CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Quickscan ecologie compressed

Gemeenteraad 14 september 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan Korte Schenkeldijk, Spijkenisse6.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN KORTE SCHENKELDIJK 2 TE SPIJKENISSE Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 5-2-2021

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Rho Adviseurs Mw. I. Penning Adviseur planvorming Weena 505 3013 AL Rotterdam 010 2018536 iris.penning@rho.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. J. Koorevaar

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. P.J. Schep ing. J. Koorevaar

Projectcode: Status: Datum:

RANA2102 Concept 5-2-2021

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw te realiseren in projectgebied ‘Korte Schenkeldijk 2’ te Spijkenisse. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In de bebouwing en in de boomholtes in het projectgebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De bomenrijen en de watergangen maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Onder de dakpannen van de bebouwing zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren rondom de bebouwing maken mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. Er zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. De groenstructuren en de watergangen in het projectgebied maken onderdeel uit van geschikt broedbiotoop voor algemene soorten broedvogels. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen vleermuizen worden verstoord en gedood en kunnen foerageergebieden, verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen verloren gaan. Tevens kunnen algemene broedvogels en broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden verstoord en gedood en kunnen jaarrond beschermde nestlocaties van vogels verloren gaan.

Ten slotte kunnen delen van functioneel leefgebied van de huismus worden vernietigd. In het projectgebied zijn geen zones van het NNN aanwezig. Derhalve zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kunnen leiden tot een toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Het wordt noodzakelijk geacht aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van foerageergebieden, verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen in het projectgebied. Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen dient te zijn afgestemd op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis. Alvorens de werkzaamheden worden uitgevoerd, is onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels noodzakelijk. Het onderzoek dient te zijn afgestemd op de mogelijke aanwezigheid van de gierzwaluw, huismus, ransuil en de sperwer.

Onderzoek naar delen van functioneel leefgebied van de huismus is tevens noodzakelijk. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), dient een aanvullende inspectie op algemene broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van nachtelijk diffuus licht in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) te worden vermeden. Bij het dempen van de watergang in het projectgebied kunnen algemene soorten amfibieën en vissen gedood worden. Om aan de zorgplicht te voldoen, is ecologische begeleiding (het wegvangen van amfibieën en vissen) tijdens de werkzaamheden noodzakelijk. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Nissewaard. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 8

3 Soortbescherming ...................................................................................................................... 9 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................... 9 3.2 Habitatscan.............................................................................................................................. 9 3.2.1 Zoogdieren ........................................................................................................................... 9 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 10 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 10 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 10 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 11 3.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................

11 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 11 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 11 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 11 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ....................................................................................................... 11 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 12 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 12 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 13 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 13 4 4.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 14 Effecten ................................................................................................................................. 15

5 5.1 5.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 16 Conclusies ............................................................................................................................. 16 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 16

6

Literatuur .................................................................................................................................. 18

Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 19 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 20

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL Men is voornemens nieuwbouw te ontwikkelen in projectgebied ‘Korte Schenkeldijk 2’ te Spijkenisse. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is. Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Nissewaard in kilometerhok: X: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

83

/

Y:

428

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Korte Schenkeldijk 2 te Spijkenisse en betreft het opslagterrein voor het beheer van de openbare ruimte van de gemeente Nissewaard. In het noordwesten van projectgebied is een uit baksteen opgetrokken boerderij gesitueerd. De boerderij heeft een zadeldak dat is voorzien van dakpannen. Ten zuidoosten van de boerderij is een parkeerplaats gelegen. Op de parkeerplaats zijn voorzieningen voor de openbare ruimte opgeslagen, zoals prullenbakken, speeltoestellen en verkeersborden. In het westen van het projectgebied is een bomenrij gesitueerd, welke hoofdzakelijk bestaat uit zwarte els. Tussen de bomenrij en de parkeerplaats is een kleine boomgaard met fruitbomen aanwezig. Langs de noordgrens en de oostgrens van het projectgebied is een watergang gelegen, waarlangs een bomenrij van schietwilg in knotvorm is aangeplant. De oevers van de watergang lopen stijl af. Ten zuiden van de parkeerplaats grenst een bomenrij van gewone plataan, waarlangs een watergang is gelegen. Het grasveld in het zuiden van het projectgebied bestaat uit intensief beheerd gazon. Langs de toegangsweg van het terrein is aan de westzijde een bomenrij van gewone plataan gesitueerd. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkelingen bestaan uit het realiseren van nieuwbouw in het projectgebied, zoals een tuincentrum, sportschool en een horecagelegenheid. Hiertoe zal een deel van projectgebied bouwrijp worden gemaakt. De watergang ten zuiden van de parkeerplaats zal worden gedempt. De boerderij blijft behouden, maar mogelijk wordt de nieuwe bebouwing direct tegen de boerderij aangebouwd.

8

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021 en is uitgevoerd door P.J. Schep. Het weer tijdens de habitatscan was deels bewolkt, met een temperatuur van 5 °C en een windkracht van 2 Beaufort. 3.2.1

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. De bebouwing in het projectgebied heeft een zadeldak dat voorzien is van dakpannen. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van de gebouwbewonende vleermuissoorten de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis. Paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht, aangezien paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis zich alleen in hoge gebouwen bevinden. In de bomen in het projectgebied zijn holtes aanwezig (zie afbeelding 2), die mogelijk kunnen dienen als verblijfplaats voor de boombewonende vleermuissoorten de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De groenstructuren en watergangen in het projectgebied kunnen onderdeel uitmaken van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. In de omgeving van het projectgebied is de bever bekend voor te komen. De soort komt voor in overgangsgebieden tussen land en water, zoals moerassen, rivieren en meren en is onder andere bekend voor te komen in de Oude Maas.

In het projectgebied is geen geschikt habitat voor de bever aanwezig, waardoor de soort niet wordt verwacht voor te komen. Op circa 3,5 kilometer ten oosten van het projectgebied is de noordse woelmuis bekend voor te komen op de Beerenplaat. De soort komt voor in overgangszones tussen land en water met riet en hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. De noordse woelmuis mijdt door struiken en bomen gedomineerde begroeiingen. Het projectgebied wordt gekenmerkt door bebouwing en intensief beheerd gazon, dat wordt afgewisseld door bomen

9

en struweel. De oevers van de watergangen in het projectgebied lopen stijl af. Door de afwezigheid van geschikt habitat in het projectgebied wordt de noordse woelmuis niet verwacht voor te komen.

3.2.2

VOGELS

Het pannendak van bebouwing bevat potentieel jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus (zie afbeelding 3). Onder enkele kantpannen en onder de loodflappen van de schoorstenen zijn ruimtes aanwezig, welke mogelijk geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw (zie afbeelding 4). De groenstructuren rondom de bebouwing in het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van essentieel leefgebied van de huismus. In de bomen in het projectgebied zijn drie potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig, welke mogelijk geschikt zijn als broedlocatie voor de ransuil en de sperwer (zie afbeelding 5). De bomen, het struweel en de watergang in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten vogels, zoals de houtduif, merel, meerkoet en de zwarte kraai.

Afbeelding 2: Boomholte in gewone plataan

Afbeelding 3: Geschikt broedbiotoop huismus

Afbeelding 4: Ruimte onder loodflap

Afbeelding 5: Potentieel jaarrond beschermd nest

3.2.3

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten amfibieën bekend. In het projectgebied is geschikt overwinteringshabitat voor beschermde amfibieën aanwezig. Gezien de afstand tot geschikt voortplantingswater worden overwinterende beschermde amfibieën echter niet in het projectgebied verwacht. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor algemene soorten amfibieën zoals de bruine kikker, gewone pad en de kleine watersalamander.

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten reptielen bekend. De ruiger begroeide delen in het projectgebied vormen geschikt overwinteringshabitat beschermde soorten amfibieën. Gezien de afstand tot bekende verspreidingsgebieden, worden overwinterende individuen van beschermde soorten amfibieën echter niet in het projectgebied verwacht.

10

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend. De watergang in het projectgebied biedt tevens geen geschikt habitat voor beschermde soorten vissen. Het voorkomen van beschermde soorten vissen wordt derhalve niet verwacht.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

In de omgeving van het projectgebied is de platte schijfhoren bekend voor te komen. De soort komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing en wordt onder andere aangetroffen in draadalg-vegetaties en wateren met krabbescheer. Op de bodem van de watergang is een laag bladafval aanwezig als gevolg van de overhangende houtopstanden boven de watergang. Dit habitat is ongeschikt voor de ontwikkeling van waterplanten. Door het ontbreken van watervegetaties wordt het voorkomen van de platte schijfhoren in de watergang in het projectgebied niet verwacht.

3.2.7

VAATPLANTEN

Circa 3,3 kilometer ten westen van het projectgebied is een waarneming van de tonghaarmuts bekend. De soort komt met name voor in jonge wilgenbossen langs de rivieren en groeit op horizontale takken van jonge aanplant van katwilg, populier, schietwilg, vlier en zomereik. In het projectgebied is geen geschikt habitat voor de tonghaarmuts aanwezig, waardoor de soort niet verwacht wordt voor te komen in het projectgebied.

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bebouwing, bomen, struweel en

Broedvogels cat. 1 t/m 4

Jaarrond beschermde nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bomen en struweel

Gierzwaluw

Jaarrond beschermde nesten

Artikel 3.1 (VR)

Openingen bij dakrand en onder

watergang

loodflappen Huismus

Jaarrond beschermde nesten

Artikel 3.1 (VR)

Functioneel leefgebied Vleermuizen

Verblijfplaats(en)

Ruimtes onder pannendak Groen rond woning

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing dakrand, boomholtes

Foerageergebied

Bomen, struweel en watergangen

Vliegroutes

Bomenrijen, watergangen

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de algemene soorten (broed)vogels en broedvogels met jaarrond beschermde nesten in en direct buiten het projectgebied. De geplande werkzaamheden zullen gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit kan leiden tot verstoring van vleermuizen in de bebouwing en boomholtes in het projectgebied.

11

Indien er in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) gebruik wordt gemaakt van nachtelijke diffuse lichtbronnen, kunnen er mogelijk negatieve effecten optreden op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Permanente effecten Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus verloren gaan en kunnen individuen van de gierzwaluw en de huismus worden gedood. Bij het verwijderen van groenstructuren rondom de bebouwing in het projectgebied, kunnen delen van essentieel leefgebied van de huismus worden vernietigd. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nestlocaties van vogels in bomen verloren gaan en kunnen broedvogels worden gedood. Tijdens het uitvoeren van de geplande werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan en kunnen vleermuizen worden gedood. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zal groen en struweel worden verwijderd. Indien dit plaatsvindt tijdens het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), kunnen algemene soorten broedvogels worden gedood. Bij grondverzet kunnen algemene soorten amfibieën, vissen en grondgebonden zoogdieren worden gedood. Deze soorten zijn in de provincie Zuid-Holland vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Wel blijft de zorgplicht van kracht.

Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Algemene amfibieën*

Doden

Artikel 1.11

Algemene vissen*

Doden

Artikel 1.11

Algemene zoogdieren*

Doden

Artikel 1.11

Broedvogels cat. 1 t/m 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Gierzwaluw

Huismus

Vleermuizen

*Vrijgesteld van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Wel blijft de zorgplicht van kracht.

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde vleermuizen en jaarrond beschermde broedvogels. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar foerageergebieden, vliegroutes en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek

12

naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gierzwaluw, huismus, ransuil en de sperwer.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. -

Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig in de bebouwing van het projectgebied. De groenstructuren rond de bebouwing van het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde functies zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Er zijn mogelijk foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde functies zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.

-

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van nachtelijk diffuus licht in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) te worden vermeden.

-

Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

-

Bij het dempen van de watergang in het projectgebied kunnen algemene soorten amfibieën en vissen gedood worden. Om aan de zorgplicht te voldoen, is ecologische begeleiding (het wegvangen van amfibieën en vissen) tijdens de werkzaamheden noodzakelijk.

-

De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

3.4.3

ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten er mogelijk met de werkzaamheden gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

13

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 575 meter ten noorden van het projectgebied en betreft Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ (zie afbeelding 6). Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het NNN (zie afbeelding 7). Op circa 5 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied is Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ gelegen.

Afbeelding 6: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geocontent.rvo.nl)

Afbeelding 7: Projectgebied ten opzichte van NNN (pzh.maps.arcgis.com)

14

4.1

EFFECTEN In het projectgebied zijn geen zones van het NNN aanwezig. Derhalve zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase en de emissie in de gebruiksfase. Tijdens de bouwfase is een tijdelijke toename van stikstofemissies te verwachten. Dit wordt veroorzaakt door een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied en de inzet van mobiele werktuigen. De gebruiksfase zal naar verwachting een verhoging van stikstofemissies teweegbrengen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden niet boven de waarde van 0,00 mol/ha/jaar uit zal komen. Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden.

15

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5.1

CONCLUSIES De bebouwing en de boomholtes in het projectgebied bieden geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. De bomen, het struweel en de watergang in het projectgebied kunnen door vleermuizen als foerageergebieden en als vliegroutes worden gebruikt. Onder het pannendak van de bebouwing zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren rondom de bebouwing in het projectgebied kunnen deel uitmaken van essentieel leefgebied van de huismus. In de bomen in het projectgebied zijn meerdere potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. De bomen, het struweel en de watergang in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten vogels Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Hoewel deze in de provincie Zuid-Holland zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen, blijft de zorgplicht van toepassing. In het projectgebied zijn geen zones van het NNN aanwezig. Derhalve zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

Doordat de geplande ontwikkeling kunnen leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van de gemeente Nissewaard. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

5.2

AANBEVELINGEN Onderzoek naar foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt noodzakelijk geacht alvorens men met de geplande werkzaamheden in het projectgebied kan beginnen. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient gericht te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis. In tabel 3 is een overzicht gegeven van de te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

15 maart – 31 augustus

gewerkt wordt Broedvogels cat. 1 t/m 4

Jaarrond beschermde nesten

15 maart – 31 augustus

Gierzwaluw

Nesten

1 juni – 15 juli

Huismus

Nesten en functioneel leefgebied

1 april – 15 mei

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei – 15 juli

Vleermuizen

Paarverblijfplaats(en) en zwermplaatsen

15 augustus – 1 oktober

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december – 28 februari

Vleermuizen

Foerageergebieden en vliegroutes

15 april – 1 oktober

Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren rondom de bebouwing maken mogelijk onderdeel uit van essentieel leefgebied van de huismus. Onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en onderdelen van essentieel leefgebied van de huismus wordt noodzakelijk geacht alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden. In de te kappen bomen en in de bomen die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden,

16

is onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties noodzakelijk. Het onderzoek dient te zijn afgestemd op de mogelijke aanwezigheid van de ransuil en de sperwer. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van nachtelijk diffuus licht in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) te worden vermeden. Indien de geplande werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), dient een aanvullende inspectie op nesten van algemene broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Bij het dempen van de watergang in het projectgebied kunnen algemene soorten amfibieën en vissen gedood worden. Om aan de zorgplicht te voldoen, is ecologische begeleiding (het wegvangen van amfibieën en vissen) tijdens de werkzaamheden noodzakelijk. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

17

6

LITERATUUR

BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. RVO, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020). Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/ pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/ www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

18

Bijlage 1: Foto-impressie

19

Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 83/428 Soortgroep Naam

Bescherming

Afstand

Amfibieën

bruine kikker1

Wnb A

< 1km

Amfibieën

1

Wnb A

< 5km

gewone pad

1

Amfibieën

kleine watersalamander

Wnb A

< 5km

Mossen

tonghaarmuts

Bern I

< 5km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

tweekleurige vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

huismus

Cat. 2

< 5km

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

bever

HR IV

< 5km

Zoogdieren

bosmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

bunzing

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

dwergmuis1

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

egel

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

gewone bosspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

haas

1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

hermelijn1

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km < 5km

1

Zoogdieren

huisspitsmuis

Zoogdieren

1

konijn

Wnb A

Zoogdieren

noordse woelmuis

HR IV

< 5km

Zoogdieren

ree1

Wnb A

< 1km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

rosse woelmuis

Zoogdieren

veldmuis1

Zoogdieren

1

wezel

1

Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren

< 5km

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11750807/1