Bijlage 3 - Normenkader Windpark Brielse Maasdijk(61243228.1)
Tekst van het document
Bijlage
Toelichting bij het normenkader en voorschriften
Als gevolg van de uitspraak van 30 juni 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet het college zelf een normenkader vaststellen voor de aspecten geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid nu de voorheen geldende windturbinebepalingen van het Rijk buiten toepassing moeten worden gelaten bij windparken met meer dan drie windturbines. Deze lokale normen (die als handhaafbare vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden) vormen onlosmakelijk onderdeel van de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen in het kader van de VVGB. Die normen maken (onder meer) dat het college tot de conclusie komt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dus van een goede ruimtelijke ordening. De concept landelijke normen (het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving), die in 2023 ter inzage hebben gelegen en beoogd zijn om, al dan niet in gewijzigde vorm, in zomer 2025 te worden ingevoerd, zijn nog geen geldend recht en zijn en kunnen van toepassing zijn op de aanvraag en de omgevingsvergunning. Het huidige voorgestelde normenkader is samen met aanvrager, Arcadis, DCMR en M+P opgesteld (en is de uitkomst van vele verrichte onderzoeken) en vormt het uitgangspunt voor deze omgevingsvergunningsaanvraag.
Het voorgestelde lokale normenkader is op onderdelen zelfs strenger dan het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving en beoogt maximale bescherming tegen geluid en slagschaduw voor de omwonenden. Als HVC toch zou willen afwijken van dit normenkader, dan zou HVC een aanvraag moeten indienen voor het wijzigen van de omgevingsvergunning en volgt er dus een nieuwe procedure. Al deze aspecten komen aan bod in de motivering van de VVGB (bijlage 1 bij het raadsadvies) en de daar genoemde onderdelen van de aanvraag, zoals de toelichting op de aanvraag, de ruimtelijke onderbouwing (GRO) en het MER. De normen zijn vertaald naar voorschriften in de ontwerpomgevingsvergunning. Bij de aanvullingen op de MER-rapportage, die in bijlage 6.1 bij het raadsvoorstel is opgenomen wordt uiteengezet welke keuzen er gemaakt zijn en waarom. Onderstaande stroomschema vat dit samen. Het is op voorhand belangrijk dat duidelijk is waarom sommige turbineopstellingen technisch, danwel vanuit veiligheid of geluidsbelasting sowieso niet mogelijk zijn. De Commissie MER geeft advies om de tabel met gehinderden en opbrengsten van DCMR te gebruiken om uit te leggen hoe de gemeente tot het normenkader en de voorschriften is gekomen. Echter deze tabel beschouwt ook opstellingen die vanwege externe veiligheid en geluidshinder onmogelijk zijn.
Bij de behandeling van de ontwerp-VVGB is het advies van DCMR met de ambtelijke duiding aan bod geweest. Voor de volledigheid zijn deze stukken bij deze toelichting gevoegd. In deze toelichting wordt geen gebruik gemaakt van de tabel, maar wordt aan de hand van de kaart geluidsbelasting van de Atlas Leefomgeving de keuze voor de geluidsnormen uitgelegd. Het laatste deel van deze bijlage bestaat uit een overzicht van de oude landelijke normen, de concept landelijke normen, het lokale normenkader, de voorschriften en afspraken in het concept omgevingsconvenant.
1
2
Normenkader: Geluid Spijkenisse Noord is door de Botlek, de A15 en de havenspoorlijn reeds een behoorlijk geluidsbelast gebied, zoals in figuur 1 is te zien. Daarbij valt op dat de geluidsbelasting boven de 50 dB ligt in Spijkenisse Noord. Daarom weegt het belang van de omwonenden om beschermd te worden tegen geluidsoverlast zwaar voor het college.
Figuur 1: huidige geluidsbelasting Spijkenisse-Noord, bron: Atlas Leefomgeving
Door het hanteren van de hier onderstaande normen wordt in dit belang voorzien. Met deze normen acht de gemeente de afweging tussen het belang van de inwoner, het belang van de aanvrager en het algemeen belang aanvaardbaar. • De geluidsnorm van 45 dB Lden en 39 dB Lnight in combinatie WNC-35 norm onder specifieke omstandigheden en extra voorwaarden voor Jeugdgevangenis De Hartelborgt past het beste in de situatie bij Windpark Brielse Maasdijk. • Het normenkader geluid bestaat uit: o Voldoen aan een jaargemiddelde waarde Lden van 45 dB en Lnight van 39 dB op de gevels van geluidgevoelige objecten. Deze grenswaarden sluiten aan bij het advies van de World Health Organization (WHO) voor geluid van windturbines, zoals onderschreven door de GGD. o Extra bescherming bieden in stille nachten. Dit wordt bereikt door bij zuidenwind het geluid van de windturbines te beperken tot een streefwaarde die correspondeert met het achtergrondniveau (zogenaamde windnormcurve WNC35). Deze streefwaarde hangt af van de windsnelheid. Het normenkader is erop gericht dat het windturbinegeluid zo veel mogelijk wordt gemaskeerd door ander, bestaand omgevingsgeluid.
Met de keuze voor een jaargemiddelde norm van Lden 45 dB (en resulterende Lnight 39 dB) conform het advies van de World Health Organization (WHO) wordt de geluidbelasting bijna gehalveerd ten opzichte van de normen die voorheen golden voor windturbineparken. Volgens het advies van de GGD levert een keuze voor de WHO-norm “een gezonde leefomgeving op en biedt gelijke gezondheidsbescherming voor alle inwoners”. Er is aan de noordkant van Spijkenisse al sprake van een relatief hoog geluidsniveau vanwege wegverkeersgeluid van de A15, railverkeersgeluid van de Havenspoorlijn en geluid van het industrieterrein Botlek-Vondelingenplaat. Met de toepassing van het advies van de WHO, voorkomen we dat de geluidsbelasting toeneemt. 3
Deze Lden 45 dB, Lnight 39 dB norm is strenger dan de voorheen geldende geluidsnorm voor windturbines (47 dB). Bovendien wordt tijdens stille nachten door toepassing van de windnormcurve35 (WNC35), die rekening houdt met locatie specifieke omstandigheden, extra bescherming geboden. Stille nachten zijn nachten met zuidenwind wanneer het geluid van de Botlek, A15, Havenspoorlijn etc. door de wind weggevoerd wordt van Spijkenisse Noord. Deze windnormcurve beschrijft hoe het achtergrondgeluid toeneemt bij oplopende windsnelheid. Dit betekent dat de windturbines afhankelijk van de windsnelheid in de nachtperiode meer of minder moeten worden “afgeschakeld” (noise mode). Door de combinatie van een jaargemiddelde norm met een locatie specifieke benadering door de WNC35 biedt dit bescherming aan omwonenden, met name ook voor de bewoners van de woonwijken in Spijkenisse Noord. Daarmee is het lokale normenkader ten aanzien van geluid strenger dan het concept landelijke normenkader. In dit verband merken wij nog op dat – bij de gekozen geluidsnormering – ter plaatse van de woonwijken in Spijkenisse Noord feitelijk een jaargemiddelde geluidbelasting zal optreden van circa 41 tot 43 dB Lden. Dit komt omdat de wijk verder ligt dan de geluidsbelastingsgrens. Dus minimaal 4 dB lager dan de voorheen geldende windturbinenorm van Lden 47 dB.
Een specifieke locatie betreft jeugdgevangenis De Hartelborgt. Deze inrichting wordt in de Wet geluidhinder gezien niet beschouwd als een gevoelig object (zoals een woning). De inrichting speelt echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel degelijk een rol. Om de jongeren die zich hier langdurig bevindt te beschermen wordt daarom – conform de aanvraag – een nadere geluidsnorm voorgesteld ingevolge waarvan de maximale equivalente geluidbelasting vanwege windturbine 5 (WT5) in de slaapvertrekken in de nachtperiode niet meer mag bedragen dan 25 dB(A). Dit stemt overeen met de binnenwaarde voor de nachtperiode die voor woningen aanvaardbaar wordt geacht. Bij een geschatte gevelwering van 20 dB in de huidige situatie, impliceert dit een maximaal equivalent geluidniveau van 45 dB(A) op de gevels van de slaapvertrekken vanwege windturbine 5. Dit betekent dat deze windturbine – afhankelijk van windcondities – gedurende de nacht afgeschakeld moet worden/ in noise mode moet gaan. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de huidige situatie in de verblijfsruimten binnen De Hartelborgt een niveau van 25 tot 35 dB(A) is. Dit niveau wordt met name veroorzaakt door de geluidbelasting vanwege Pernis-Botlek, 4
de A15 en het spoor. Deze strenge normering gaat wel gepaard met een fors verlies aan opgewekte groene stroom (circa 4,8% per jaar). Over de verwachte exploitatieperiode van 30 jaar loopt het verlies op tot circa 146.000 MWh hetgeen overeenkomt met circa 77.000 ton minder vermeden CO 2. Vanzelfsprekend gaat dit ook ten koste van de verduurzamingsdoelstellingen van de gemeente (zie paragraaf 6 in de motivering VVGB) alsmede van de financiële opbrengst voor aanvrager. Alles afwegend achten wij de strenge normstelling gerechtvaardigd. Windturbinegeluid en gezondheid Er is wetenschappelijk geen directe relatie aangetoond tussen geluidhinder van windturbineparken en gezondheidsklachten. In de motivering van de VVGB (paragraaf 12) wordt nader ingegaan op hinder en gezondheid in relatie tot het beoogde windpark. Hieruit blijkt kort gezegd dat voor andere gezondheidseffecten – dan hinder – onvoldoende wetenschappelijk bewijs is gevonden voor een direct effect van het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid ervan. De vraag of er een relatie is tussen geluidhinder en gezondheid is al jaren onderwerp van gesprek.
Onder meer in de factsheet RIVM van oktober 2023 1 over windturbines en gezondheid wordt geconcludeerd dat onvoldoende bewijs is gevonden voor de samenhang tussen gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, cognitieve effecten, diabetes, obesitas en effecten op de mentale gezondheid en het geluid of wonen in de buurt van windturbines. Recenter, in december 2023, kwam Nivel 2 ook tot de conclusie dat er geen verband bestaat tussen gezondheidseffecten en de aanwezigheid van windturbines. Het ontbreken van de aantoonbare samenhang tussen gezondheidseffecten en het geluid van windturbines wordt bevestigd in de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State. De GGD heeft geadviseerd om het WHO-advies (van Lden 45 en 39 Lnight) te hanteren, die strenger is dan de voorheen geldende landelijke norm. In het voorgestelde normenkader wordt het WHO-advies, met extra bescherming voor de stille nachten, daarom ook gehanteerd. •
Normenkader: Slagschaduw Voor slagschaduw wordt de aangevraagde norm van 1 uur per jaar passend geacht. Arcadis heeft in opdracht van de aanvrager uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar slagschaduw. De meeste windturbines kunnen alleen in de periode van begin april tot medio september in de vroege ochtend en aan het einde van de dag slagschaduw veroorzaken op gevoelige objecten, zoals woningen. Zonder mitigatie bedraagt de berekende maximale slagschaduwduur op maatgevende woningen circa 35-47 uur. Om hinder als gevolg van slagschaduw te verminderen is aanvullend een norm van maximaal 1 uur per jaar voor gevoelige objecten en voor jeugdgevangenis De Hartelborgt. Dit betekent dat een windturbine automatisch stil zal worden gezet als zich slagschaduw kan voordoen op bijvoorbeeld een woning (afhankelijk van de tijd van het jaar en of de zon schijnt). Een slagschaduwduur van 1 uur per jaar voor gevoelige objecten en De Hartelborgt is
1
https://www.rivm.nl/sites/default/files/2023-10/77108_23406703_015094_RIVM_Brochure%20Windturbines_okt23.pdf https://www.nivel.nl/nl/nieuws/geen-duidelijk-verband-tussen-dichtbij-windturbines-wonen-en- gezondheidsproblemen. Nivel is in 1985 opgericht, de naam was een acroniem van ‘Nederlands Instituut Voor EersteLijnszorg’. Het wetenschappelijk onderzoeksinstituut voor de eerstelijns gezondheidszorg en ontstond uit het Nederlands Huisartsen Instituut (NHI), dit was het wetenschappelijk bureau van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Door de jaren heen heeft de positie van het Nivel als gerenommeerd onderzoeksinstituut zich letterlijk en figuurlijk ontwikkeld tot wat het tegenwoordig is. 2
5
ruimschoots lager dan de voormalige norm in het Activiteitenbesluit van gemiddeld niet meer dan 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten per dag (in de praktijk veelal vertaald naar een gemiddelde slagschaduwduur van ten hoogste 5 uur en 40 minuten per jaar). Voor de overige niet-gevoelige objecten in het gebied zoals kantoren, bedrijfsgebouwen en sportvelden wordt de vastgestelde slagschaduwduur van gemiddeld 13 tot 72 uur per jaar op grond van jurisprudentie aanvaardbaar geacht, met name omdat het verblijf op specifieke momenten plaatsvindt en de verblijfstijd daar beperkter is dan in woningen. Ook valt de slagschaduwduur hier in de praktijk veelal lager uit dan berekend door de automatische stilstandsvoorziening die voor woningen en De Hartelborgt wordt toegepast. •
Normenkader: Lichtschittering Voor het voorkomen van lichtschittering mag de reflectiewaarde van – aan de buitenkant zichtbare – materialen of daarop aangebrachte coatings maximaal 30% bedragen. Lichtschittering wordt beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen. Door een specifieke ‘glansnorm’ op te nemen wordt concrete bescherming gegeven.
•
Normenkader: Externe veiligheid Met de normen PR10-5 (beperkt kwetsbare objecten) en PR10-6 (kwetsbare objecten) sluit het normenkader aan bij de bestaande, gangbare, normen voor externe veiligheid. Voor het aspect externe veiligheid is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de voorheen voor windturbines geldende normen uit het Activiteitenbesluit, die op hun beurt aansloten bij de gangbare veiligheidsnormen voor het zogenaamde ‘plaatsgebonden risico’ (“PR”). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit. Denk bij windturbines aan mastbreuk of het afbreken van een turbineblad. Hierbij wordt voor kwetsbare objecten zoals woningen een grenswaarde voor het PR gehanteerd van 10-6 oftewel het risico op overlijden mag niet meer bedragen dan 1 op 1.000.000. Voor beperkt kwetsbare objecten zoals grote kantoren geldt een kans van 1 op 100.000. Dit PR wordt visueel uitgedrukt door middel van een cirkel rond een windturbine. Binnen deze cirkel zijn dus bijvoorbeeld geen woningen toegestaan. Deze normen worden geschikt en passend geacht. Het risico ligt hiermee aanmerkelijk lager dan bij andere algemeen aanvaarde maatschappelijke risico’s.
De kans op een ongeluk tijdens het reizen met een vliegtuig is vergeleken met een windturbineongeluk bijvoorbeeld circa 1.000x hoger. Het wonen in laaggelegen gebieden (overstromingsrisico) geeft een circa 10x hogere kans op overlijden dan een windturbine en voor autorijden ligt de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren bijna 10.000x hoger dan bij een windturbineongeluk. Voor de verdere argumentatie wordt verwezen naar de motivering van de VVGB (bijlage 1), in het bijzonder paragraaf 6 van de motivering van de VVGB.
•
De woonbestemming Plaatweg 1 vervalt. Eén van de windturbines uit de aanvraag omgevingsvergunning (windturbine 10 op de punt van de Plaatweg) staat te dicht op de woning van Plaatweg 1 om te voldoen aan de externe veiligheidsnormen (en de voorgestelde geluidsnormen). De woning aan de Plaatweg 1 is echter aangekocht door HVC Landwind B.V. en wordt momenteel gebruikt door antikraak. De aanvrager heeft een verzoek ingediend om de woonbestemming te wijzigen in een groenbestemming. Het ontwerpbestemmingsplan treft u aan in Bijlage 8 van het raadsvoorstel.
6
Vertaling normen naar voorschriften in de omgevingsvergunning en -convenant Oude normen (buiten werking gesteld voor windparken) Geluid 47 dB Lden
Concept landelijke normen
Lokale normen
Standaardwaarde: 45 dB Lden en 39 dB Lnight op geluidgevoelig gebouw
De gezamenlijke geluidbelasting van de windturbines van het aangevraagde windpark op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen mag niet meer bedragen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight;
41 dB Lnight
Lokaal maatwerk mogelijk: Tot grenswaarde 47 dB Lden en 41 dB Lnight
Geluidnorm stille momenten: Tussen 23:00 en 05:30 uur mag bij windrichtingen tussen 120° en 240° de gezamenlijke geluidbelasting van de windturbines van het aangevraagde windpark op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan de waarde conform de windcurvenorm WNC-35;
.
Afwegingsruimte voor lagere waarde dan standaardwaarde als aanleiding daartoe op grond van cumulatie geluid of aard van het gebied
.
Extra toeslag van 5dB bovenop de geluidsnorm voor tonaal geluid
Geluidsnorm De Hartelborgt: De maximale equivalente geluidbelasting vanwege windturbine 5 (WT5) mag in de slaapvertrekken in de nachtperiode niet meer bedragen dan 25 dB(A). De geoorloofde maximale equivalente geluidbelasting op de gevel bedraagt 25 dB(A) plus de gevelwering. Uitgangspunt voor de huidige situatie is een gevelwering van 20 dB. In de toekomstige situatie, na verbouwing, dient de gevelwering opnieuw te worden bepaald om de geoorloofde geluidbelasting op de gevels van de slaapvertrekken vast te stellen. .
.
Uitzondering voor gebouwen met een functionele binding met het windpark, bijvoorbeeld molenaarswoningen
.
Ontwerp-Omgevingsvergunning
Omgevingsconvenant (concept)
Vertaling van normen naar voorschriften 1. De (jaargemiddelde) geluidbelasting ter plaatse van gevoelige gebouwen, vanwege de windturbines waarvoor de vergunning is aangevraagd, bepaald overeenkomstig de methoden van bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer (Reken- en meetvoorschrift windturbines), mag niet meer bedragen dan 45 dB Lden en 39 dB Lnight. 2. De windturbines, waarvoor de vergunning is aangevraagd, moeten zodanig zijn ingesteld (met windsnelheidsafhankelijke geluidmodes) dat, ter plaatse van gevoelige gebouwen, gedurende tenminste 95% van de tijd in de perioden van 23:00 uur tot 05:30 uur bij windrichtingen tussen 120 240 graden, het equivalente geluidniveau L Aeq,T over 30 minuten, niet hoger is dan de windnormcurve. 3. Ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige ruimtes van de Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt (gevestigd aan de Borgtweg 1 te Spijkenisse), mag het equivalente geluidniveau LAeq,T over het tijdvak van 23:00 uur tot 07:00 uur niet meer bedragen dan 45 dB(A).
Aanvullend op normenkader Het maximale geluidniveau op gevoelige objecten kan op enig moment de waarde van 45 dB(A) L Aeq niet te boven gaan.
4. Nadat de geluidwering van de geluidgevoelige ruimtes is bepaald in de situatie na afronding van de (voorgenomen) verbouwing van de Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt, moet binnen 3 maanden aan het bevoegd gezag een rapport worden gezonden ter goedkeuring. In dit rapport moet zijn onderbouwd welk equivalent geluidniveau LAeq,T, vanwege de windturbines waarvoor de vergunning is aangevraagd, over het tijdvak van 23:00 uur tot 07:00 uur, volstaat om te waarborgen dat de binnenwaarde van de geluidgevoelige ruimtes niet hoger is dan 25 dB(A). Het bevoegd gezag kan de in voorschrift 18 genoemde waarde van het equivalente geluidniveau LAeq,T actualiseren (ambtshalve of op verzoek). 5. Uiterlijk zes maanden voordat de windturbines, waarvoor de vergunning is aangevraagd, in gebruik worden gesteld, moet aan het bevoegd gezag een rapport worden gezonden ter goedkeuring. In dit
.
.
.
.
7
.
(Geen norm voor laagfrequent geluid)
.
Maximaal 6 uur per jaar én max 20 min per dag per slagschaduwgevoelig gebouw
Maximaal 1 uur per jaar op de gevel van gevoelige objecten (zoals woningen) met ramen binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter van de windturbines;
.
Voor objecten met afstand van maximaal 12 x rotordiameter
De Hartelborgt: Maximaal 1 uur per jaar op de gevels met ramen en de luchtplaatsen van De Hartelborgt;
.
Automatische stilstandsvoorziening (tijd die nodig is om de stilstandvoorziening in te schakelen telt niet mee in de norm)
.
.
Logboek bijhouden per gebouw verplicht voor exploitant
.
Slagschaduw Maximaal 17 dagen minuten per jaar
en
20
rapport moet zijn onderbouwd welke instellingen zullen worden toegepast, per windturbine en per winsnelheidsklasse van 1 m/s, ten einde te voldoen aan de geluidnormen in dit hoofdstuk (voorschriften 16, 17 en 18). Het bevoegd gezag kan de instellingen vastleggen in een voorschrift (actualisatie voorschriften). 6. De drijver van de inrichting registreert per windturbine, waarvoor de vergunning is aangevraagd, de volgende gegevens (zoals gedefinieerd in bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer): a. de emissieterm LE, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte; c. per 30 minuten in de perioden van 23:00 uur tot 05:30 uur bij windrichtingen tussen 120 – 240 graden: - de windsnelheid op ashoogte; - de ingestelde geluidmodus en - het geluidvermogen LW. 1. Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw veroorzaakt het windpark niet meer dan één uur slagschaduw per jaar in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en in de schaduwgevoelige verblijfsruimten (cellen) en luchtplaatsen binnen De Hartelborgt. 2.
Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is elke windturbine die meer dan één uur slagschaduw per jaar op een schaduwgevoelig gebouw kan veroorzaken voorzien van een automatische stilstandvoorziening waarmee wordt geborgd dat niet meer slagschaduw optreedt dan volgens voorschrift 22 is toegestaan. 3. Voor elke windturbine met een stilstandvoorziening moet een logboek worden bijgehouden. Per etmaal wordt de daadwerkelijk opgetreden slagschaduw vermeld en alle gegevens worden opgenomen die relevant zijn om de opgetreden slagschaduw te bepalen. Het logboek bevat ten minste een slagschaduwkalender voor elk relevant gevoelig gebouw in tabelvorm waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur wordt weergegeven én een vermelding van het aantal minuten slagschaduw per jaar dat op elk relevant gevoelig gebouw is veroorzaakt. .
.
.
.
.
.
8
.
Bevoegd gezag mag afwijken naar strenger, bijv. naar 0 uren
.
.
.
.
Hinderlijke slagschaduw alleen bij instralingsenergie > 120 watt/m2
.
.
.
Grenswaarde: PR 10 -6 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar; Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar .
1. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.
.
2. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10 -5 per jaar.
.
.
Externe veiligheid PR 10 -5 en PR 10 -6 per jaar voor resp. beperkt en (zeer) kwetsbare objecten
.
Standaardwaarde: ook PR 10 -6 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties
.
Beperking van het directe risico én het indirecte risico gerelateerd aan het optreden van dominoeffecten (bijvoorbeeld nabij buisleidingen en risicovolle bedrijven): domino-effect niet meer dan PR 10 -6 per jaar
.
Lokaal gezag kan afwijken van de standaard waarde
.
3. Uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase dient vergunninghouder middels een schriftelijke rapportage aan het college aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden uit de NEN 3654 (Wederzijdse beïnvloeding van buisleidingen en hoogspanningssystemen) opdat verzekerd is dat de geselecteerde ondergrondse stroomkabel(s) die onderdeel vormen van het vergunde windpark geen onaanvaardbare risico’s met zich brengen voor de gasleidingen van Gasunie in het projectgebied. .
.
Windturbine > 20 jaar: positief resultaat beoordeling NPR 8400 verplicht
.
.
.
Geen onderdeel van de AMvB windturbines
Onderdeel van de AMvB onder hoofdstuk veiligheid als direct werkende norm
Regels vanuit ILT - informatieblad
Zodra er wettelijke vereisten en technische mogelijkheden bestaan, wordt de obstakelverlichting op de windturbines kort ingeschakeld zodra er een luchtvaartuig in de nabijheid van het windpark komt. Op andere momenten is er geen obstakelverlichting. Als deze mogelijkheid nog niet beschikbaar is, brandt de obstakelverlichting op windturbines overdag wit (vast brandend) en ’s nachts rood (knipperend).
Regels vanuit ILT - Informatieblad
Losse
.
1. Teneinde lichthinder als gevolg van wettelijk verplichte obstakelverlichting zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken, moet vergunninghouder uiterlijk drie maanden voor aanvang bouwfase een verlichtingsplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen. In dit verlichtingsplan moeten in ieder geval de maatregelen opgenomen worden die HVC voornemens is te nemen ter minimalisering van lichthinder als gevolg van obstakelverlichting. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. HVC dient het verlichtingsplan zoals goedgekeurd uit te voeren vanaf start exploitatiefase tot einde hiervan. .
Obstakelverlichting markering
en
.
-
windturbines
en
In ieder geval zal er een verlichtingsinstallatie 9
windparken
.
Kleur turbines, mast en wieken is wit
.
.
.
Verlichting ‘s nachts (rood) en overdag (wit) met vaste of flikkerende lampen
.
.
.
Maatwerk mogelijk voor in- en uitschakelen op basis van naderingsdetectie luchtvaartuigen onder toestemming ILT / Advies minister
.
.
worden gekozen die bij helder weer ook de intensiteit van de verlichting reduceert tot het wettelijk minimaal noodzakelijke. Op dit moment wordt door HVC bekeken of en onder welke voorwaarden in de regio met andere windparken kan worden samengewerkt voor een naderingsdetectie- en verlichtingssysteem. De bedoeling is dat deze breed kan worden ingezet en veilig kan worden toegepast. Hierbij wordt gedacht aan transpondertechnologie. Elk vliegtuig beschikt over een transponder die een signaal uitzendt. Door deze signalen op te pikken, ‘weet’ de windturbine als het ware wanneer er een vliegtuig in de buurt is. Op dat moment gaat de verlichtingsinstallatie aan. Zodra het vliegtuig is gepasseerd, gaat de verlichtingsinstallatie weer uit. Windpark Brielse Maasdijk en andere windparken in de regio hebben gezamenlijk de intentie om transpondertechnologie toe te passen. Voor de implementatie zijn zij echter afhankelijk van het bevoegde gezag ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport ). .
. . .
Verplicht bij turbine: hoger dan 150 m tiphoogte in hoogtebeperkingsgebied Schiphol
. . .
. . .
. . .
.
vanaf 100 m tiphoogte laagvlieggebieden
in
.
.
.
.
vanaf 100 m tiphoogte binnen 120 meter afstand van aangewezen autosnelwegen of waterwegen
.
.
.
Lichtschittering moet worden voorkomen door gebruik nietreflecterende coating of verf
Teneinde hinder als gevolg van lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine te voorkomen of te beperken, mag de reflectiewaarde van – aan de buitenkant zichtbare – materialen of daarop aangebrachte coatings maximaal 30% bedragen; Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
1. Teneinde hinder als gevolg van lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine te voorkomen of te beperken, mag de reflectiewaarde van – aan de buitenkant zichtbare – materialen of daarop aangebrachte coatings maximaal 30% bedragen. 2. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
.
Lichtschittering .
.
.
.
10
.
.
.
3. Binnen 3 maanden na ingebruikname van de het windpark dient vergunninghouder middels een meetrapport danwel op andere geschikte wijze aan te tonen dat aan voorschrift 26 wordt voldaan.
.
Tenminste een afstand van 2x tiphoogte tot windturbinegevoelige objecten (= woonfunctie, zorgfunctie met bedden, onderwijsfunctie, kinderopvangfunctie met bedden)
Er is niet gekozen voor een afstandsnorm, omdat een afstandsnorm een papieren zekerheid biedt, terwijl met concrete strengere geluidsnormen en bijbehorende voorschriften het woon- en leefklimaat wordt gewaardborgd.
.
.
.
Uitzondering alleen mogelijk voor zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen (ZEZAM) mits lokaal goed gemotiveerd
.
.
.
.
De afstandsnorm geldt niet voor windmolens die voor inwerkingtreding van de nieuwe normen al waren toegestaan en al op een andere afstand staan (bestaande windturbines / windparken).
.
.
.
Landschap . .
. .
. .
. .
.
.
.
Herplantplicht 1. Onverminderd wettelijke herplantverplichtingen, is vergunninghouder gehouden om zich in te spannen om voor iedere gekapte boom twee kwalitatief gelijkwaardige bomen terug te planten in het projectgebied, of, wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, buiten het projectgebied. Onder het projectgebied wordt verstaan het gebied van de Brielse Maasdijk alsmede het gebied direct ten zuiden van het voedingskanaal, een en ander tussen hoogspanningsstation Geervliet in het westen en de inlaatsluis Spijkenisse in het oosten. 2. Om invulling te geven aan de inspanningsverplichting dient vergunninghouder uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase een herplantplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing.
Afstandsnorm Geen afstandsnorm
.
11
.
.
.
3. Uiterlijk binnen twaalf maanden na aanvang bouw dient het aan het goedgekeurde herplantplan uitvoering worden gegeven. Vergunninghouder dient de hergeplante bomen in stand te houden.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Inpassingsplan voeten van turbines en transformatorgebouw 1. Mede gelet op de recreatieve functie van de Brielse Maasdijk, dient vergunninghouder uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase een landschappelijk inpassingsplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen, zowel voor de voeten van de windturbines als voor het transformatorgebouw en het onderstation. Uit dit inpassingplan moet blijken hoe (en wanneer) de voeten, het transformatorgebouw en het onderstation zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast in overeenstemming met de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. 2. Uiterlijk binnen twaalf maanden na aanvang bouw dient het aan het goedgekeurde inpassingsplan volledig uitvoering worden gegeven. Vergunninghouder dient de goedgekeurde inpassingsmaatregelen in stand te houden. 3. Onderdeel van het inpassingplan vormt een beeldkwaliteitsplan met (foto)visualisaties.
.
.
.
4. Afschrift van dit inpassingsplan met verzoek om goedkeuring wordt onverwijld door vergunninghouder aan GS van Zuid-Holland verstrekt.
.
Recreatie . .
. .
. .
. .
.
.
.
Recreatie & compensatie 1. Uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase dient vergunninghouder een uitgewerkt compensatieplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen. In dit compensatieplan moet het totaal aan maatregelen zijn opgenomen (inclusief tijdspad voor uitvoering hiervan) gericht op compensatie van negatieve gevolgen van het windpark, zodanig dat de kwaliteit van het recreatiegebied per saldo gelijk blijft. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. 2. Onderdeel van het compensatieplan vormt een beeldkwaliteitsplan met (foto)visualisaties.
.
.
.
3. Afschrift van dit compensatieplan met verzoek om goedkeuring wordt onverwijld door vergunninghouder aan GS van Zuid-Holland verstrekt.
.
.
.
.
.
12
Planschade .
.
.
.
Uit de Risicoanalyse Planschade volgen adressen die in aanmerking komen voor een financiële vergoeding voor indirecte planschade.
.
.
.
.
Het normaal maatschappelijk risico is in deze Risicoanalyse gesteld op 4%.
.
.
.
.
De betreffende adressen krijgen vanuit het windpark een aanbod toegestuurd met daarbij de onderbouwing vanuit de Risicoanalyse Planschade. Acceptatie is op vrijwillige basis. Iedereen heeft het wettelijke recht om het aanbod niet te accepteren en een eigen planschadeprocedure te starten. Ook op de adressen waar geen aanbod wordt gedaan, kan men ervoor kiezen een planschadeclaim in te dienen.
Bouwperiode .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Voorafgaand aan de bouw worden transportroutes vastgesteld door de gecontracteerde aannemers en door specialistische transporteurs. Deze worden afgestemd met de omgeving. Dat wil zeggen dat de routing in concept wordt voorgelegd en dat de verschillende partijen daarop kunnen reageren. De eventuele inbreng en adviezen kunnen worden meegenomen bij het vaststellen van de definitieve routes. HVC onderzoekt in het kader van het verkeersplan eveneens de parkeermogelijkheden om en nabij de ‘bouwkeet’. Voor de verkeersveiligheid stelt HVC een verkeersplan op dat wordt besproken met de OAR en de omgeving. De gemeente neemt vervolgens een besluit over het verkeersplan. De reguliere bouwtijden zijn tussen 07:00 en 19:00 uur. Als hiervan afgeweken wordt, zal dit tijdig aangegeven worden aan de omwonenden rond de locatie waar de werkzaamheden plaats vinden. Werkzaamheden die geluidshinder veroorzaken op een werklocatie worden zoveel mogelijk vermeden in de ‘vroege’ en/of ‘late’ uren. De bereikbaarheid van de bestemmingen aan de Plaatweg is tijdens de bouwperiode gegarandeerd.
Brandveiligheid . .
. .
. .
. . .
. . .
. . .
1. Alle brandblusmiddelen moeten steeds: a. bedrijfszeker en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; b. goed bereikbaar zijn; c. als zodanig herkenbaar zijn en d. geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand.
. . . . .
Bodem 13
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
1. Het bodemrisico van de in de aanvraag beschreven bodembedreigende activiteiten moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals gedefinieerd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). 2. Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet uiterlijk binnen drie maanden voordat gestart wordt met de bouw van het onderstation een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit ter nadere goedkeuring zijn ingediend bij het bevoegd gezag (nulsituatie). a. Het onderzoek moet betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. b. Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen binnen 6 weken nadat voornoemde rapportage is overgelegd nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt. c.
Geadviseerd wordt om ten minste 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van het nulsituatiebodemonderzoek een onderzoeksvoorstel met boorplan conform de NEN5740 ter beoordeling bij de DCMR in te dienen. 3. Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk één maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. a. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits het nulsituatieonderzoek correct is uitgevoerd. b. Als het nulsituatieonderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. c. Het eindonderzoek moet gebaseerd zijn op de
.
.
.
.
.
.
.
.
. 14
.
.
.
.
.
.
NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. 4. Indien uit het onderzoek, bedoeld in de voorschriften 12 en 13 blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport dan wel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie, zoals vastgelegd in het onderzoek als bedoeld in voorschrift 12. 5. Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een erkend persoon of instelling op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
.
.
Gevolgen van inwerkingtreding het Besluit windturbines leefomgeving? Het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving bevat overgangsrecht en gaat uit van ‘eerbiedigende werking’, waardoor bestaande situaties (en omgevingsvergunningen) worden gerespecteerd. Daarmee zouden de vergunningvoorschriften niet worden aangetast. Of en hoe het overgangsrecht er uiteindelijk uit komt te zien, is een landelijke afweging.
15