragraaf 4.2 is het beoordelingskader opgenomen dat daarbij wordt gehanteerd.

4.1

Aanpak milieubeoordeling

De resultaten van de milieubeoordeling worden opgenomen in het MER. De inhoud van het MER zal voldoen aan de inhoudelijke vereisten zoals opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (zie kader). Inhoudsvereisten MER • Doel van het plan of besluit. • Voorgenomen activiteit & redelijke alternatieven. • Relevante andere plannen & besluiten. • Huidige situatie & autonome ontwikkeling. • Effecten voor de relevante milieuaspecten, inclusief de mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen. • Vergelijking van effecten voor alternatieven. • Mitigerende & compenserende maatregelen. • Leemten in informatie en kennis. • Samenvatting voor een algemeen publiek en bestuurlijke besluitvorming

Plangebied – studiegebied Het gebied waarbinnen de voorgenomen ontwikkelingen worden voorzien, wordt het ‘plangebied’ genoemd (zie paragraaf 3.1). De voorgenomen ontwikkelingen kunnen ook effecten hebben buiten het plangebied. Het gebied waarbinnen de effecten optreden die zijn onderzocht, wordt het ‘studiegebied’ genoemd. De reikwijdte van de effecten per milieuaspect verschillen, hierdoor kan het studiegebied per aspect afwijken van het plangebied. In het MER wordt het studiegebied voor ieder thema bepaald.

4.2

Beoordelingskader en te verwachten effecten

In het MER worden de milieueffecten van verschillende alternatieven beschreven. Andere potentiële effecten, zoals economische effecten, worden niet meegenomen. Deze bredere afweging vindt plaats in de ruimtelijke onderbouwing voor het bestemmingsplanbesluit. In Tabel 2 staan per thema de beoordelingscriteria beschreven, gevolgd door een nadere toelichting. Tabel 2 te onderzoeken thema’s

Thema

Criterium

Effectbeoordeling (kwalitatief/kwantitatief)

Gezondheid

Aantal geluidsgevoelige objecten binnen geluidsniveaucontouren m.b.t. laagfrequent geluid

Kwantitatief

Aantal geluidsgevoelige objecten binnen geluidsniveaucontouren

Kwantitatief

Aantal geluidgehinderden

Kwantitatief

Geluidscumulatie door nabijgelegen turbines en andere geluidsbronnen

Kwantitatief

Geluid

Slagschaduw

Aantal woningen en bedrijven van derden onder de wettelijke norm van slagschaduw per jaar

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

Kwantitatief

29 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Criterium

Effectbeoordeling (kwalitatief/kwantitatief)

Wegen, waterwegen en vliegverkeer

Kwantitatief

Industrie en inrichtingen (Seveso etc)

Kwantitatief

Transportleidingen en hoogspanningsleidingen

Kwantitatief

Straalpaden

Kwalitatief

Radardetectie

Kwantitatief

Waterveiligheid

Effect op aanwezige waterkeringen

Kwalitatief en Kwantitatief

Waterhuishouding

Grondwaterstanden oppervlaktewater hemelwater en bemalingsafvoer

Kwalitatief

Verstoring Flora en Fauna

Kwalitatief

Ruimtebeslag Flora en Fauna

Kwantitatief

Barrièrewerking Flora en Fauna

Kwalitatief

Mortaliteit Flora en Fauna

Kwantitatief

Verstoring (N2000 en NNN9)

Kwalitatief

Ruimtebeslag (N2000 en NNN)

Kwantitatief

Barrièrewerking (N2000 en NNN)

Kwalitatief

Aansluiting op de bestaande landschappen

Kwalitatief

Effect op waarneming en beleving

Kwalitatief

Ontwerp van de turbines

Kwalitatief

Herkenbaarheid/zichtbaarheid van de opstelling

Kwalitatief

Samenhang met andere windelementen / hoge objecten

Kwalitatief

Effect op cultuurhistorische waarden

Kwalitatief

Lichthinder

Effect op waarneming en beleving

Kwalitatief

Bodem

Bodemkwaliteit

Kwalitatief

Stikstofdepositie N2000

Kwantitief

Verspreiding stoffen

Kwalitatief

Aantasting van archeologisch waardevolle (bekende) terreinen

Kwalitatief

Thema

Veiligheid

Ecologie - soorten

Ecologie – gebieden

Landschap & Cultuurhistorie

Luchtkwaliteit

Archeologie Aantasting van gebieden met een archeologische Kwalitatief verwachtingswaarden

9 NNN: Natuurnetwerk Nederland

Onze referentie: D10019089:38 - Datum: 15 januari 2021 Versie H

30 van 42

NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU VERSIE H

Criterium

Effectbeoordeling (kwalitatief/kwantitatief)

Elektriciteitsproductie

Kwantitatief

CO2 emissiereductie

Kwantitatief

NOx emissiereductie

Kwantitatief

SO2-emissiereductie

Kwantitatief

Ruimtegebruik

Benodigde oppervlakte voor de ontwikkeling

Kwantitatief

Recreatie

Effect op recreatie (o.a. fiets)

Kwalitatief

Thema

Elektriciteitsopbrengsten

Gezondheid De wettelijke normen die voor hinderaspecten van windturbines zijn opgesteld vormen bij het MER het uitgangspunt. Deze normen, die met name voor slagschaduw en geluid zijn opgesteld, hebben het doel om mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen hebben gezondheidsaspecten mede een rol gespeeld. Omdat omwonenden vaak vragen hebben over gezondheid in relatie tot windturbines wordt er een actuele wetenschappelijke beschouwingen over gezondheid en windturbines in het MER opgenomen. Specifiek wordt in het kader van gezondheid in het MER stil gestaan bij de effecten van het laagfrequente aandeel in het geluid van de windturbines. Voor de beschouwing van laagfrequent geluid van de windturbines wordt in beeld gebracht in welke mate tonaal geluid van de generator kan optreden. Wanneer tonaal geluid wordt uitgesloten, is hinder door laagfrequent geluid voldoende beperkt door de geluidnormen van het Activiteitenbesluit.

Geluid Windturbines produceren geluid. Het geluid is met name afkomstig van de bewegende delen in de rotor en van de rotorbladen die door de wind worden rondgedraaid. In het MER worden de geluidseffecten kwantitatief vastgesteld, door voor het windpark per alternatief de geluidscontouren te berekenen en het aantal geluidgevoelige bestemmingen (woningen van derden) binnen de contouren te bepalen. Bij het bepalen van de effecten worden de geluidscontouren in beeld gebracht in drie klassen . Dit betreft de wettelijke norm voor windturbinegeluid, Lden 47 dB, de door de WHO geadviseerde norm van Lden 45 dB en aanvullend Lden 42 dB ter vergelijking van de alternatieven. Daarnaast wordt de geluidsnorm voor de nachtperiode, Lnight 41 dB, bepaald. Per variant worden het aantal gehinderden en ernstig gehinderden binnen deze contouren bepaald. Tevens zal worden aangegeven of aan de wettelijke voorschriften voor geluid kan worden voldaan en of hiertoe mitigerende maatregelen vereist zijn. In het MER wordt onderzocht of het nodig is om rekening te houden met cumulatie van geluidbelastingen vanwege het Wgh-gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis (geluidmodel opvraagbaar bij de DCMR), de rijksweg A15 en de Havenspoorlijn/Betuweroute (zie de betreffende geluidregisters voor de geluidmodellen).

In het geluidsmodel wordt rekening gehouden met de aanwezige ondergrond (water, grasland, harde ondergrond).

Slagschaduw Windturbines hebben als gevolg van de draaiende rotor een bewegende schaduw, de zogenaamde slagschaduw. Op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden kan de slagschaduw op een raam van een vertrek vallen en in dat vertrek een wisseling van lichtsterkte veroorzaken. Dit kan als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de opstelling, door de duur van de slagschaduw (blootstellingsduur) en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. In het MER wordt de slagschaduw kwantitatief vastgesteld, door de slagschaduwcontouren te bepalen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14599653/1