Bijlage 1 Motivering VVGB Windpark Brielse Maasdijk
Tekst van het document
Motivering besluit VVGB van de gemeenteraad van Nissewaard met betrekking tot Windpark Brielse Maasdijk Dit memo bevat de motivering voor het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen ex artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang gelezen met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor de (verlening van omgevingsvergunning voor) realisatie van Windpark Brielse Maasdijk ten noorden van Spijkenisse in de gemeente Nissewaard.
1
Inleiding
Op 16 december 2022 is door HVC Landwind B.V. (hierna: HVC) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wabo voor de bouw en exploitatie van Windpark Brielse Maasdijk door HVC Landwind B.V. (hierna: HVC).1 Er is vergunning aangevraagd voor de activiteiten afwijken van ruimtelijke plannen, bouwen en oprichten van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer alsmede het uitvoeren van werk of werkzaamheden. Het beoogde windpark bestaat uit vijf windturbines met een gezamenlijk vermogen tussen 25 en maximaal 35 megawatt (MW), bijbehorende opstelplaatsen en een onderstation met transformator en de stroomkabel(s). Drie van de windturbines (WT4, WT5 en WT6) zijn geprojecteerd ten westen van de Hartelkering, twee van de windturbines (WT7 en WT10) ten oosten van de Hartelkering. Figuur 1: het beoogde windpark
Er wordt een flexibele vergunning aangevraagd omdat het daadwerkelijke windturbinetype en bijbehorend vermogen nog niet bekend is. Dit betekent voor het onderdeel bouwen dat een bandbreedte wordt aangevraagd voor de ashoogte, rotordiameter en de tiphoogte en dimensionering van de funderingen. De maximaal aangevraagde tiphoogte van de windturbines bedraagt 235,5 meter (WT4A, 5, 6 en 7) respectievelijk 211,5 meter (WT10). Deze laatste windturbine is lager vanwege externe veiligheidseisen met betrekking tot de gasleiding aan de zuidzijde van het Voedingskanaal. De dichtstbijzijnde drie woningen zijn gelegen op circa 333 meter vanaf WT7 en 364 respectievelijk 445 meter vanaf WT4A. De kortste afstand tot de woonwijken Schiekamp en Hoogwerf bedraagt circa 600 meter (WT7). Geervliet ligt op circa 1500 meter afstand van WT4A. De Rotterdamse wijk Hoogvliet, tenslotte, ligt op circa 770 meter afstand van WT10. Ten Noorden van het plangebied – aan de overkant van de Oude Maas – ligt het 1
Olo-nummer 7108381, geregistreerd onder zaaknummer 20220650.
1
Rotterdamse haven- en industriegebied de Botlek. Zie figuur 2 hieronder. In bijlage 29 van de ruimtelijke onderbouwing zijn visualisaties opgenomen van het beoogde windpark. Figuur 2: overzichtskaart
De aanvraag bestaat onder meer uit het aanvraagformulier, een toelichting op de aanvraag, een ruimtelijke onderbouwing (GRO) met diverse bijlagen, zoals milieurapporten (geluid, slagschaduw, externe veiligheid, waterveiligheid, radarhinder, luchtvaart e.d.) alsmede het milieueffectrapport (MER), en diverse plattegronden en tekeningen. Desgevraagd heeft HVC de aanvraag op diverse punten aangevuld, onder meer met betrekking tot geluid, externe veiligheid, stikstof en het MER. Conform de Wabo heeft de gemeenteraad afschrift ontvangen van de aanvraag alsmede van de aanvullingen hierop. Tevens zijn in december 2022 en maart 2023 twee themabijeenkomsten gehouden waarbij de raad onder meer is geïnformeerd over de historie, het participatieproces, financiële participatie, het besluitvormingsproces en het vereiste normenkader (geluid, slagschaduw en externe veiligheid). Bij brief van 11 september 2023 is HVC geïnformeerd dat de aanvraag omgevingsvergunning zoals aangevuld voldoende informatie bevat om deze te beoordelen en hierover te besluiten. Tegelijkertijd met de aanvraag omgevingsvergunning heeft HVC tevens bij gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland ontheffing aangevraagd als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het opzettelijk doden en/of verstoren van vogels en vleermuizen. Het betreft hier de zogenaamde aanvaringsslachtoffers.
Hiernaast heeft HVC tevens watervergunning aangevraagd bij het bestuur van het waterschap Hollandse Delta (WSHD). Deze vergunning is vereist omdat het windpark op een primaire waterkering wordt gerealiseerd en wegens mogelijke beïnvloeding van de Hartelkering. Alle drie de aangevraagde vergunningen worden gecoördineerd behandeld ex artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dit betekende onder meer dat alle ontwerp-besluiten tegelijkertijd ter inzage zijn gegaan voor zienswijzen. Op basis van de zienswijzen zijn enkele verbeteringen van voorschriften in de omgevingsvergunning gemaakt. De zienswijzen gaven geen aanleiding om de raad een ander advies voor het afgeven van de VVGB voor te leggen.
2
Bevoegd gezag 2
Hoewel Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) normaliter bevoegd gezag zijn voor een aanvraag zoals de onderhavige, hebben GS bij bestuursovereenkomst uit 2019 afgezien van de uitoefening van deze bevoegdheid.2 Aangezien het beoogde windpark grotendeels op grondgebied van de gemeente Nissewaard zal worden gerealiseerd, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard daarmee bevoegd gezag.
3
VVGB
Ingevolge artikel 2.27 Wabo in samenhang gelezen met artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht (Bor) kan het college de aangevraagde omgevingsvergunning alleen verlenen nadat onze gemeenteraad heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben (de zogenaamde Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB)). Het beoogde windpark is namelijk in strijd met de geldende bestemmingsplannen en/of beheersverordeningen en er kan alleen buitenplans worden afgeweken. Bij besluit van 2 januari 2015 heeft de gemeenteraad ingevolge artikel 6.5 lid 3 van het Bor categorieën gevallen aangewezen waarin geen VVGB vereist is.3 Een dergelijk geval doet zich in casu evenwel niet voor omdat het beoogde windpark niet overeenstemt met de geldende Structuurvisie Spijkenisse 2010-2020. 4 De ontwikkeling van windvermogen op de Brielse Maasdijk is namelijk niet voorzien in deze structuurvisie. Figuur 3: Uitsnede overzichtskaart
De gemeenteraad van Nissewaard geeft middels de VVGB aan dat zij geen bedenkingen heeft tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Blijkens artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan de gemeenteraad de gevraagde VVGB alleen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Uit de rechtspraak blijkt een verzwaarde motiveringsplicht bij weigering van een VVGB. 5 Wanneer aanvrager middels stukken en rapporten (zoals een GRO) van deskundigen heeft onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, moet een weigering extra zorgvuldig en deugdelijk worden gemotiveerd en met objectieve en verifieerbare gegevens worden onderbouwd. 2
E.e.a. conform artikel 9f van de Elektriciteitswet. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR357296 4 Zie ruimtelijkeplannen.nl. 5 Zie uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:112. 3
3
4
Enige achtergronden
In juni 2012 is in de voormalige stadsregio Rotterdam een windconvenant afgesloten waarin de toenmalige gemeenten alle akkoord zijn gegaan met het realiseren van 150 MW aan opgesteld windvermogen voor 31 december 2020.6 Vanwege vertragingen in de planontwikkeling van diverse projecten is in 2020 besloten de looptijd van dit regionale convenant te verlengen en wel zodanig dat alle windenergieprojecten binnen de regio uiterlijk op 31 december 2025 gerealiseerd kunnen zijn. Eind 2017 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland alle zoeklocaties voor windenergie definitief vastgelegd middels wijziging van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). 7 Eén van die locaties is de locatie Brielse Maasdijk (voorheen bekend als Hartel Oost en Plaatweg). In juli 2017 heeft de gemeente Nissewaard zich uitgesproken tegen de ontwikkeling van windvermogen in de polder van Zuidland en op de Beerenplaat, en de provincie expliciet gevraagd om in plaats daarvan het zoekgebied Hartel Oost uit te breiden met het gedeelte Plaatweg en omgeving 8, nadien nogmaals bevestigd in de unaniem aangenomen raadsmotie van 31 januari 2018 “Windmolens polder Zuidland en de Beerenplaat”.
Aan dit verzoek ligt een milieuanalyse ten grondslag van Pondera van 10 februari 2017 in opdracht van gemeente Nissewaard.9 In deze analyse gaat Pondera in op leefomgeving, ecologie, landschap, cultuurhistorie, archeologie, recreatie, veiligheid en duurzame energieopbrengst. Hiermee kon voorkomen worden dat er andere locaties voor windenergie verder uitgewerkt moesten worden (te weten Beerenplaat en Zuidland). Nadien is de VRM beleidsneutraal omgezet naar het provinciale omgevingsbeleid en de omgevingsverordening (zie nader paragraaf 6 hieronder). Teneinde klimaatverandering tegen te gaan, heeft de gemeente Nissewaard de ambitie vastgelegd om in 2030 27% ‘energieneutraal’ te zijn en in 2050 zelfs 100%. Dit is in 2018 uitgesproken door de gemeenteraad bij de vaststelling van de Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040 10 en nadien bevestigd in het Programmaplan Duurzaamheid Nissewaard 2020 en 2021-202211. Naar verwachting is in 2050 in Nissewaard een totale duurzame elektriciteitsopwek nodig van circa 444 GWh. In 2021 bedroeg de duurzame opwek van elektriciteit in Nissewaard circa 22 GWh (Klimaatmonitor). Dit is slechts 5% van de verwachte toekomstige elektriciteitsvraag in Nissewaard. Met de energieopbrengst van het beoogde Windpark Brielse Maasdijk zal dit naar circa 20% stijgen. Voor invulling van de resterende 80% bestaan nog geen concrete initiatieven.
5
Het milieueffectrapport (MER)
Ingevolge de Wet milieubeheer is de oprichting van een windturbinepark zoals aangevraagd merbeoordelingsplichtig. Aanvrager HVC heeft er evenwel voor gekozen om direct een m.e.r.-procedure te doorlopen en een milieueffectrapport (MER) op te stellen. De m.e.r.-procedure is gestart met de terinzagelegging van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau windpark Brielse Maasdijk (NRD) van 15
6
Convenant Realisatie windenergie stadsregio Rotterdam – 21 juni 2012. Partiële herziening VRM windenergie 24 januari 2017. Zie https://www.zuid-holland.nl/@15931/partieleherziening/ 8 Brief van BenW Nissewaard aan provincie Zuid-Holland 18 juli 2017. 9 https://www.commissiemer.nl/projectdocumenten/00001869.pdf 10 https://www.duurzaamwestvoorne.nl/assets/files/routekaart-duurzaam-voorne-putten-2040.pdf 11 https://www.nissewaard.nl/duurzaamheid/duurzaamheid_to/programmaplan-duurzaamheid.htm 7
4
januari 2021, met gelegenheid tot zienswijzen.12 Op 8 juni 2021 heeft het college de Nota van Beantwoording Reikwijdte en Detailniveau Windpark Brielse Maasdijk vastgesteld met beantwoording van de ingediende zienswijzen. In april 2021 heeft de Commissie m.e.r. geadviseerd over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Gedurende de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten was het tevens mogelijk zienswijzen in te dienen over het MER. De Commissie m.e.r. is op 28 februari 2024 verzocht om een toetsingsadvies te geven over het MER en de daartegen ingebrachte zienswijzen. Het doel van een MER is om bij de besluitvorming over projecten het milieu een volwaardige plaats te geven. Daartoe worden diverse alternatieven (combinaties van meer of minder windturbines, op verschillende locaties en in een hoge en lage variant) onderzocht en met elkaar vergeleken. Het ingediende MER bestaat uit deel A en deel B. Deel A beschrijft de gebundelde resultaten van de beoordeling van milieueffecten. Deel B bevat alle detailinformatie van de uitgevoerde beoordelingen per milieuthema en dient als achtergrondinformatie met de nadere onderbouwing van de effectbeoordeling. Het MER beschrijft de milieueffecten tijdens de realisatie- en de exploitatiefase. Een windpark heeft na oplevering een technische levensduur van circa 30 jaar.
Desgevraagd heeft HVC het MER onder meer aangevuld met een alternatief van alleen windturbines aan de westkant van de Hartelbrug (alternatief A4.2 en B 4.2) en met een presentatie van milieugevolgen, zoals geluid en slagschaduw, zonder mitigerende maatregelen. 13 Het aangevulde MER is door de DCMR beoordeeld. DCMR heeft het MER en de aanvullende informatie zoals gebruikelijk getoetst aan de wettelijke inhoudseisen op grond van de Wet milieubeheer, de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en het advies van de Commissie m.e.r., dat door het college is overgenomen (zie brief van 11 juni 2021 van DCMR aan HVC). Het advies van de DCMR luidt als volgt: “Het MER geeft een onderbouwing van het voornemen windturbines te plaatsen op de locatie Brielse Maasdijk. Het brengt verschillende locatiealternatieven in beeld en beschrijft in een bijlage varianten voor de normstelling. De effecten van de alternatieven, inclusief het voorkeursalternatief van de initiatiefnemer en het alternatief met alleen turbines aan de westzijde van de Hartelkering, zijn in beeld gebracht. Voor de normstellingsvarianten is gekeken naar de impact op geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor de geluidsnormen zijn vijf varianten uitgewerkt in een bijlage bij het MER.
Een integrale analyse, waarbij de locatiealternatieven zijn gecombineerd met de normstellingsvarianten, is niet uitgevoerd en de informatie over de normstellingsvarianten is buiten het hoofdrapport MER gehouden. DCMR concludeert dat het milieueffectrapport (MER) de noodzakelijke milieu-informatie bevat voor de besluitvorming over de vergunning”.14 Kortom, het MER voldoet aan de wettelijke vereisten. De Commissie m.e.r. heeft desgevraagd op 11 juli 2024 toetsingsadvies over het MER uitgebracht alsmede over de daartegen ingebrachte zienswijzen.
12
Zie gmb 9 februari 2021, 39709. Bijlage GG bij het MER. 14 DCMR advies van 1 september 2023 met kenmerk 2236588_5082859. 13
5
Aanvullende akoestische analyse DCMR In aanvulling hierop heeft DCMR op eigen initiatief een analyse gemaakt van de beschikbare akoestische gegevens, omdat de akoestische informatie, aldus DCMR, lastig te doorgronden is. Kort gezegd betoogt DCMR dat “alternatieven met windturbines oostelijk van de Hartelbrug (zoals het VKA) tot een factor 10 meer geluidgehinderen leiden dan alternatieven A4.2 en B4.2 met alleen turbines ten westen van de Hartelbrug. Daarbij hebben de eerstgenoemde alternatieven hooguit een factor 2 meer energieopbrengst”. Na overleg met externe geluidsexperts die de gemeente eerder hebben geadviseerd over het normenkader geluid, hebben wij geconcludeerd dat in de geluidanalyse van DCMR een eenzijdige c.q. onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven. Mede daarom kunnen wij de analyse van DCMR niet onderschrijven. Graag lichten wij een en ander toe. Aantallen geluidbelaste woningen? In de milieuanalyse gaat DCMR in de eerste plaats uit van het aantal “geluidbelaste woningen” dat zij definiëren als het aantal woningen binnen de Lden 40 contour. DCMR gaat er vanuit dat binnen deze contour substantiële geluidhinder te verwachten is omdat dit het gebied is waarbinnen – op basis van ervaringen met windpark Hartelbrug II “in de maanden dat nog geen geluidbeperking werd toegepast in de nacht” – substantieel klachten te verwachten zijn.
Deze aanname is – in de eerste plaats – onjuist omdat blijkens paragraaf 6 hieronder bij windpark Brielse Maasdijk nu juist wel extra geluidmitigatie wordt toegepast voor de stille nachten, namelijk door het voorschrift met betrekking tot WNC-35. De facto wordt hiermee geborgd dat de geluidbelasting van de windturbines tijdens de stille nachten wordt afgestemd op het niveau van het achtergrondgeluid. Daarmee wordt geluidhinder tijdens stille nachten voorkomen. In de tweede plaats suggereert DCMR dat de woningen binnen de Lden 40 contour van het aangevraagde windpark nu in een stil gebied liggen. Dat is onjuist. Ten onrechte gaat DCMR er aan voorbij dat het noorden van Spijkenisse reeds een hoog geluidbelast gebied is vanwege onder meer de Botlek, de A15 en de havenspoorlijn.15 Met de opsomming van aantallen geluidbelaste woningen als gevolg van het aangevraagde windpark geeft DCMR derhalve een verkeerde voorstelling van zaken. Bovendien is er juist vanwege de reeds bestaande hoge geluidbelasting voor gekozen om aan te sluiten bij de significant strengere adviesnorm van de WHO van Lden 45 (in plaats van Lden 47). Deze norm levert volgens de GGD “een gezonde leefomgeving op en biedt gelijke gezondheidsbescher- ming voor alle inwoners”.
Ter plaatse van noordrand van de woonwijken in Spijkenisse Noord zal de jaargemiddelde geluidbelasting nog lager liggen, namelijk op hoogstens Lden 43 (een verschil van 4 dB ten opzichte van de voorheen voorwoningen geldende Lden 47 norm). Met de combinatie van een strenge jaargemiddelde norm en WNC-35 is geborgd dat het windturbinegeluid zo veel mogelijk wordt gemaskeerd door ander omgevingsgeluid en derhalve weinig hinder veroorzaakt.
15
Ter illustratie merken wij hierbij nog het volgende op. Blijkens informatie van Atlasleefomgeving had ruim 1,5 miljoen Nederlanders in 2021 ernstige hinder door geluid van wegverkeer (11,3%). Volgens het RIVM staat hinder van buren met ruim 8% op een tweede plaats. Zie https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmkomgevingsgeluid/gezondheidseffecten-geluid/geluidhinder. Railverkeer en vliegverkeer veroorzaken respectievelijk 2,2 en 4,6% ernstige hinder onder volwassenen in Nederland. 1,9% volwassen Nederlanders zijn ernstig gehinderd door fabrieken en bedrijven. Volgens atlasleefomgeving ervaart 0,4% van de Nederlanders ernstige hinder van windturbinegeluid.
6
Kortom, er kan dus niet gesteld worden dat het aangevraagde windpark (inclusief twee windturbines aan de oostkant van de Harelbrug) resulteert in een factor 10 meer geluidbelaste woningen ten opzichte van het een alternatief met alleen windturbines aan de westkant van de Hartelbrug. Aantallen gehinderden? In de geluidanalyse geeft DCMR voorts indicatief de aantallen gehinderden voor de in het MER onderzochte alternatieven alsmede voor het aangevraagde windpark (VKA). Afgezien van het feit dat dit niet resulteert in een factor 10 meer gehinderden, gaat DCMR er ook hierbij ten onrechte aan voorbij dat er reeds sprake is van een hoog geluidbelast gebied vanwege de Botlek, de A15, de havenspoorlijn etc. Bij de beoordeling van geluidhinder is het gangbaar om met nam te kijken naar ernstig gehinderden. Als we kijken naar het aantal ernstig gehinderden bij cumulatieve geluidbelasting (dus inclusief de thans reeds bestaande geluidbelasting), dan zien we dat in de huidige referentiesituatie sprake is van 5415 ernstig gehinderden en bij de referentiesituatie inclusief het aangevraagde windpark van 5452 ernstig gehinderden.16 Dus een verschil van slechts 37 ernstig gehinderden. Wij achten dat aanvaardbaar mede gegeven de andere betrokken belangen, zoals het tegengaan van klimaatverandering en de daartoe vastgelegde duurzaamheidsdoelstellingen.
Energieopbrengst? In de geluidanalyse stelt DCMR dat alternatief A4.2 met vier windturbines aan de westkant van de Hartelbrug ook een “hoge” energieopbrengst levert (circa 73.000 MWh/jaar). Echter, uit de aanvraag blijkt dat HVC minimaal 90.000 MWh/jaar nodig heeft voor een rendabele bedrijfsvoering (zie nader paragraaf 22 hieronder). Het aangevraagde windpark levert naar verwachting circa 95.000 MWh/jaar. Een verschil van circa 22.000 MWh/jaar (23%). Los hiervan blijkt uit de aanvraag dat er slechts drie windturbines kunnen worden ingepast aan de westkant van de Hartelbrug. Desgevraagd heeft HVC gereageerd op de geluidanalyse van DCMR en hierbij als volgt aangegeven: “In het MER (inclusief onderliggende bijlages) is hier aandacht aan besteed, wordt onderbouwd en geconcludeerd, dat scenario A/B 4.2 niet realistisch en niet haalbaar/uitvoerbaar is. Om dit scenario haalbaar te laten zijn, dient WT3 gerealiseerd te kunnen worden. DCMR onderschrijft dat het westwaarts verplaatsen van WT3 niet mogelijk is. Daarentegen komt de opmerking dat WT3 verder naar het oosten verplaatst zou kunnen worden, naar een positie meer direct westelijk van WT4(A en dat deze optie niet is onderzocht. Indirect zal hierbij dan de positie van WT4(A) verder oostwaarts moeten worden verplaats, bijvoorbeeld richting de locatie van de als onderdeel van het MER beoordeelde positie WT4B.
Dit betekent dan vervolgens indirect dat WT5 komt te vervallen. Voor de beoordeling over de optimalisatie van positie WT4A/B verwijzen we naar het MER. WT5 kan namelijk niet verder in oostelijke richting worden verschoven, om niet te interfereren met WT6. Hiermee blijven dan eveneens drie windturbines westelijk van de Hartelkering over”. Alternatief A4.2 met vier windturbines is derhalve noch technisch noch economisch haalbaar. Als we zouden uitgaan van een variant met drie windturbines aan de westkant, dan zou dat naar inschatting hoogstens ongeveer 60.000 MWh / jaar opleveren (37% minder dan met het aangevraagde windpark). Deze variant is economisch evenmin haalbaar. Bovendien wordt in deze variant niet voldaan aan de minimumdoelstelling van 18 MW opgesteld vermogen nog afgezien van de extra opgave uit het RES 1.0 zoals geaccordeerd door de gemeente.
16
Zie het memo normstellingsvarianten van 27 mei 2023, p. 10-11.
7
Tussenconclusie Anders dan DCMR suggereert, bestaat er derhalve bij het gekozen strenge normenkader geen aanleiding om te vrezen voor onaanvaardbare hinder bij realisatie van het aangevraagde windpark. Bovendien is een variant van vier windturbines aan de westkant technisch en economisch niet haalbaar. Een variant met drie windturbines aan de westkant is technisch wel haalbaar, maar hierbij wordt niet voldaan aan de projectdoelstelling van minimaal 18 MW opgesteld vermogen en deze variant is temeer economisch niet haalbaar. Bovendien wordt in beide varianten een significant kleiner deel van de verduurzamingsdoelstellingen van de gemeente gerealiseerd. Dit impliceert op zijn beurt dat extra andere maatregelen nodig zijn om de verduurzamingsdoelstellingen te halen. Denk aan windturbines en/of zonnevelden elders binnen de gemeente. Eerder heeft de gemeente de provincie expliciet verzocht om het zoekgebied voor windvermogen uit te breiden met de Plaatweg juist om te voorkomen dat er windvermogen op andere plekken binnen de gemeente zou moeten worden gerealiseerd om aan de afgesproken doelstellingen te voldoen. Mede gegeven de urgentie om de energietransitie te versnellen, achten wij het onwenselijk om nu opeens toch een andere, onzekere, weg in te slaan.
Bedenk hierbij dat zelfs bij realisatie van het aangevraagde windpark nog slechts circa 20% van de verduurzamingsdoelstelling voor 2050 is bereikt (zie nader paragraaf 4 hierboven).
6
Normenkader milieu
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer zijn algemene milieuregels opgenomen. Sinds 2008 zijn hierin ook regels opgenomen voor windturbine(s); de zogenaamde windturbinebepalingen. Bij uitspraak van 30 juni 2021 heeft de ABRvS geoordeeld dat voor de windturbinebepalingen met betrekking tot windturbineparken ten onrechte geen milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn is uitgevoerd. 17 Dit impliceert dat in het kader van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid (toets aan een goede ruimtelijke ordening) van windturbineparken niet langer van de rechtstreekse werking van de windturbinebepalingen kan worden uitgegaan. Nadien zijn beide regelingen gewijzigd, zodanig dat zij niet meer van toepassing zijn op windturbineparken, dat wil zeggen drie of meer windturbines (tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken). Voor “losse” windturbines gelden de windturbinebepalingen ongewijzigd. Wel kan het bevoegd gezag er – vooruitlopend op de uitvoering van een planmilieueffectrapportage door het Rijk en handhaving of aanpassing van de windturbinebepalingen – voor kiezen om door hem gekozen normen te hanteren.
Die normen moeten dan wel zijn voorzien van “een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering”.18 Omwille van de voortgang van het onderhavige project mede in relatie tot de verduurzamingsdoelstellingen van de gemeente (zie nader paragraaf 6), is er voor gekozen om nieuwe windturbinebepalingen niet af te wachten, maar zelf op basis van geëigend onderzoek een gemotiveerd en locatie specifiek normenkader vast te stellen voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid. Daarmee wordt een goed woon-, leef- en verblijfsklimaat geborgd, ook ter plaatse van de woonwijken in Spijkenisse Noord. Dit normenkader vormt onlosmakelijk onderdeel van de VVGB en daarmee ook van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het beoogde windpark. Middels aan de omgevingsvergunning (milieu) te verbinden voorschriften zal de doorwerking van de gekozen normen worden geborgd. 17 18
Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020 (ECLI:NL:RVS:2021:1395). Rechtsoverweging 65 van gememoreerde uitspraak.
8
Geluid: a) De gezamenlijke geluidbelasting van de windturbines van het aangevraagde windpark op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen mag niet meer bedragen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight. b) Tussen 23:00 en 05:30 uur mag bij windrichtingen tussen 120° en 240° de gezamenlijke geluidbelasting van de windturbines van het aangevraagde windpark op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dat de waarde conform de windcurvenorm WNC-35. c) In de Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt mag de maximale equivalente geluidbelasting vanwege WT5 in de slaapvertrekken in de nachtperiode niet meer bedragen dan 25 dB(A). De geoorloofde maximale equivalente geluidbelasting op de gevel bedraagt 25 dB(A) plus de gevelwering. Uitgangspunt voor de huidige situatie is een gevelwering van 20 dB. In de toekomstige situatie, na verbouwing, dient de gevelwering opnieuw te worden bepaald om de geoorloofde geluidbelasting op de gevels van de slaapvertrekken vast te stellen. In de voorheen geldende windturbinebepalingen was een jaargemiddelde norm opgenomen van Lden 47 dB en Lnight 41 dB.
Met de keuze voor een jaargemiddelde norm van Lden 45 dB (en resulterende Lnight 39 dB) conform het advies van de World Health Organization (WHO) wordt de geluidbelasting bijna gehalveerd ten opzichte van de oude norm.19 Blijkens advies van de GGD levert een keuze voor de WHO-norm “een gezonde leefomgeving op en biedt gelijke gezondheidsbescherming voor alle inwoners”.20 Hiernaast wordt met WNC35 – rekening houdend met locatie specifieke omstandigheden – extra bescherming geboden tijdens de stille nachten. Door de combinatie van een strenge jaargemiddelde norm met een locatie specifieke benadering middels WNC35 wordt een hoog beschermingsniveau geboden aan omwonenden, met name ook voor de bewoners van de woonwijken in Spijkenisse Noord. Het aantal (ernstig) gehinderde omwonenden wordt zoveel mogelijk beperkt. In dit verband merken wij nog op dat – bij de gekozen geluidsnormering – ter plaatse van de woonwijken in Spijkenisse Noord feitelijk een jaargemiddelde geluidbelasting zal optreden van circa 41 tot 43 dB Lden. Dus minimaal 4 dB lager dan de voorheen geldende windturbinenorm van Lden 47 dB.21 Deze strenge normering gaat wel gepaard met een fors verlies aan opgewekte groene stroom (circa 4,8% per jaar). Over de verwachte exploitatieperiode van 30 jaar loopt het verlies op tot circa 146.000 MWh hetgeen overeenkomt met circa 77.000 ton minder vermeden CO 2.
Vanzelfsprekend gaat dit ook ten koste van de verduurzamingsdoelstellingen van de gemeente (zie paragraaf 6 hieronder) alsmede van de financiële opbrengst voor aanvrager. Alles afwegend achten wij de strenge normstelling gerechtvaardigd.
19
Omdat de decibelschaal geen lineaire schaal is, maar een logaritmische schaal, komt een reductie van 3 dB overeen met een halvering van het geluidniveau. 20 Brief van GGD Rotterdam-Rijnmond van 30 januari 2023. 21 Ten overvloede zij opgemerkt dat ook ter plaatse van Haven Noord (ten zuiden van de Groene Kruisweg en ten oosten van de Schenkelweg), waar op termijn mogelijk woningbouw zal worden gerealiseerd, ruimschoots wordt voldaan aan Lden 45 norm. Zie de geluidscontouren op p. 14 van het akoestisch onderzoek, GRO bijlage 15.
9
De Hartelborgt De Hartelborgt bevindt zich op circa 200 meter ten zuidoosten van windturbine WT5. Deze inrichting wordt wettelijk gezien niet beschouwd als een gevoelig object (zoals een woning). 22 Bijgevolg gelden er geen grenswaarden voor het geluid op de gevel en/of binnen in dit gebouw. Er verblijven echter wel langdurig jongeren en deze krijgen daar ook onderwijs. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet er ook rekening worden gehouden met de belangen van (de bewoners van) De Hartelborgt. Omdat De Hartelborgt zich op een reeds geluidbelaste locatie bevindt (vanwege het industrieterrein Pernis-Botlek, wegverkeer en railverkeer), zal – rekening houdend met een geschatte gevelwering van maximaal 20 dB(A) – in de huidige situatie in de meeste verblijfsruimten in de nachtperiode al een binnenniveau heersen van 25 tot 35 dB(A), hetgeen hoger is dan voor woningen aanvaardbaar wordt geacht.23 Uit akoestisch onderzoek door aanvrager komt naar voren dat de gezamenlijke geluidbelasting na realisatie van het beoogde windpark op momenten met veel wind zal toenemen tot 28 tot 36 dB(A) binnenwaarde.
Aanvrager is voornemens om het geluid van WT5 in de nachtperiode zodanig te mitigeren middels noise mode dat het geluidniveau bij maximale geluidproductie ’s nachts als gevolg van het windturbinegeluid niet hoger is dan 25 dB(A) in de slaapvertrekken van De Hartelborgt uitgaande van de expert assessment dat de gevelwering maximaal 20 dB(A) bedraagt.24 Hiertoe zal het bronvermogen van WT5 tussen 23.00 en 07.00 uur zodanig worden beperkt dat het equivalente geluidniveau op de gevels van de slaapvertrekken maximaal 45 dB(A) bedraagt. Hoewel hierbij geen rekening wordt gehouden met het hinderlijke karakter van windturbinegeluid (door het ritmische karakter hiervan), achten wij dit toch aanvaardbaar omdat het achtergrondgeluid ter plaatse van De Hartelborgt reeds hoog is en dus het windturbinegeluid grotendeels zal maskeren. Hierbij nemen wij in aanmerking dat De Hartelborgt volgens aanvrager op termijn (prognose binnen 3 a 5 jaar) grondig zal worden verbouwd mede om de huidige geluidwerendheid van de gevel(s) te verbeteren. Een nadere motivering specifiek voor geluid is opgenomen in bijlage 1. Slagschaduw:
Maximaal 1 uur per jaar op de gevel van gevoelige objecten (zoals woningen) met ramen binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter van de windturbines; en Maximaal 1 uur per jaar op de gevels met ramen en de luchtplaatsen van De Hartelborgt.
Slagschaduw betreft de lichtflikkeringen die optreden vanwege de passerende schaduw van de draaiende rotorbladen van een windturbine. De hinder doet zich vooral voor als de slagschaduw op het raam van een woning valt en hierdoor binnen in de woning – kort op elkaar – sterke wisselingen in de lichtsterkte optreden. In de voorheen geldende windturbinebepalingen was voor slagschaduw een norm opgenomen van maximaal 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag, welke norm in de praktijk veelal werd vertaald naar een gemiddelde slagschaduwduur van ten hoogste 5 uur en 40 minuten per jaar (17 x 20 minuten is 5 uur en 40 minuten). Blijkens de aanvraag zal HVC een automatische stilstandsregeling toepassen als gevolg waarvan de windturbines altijd zullen worden stilgezet op momenten waarop zij slagschaduw bij woningen kunnen veroorzaken binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter van de windturbines.25 In de praktijk zal de 22
Artikel 1.3 Besluit geluidhinder. Voor industrielawaai stelt het Bouwbesluit 2012 voor woningen in de nachtperiode een binnenwaarde van 25 dB(A). 24 Memo Beoordeling geluidbelasting Windpark Brielse Maasdijk op niet-gevoelige objecten (GRO, bijlage 17). 25 GRO, bijlage 18 Slagschaduwonderzoek V2023 van 22 mei 2023. 23
10
slagschaduw op woningen hierdoor minder dan 1 uur per jaar bedragen rekening houdend met een vertragingstijd van 5 seconden en nogmaals 5 seconden voordat de windturbine stilstaat. Een maximale slagschaduwnorm van maximaal 1 uur per jaar vormt een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de windturbinebepalingen. Hoewel door de beoogde stilstandsregeling een productieverlies wordt verwacht van 1,4%, achten wij een dergelijke strenge norm gerechtvaardigd om slagschaduwhinder te minimaliseren. Hoewel De Hartelborgt formeel geen gevoelig object is, achten wij het ondanks het verwachte additionele productieverlies van 0,3% gerechtvaardigd om een speciale slagschaduwnorm voor De Hartelborgt op te nemen omdat hier jeugdige gedetineerden verblijven. De norm is gelijk aan die voor woningen. HVC heeft ook de slagschaduw op de hoogst belaste niet-gevoelige objecten (anders dan woningen) berekend uitgaande van een worst case scenario.26 Voor deze niet-gevoelige objecten, zoals Mr Green Boutique, de jachthaven, de gemeentewerf, het crematorium, de tennisclub in Hoogvliet en het kantoor van Esso (Botlek), wordt een gemiddelde cumulatieve slagschaduwduur verwacht variërend tussen 13 en 72 uur per jaar. Door de automatische stilstandsvoorziening voor woningen en De Hartelborgt zal de daadwerkelijke jaarlijkse slagschaduwduur op deze overige objecten veelal nog korter zijn.
Uit de berekende slagschaduwcontouren blijkt dat de slagschaduw op andere nietgevoelige objecten in de Botlek zelf, zoals emplacement Botlek en de brandweerkazerne, tussen de 15 en 50 uur slagschaduw per jaar zal bedragen.27 Uit de in het slagschaduwonderzoek gememoreerde rechtspraak (p. 17) kan worden afgeleid dat een aanvaardbaar verblijfs- c.q. werkklimaat onder die omstandigheden geborgd is. Mede gelet op het totaal aantal werkbare uren in een kalenderjaar (circa 2000 uur) alsmede het specifieke gebruik van betrokken objecten en kortere verblijfstijd in vergelijking tot woningen alsmede de veelal relatief korte gemiddelde slagschaduw duur per dag, achten wij dit aanvaardbaar. Lichtschittering:
Teneinde hinder als gevolg van lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine te voorkomen of te beperken, mag de reflectiewaarde van – aan de buitenkant zichtbare – materialen of daarop aangebrachte coatings maximaal 30% bedragen; en Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
Windturbines kunnen ook hinder veroorzaken door de reflectie van zonlicht op de draaiende rotorbladen, zogenaamde lichtschittering. Bij moderne windturbines wordt lichtschittering zo veel mogelijk beperkt door gebruik van veelal matte, lichtgrijze coating /verf. Ingevolge de voorheen geldende windturbinebepalingen, gold een inspanningsverplichting om lichtschittering zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken door gebruik van niet reflecterende materialen of coatings. 28 Door een specifieke ‘glansnorm’ op te nemen bieden wij concrete bescherming hetgeen ten goede komt aan de rechtszekerheid.
26
Zie hoofdstuk 6 van genoemd slagschaduwonderzoek. Afbeelding 5 (p. 14) van het genoemde slagschaduwonderzoek. 28 Activiteitenregeling artikel 3.13. 27
11
Externe veiligheid:
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar; en Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10 -5 per jaar.
Met deze normering wordt aangesloten bij de voorheen geldende windturbinebepalingen, die op hun beurt aansloten bij de toen en nog altijd gangbare externe veiligheidsnormen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het externe veiligheidsbeleid van alle risicobronnen is met introductie van het Bevi in 2004 gelijkgetrokken. Het hanteren van 10-5 en 10-6 voor een aanvaardbaar risico dateert al van eerder, zo wordt het onder andere genoemd in het Nationaal milieubeleidsplan 4 (juni 2001) maar ook daarvoor werd deze norm ook al gehanteerd. De vuurwerkramp in Enschede (2000) en het daaropvolgende rapport van de commissie Oosting heeft er toe geleidt dat het gehele externe veiligheidsbeleid in Nederland tegen het licht is gehouden en er uiteindelijk maatschappelijk aanvaardbare normen in het Bevi zijn vastgelegd. Voor wat betreft het bieden van een veilig beschermingsniveau, bestaat derhalve geen aanleiding voor het vaststellen van afwijkende normen (noch strenger, noch minder streng).
Hierbij nemen wij in aanmerking dat de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren voor reizen met het vliegtuig vergeleken met een windturbineongeluk circa 1.000x hoger is, het wonen in laaggelegen gebieden (overstromingsrisico) een circa 10x hogere kans geeft en de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren bijna 10.000x hoger ligt voor autorijden dan bij een windturbineongeluk. 29 Hieruit kan worden geconcludeerd dat het toepassen van risicocriteria in de orde van grote van 10-5 en 10-06 per jaar bij windturbines een maatschappelijk geaccepteerd risico oplevert. Voor iemand die jaarrond verblijft in een kwetsbaar object, zoals een woning, mag de kans op overlijden als gevolg van falen van een windturbine niet meer bedragen dan “1 op een miljoen”. Wij achten dit risico aanvaardbaar mede gegeven de kans op overlijden bij gangbare andere activiteiten die veelal aanzienlijk hoger is. Voor beperkt kwetsbare objecten, zoals bedrijfswoningen en grote kantoren of hotels, geldt een ‘overlijdenskans’ van “1 op de honderdduizend”. Ook dit risico achten wij aanvaardbaar.
Uit de aanvraag blijkt dat aan deze normen voor het plaatsgebonden risico kan worden voldaan.30 Hiertoe is wel vereist dat de woonbestemming van de woning aan de Plaatweg 1 conform verzoek van aanvrager wordt gewijzigd naar een groenbestemming.31 Vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaat hier geen bezwaar tegen. Deze bestemmingsplanwijziging is inmiddels in gang gezet.
29
Zie het rapport Risico’s in perspectief van BZK van november 2014. GRO B19.1 Rapportage Externe Veiligheid V2023. 31 Zie de toelichting op de aanvraag (versie 14 augustus 2023), p. 26. 30
12
Obstakelverlichting & lichthinder In de aanvraag gaat aanvrager in op obstakelverlichting en bijbehorende lichthinder. 32 Hieruit blijkt dat er in de bestaande situatie er in de nacht/schemer periode reeds sprake is van relatief veel verlichting van het industriegebied de Botlek. Hoewel obstakelverlichting op de beoogde windturbines verplicht is, zal de totale mate van lichthinder in de nacht door realisatie van het wondpark niet wezenlijk toenemen. Tijdens de dagperiode zal de obstakelverlichting nauwelijks hinderlijk zijn. In dit verband merken wij op dat er geen norm voor lichthinder is opgenomen, omdat ‘obstakelverlichting’ wettelijk verplicht is voor windturbines 33 en omdat er reeds een zorgplicht geldt om lichthinder zoveel mogelijk te minimaliseren.34 Deze zorgplicht impliceert dat aanvrager een ‘verlichtingsplan’ zal moeten opstellen met lichthinder mitigerende maatregelen. Uit voorzorg zal een concretiserend voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden teneinde lichthinder als gevolg van obstakelverlichting – zoveel als mogelijk – te minimaliseren. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van naderingsdetectie, afscherming en/of vast brandende verlichting. Hiermee zal worden geborgd dat eventuele lichthinder als gevolg van obstakelverlichting wordt geminimaliseerd.
7
Klimaatverandering & energietransitie
Zowel op mondiaal, op Europees als op nationaal (Nederlands) niveau wordt onderkend dat klimaatverandering als gevolg van opwarming van de aarde wordt veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2. Een deel van die broeikasgassen komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen voor het opwekken van stroom (denk aan traditionele gas- of kolengestookte elektriciteitscentrales).35 Ook is men het erover eens dat klimaatverandering (op termijn) ernstige nadelige gevolgen zal hebben voor onze gezondheid en veiligheid, voor de beschikbaarheid van voedsel en water en voor de natuur. Denk bijvoorbeeld aan negatieve gevolgen als gevolg van meer en langere hittegolven, verdroging of juist meer overstromingen, meer bosbranden, stijgende zeespiegel en verzuring van oceanen. Teneinde de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en daarmee klimaatverandering tegen te gaan, is het beleid onder meer gericht op een overgang naar duurzame energieopwekking door middel van windenergie of zonne-energie (energietransitie). In de Klimaatwet is in dit verband het streven opgenomen naar een volledige CO 2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050. In het nationale Klimaatakkoord (2019) is in dit verband afgesproken dat in 2030 tenminste 35 TWh duurzame elektriciteit op land (wind en zon) geproduceerd moet worden.
Eerder zijn Rijk en provincies een nationale doelstelling overeengekomen van 6.000 MW operationeel vermogen wind op land in 2020 (verlengd tot 2023), waarvan 735,5 MW in ZuidHolland. Om hieraan invulling te geven heeft de provincie locaties voor windenergie op land vastgelegd in kaart 16 van bijlage II van de omgevingsverordening. Alleen op deze aangewezen locaties, waaronder de Brielse Maasdijk, mogen nieuwe windturbines toegestaan worden. 36 Figuur 4: uitsnede van kaart 16 windenergie (zoekgebied Brielse Maasdijk) 32
Zie met name GRO (paragraaf 5,9), MER deel A (paragrafen 4.3.11 en 6.3.12), MER deel B (H 19) en Nota voorkeursalternatief (paragraaf 4.4). 33 Zie het Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland. 34 Artikel 2.1 Activiteitenbesluit. 35 In Nederland circa 19% in 2021 (bron: CBS). 36 Artikel 6.28 van de omgevingsverordening PZH.
13
Blijkens de Monitor Wind op Land van mei 2023 was eind 2022 89% van de provinciale doelstelling voor windvermogen op land (735,5 MW in 2020) gerealiseerd. Met het beoogde windpark Brielse Maasdijk met vijf windturbines kan een extra bijdrage geleverd worden van tussen de 25 en 35 MW aan opgesteld windvermogen. In navolging van onder meer het rijksbeleid, heeft de gemeente Nissewaard zelf ook de ambitie vastgelegd om in 2050 volledig ‘energieneutraal’ te zijn (en in 2030 27% lokaal energieneutraal). Dit is in 2018 uitgesproken door de gemeenteraad bij de vaststelling van de Routekaart Duurzaam Voorne-Putten en nadien bevestigd in het Programmaplan Duurzaamheid Nissewaard 2020 en 20212022. Er is becijferd dat in 2050 in Nissewaard een totale duurzame elektriciteitsopwek nodig is van circa 444 GWh (gigawattuur). De huidige duurzame opwek van elektriciteit in Nissewaard was in 2021 22,22 GWh (Klimaatmonitor). Dit is slechts 5% van de verwachte toekomstige elektriciteitsvraag in Nissewaard. Op dit moment loopt er een aantal concrete wind- en zonprojecten waarvan wordt verwacht dat de opbrengsten in de toekomst gaan bijdragen aan de realisatie van de uitgesproken ambitie. Deze projecten worden aangeduid als ‘in de pijplijn’.
Het Windpark Brielse Maasdijk behoort tot de pijplijnprojecten en betreft een project dat voortkomt uit bestuurlijke afspraken tussen de partijen in het windconvenant van de Rotterdamse regio, dat sinds 2012 van kracht is. Op basis van de convenantafspraken is er in de pijplijn tot op heden rekening gehouden met een opbrengst van tenminste 57,6 GWh (op basis van de convenantafspraak van realisatie van een windpark van tenminste 18 MW). De bestaande duurzame elektriciteitsopwek, de projecten in de pijplijn en de geprojecteerde streefwaarden voor de verschillende zoekgebieden uit de Regionale Energiestrategie regio Rotterdam – Den Haag (RES 1.0) tellen op tot ongeveer 33% van de toekomstige energievraag van Nissewaard. Voor de invulling van de resterende opgave tot 2050 bestaan momenteel nog geen plannen of concrete projecten. De huidige aanvraag van HVC gaat uit van de oprichting van vijf windturbines met een jaarlijkse productie van minimaal 90 GWh (90.000 MWh/jaar). Dit is voldoende om zo’n 36.200 huishoudens van groene stroom te voorzien. Hiermee kan een aanzienlijke stap worden gezet in het realiseren van de duurzaamheidsambitie van een energieneutraal Nissewaard in 2050. Met de energieopbrengst van dit windpark (uitgaande van 90 GWh) kan circa 20% van de toekomstige energievraag in 2050 in Nissewaard lokaal en op duurzame wijze worden ingevuld.
In paragraaf 2 van de GRO gaat aanvrager uitgebreid in op het internationale, nationale, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot klimaatverandering en verduurzaming (energietransitie). Aanvrager concludeert: “de ontwikkeling van Windpark Brielse Maasdijk past binnen en geeft uitvoering aan het Rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid van de gemeente 14
Nissewaard. Windpark Brielse Maasdijk levert een bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en nationale doelstellingen voor duurzame energie”. Kortom, met het beoogde windpark zal een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de ambitie van de gemeente om in 2030 27% energieneutraal te zijn en in 2050 zelfs 100% energieneutraal. Hiermee wordt de noodzakelijke energietransitie bevorderd en klimaatverandering tegengegaan.
8
Omgevingsbeleid PZH
Zoals blijkt uit de GRO hecht de provincie groot belang aan (inter)nationale doelstellingen om de CO 2uitstoot te verminderen, onder meer door windvermogen op land te realiseren. 37 Wel vraagt het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit, ook in relatie tot de ontwikkeling van meer windvermogen op land ter bevordering van de energietransitie en het tegengaan van klimaatverandering. Uit de Omgevingsvisie blijkt van de urgentie om het aandeel duurzame energie te verhogen vanwege de verwachte klimaatveranderingen en energieschaarste. Het bieden van ruimtelijke mogelijkheden voor windenergie is daarbij van groot belang. Voor grote windturbines gelden hierbij de volgende uitgangspunten: Geconcentreerd plaatsen en voorkomen van versnippering Langs grootschalige infrastructuur (snelwegen, rivieren) Bij grootschalige bedrijvigheid (energievragers) Grootschalige scheidslijnen tussen land en water en grote landschappelijke structuren (daar waar het waait) Voorkeur voor enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. Op basis van deze criteria zijn de locaties voor windenergie vastgelegd in kaart 16 van de Omgevingsverordening.
De aangewezen locaties zijn het resultaat van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. Het beoogde windpark is – zoals gezegd – conform artikel 6.28 omgevingsverordening gelegen in een aangewezen gebied (zie paragraaf 6 hierboven) en voldoet aan de in de omgevingsvisie geformuleerde uitgangspunten. De beoogde vijf windturbines zullen op de Brielse Maasdijk worden geplaatst, evenwijdig aan de Oude Maas, de A15 en de Botlek. Door de gekozen opstelling volgen de windturbines als het ware de scheiding tussen land en water. Door de grote lijnen van het landschap en de grootschaligheid van de bedrijvigheid in het haven- en industriegebied (Botlek), gaan de beoogde windturbines als het ware op in het industrielandschap van de Botlek.38 Er wordt voldaan aan de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie. Ter illustratie zijn hieronder drie visualisaties opgenomen.
37 38
Paragraaf 2.2, pp. 16-17. GRO paragraaf 5.6.1.
15
Figuur 5: drie visualisaties uit de GRO, bijlage 29 Zicht vanaf woontoren De Elementen
Zicht vanaf de rand van het Ruigeplaatbos (Hoogvliet)
Zicht op WT4 t/m WT7 vanaf de Groene Kruisweg, nabij kruising met de Hogelandseweg
Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaan evenmin bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling (zie paragraaf 13 hieronder).
16
Transformatie Door de realisatie van het beoogde windpark zal het gebied transformeren van louter groengebied c.q. recreatiegebied met enkele woningen en bedrijven naar een gebied waar tevens windenergie wordt opgewekt. De windturbines hebben gevolgen voor het landschap en de beleving van het gebied maar de bestaande gebruiksmogelijkheden blijven bestaan. Mede door zorgvuldige inpassing van het windpark in combinatie met compensatiemaatregelen (zie hieronder) en stringente (geluid)normering blijft de ruimtelijke kwaliteit van het gebied voldoende geborgd. Recreatie Het beoogde windpark Brielse Maasdijk is ook gelegen in provinciaal aangewezen categorie 2 recreatiegebied, als gevolg waarvan specifieke provinciale eisen gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.39 Deze eisen zijn evenwel niet van toepassing in geval een zwaarwegend openbaar belang hieraan de in de weg staat.40 Gelet op de ingrijpende, ernstige gevolgen van klimaatverandering nu en in de toekomst,41 is het beperken van klimaatverandering door middel van energietransitie van zwaarwegend openbaar belang. Een en ander neemt niet weg dat ook recreatieve belangen in ogenschouw moeten worden genomen in het ruimtelijke spoor. Aspecten die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de toegankelijkheid, voor de gebruiksmogelijkheden en voor de beleving van het landschap.
Figuur 6: uitsnede kaart 14 omgevingsverordening (recreatiegebied)
Compensatieplan recreatie Vanwege de ligging in recreatiegebied en gelet op de provinciale beleidsregel “Compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland 2013” heeft aanvrager een compensatieplan opgesteld in nauw overleg met waterschap Hollandse Delta (beheerder van de kering en grondeigenaar), de Omgevingsadviesraad, de Bomenridders en het Recreatieschap Voorne-Putten. 42 Hieruit blijkt dat de Brielse Maasdijk voornamelijk gebruikt wordt door fietsers, wandelaars en vissers. Deze gebruiksmogelijkheden zullen niet worden beperkt door het beoogde windpark. Wel kan de (recreatieve) beleving van het gebied beïnvloed worden, bijvoorbeeld door wijziging van het landschap en door milieugevolgen zoals geluid en mogelijk ook slagschaduw. Mede gelet op het beperkte aantal windturbines (en de afstanden daartussen) alsmede het gegeven dat reeds sprake is van een geluidbelast gebied vanwege de Botlek en de A15, zal de recreatieve waarde niet in betekenende mate nadelig beïnvloed worden. Door plaatsing van de windturbines zal het landschap 39
Artikel 6.9b omgevingsverordening. Artikel 6.9 lid 6 omgevingsverordening. 41 Zie met name het Sixth Assessment Report (AR6) van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN van voorjaar 2023. Zie www.ipcc.ch. 42 Memo 12 december 2022 “Landschappelijke inpassing windturbines Brielse Maasdijk”. 40
17
veranderen. Echter, sinds de jaren ’90 zijn er duizenden moderne windturbines op land bijgekomen, ook op en rond Voorne-Putten.43 Zo bezien zijn ook de huidige windturbines – evenals de oude windmolens – onderdeel geworden van het Nederlandse landschap. Zoals hierboven aangegeven sluit het beoogde windpark aan bij de grote landschappelijke structuren en grootschalige industrie van de Botlek. Uit het compensatieplan blijkt dat ten behoeve van de aanleg van het beoogde windpark circa 25 a 80 bomen in het plangebied zullen moeten worden gekapt. Ook dit heeft gevolgen voor het landschap. Aanvrager streeft naar herplant van twee bomen voor iedere verwijderde boom (in plaats van de wettelijk vereiste “boom voor een boom”). Uitgangspunt is dat herplant zoveel mogelijk zal plaatsvinden binnen het projectgebied. Pas in tweede instantie zal gekeken worden naar herplant in het gebied ten westen van WT4 (ter hoogte van Geervliet, Heenvliet en Zwartewaal). Om de extra herplant ook juridisch te borgen zal een passend voorschrift aan de vergunning verbonden worden (zie bijlage 2 Voorschriften). In het compensatieplan zijn voorts twaalf maatregelen zoals voorgesteld door de Omgevingsadviesraad (OAR) en de Bomenridders op haalbaarheid onderzocht. Denk aan extra bomen bij Mr.
Green boutique, een mountainbikebaan of ‘blote voeten’ pad en diverse andere locaties voor (extra) bomen, de aanleg van een extra strandje en plaatsing van bankjes. Een deel van de voorgestelde maatregelen is niet uitvoerbaar gebleken. Een aantal maatregelen lijkt wel kansrijk maar vergt nader onderzoek en overleg met stakeholders. Om een en ander juridisch te borgen zal een passend voorschrift aan de vergunning verbonden worden (zie bijlage 2 Voorschriften). Inpassing ‘voeten’ van windturbines Vanuit de provincie is – mede vanwege de recreatieve belangen – specifieke aandacht gevraagd voor zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de voeten van de windturbines en ook het transformatorgebouw in overeenstemming met de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied.44 Om een en ander juridisch te borgen zal een passend voorschrift aan de vergunning verbonden worden (zie bijlage 2 Voorschriften). Uit de aanvraag blijkt dat rond de voeten van de windturbines geen hekwerk zal worden geplaatst hetgeen overeenstemt met de wens van de provincie. Ontmantelingsfase, circulariteit & risico’s klimaatverandering Zoals te doen gebruikelijk, zal middels een passend vergunningvoorschrift worden geborgd dat de windturbines na einde van de exploitatiefase op verantwoorde wijze zullen worden ontmanteld.
45 Ook in de wind industrie staat circulariteit in toenemende mate in de belangstelling, juist ook vanwege de toename van het windvermogen.46 De (toekomstige) ontwikkelingen op dit gebied sluiten goed aan bij de wens van de provincie om in 2050 een volledige circulaire economie te bereiken.47 Door de provincie wordt, tenslotte, aandacht gevraagd voor de risico’s van
43
Bijvoorbeeld windparken Spui, Hartel II, Hartelkanaal, Dintelhaven, Slufterdam en Kroningswind. Zie de kaart windturbines op www.atlasleefomgeving.nl. 44 Brief van provincie Zuid-Holland van 26 januari 2023. 45 Vgl. artikel 6.28 lid 4 van de omgevingsverordening. 46 Zie het rapport “The ideation process focused on circular strategies in the wind industry” van maart 2021. 47 Zie de Omgevingsvisie.
18
klimaatverandering.48 De beoogde windturbines zelf zijn blijkens de aanvraag bestand tegen extreme weersinvloeden en de hiermee duurzaam opgewekte stroom zal klimaatverandering juist tegengaan. Uit het bovenstaande blijkt dat het beoogde windpark aan het provinciale beleid voldoet.
9
Ruimtelijke plannen
Het plangebied van het beoogde windpark valt binnen de volgende ruimtelijke plannen: a) Beheersverordening Hartel West 2013, d.d. 12 juni 2013; b) Beheersverordening Hartel-Oostbroek, d.d. 24 april 2013; c) Bestemmingsplan Noord, d.d. 14 juli 2014; d) Bestemmingsplan Botlek- Vondelingenplaat, d.d. 23 april 2015, gemeente Rotterdam; e) Bestemmingsplan Buitengebied West, d.d. 7 december 2016. 49 Het project is in strijd met genoemde beheersverordeningen, omdat de hier gelegen gronden en bestaande bouwwerken uitsluitend gebruikt mogen worden overeenkomstig het bestaande gebruik, te weten hoofdzakelijk voor groen, recreatie, verkeer en water-waterstaat. De masten van de beoogde windturbines worden geplaatst op gronden met groen-, recreatie- en (deels) verkeersbestemming met overdraai over de Plaatweg en het fietspad / de weg over de Brielse Maasdijk alsmede het water van het Scheepvaart- en voedingskanaal. Het beoogde gebruik als windpark past niet binnen deze bestemmingen. Windturbine 7 (WT7) kent beperkte overdraai op gronden met groenbestemming ingevolge het bestemmingsplan Noord. Alle windturbines met uitzondering van WT10 hebben overdraai op Rotterdams grondgebied. Hiernaast valt de zogenaamde ‘vrije werkruimte’ van WT4 valt over Rotterdams grondgebied. De betreffende gronden hebben bestemming groen ingevolge het Rotterdamse bestemmingsplan Botlek-Vondelingenplaat.
Ook in zoverre bestaat er strijdigheid. Ten behoeve van het windpark moeten ook een trafo met onderstation worden aangelegd. Beide zijn geprojecteerd op gronden met groen- respectievelijk verkeersbestemming ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied West. Ook deze onderdelen zijn niet passend. De landtong en de Brielse Maasdijk hebben voorts (grotendeels) dubbelbestemming ‘WaterstaatWaterkering’. Tenslotte hebben de gronden waar de masten van de windturbines alsmede de trafo met onderstation zijn geprojecteerd allen (variërende) dubbelbestemming ‘archeologie’. Kortom, het beoogde windpark past niet binnen de geldende ruimtelijke plannen. Om die reden is een vergunning aangevraagd om van genoemde ruimtelijke plannen af te wijken, waarvoor deze VVGB bij u voorligt.
48 49
Omgevingsverordening, artikel 6.27a. Zie nader GRO, paragraaf 1.3 en het MER (deel A) , paragraaf 2.1.4.
19
10 Overdraai op Rotterdams grondgebied De windturbines WT4, WT5, WT6 en WT7 staan alle vier op grondgebied van de gemeente Nissewaard, maar hebben ‘overdraai’ op grondgebied van de gemeente Rotterdam. Afhankelijk van de windrichting draaien deze turbines / wieken dus over “Rotterdamse grond”. Daarnaast ligt een klein deel van de opstelplaats van windturbine WT4 op Rotterdams grondgebied. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Botlek-Vondelingenplaat. Voor de gronden met overdraai geldt enkelbestemming “Groen” en dubbelbestemming “Waterstaat – Waterkering”. Vanwege genoemde overdraai en de opstelplaats van WT4 alsmede vanwege de mogelijke invloed van het beoogde windpark op onze buurgemeente Rotterdam, heeft ons college de gemeente Rotterdam bij brief van 28 december 2022 om advies gevraagd. Bij brief van 29 maart 2023 heeft gemeente Rotterdam ons als volgt bericht: “Bijdrage aan regionale ambities
Met onderhavig windproject werkt Nissewaard niet alleen aan de eigen duurzaamheidsambities, maar ook aan de doelstellingen die we op regionaal niveau voor windenergie formuleerden. Zo wordt een concrete bijdrage geleverd aan het realiseren van 150 MW windenergie in de regio, zoals vastgelegd in stadsregionale windconvenant. Een doelstelling die ook doorwerkt in afspraken voor de Regionale Energie Strategie, en plannen die we daarin gezamenlijk maakten voor duurzame opwek in 2030 en daarna. Uw inzet hiervoor, juich ik van harte toe. Participatie Hoogvliet Het plangebied ligt dicht bij het Rotterdamse havengebied, en op enigszins grotere afstand van Hoogvliet. Ik begrijp dat de initiatiefnemer, op uw aangeven, in het proces tot nu toe meerdere informatieavonden heeft georganiseerd en dat er vanuit Hoogvliet betrokkenheid is bij de Omgevingsadviesraad. Ook begrijp ik dat de gebiedscommissie (thans wijkraad) Hoogvliet in 2021 zienswijzen heeft ingediend over de NRD, en dat u de daarin opgenomen zorgen over mogelijke overlast heeft geadresseerd. Ik vertrouw erop dat u zich in het vervolgtraject in zal blijven zetten voor het goed en tijdig betrekken en informeren van Rotterdammers die in Hoogvliet wonen.
Daarnaast verzoek ik u om bij het vormgeven van de financiële participatie wederom over de gemeentegrenzen heen te kijken, en Hoogvliet onderdeel te maken van de plannen die u hiervoor maakt”.
Uit dit advies blijkt samenvattend dat de gemeente Rotterdam de samenwerking waardeert en nut en noodzaak van het beoogde windpark voor de energietransitie onderschrijft. Wel vraagt Rotterdam aandacht voor de (financiële) participatie door Rotterdammers, in het bijzonder de inwoners van Hoogvliet. Ook Hoogvliet is uitdrukkelijk meegenomen in het participatietraject en de bewoners van Hoogvliet krijgen ingevolge het nog af te sluiten omgevingsconvenant ook mogelijkheid tot een vorm van financiële participatie krijgen. Zie hierover nader paragraaf 10 hieronder.
20
11 Leidraad windenergie Voorne-Putten In de Leidraad windenergie Voorne-Putten (2018) hebben de eiland-gemeenten, waaronder Nissewaard, een aantal randvoorwaarden geformuleerd die zij van belang achten bij het beoordelen van plannen met betrekking tot windenergie. De randvoorwaarden houden in dat: a) Er voldoende participatiegelegenheid wordt geboden; b) Er voldoende gelegenheid tot financiële participatie wordt geboden; en c) Hinder voor omwonenden zoveel mogelijk wordt beperkt. Aan al deze randvoorwaarden is voldaan. Participatie Uit de aanvraag blijkt dat sinds 2020 participatiegelegenheid is geboden middels diverse informatieavonden en via het bewonersplatform en de omgevingsadviesraad (OAR). 50 Doel van het bewonersplatform – bestaande uit vertegenwoordigers van onze inwoners – is meedenken en meepraten over diverse onderwerpen zoals aantal windturbines, afmetingen, geluid, slagschaduw. Een afvaardiging van het bewonersplatform neemt ook deel in de OAR. De OAR is een orgaan, waar naast een afvaardiging van het bewonersplatform, ook belangenorganisaties, andere stakeholders en overheden zitting hebben (denk aan onze gemeente, waterschap, ondernemers, de watersportvereniging en de jeugdgevangenis). Ook deze partijen zijn in een vroeg stadium geïnformeerd over de planontwikkeling van de windturbines, waarbij zij inbreng hebben kunnen leveren.