Bijlage 1 Motivering ontwerp-VVGB tbv Windpark Brielse Maasdijk
Tekst van het document
Hiernaast hebben aanvrager en gemeente sinds medio 2020 diverse gesprekken gevoerd met direct belanghebbenden, zoals bewoners die dicht op het beoogde windpark wonen en vertegenwoordigers van de jeugdgevangenis De Hartelborgt, watersportvereniging Hairt-Hille, de Lelieflat, Voorne-Putten Energie (VPE) etc.51 Financiële participatie De mogelijkheden tot financiële participatie zijn neergelegd in het omgevingsconvenant. Dit convenant is op [p.m.] afgesloten tussen HVC, de Coöperatieve Vereniging Voorne-Putten Energie U.A. (“VPE”), de OAR en het Bewonersplatform. In hoofdlijnen voorziet het [concept] omgevingsconvenant in de volgende mogelijkheden tot financiële participatie: - Aanwonendenregeling; - Gebiedsfonds; en - Financiële participatie in het windpark middels obligaties. De aanwonendenregeling voorziet – gedurende de exploitatieperiode – in een jaarlijkse vergoeding voor woningeigenaren binnen 500 meter van een windturbine, waarbij de hoogte van de vergoeding afhankelijk is van de afstand in combinatie met de jaargemiddelde Lden-norm. Het gebiedsfonds wordt gevuld middels jaarlijkse bijdragen van de exploitant afhankelijk van de werkelijke energieopbrengst van het windpark. Zowel ‘buurtgenoten’ (incluis een deel van Hoogvliet) als meer algemeen inwoners van Nissewaard kunnen onder vooraf vastgelegde condities aanspraak maken op 50
MER, deel A, paragraaf 1.3. Zie voorts de gemeentelijke projectpagina: https://www.nissewaard.nl/duurzaamheid/duurzaamheid_to/windenergie-locatie-brielse-maasdijk.htm. 51 Zie nader MER, deel A, paragraaf 1.3.2.
21
(project)vergoedingen uit het fonds. Hiernaast zal isolatie van de drie dichtstbijzijnde woningen uit het gebiedsfonds worden bekostigd, indien de betreffende eigenaren het aanbod daartoe mochten accepteren. VPE zal, tenslotte, rentegevende obligaties uitgeven met een looptijd van 7 jaar waarop inwoners van Nissewaard kunnen inschrijven (EUR 100,- per obligatie met een maximum van 100 obligaties per adres).52 Beperking hinder Zoals blijkt uit paragraaf 6 (normenkader milieu) hierboven is middels een afgewogen, locatiespecifiek, normenkader geborgd dat hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen dan wel beperkt. Om geluidhinder tegen te gaan is er voor gekozen om aansluiting te zoeken bij de strengere WHO-adviesnorm en om tevens extra bescherming te bieden tijdens de zogenaamde stille nachten. Ook voor slagschaduw is geopteerd voor een aanzienlijk strengere norm dan voorheen opgenomen in de windturbinebepalingen. Separate normen zijn geformuleerd ter bescherming van de jeugdgevangenis De Hartelborgt. Het door de raad vastgestelde normenkader zal vertaald worden in voorschriften die aan de omgevingsvergunning zullen worden verbonden. Daarmee is de afdwingbaarheid ook juridisch geborgd.
12 Milieubescherming: hinder & gezondheid Hinder Zoals in paragraaf 6 (normenkader milieu) hierboven aangegeven, maakt het strenge normenkader onlosmakelijk deel van de ontwerp-VVGB. Hiermee wordt hinder als gevolg van geluid, slagschaduw en lichtschittering zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperkt en wordt ook de externe veiligheid geborgd. Specifiek voor geluid geldt dat het aantal (ernstig) gehinderden in vergelijking tot de referentiesituatie bij de gekozen normering nauwelijks zal toenemen als gevolg van het beoogde windpark. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat (en verblijfsklimaat) geborgd. Uit de aanvraag blijkt dat aanvrager ook aan de gekozen normen kan voldoen, met name door geluidmitigatie (noise mode) en stilstandvoorziening bij slagschaduw. Om een en ander juridisch te borgen zullen dienovereenkomstige voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Hiernaast zullen gangbare voorschriften aan de vergunning worden verbonden ter bescherming van het milieu. Denk aan voorschriften ter bescherming van de bodem, borging van de brandveiligheid en minimalisering van lichthinder als gevolg van obstakelverlichting. Hiermee is het belang van milieubescherming (in brede zin) afdoende geborgd.
Gezondheid In de aanvraag gaat aanvrager in op geluid en gezondheid.53 Hierbij wordt aangesloten bij het onderzoeksrapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ‘Gezondheidseffecten van windturbinegeluid' uit 2021 en het mede op basis hiervan door RIVM opgestelde factsheet ‘Gezondheidseffecten van windturbinegeluid’ van juli 2021.54 Uit dit Factsheet blijkt – samengevat – dat hinder het meest beschreven en onderzochte effect is van windturbinegeluid. In vergelijking met andere bronnen, wordt windturbinegeluid bij een gelijke
52
Indien niet alle obligaties zijn uitgegeven komen de overige inwoners van Voorne-Putten en een deel van Hoogvliet in aanmerking. 53 Zie o.m. toelichting op de aanvraag (paragraaf 6.6.8), GRO (paragraaf 5.1), MER deel A (paragraaf 4.3.1) en MER deel B (H 9). 54 https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf.
22
geluidbelasting (evenveel dB’s) als hinderlijker ervaren dan geluid van industrie, weg- of railverkeer. Dit komt met name door het kenmerkende zwiepende karakter van het geluid. Voor windturbinegeluid gelden daarom ook strengere geluidnormen. Bij de voorheen geldende etmaalnorm (47 dB Lden) zal ongeveer 8 á 9% van de bewoners in huis ernstige hinder ondervinden. Bij deze norm wordt een bepaald percentage ernstig gehinderden aanvaardbaar geacht. Dat is ook het geval bij andere geluidbronnen. Bij een etmaalwaarde van Lden 45 dB is circa 5% binnenshuis ernstig gehinderd.55 De mate waarin hinder wordt ervaren is niet alleen afhankelijk van het geluidniveau, maar ook van andere factoren, zoals leeftijd, opleidingsniveau (demografisch), angst/bezorgdheid en geluidgevoeligheid (persoonlijke factoren), type gebied (situationeel) en betrokkenheid bij het proces en maatschappelijke opvattingen (contextuele factoren). Op basis van de meest recente literatuuroverzichten van internationale onderzoeken kan geen conclusie worden getrokken over de samenhang van het geluidniveau van windturbinegeluid en slaapverstoring. Voor andere gezondheidseffecten – dan hinder – is onvoldoende bewijs gevonden voor een direct effect van het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid ervan.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 12 april 2023 (Windpark Delfzijl Zuid uitbreiding 2020) wordt in gelijke zin geoordeeld over de gezondheidseffecten van windturbinegeluid.56 In het deskundigenbericht van de STAB staat dat er voldoende bewijs is voor hinder, maar dat er geen bewijs is voor andere gezondheidseffecten als gevolg van windturbinegeluid met uitzondering van slaapverstoring. Voor slaapverstoring is er wel een verband gevonden, maar hiervoor zijn maar een beperkt aantal studies gedaan en de resultaten daarvan zijn volgens de STAB niet eenduidig. Volgens de Afdeling kan – in de voorliggende zaak – dan ook niet geoordeeld worden dat de raad niet had mogen kiezen voor de geluidnorm van Lden 47 dB en Lnight 41 dB rekening houdend met het aantal ernstig gehinderden bij een bepaalde geluidnorm enerzijds, en de duurzame energieproductie anderzijds. Zoals blijkt uit paragraaf 6 hierboven (normenkader) is er gekozen voor een strenge jaargemiddelde norm conform WHO en GGD in combinatie met een locatie specifieke benadering middels WNC-35 om mogelijke slaapverstoring tijdens stille nachten te voorkomen. Hiermee wordt een hoog beschermingsniveau geboden aan omwonenden, met name ook voor de bewoners van de woonwijken in Spijkenisse Noord. Het aantal (ernstig) gehinderde omwonenden wordt zoveel mogelijk beperkt.
13 Veiligheid 13.1 Waterveiligheid Het beoogde windpark zal op de Brielse Maasdijk worden gerealiseerd. De Brielse Maasdijk is een primaire waterkering in beheer bij het Waterschap Hollandse Delta (WSHD). Twee van de vijf windturbines (WT6 en WT7) zullen bovendien binnen de beschermingszone van de Hartelkering worden gebouwd. De Hartelkering vormt onderdeel van de Deltawerken en wordt beheerd door Rijkswaterstaat (RWS). Met de lage ligging van Voorne-Putten en het veranderende klimaat blijft 55 56
Factsheet, grafiek op pagina 9. ECLI:NL:RVS:2023:1433, r.o. 27 e.v.
23
waterveiligheid hoogste prioriteit voor de waterbeheerders. De mogelijke gevolgen van het beoogde windpark voor de waterveiligheid worden primair beoordeeld in het kader van de bij WSHD en RWS aangevraagde watervergunning, maar dit belang weegt ook mee in het ruimtelijke spoor. Aanvrager heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van het beoogde windpark voor de waterveiligheid tijdens de bouw-, exploitatie- en ontmantelingsfase.57 Uit dit onderzoek blijkt dat aan de veiligheidsnormen wordt voldaan en dat de toekomstbestendigheid is geborgd. Desgevraagd hebben zowel WSHD als RWS ons geïnformeerd dat het belang van waterveiligheid van de Brielse Maasdijk en de Hartelkering afdoende is geborgd onder het stellen van voorschriften aan de watervergunning.58 Kortom, vanuit het belang van de waterveiligheid bestaan er geen bezwaren tegen het beoogde windpark.
13.2 Externe veiligheid Aanvrager heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van het beoogde windpark voor de externe veiligheid (risico’s voor de omgeving). Uit dit onderzoek blijkt samengevat dat ter plaatse van de windturbines wordt voldaan aan de gangbare normen voor het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten (zoals woningen) en beperkt kwetsbare objecten (zoals bedrijfswoningen en grote kantoren, hotels of andere gebouwen waar doorgaans veel mensen aanwezig zijn) van 10-6 respectievelijk 10-5.59 De kans op overlijden als gevolg van falen van een turbine mag dus niet groter zijn dan ‘een op de miljoen’ dan wel ‘een op de honderdduizend’ voor een persoon die jaarrond aanwezig zou zijn. Deze normen worden visueel uitgedrukt in risicocontouren rondom de bron, in dit geval de windturbines. Binnen de maatgevende contouren zijn geen woningen, bedrijven e.d. gelegen. Uitzondering hierop vormt de woning aan de Plaatweg 1, maar deze woning is aangekocht door aanvrager en zal niet als woning gebruikt worden. Aanvrager heeft gemeente verzocht om de woonbestemming van de woning te wijzigen in een groenbestemming. Daarmee wordt de woning feitelijk wegbestemd. De externe veiligheidsnormen voor wegen, waterwegen, ondergrondse gasleidingen en passanten (recreanten) worden evenmin overschreden.
Kortom, vanuit het belang van de externe veiligheid bestaan er geen bezwaren tegen het beoogde windpark.
13.3 Beïnvloeding gasleiding Gasunie Voor het transport van de opgewekte energie van de windturbines naar de transformator en het onderstation en naar de netbeheerder zal gebruik gemaakt worden van een ondergrondse middenspanningskabel. De positie van de aan te leggen kabel komt binnen een bepaalde afstand parallel te liggen aan bestaande hogedrukgasleidingen van de Gasunie. Uit indicatief onderzoek is gebleken dat er mogelijk sprake is van negatieve beïnvloeding van deze gasleidingen.60 Nadat de definitieve keuze voor een turbinetype en middenspanningskabel is gemaakt zal middels een nadere beïnvloedingsberekening door aanvrager moeten worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de voorwaarden uit de NEN 3654 zoals Gasunie vereist. Desgevraagd heeft Gasunie hiermee 57
Integrale rapportage waterveiligheid van 15 december 2022 (GRO, bijlage 21). E-mailadvies van WSHD van 31 maart 2023 en brief van de minister van infrastructuur en waterstaat aan WSHD van 25 mei 2023. 59 Risicoanalyse windturbines Brielse Maasdijk, versie 8 mei 2023 (GRO, bijlage 19) 60 Rapportage beïnvloedingsberekening (GRO, bijlage 20).
58
24
ingestemd.61 Een daartoe strekkend voorschrift zal aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Hiermee is het belang van de veiligheid van de gasleidingen afdoende geborgd.
13.4 Brandveiligheid Uit de aanvraag blijkt dat in windturbines materialen worden toegepast met een lage brandgevoeligheid. Daarnaast zijn windturbines voorzien van rookdetectors. In geval van rookontwikkeling wordt een turbine automatisch uitgeschakeld en spanningsloos gemaakt om verspreiding van de brand te vertragen. Ook zijn in de mast en in de gondel mobiele brandblussers aanwezig. Tenslotte kunnen onderhoudsmedewerkers waar nodig zowel aan de binnenkant van de turbine vluchten, als aan de buitenkant (abseilen via een mangat in de gondel). Deze brandveiligheidsmaatregelen sluiten aan bij de advisering door de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond.62 Hiermee is de brandveiligheid afdoende geborgd.
14 Landschap & stedenbouw Aanvrager heeft omgevingsvergunning aangevraagd voor vier windturbines met een maximale tiphoogte van 235,5 meter en één windturbine (WT10) met een maximale tiphoogte van 211,5 meter. Zoals blijkt uit het stedenbouwkundig advies van 18 januari 2023 hebben de windturbines impact op de ruimtelijke kwaliteit van het landschap én van de stad: “Het Hartelpark vormt een groene buffer tussen de windlocatie en Spijkenisse Noord. Dat wil niet zeggen dat de windturbines niet vanuit de stad kan worden waargenomen. De visualisaties laten zien dat deze vijf windturbines zichtbaar zijn van grote afstand. Vergelijk hierbij de vijf windturbines die een aantal jaren geleden in de Hoeksche Waard (nabij Goudswaard) zijn geplaatst; deze zijn eveneens van grote afstand zichtbaar en van dezelfde proportie als in deze aanvraag (tiphoogte circa 235 meter). Op de locatie Brielse Maasdijk en Plaatweg vormen de beoogde vijf windturbines een contrast met de achterliggende zware petrochemische industrie. Hier wordt de duurzame energietransitie letterlijk voel- en zichtbaar. Tegelijkertijd zijn de windturbines hier goed inpasbaar juist omdat de zware industrie al de achtergrond vormt en het uitzicht hier al door wordt bepaald.
De Brielse Maasdijk heeft oorspronkelijk een meer recreatieve functie; met de komst van dit windpark wordt de beleving en ruimtelijke kwaliteit in zijn karakteristiek sterk veranderd. Verder is de Hartelbrug een belangrijke (stads)entree voor Spijkenisse en het eiland Voorne Putten. De ruimtelijke impact is aanzienlijk. Om de windturbines te bouwen zullen er bomen gekapt worden; ook dat heeft grote impact op de ruimtelijke beleving en landschappelijke waarde van de Brielse Maasdijk”. Desalniettemin kan vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt worden ingestemd met de realisatie van windturbines op deze plek omdat de windturbines in belangrijke mate bijdragen aan de ambitie om tot een energieneutraal Voorne-Putten te komen. Door de windturbines daar te plaatsen waar al ruis is (nabij het haven industrieel complex) wordt de impact op de kwaliteit van de leefomgeving (dichtbij en verder weg) zoveel mogelijk beperkt. Daar komt bij dat de ruimteclaim van een windturbine ten opzichte van de ruimteclaim van een zonneveld, relatief klein is. De realisatie van windturbines beperkt dus indirect de druk op de ruimte elders in de gemeente. 61 62
E-mail van Gasunie d.d. 17 januari 2023. Advies VRR van 13 januari 2023.
25
Hoewel de beoogde windturbines het huidige landschap van de Brielse Maasdijk en omgeving aanzienlijk zullen wijzigen, zijn de gevolgen voor het landschap en de stad vanuit stedenbouwkundig oogpunt dus aanvaardbaar mede gegeven het belang bij de energietransitie en het tegengaan van klimaatverandering. Vergelijk ook de landschappelijke eisen die de provincie Zuid-Holland – ter borging van de ruimtelijke kwaliteit – heeft gehanteerd bij de aanwijzing van de Brielse Maasdijk als locatie voor windenergie (zie paragraaf 8 hierboven). Een en ander sluit ook aan bij de RES 1.0 waarin onder meer als volgt wordt overwogen: “Behoud van open zichtlijnen en vergezichten vraagt om afstemming voor plaatsing van windturbines: deze sluiten idealiter bij grote landschappelijke structuren (zoals randen eiland, rivieren, dijken) of doorsnijdingen van infrastructuur (verwijzing verhaallijn Infrastructuur). Er is geen landschappelijke draagkracht voor wind in het midden van het open landschap”.63 Een vergelijkbare redeneerlijn is te vinden in de Milieuanalyse Windenergie locatie landtong Plaatweg / Brielse Maasdijk Oost van Pondera namens gemeente Nissewaard uit 2017.
In deze milieuanalyse wordt van belang geacht of het windpark aansluit bij grote infrastructuur en/of scheidslijnen land-water, of er sprake is van een herkenbare opstelling die aansluit bij het landschap en of er samenhang bestaat met bestaande windturbines. Op al deze punten scoort de planlocatie (Brielse Maasdijk (inclusief Plaatweg) positief. Hierbij zij voorts nog opgemerkt dat inmiddels langs een groot deel van de noordrand van het eiland Voorne-Putten windturbineparken zijn gerealiseerd of in ontwikkeling zijn. Hierdoor ontstaat een herkenbaar energielandschap dat de overgang van zware industrie (haven Rotterdam) naar het eiland accentueert, en waardoor de openheid van het eiland zelf wordt behouden. Vergelijk de in opdracht van de samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten opgestelde “Energieverkenning Voorne-Putten” uit 2019.64 Het doel van deze verkenning is om te onderzoeken op welke wijze de energietransitie een plek in het landschap van Voorne-Putten kan krijgen zodat de kwaliteiten van het landschap worden gewaarborgd of versterkt. Voor windmolens geldt dat de huidige initiatieven zich voornamelijk richten op de noordzijde (bij de grote groenstructuren tegen de havenrand aan). De ambitie voor wind is daarom, aldus de verkenning, om hier in eerste instantie zoveel mogelijk bij aan de sluiten.
Het leidmotief in het advies is een rustig middengebied en dynamische randen. Zoekruimte voor windmolens ligt er aan de randen: in de noordrand aansluitend op de windmolens in de Rotterdamse Haven en in de zuidrand in de nabijheid van de windmolens op Goeree-Overflakkee. Verkenning, figuur op p. 24:
63
Vastgesteld door de gemeenteraad 2 juni 2021. Zie https://www.resrotterdamdenhaag.nl/over+de+res/res+10/default.aspx 64 Feddes/Olthof Landschapsarchitecten (Pondera Consult) i.o.v. samenwerkende gemeente Voorne-Putten, Energieverkenning Voorne-Putten – een landschappelijk perspectief op de energietransitie, 11 oktober 2019.
26
Vanuit een oogpunt van landschap & stedenbouw bestaan er dus geen bedenkingen tegen de realisatie van het windpark op de Brielse Maasdijk. De gekozen projectlocatie aan de noordrand van Voorne-Putten langs grootschalige haveninfrastructuur en grote landschappelijke lijnen leent zich juist goed voor realisatie van windvermogen binnen de gemeente Nissewaard mede gegeven het belang bij energietransitie en het belang bij behoud van (open) landschap elders binnen de gemeente.
15 Recreatie Zoals hierboven aangegeven wordt het beoogde windpark gerealiseerd op de Brielse Maasdijk met grotendeels een groenbestemming en een deel van de Plaatweg met zowel groenbestemming als recreatieve bestemming. Het gebied is ook vanuit de provincie Zuid-Holland voor recreatieve doeleinden aangewezen, en wordt ook als zodanig gebruikt, met name door fietsers, wandelaars en vissers. Het beoogde windpark zal geen gevolgen hebben voor de toegankelijkheid van het gebied en voor de recreatieve gebruiksmogelijkheden. Wel zal de komst van de windturbines gevolgen hebben voor de beleving van het gebied, vanwege de landschappelijke impact en milieugevolgen zoals geluid en slagschaduw. Mede vanwege het beperkte aantal windturbines (en de afstanden daartussen) alsmede het gegeven dat reeds sprake is van een geluidbelast gebied vanwege de Botlek en de A15, zal de recreatieve waarde van het gebied in beperkte mate nadelig beïnvloed worden (zie reeds paragraaf 8 hierboven). Gegeven het grote belang bij het tegengaan van klimaatverandering door (onder meer) de energietransitie en het voor te schrijven ‘recreatie-compensatieplan’, is het belang van recreatie in de gegeven omstandigheden afdoende geborgd.
16 Gebiedsbescherming (stikstof) In de omgeving van het plangebied liggen een aantal relevante ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura-2000 gebieden, zoals de Oude Maas, Haringvliet, Voornes Duin en de Voordelta.65 Het meest dichtbij gelegen gebied (Oude Maas) ligt op circa 400 meter afstand tot de meest oostelijke windturbine (WT10). De overige gebieden liggen op een afstand van 6,5 km, 14,5 km respectievelijk 15,3 km. Aanvrager heeft de mogelijke indirecte effecten van de stikstofdepositie op die gebieden tijdens de bouw- en sloopfase (na beëindiging van de exploitatie van het windpark) berekend met behulp van de meest recente versie van het wettelijk voorgeschreven rekenmodel Aerius-Calculator (versie 2022.1).66 De uitgangspunten van de uitgevoerde berekeningen zijn neergelegd in een apart memo.67 Hierbij is uitgegaan van een worst case benadering. Uit deze berekeningen en het begeleidend memo blijkt dat de stikstofdepositie gedurende zowel de bouw- als sloopfase ten hoogste 0,00 mol/ha bedraagt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit beoordeling van deze stukken is niet gebleken van onjuistheden of omissies. Het belang van bescherming van Natura-2000 gebieden verzet zich derhalve niet tegen vergunningverlening.
Het beoogde windpark is blijkens de aanvraag ook buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelegen en ligt op zodanig grote afstand van het beschermde vogelweidegebied in de polder Biert ten noorden van Simonshaven (circa 2 kilometer) dat negatieve gevolgen redelijkerwijs zijn uit te
65
Zie GRO paragraaf 5.5.1 en bijlage 24 alsmede de Natuurtoets, paragraaf 3.1. Zie de toelichting op de aanvraag, paragraaf 6.6.5 en de GRO paragraaf 5.5.1 en bijlage 24. 67 Uitgangspunten stikstofdepositieberekening Brielse Maasdijk van 21 april 2023. 66
27
sluiten.68 Ook het belang van bescherming van deze gebieden, verzet zich derhalve niet tegen vergunningverlening.
17 Soortenbescherming Tijdens de aanleg- en de bedrijfsfase zal het beoogde windpark negatieve gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. Het gaat hierbij met name om zogenaamde ‘aanvaringsslachtoffers’ onder vogels en vleermuizen met windturbines, maar ook bijvoorbeeld om verstoring door kap- of graafwerkzaamheden. Hiervoor heeft aanvrager bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland een Wnbontheffing aangevraagd. Deze ontheffing wordt namens GS verleend door ODH. De beoordeling van de gevolgen van het windpark ligt primair bij de ODH, maar speelt ook een rol in het ruimtelijke spoor. Blijkens de aanvraag heeft aanvrager diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd, zoals een quickscan, een voortoets, een vleermuizenonderzoek en berekeningen van aanvaringsslachtoffers (Bureau Waardenburg), waarvan de resultaten zijn verwerkt in de Natuurtoets.69 Uit deze Natuurtoets blijkt samenvattend dat gunstige staat van instandhouding van relevante beschermde diersoorten niet in het geding komt, en dat negatieve effecten zoveel als mogelijk zullen worden voorkomen door gangbare mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Desgevraagd heeft ODH ons op 12 september 2023 geïnformeerd dat zij voornemens is om de aangevraagde ontheffing te verlenen.
Het belang van soortenbescherming zoals geborgd in de Wnb verzet zich derhalve niet tegen vergunningverlening.
18 Archeologie Als gevolg van de bouw van de windturbines en de aanleg van de (vaste) opstelplaatsen worden de drempelwaarden behorend bij een aantal archeologische dubbelbestemmingen in geldende ruimtelijke plannen (zie paragraaf 8 hierboven) overschreden. Gelet hierop heeft aanvrager een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat zich in het gebied archeologische waarden kunnen bevinden. Daarom is nader onderzoek vereist door middel van een inventariserend verkennend veldonderzoek door middel van grondboringen. Door Archeologie Rotterdam (BOOR) is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld voor dit inventariserend onderzoek.70 Afhankelijk van de resultaten hiervan, is mogelijk ook nog vervolgonderzoek vereist (karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek). Vanuit het belang van bescherming van archeologische waarden is door BOOR geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder voorwaarde dat aanvrager conform het PvE nader onderzoek doet en de resultaten hiervan tijdig voorafgaand aan de bouw van het beoogde windpark ter goedkeuring aan het college voorlegt. Er zal een passend voorschrift aan de vergunning verbonden worden (zie bijlage 2 Voorschriften).
19 Luchtruim, radar en straalpaden Luchtruim Vanwege de ligging en hoogte van de windturbines kan het windpark effecten hebben voor de luchthaven Rotterdam The Hague Airport, radars en straalpaden voor telecommunicatie. Uit 68
Zie de toelichting op de aanvraag, paragraaf 6.6.5.2 en de GRO, paragraaf 5.5.1.2. Natuurtoets van 14 augustus 2023, GRO bijlage 23. 70 GRO, paragraaf 5.7 alsmede bijlage 31. 69
28
onderzoek door aanvrager is gebleken dat het windpark geen gevolgen heeft voor de veiligheid van de vliegoperaties en de bereikbaarheid van de luchthaven, zowel in normale omstandigheden als in geval van een noodsituatie.71 Desgevraagd heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hierover positief geadviseerd.72 Hiernaast heeft de Luchtverkeersleiding Nederland (NVNL) het beoogde windpark desgevraagd onder meer getoetst aan de internationale burgerluchtvaartcriteria van ICAO.73 LVNL heeft tot taak het verlenen van communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten door middel van zogenaamde CNS-apparatuur. Deze technische installaties en systemen staan met name op en in de omgeving van luchthavens opgesteld, maar ook elders in het land. Toetsing door LVNL heeft uitgewezen dat het plan voor windpark Brielse Maasdijk betreffende 5 windturbines met een ashoogte van maximaal 154 meter NAP en een tiphoogte van maximaal 235,5 meter NAP rond de Hartelbrug in de gemeente Nissewaard geen negatieve invloed heeft op de correcte werking van de CNS-apparatuur van LVNL.
Defensie- en scheepvaartradar In opdracht van aanvrager heeft TNO onderzoek uitgevoerd naar mogelijke verstoring door het windpark Brielse Maasdijk van het verkeersleidingsradarnetwerk en het gevechtsleidingsradar.74 De bevindingen van TNO zijn beoordeeld door het Commando Luchtstrijdkrachten van het ministerie van Defensie (CLSK).75 CLSK concludeert dat de door het windpark veroorzaakte radarverstoring binnen de gestelde limieten blijft. Het ministerie van Defensie kan zich vinden in de onderzoeksresultaten van TNO en ziet daarnaast ook geen andere bezwaren om zich tegen de komst van het windpark te keren. Aanvrager heeft voorts onderzoek gedaan naar mogelijk verstoring van de scheepsradar.76 Uit dit onderzoek blijkt dat in voldoende mate is geborgd dat de windturbines geen hinderlijke effecten zullen veroorzaken op de radarweergave van de vaarweg op radars van schepen die gebruik maken van het Hartelkanaal.
Volgens de Havenmeester kan op basis van het uitgevoerde onderzoek redelijkerwijs worden aangenomen dat de veiligheid van het schaapvaartverkeer geborgd blijft als het beoogde windpark wordt gerealiseerd, mits de rotordiameter maximaal 163 meter bedraagt.77 Straalpaden Aanvrager heeft tenslotte ook onderzoek gedaan naar mogelijke verstoring van ‘straalpaden’ ten behoeve van telecommunicatie.78 Hieruit is gebleken dat sommige windturbineposities knelpunten kunnen opleveren. Agentschap telecom heeft HVC evenwel bericht dat de mogelijk verstoorde straalpaden in 2022 zouden komen te vervallen.79 Het belang van luchtruim, radar en straalpaden verzet zich derhalve niet tegen vergunningverlening. 71
NLR, Luchtvaarttechnische studie windturbines Brielse Maasdijk bij luchthaven Rotterdam The Hague Airport (EHRD) van juli 2021, MER deel A, bijlage Y. 72 E-mail van ILT 10 maart 2023. 73 Brief van LVNL aan gemeente van 31 januari 2023. 74 TNO rapport “Radarhindertoetsing windpark Brielse Maasdijk”van 26 september 2022, MER deel A, bijlage DD. 75 Brief aan HVC van 19 oktober 2022, MER deel A, bijlage EE. 76 INA-MEC rapport “Onderzoek effecten van windturbines langs het Hartelkanaal op de scheepsradarpresentatie”, MER deel A, bijlage AA. 77 E-mail van Havenmeester 16 november 2021, MER deel A, bijlage Q. 78 Zie MER deel B, hoofdstuk 12, in het bijzonder paragraaf 12.4.1. 79 MER deel A, bijlage X.
29
20 Verkeer Uit de aanvraag blijkt dat het beoogde windpark geen verkeer aantrekkende werking heeft.80 Ten behoeve van regulier onderhoud en reparaties zal een onderhoudsteam het park vier keer per jaar bezoeken. Verder vinden er geen verkeersbewegingen van en naar het windpark toe. Vanuit een oogpunt van verkeer aantrekkende werking bestaan er derhalve geen beletselen voor vergunningverlening.
21 Vooroverleg Conform artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1 Besluit Ruimtelijke ordening is de aanvraag voor overleg voorgelegd aan het waterschap Hollandse Delta, Rijkswaterstaat, de provincie Zuid-Holland / ODH, de gemeente Rotterdam, GGD Rotterdam-Rijnmond, de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, het Rijksvastgoedbedrijf, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Economische zaken, ILT, de Luchtverkeersleiding, Port of Rotterdam, Gasunie, Tennet, Stedin, KPN, T-mobile, Natuurmonumenten, het Zuid-Hollands Landschap en de Natuur en milieufederatie Zuid-Holland. Vrijwel al deze overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties hebben gereageerd. Uit de binnengekomen reacties is – al dan niet na overleg – niet gebleken van bezwaren tegen het beoogde windpark. Specifiek voor de reactie van de gemeente Rotterdam zij verwezen naar paragraaf 9 hierboven (Overdraai op Rotterdams grondgebied).
22 Economische uitvoerbaarheid Het beoogde windpark Brielse Maasdijk betreft een ontwikkeling waarmee aanvrager op rendabele wijze haar eigen doelstellingen nastreeft op het gebied van energietransitie, in het bijzonder de realisatie van windvermogen op land. Tevens moet hiermee invulling worden gegeven van de doelstellingen van provincie en gemeente om tenminste 18 MW opgesteld vermogen te realiseren. De investeringen voor de aanleg van het windpark, bestaande uit vijf windturbines met opstelplaatsen, vrije werkruimte, onderstation en trafo (inclusief toegangswegen, stroomkabels e.d.) worden gedragen door aanvrager. Zoals gebruikelijk zal eventuele planschade – via de af te sluiten anterieure overeenkomst – eveneens voor rekening van aanvrager komen. De investeringen, exploitatiekosten en planschadevergoedingen, zal aanvrager over de verwachte levensduur van de windturbines (circa 30 jaar) terug moeten verdienen door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Omdat de productiekosten van windenergie hoger dan die van zogenaamde ‘grijze stroom’, subsidieert de Rijksoverheid het verschil middels de regeling SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie en klimaattransitie). Voor de totstandkoming van het beoogde windpark zal aanvrager subsidie op grond van SDE++ aanvragen.
Hiermee wordt de zogeheten onrendabele top van de elektriciteitsproductie van dit windpark via een bedrag per aan het elektriciteitsnet geleverde kilowattuur gecompenseerd. Met de SDE++ vult het Rijk de elektriciteitsopbrengsten voor de aanvrager aan tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn. De hoogte van de SDE++ is zo gesteld dat het te verwachten rendement op eigen vermogen voldoende is om exploitatie mogelijk te maken.
80
Toelichting op de aanvraag, paragraaf 6.6.13 en GRO, paragraaf 5.13.
30
Uit de aanvraag blijkt dat het beoogde windpark met vijf windturbines minimaal 90.000 MWh elektriciteit per jaar zal moeten produceren voor een rendabele business-case.81 Gezien de recente realisatie van andere (zon- en) windparken op het land, is de verwachting van aanvrager dat de hogere elektriciteitsprijzen met (beperkte) SDE-subsidie, ondanks stijgende productieprijzen en andere onzekerheden, een rendabele exploitatie over een periode van tenminste 25 jaar mogelijk moet maken. Volgens aanvrager zal het windpark zelfs bij de voorgenomen strenge geluidnormering (zie paragraaf 6 hierboven), circa 94.878 MWh stroom per jaar produceren.82 Gelet hierop is de economische uitvoerbaarheid redelijkerwijs geborgd.
23 Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening rekening houdend met alle betrokken belangen, zoals bijvoorbeeld de belangen van omwonenden maar ook het belang van het tegengaan van klimaatverandering door middel van energietransitie (van fossiel naar duurzaam opgewekte stroom). De vereiste ontwerp-VVGB kan daarom worden afgegeven.
81 82
Zie Nota voorkeursalternatief van 11 augustus 2023 (p. 6) en voorts de GRO, hoofdstuk 6 (p. 46). Memo Normstellingsvarianten Windpark Brielse Maasdijk (27 mei 2023).
31
Bijlage 1 Motivering normenkader geluid van windturbines Windpark Brielse Maasdijk Globale samenvatting van het normenkader voor geluid Kort samengevat bestaat het normenkader uit twee basiselementen: Voldoen aan een jaargemiddelde waarde Lden van 45 dB(A) en Lnight van 39 dB(A) op de gevels van geluidgevoelige objecten. Deze grenswaarden sluiten aan bij het advies van de Word Health Organization voor geluid van windturbines. Extra bescherming bieden in stille nachten. Dit wordt bereikt door bij zuidenwind het geluid vanwege de windturbines te beperken tot een streefwaarde die correspondeert met het achtergrondniveau. Deze streefwaarde hangt af van de windsnelheid. De totstandkoming, inhoud, onderbouwing en nadere detaillering van deze twee elementen is hieronder nader toegelicht. Daarnaast geldt een separate bepaling voor inrichting de Hartelborgt, die aan het eind zal worden toegelicht.
Bronnen [1]
Normstellingsvarianten Windpark Brielse Maasdijk, Arcadis, referentie D100609:4, 27 mei 2023
[2]
Meting omgevingsgeluid Brielse Maasdijk, Arcadis, referentie D10055449:23, 16 december 2022
[3]
Beoordeling geluidbelasting Windpark Brielse Maasdijk op niet-gevoelige objecten, Arcadis, referentie UF7SY3NW6SXJ-1408266684-1206:3, 16 december 2022
[4]
Advies beoordeling concept akoestisch onderzoeksrapport, DCMR, documentnr. 4695408, zaaknr. 1962268, 12 mei 2023
[5]
Brief met onderwerp ‘GGD reactie op vergunningaanvraag Brielse Maasdijk’, GGD Rotterdam-Rijnmond, kenmerk 23MO00052, 30 januari 2023
Totstandkoming van het normenkader Door HVC is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw en exploitatie van Windpark Brielse Maasdijk. Het windpark omvat vijf windturbines, aangeduid als WT4, WT5, WT6, WT7 en WT10. Het normenkader voor geluid voor dit windpark is toegesneden op de lokale situatie. Naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1395) is het namelijk niet toegestaan om uit te gaan van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Daarom moet het bevoegd gezag zelf een normenkader vaststellen. Die normen moeten dan zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. 32
Om invulling te geven aan het normenkader voor geluid, is onderzoek uitgevoerd naar de akoestische impact van de vijf windturbines op de omgeving (referentie [1]). Daarbij zijn 5 verschillende varianten voor het normenkader onderzocht. De onderzoeken brengen verschillende aspecten in beeld: Wat betekent een bepaald normenkader voor de geluidbelasting en het te verwachten aantal gehinderden en ernstig gehinderden? Daarbij is zowel gekeken naar de hinder van alleen de windturbines als de hinder vanwege de cumulatief geluid in de omgeving. Wat voor impact heeft een bepaalde normenkader op de energieopbrengst? Een strenger normenkader leidt tot verlies van opgewekte groene stroom en daarmee tot minder CO2reductie (vermeden CO2). Beide invalshoeken zijn meegewogen om te komen tot een evenwichtige belangenafweging, waarin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd en tevens de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van de opwekking van duurzame energie worden waargemaakt.
Globale opbouw van het normenkader Voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van Windpark Brielse Maasdijk zijn de volgende kenmerken van de actuele lokale situatie relevant: Er is ter plaatse van de woonwijken Hoogwerf en Schiekamp in Spijkenisse reeds een hoog geluidniveau en een groot aantal gehinderden vanwege wegverkeersgeluid van de A15, railverkeersgeluid van de Havenspoorlijn en geluid van het industrieterrein BotlekVondelingenplaat. Het gaat om een groot aantal potentieel gehinderden dat op een relatief korte afstand van het beoogde windpark woonachtig is. Omdat de voornaamste geluidbronnen ten noorden van deze woonwijken liggen, zijn de nachten met zuidenwind naar verhouding de rustigste nachten. Solitaire woningen aan de westrand van Spijkenisse worden al blootgesteld aan geluid van de windturbines van windpark Hartelbrug II. Deze lokale kenmerken zijn zwaarwegend bij het vaststellen van het normenkader voor geluid van windturbines. Omdat deze omgeving al zwaar geluidbelast is, is het normenkader is erop gericht om de toename van hinder te minimaliseren. Daarom is gekozen voor een streng normenkader, waarin bovendien het windturbinegeluid zo veel mogelijk wordt gemaskeerd door ander omgevingsgeluid.
Het geluidniveau vanwege windturbines is in vergelijking met andere geluidbronnen niet hoog; de hinderlijkheid zit vooral in de herkenbaarheid van het geluid: het ritmische karakter van de wiekslag. Dit wordt vaak aangeduid met de term amplitude-modulatie. Als die herkenbaarheid wegvalt vanwege ander omgevingsgeluid, zijn de windturbines niet of nauwelijks meer waarneembaar. Het normenkader stuurt daarom aan op minimale herkenbaarheid van het windturbinegeluid. Dat wordt bereikt het geluidniveau vanwege de windturbines ongeveer gelijk is aan het achtergrondniveau vanwege andere bronnen (aangeduid als LA95, het geluidniveau dat 95% van de tijd overschreden wordt).
33
Door het normenkader te richten op zo veel mogelijk maskering van het geluid van windturbines, wordt de achteruitgang van kwaliteit van de leefomgeving geminimaliseerd. Randvoorwaarde is dat het streven naar behoud van de omgevingskwaliteit niet mag leiden tot een onacceptabel verlies van energieproductie. Het hoge geluidniveau ter plaatse geeft ten eerste aanleiding om als basis te kiezen voor een jaargemiddelde norm die strenger ligt dan de tot voor kort algemeen gehanteerde normen uit het Activiteitenbesluit. Met deze jaargemiddelde norm is aangesloten bij de aanbeveling van de World Health Organization (WHO) uit oktober 2018 voor geluid van windturbines. Deze bepaling en de motivering daarbij wordt hieronder nader toegelicht onder (1). Ten tweede is een bepaling toegevoegd om te bewerkstelligen dat de geluidproductie van de windturbines in de (relatief) stille nachten extra wordt beperkt. Omdat de al aanwezige geluidbronnen alle ten noorden van de woonwijken liggen, ligt het geluidniveau het laagst in nachten met zuidenwind. In dit gebied, met de al heersende hoge geluidniveaus, is het belangrijk om de nachtrust in deze stille nachten te betrekken bij de normstelling. Daarom is bepaald dat bij zuidelijke windrichting de zogenaamde ‘windnormcurve’ (WNC) leidend is voor het geluid dat de windturbine mag produceren.
Deze windnormcurve beschrijft hoe het achtergrondgeluid toeneemt bij oplopende windsnelheid. Deze bepaling en de motivering daarbij wordt nader toegelicht onder (2). (1) Een jaargemiddelde norm die aansluit bij het WHO-advies In 2018 heeft de World Health Organization aanbevelingen gepubliceerd voor de jaargemiddelde geluidniveaus van verschillende bronnen. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen door het verzamelen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Daarbij is tevens onderzocht en gekwalificeerd in hoeverre er statistisch bewijs is voor negatieve gezondheidseffecten boven een bepaald geluidniveau. Voor windturbines is er een voorwaardelijke aanbeveling om geluid te beperken tot een jaargemiddelde waarde van 45 dB Lden. Een voorwaardelijke aanbeveling betekent dat deze niet automatisch hoeft te gelden bij het opzetten van beleid, maar dat zorgvuldige overweging en overleg met diverse stakeholders zinvol is. De WHO geeft geen specifieke aanbeveling voor het nachtelijk geluid, Lnight, omdat onvoldoende informatie beschikbaar was om daarover statistisch betrouwbare uitspraken te doen. Er is binnen dit normenkader gekozen voor het gebruik van een jaargemiddelde norm, uitgedrukt in Lden, zodat goed wordt aangesloten bij de adviezen vanuit de WHO. Met een norm in Lden is er ook een indirecte begrenzing aan het maximale equivalente geluidniveau.
Naast de hieronder beschreven norm voor Lden, zijn onder (2) en (3) aanvullende normen beschreven die een directe begrenzing geven voor het maximale equivalente geluidniveau. Voor Windpark Brielse Maasdijk is voor wat betreft de jaargemiddelde norm gekeken naar drie varianten: Variant 1: Een grenswaarde van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voor alle geluidgevoelige objecten, vanwege alle windturbines samen. Variant 2: Een grenswaarde van 45 dB Lden en 39 dB Lnight voor alle geluidgevoelige objecten, vanwege alle windturbines samen. 34
Variant 3:
Een grenswaarde van 45 dB Lden en 39 dB Lnight voor de woonwijken en van 47 dB en 41 dB Lnight in het buitengebied, vanwege alle windturbines samen.
Variant 1 sluit in grote lijn aan bij de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, met dien verstande dat de grenswaarde geldt voor het geluid van alle windturbines samen. Bij deze analyse zijn ook de al bestaande windturbines van windpark Hartelbrug II betrokken. Variant 2 sluit in hoofdlijn aan bij het WHO-advies, met dien verstande dat een grenswaarde voor de Lnight is toegevoegd op basis van de waarde die bij deze Lden verwacht mag worden. Deze toevoeging benadrukt het belang om de geluidbelasting in de nachtperiode zo veel mogelijk te beperken. Variant 3 maakt onderscheid tussen woonwijken en buitengebied, waarbij wordt meegewogen dat in het buitengebied slechts een klein aantal woningen op relatief korte afstand van de windturbines ligt en dus sprake is van een klein aantal potentieel gehinderden. Voor het in acht nemen van de genoemde grenswaarden, kan een zogenaamde noise mode (of geluidmodus) worden toegepast. Door de windturbine in een noise mode te schakelen, wordt het rotortoerental begrensd, waardoor de geluidproductie daalt. Dit gaat wel ten koste van de energieopbrengst van de windturbine. De geluidemissie kan meestal in stappen van ongeveer 1 dB worden teruggebracht, waarbij de energieopbrengst bij iedere stap daalt.
Of toepassing van een noise mode nodig is hangt, naast de gekozen grenswaarde, af van de afstand van de windturbine tot de dichtst bijgelegen woning en het geluidprofiel van het gekozen type windturbine. De analyses houden er rekening mee dat nog niet bekend is welk type windturbine er zal komen. Daarom zijn verschillende typen windturbines geanalyseerd en zit er een zekere bandbreedte in de resultaten. Een andere oorzaak van onzekerheid in de analyse is het gebruik van algemene, op Lden gebaseerde dosis-effectrelaties waarmee de aantallen te verwachten (ernstig) gehinderden worden bepaald. Deze relaties zijn bepaald op basis van de hinder per afzonderlijke bron, en niet op basis van verschillende bronnen samen. Een berekening van aantallen gehinderden door het optellen van verschillende bronnen geeft daarom slechts een indicatief resultaat. De dosis-effectrelatie voor geluid van windturbines zal bovendien gebaseerd zijn op onderzoek in met name landelijke gebieden, omdat dat daar zich de meeste windturbines bevinden. Het is niet zeker of deze ook toepasbaar zijn op stedelijk gebied zoals in Spijkenisse. Tenslotte, doordat de dosis-effectrelaties alleen betrekking hebben op de jaargemiddelde waarde Lden, is hiermee ook niet nauwkeurig het effect te bepalen van maatregelen die op specifieke momenten binnen een etmaal worden getroffen.
Variant 2 zorgt voor een lager aantal gehinderden en ernstig gehinderden. Wanneer alleen het windturbinegeluid beschouwd wordt, ligt bijvoorbeeld het aantal gehinderden in variant 2 tot zo’n 150 personen lager dan in variant 1 en 3. Als de cumulatieve geluidbelasting wordt beschouwd, is dit effect veel kleiner. Dan worden maximaal zo’n 20 extra gehinderden voorkomen door te kiezen voor variant 2. De huidige cumulatieve geluidbelasting is reeds zo hoog, dat het aantal gehinderden en ernstig gehinderden sowieso maar zeer beperkt toeneemt als gevolg van de nieuwe windturbines. Het aantal ernstig gehinderden op basis van de cumulatieve geluidbelasting ligt, met of zonder Windpark Brielse Maasdijk, en in alle varianten, in de orde grootte van 5.500 personen. Uit metingen van het omgevingsgeluid (referentie [2], afbeelding 13 en 14) blijkt dat in de dag- en avondperiode het achtergrondniveau in de woonwijken vergelijkbaar is met de normstelling van 35
variant 2. Dat betekent dat het geluid van de windturbines in de woonwijken dan goeddeels wegvalt tegen het achtergrondgeluid. In de nacht komen, afhankelijk van de windrichting, wel lagere geluidniveaus voor dan 39 dB(A). Met de normstelling van variant 2 zal het geluid van de windturbines in de nacht dus niet altijd wegvallen tegen het achtergrondgeluid. De analyse laat zien dat de invloed van variant 1 en variant 3 op de energieproductie gelijk is. De reden daarvoor is dat de solitaire woningen in het buitengebied maatgevend zijn voor geluid. De opbrengst van variant 2 kan tussen 1 en 10% lager uitvallen dan bij variant 1 en 3. Op basis van deze resultaten is de jaargemiddelde norm vastgelegd op 45 dB Lden en 39 dB Lnight voor alle geluidgevoelige objecten (variant 2). Doorslaggevend voor de keuze voor deze jaargemiddelde norm is de hoge cumulatieve geluidbelasting en het forse aantal ernstig gehinderden dat hier reeds woont. Het toevoegen van een geluidbron in een dergelijk dichtbebouwde en geluidbelaste omgeving wordt alleen aanvaardbaar geacht als dit geen significante verslechtering van de situatie teweegbrengt. Ook het leefklimaat van de bewoners van de solitaire woningen wordt belangrijk geacht en wordt hiermee zo goed mogelijk beschermd. Voor de Lden wordt daarmee aangesloten bij de voorwaardelijke aanbeveling van de WHO.
Het verlies aan energieopbrengst wordt acceptabel geacht om te borgen dat het huidige woon- en leefklimaat niet significant verslechtert.
(2) Extra bescherming tijdens stille nachten De hoge geluidniveaus in de bestaande situatie geven aanleiding om te onderzoeken of er verdere mogelijkheden zijn om toename van hinder zo veel mogelijk te beperken. Een in het oog springend kenmerk van de lokale situatie is dat de dominante geluidbronnen ten noorden liggen van de meest geluidbelaste woonwijken, Schiekamp en Hoogwerf. De heersende windrichting heeft een belangrijke invloed op de overdracht van geluid: bij meewind is de overdracht van geluid veel effectiever dan bij tegenwind. Voor de geluidgevoelige objecten in de nabijheid van Windpark Brielse Maasdijk betekent dit dat het geluidniveau bij zuidenwind beduidend lager is dan bij noordenwind. De nachten met zuidenwind zijn dan ook de momenten dat slaapverstoring door geluid in dit gebied naar verhouding het laagst is. De windturbines komen weliswaar ook ten noorden van de woonwijken; echter, vanwege de forse hoogte van de windturbines heeft de windrichting geen invloed op de geluidbelasting op de woonwijken. Het normenkader uit variant 2 is op zichzelf niet voldoende om de stille nachten te behouden. Bij tegenwind is het achtergrondniveau, LA95, in de woonwijken beduidend lager dan de norm van 39 dB Lnight uit variant 2 (referentie [2], afbeelding 13 en 14).
Om de hinder vanwege Windpark Brielse Maasdijk zo beperkt mogelijk te houden, is het dan ook van wezenlijk belang dat deze rustigere nachten behouden blijven. Dit is belangrijk omdat momenten van rust kunnen bijdragen aan de compensatie en het herstel van negatieve effecten van geluid. (Zie bijv. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0177.pdf). In het normenkader voor Windpark Brielse Maasdijk is daarom onderzocht wat de impact is als specifiek voor de stille nachten, dus bij zuidenwind, het toegestane geluid verder wordt beperkt. In de onderzochte varianten is het toegestane geluid op de gevels afhankelijk van het achtergrondgeluid dat bij een bepaalde windsnelheid verwacht mag worden. Hoe hoger de 36
windsnelheid, hoe hoger het achtergrondgeluid vanwege windgeruis is. Het achtergrondgeluid als functie van de windsnelheid wordt beschreven door een curve, de zogenoemde windnormcurve (WNC). Door middel van metingen is nagegaan dat het achtergrondniveau bij tegenwind (dus uit zuidelijke richting) ligt op circa 35 dB(A) [2]. De curve die het achtergrondgeluid beschrijft bij toenemende windsnelheid wordt aangeduid als de WNC-35. Met het gebruik van een windnormcurve is recent reeds ervaring opgedaan bij het naastgelegen Windpark Hartelbrug II. De ervaring daar is dat het toereikend is om het momentane geluidniveau van de windturbines te beperken tot het niveau van het overige omgevingsgeluid. Het ritmische karakter van het windturbinegeluid valt dan grotendeels weg, waardoor aanzienlijk minder hinder optreedt (referentie [4]). Onderzocht is de impact van een aanvullende bepaling waarbij met een wind uit zuidelijke richting tussen 23:00 uur en 05:30 uur een grenswaarde geldt van WNC-35. Het effect van deze bepaling is onderzocht in de volgende varianten: Variant 4:
in combinatie met een grenswaarde van 47 dB Lden en 41 dB Lnight (dus als aanvulling op variant 1)
Variant 5:
in combinatie met een grenswaarde van 45 dB Lden en 39 dB Lnight (dus als aanvulling op variant 2)
Omdat onder (1) reeds is beschreven en gemotiveerd dat een grenswaarde van 45 dB Lden en 39 dB Lnight gaan gelden, valt variant 4 af. Daarom gaan we hieronder verder alleen in op de impact van variant 5 in vergelijking van variant 2. Wanneer het aantal (ernstig) gehinderden vanwege alleen het geluid van windturbines wordt bepaald met de algemene dosis-effectrelaties, zorgt de aanvullende bepaling voor nachten met zuidenwind voor een reductie van enkele tientallen (ernstig) gehinderden. Op basis van alle geluidbronnen samen is het effect van de aanvullende bepaling kleiner, omdat de windturbines niet de dominante geluidbron zijn. Hierbij benadrukken we dat deze analyse op basis van een algemene dosiseffectrelaties slechts een indicatief resultaat geeft. De maatregel is erop gericht om specifieke momenten van rust te behouden. Verwacht mag worden dat het effect daarvan op de hinderbeleving groter is dan dat berekend wordt op basis van algemene dosis-effectrelaties. De energieopbrengst daalt ten gevolge van deze bepaling maximaal circa anderhalf procent (afhankelijk van het type windturbine). Op basis van deze resultaten is aan het normenkader de bepaling toegevoegd dat tussen 23:00 uur en 05:30 uur bij zuidelijke windrichting, van 120° tot 240° , een grenswaarde geldt van WNC-35.
Doorslaggevend voor het toevoegen van deze bepaling is het belang van de nachtrust, in deze situatie met een hoge cumulatieve geluidbelasting en het forse aantal ernstig gehinderden. De hoog geluidbelaste lokale situatie vraagt er uit het oogpunt van de gezondheid om dat rustige nachten zo veel mogelijk behouden blijven. Het verlies aan energieopbrengst wordt acceptabel geacht om te borgen dat het huidige woon- en leefklimaat niet significant verslechtert.
37
De afbakening van de tijdperiode en de windrichting waarvoor deze bepaling geldt zijn onderbouwd met metingen van het omgevingsgeluid (bron [1]). Uit Afbeelding 1 en Afbeelding 2 van dat document blijkt dat bij tegenwind het omgevingsgeluid sterk daalt tussen 23 uur en middernacht. Tussen 5 uur en half 6 neemt het omgevingsgeluid weer toe, vermoedelijk als gevolg van het wegverkeer op de A15. Buiten het tijdvenster van 23:00 uur en 05:30 uur is het overige omgevingsgeluid maatgevend, en is er daardoor voldoende maskering van het windturbinegeluid door ander omgevingsgeluid. Het oprekken van dit tijdvenster zou daarom niet of nauwelijks positief effect hebben op de ondervonden hinder, terwijl het wel de energieopbrengst negatief zou beïnvloeden. Het tijdvenster is daarmee zo gekozen dat er een evenwichtige afweging is tussen het belang van nachtrust en het belang van een goede energieopbrengst. De onderbouwing voor de afbakening van de windhoek volgt uit bron [2]. In dat rapport zijn de resultaten beschreven van monitoringsmetingen aan de rand van de woonwijken gedurende 5 weken. Op basis van die metingen is onderzocht hoe het achtergrondniveau, LA95 (dat wil zeggen het geluidniveau dat 95% van de tijd wordt overschreden) varieert als functie van de windrichting.
Afbeelding 17 en Afbeelding 19 uit dat document laten zien dat het achtergrondniveau bij tegenwind (de oranje lijnen) duidelijk lager ligt dan bij dwarswind of meewind. Om deze reden is gekozen om alleen bij tegenwind, dus bij een windhoek tussen 120° en 240°, de WNC-35 als grenswaarde te laten gelden. Verdere uitbreiding van deze windhoek zou de energieopbrengst verlagen, terwijl het effect op de ervaren hinder slechts zeer beperkt zou zijn. De windhoek is daarmee zo gekozen dat er een evenwichtige afweging is tussen het belang van nachtrust en het belang van een goede energieopbrengst. Die zelfde afbeeldingen laten zien dat bij meewind en dwarswind het achtergrondgeluid een groter aandeel lagere tonen heeft dan met tegenwind. Het achtergrondgeluid lijkt dan qua karakter meer op het geluid van de windturbines. Bij meewind en dwarswind wordt het geluid van de windturbines daardoor beter gemaskeerd. Ook daarom is ervoor gekozen om de windhoek waarbij de aanvullende bepaling van kracht is, niet groter is dan 120° tot 240°. Daarbij zij opgemerkt dat tijdens de nachten met meewind of dwarswind de bepaling van kracht blijft dat de waarde van 39 dB Lnight op de gevels van geluidgevoelige objecten is gewaarborgd. (3) De Hartelborgt Voor de Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt is een separate bepaling voor het geluid van de windturbines opgenomen in het normenkader.
In De Hartelborgt verblijven jongeren van 12 tot 25 jaar die om strafrechtelijke redenen zijn opgenomen in de jeugdinrichting. Op grond van het Besluit geluidhinder worden justitiële jeugdinrichtingen niet als geluidgevoelige objecten beschouwd. Omdat deze jongeren hier langdurig verblijven en ook onderwijs krijgen in de Hartelborgt, is wel in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening gehouden met de belangen van deze bewoners. Uit onderzoek [3] blijkt dat de geluidbelasting binnen het gebouw overdag niet hoger wordt dan de waarden die voor onderwijs- en kantoorfuncties aanvaardbaar worden geacht. In de nacht ligt de huidige geluidbelasting in de verblijfsruimten wel al hoger dan de binnenwaarde die voor woningen voor industriegeluid in de nacht aanvaardbaar wordt geacht. Bovendien wordt in de nacht een
38
relevante toename verwacht als gevolg van de realisatie van Windpark Brielse Maasdijk. De dichtstbijzijnde windturbine, WT5, zal op een afstand van circa 200 meter van de Hartelborgt liggen. In de huidige situatie heerst volgens referentie [3] in de verblijfsruimten van de Hartelborgt een binnenniveau van 25 tot 35 dB(A) vanwege de al bestaande geluidbronnen. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de Hartelborgt te borgen, wordt daarom een binnenniveau van 25 dB(A) vanwege windturbines in de slaapvertrekken acceptabel geacht. Bij die waarde mag worden verwacht dat er het windturbinegeluid in aanzienlijke mate wordt gemaskeerd door het geluid van andere bronnen. In de huidige situatie is geschat dat de geluidisolatie van de gevel van de Hartelborgt maximaal 20 dB bedraagt. Voor een goed onderhouden woning is een geluidisolatie van de gevel van 20 dB een gangbare waarde; dat is tevens de waarde die in het Bouwbesluit 2012 als minimale gevelwering wordt genoemd (art. 3.2). Het toegestane equivalente geluidniveau op de gevels van de slaapvertrekken wordt bepaald door de gevelwering op te tellen bij het binnenniveau. Uitgaande van een gevelwering van 20 dB en een binnenniveau van 25 dB(A), wordt een maximaal equivalent geluidniveau van 45 dB(A) op de gevels van de slaapvertrekken acceptabel geacht.
De Hartelborgt is voornemens om binnen 3 tot 5 jaar te verbouwen, waarbij de geluidwering van de gevels zal worden verbeterd. Het uitgangspunt blijft dan een binnenniveau van 25 dB(A). Er van uitgaande dat de gevelwering dan meer dan 20 dB zal zijn, is daarna dan ook een maximaal equivalent geluidniveau van meer dan 45 dB(A) op de gevels van de slaapvertrekken acceptabel. Aan het normenkader is de bepaling toegevoegd dat in de nachtperiode het geluidniveau vanwege windturbine WT5 in de slaapvertrekken van De Hartelborgt niet hoger wordt dan 25 dB(A). Voor de huidige situatie wordt uitgegaan van een gevelwering van 20 dB. In de toekomstige situatie, na verbouwing, dient de dan aanwezige gevelwering opnieuw te worden vastgesteld.
Normenkader Alle hiervoor beschreven overwegingen in aanmerking nemend, is het normenkader voor geluid vanwege de gezamenlijke windturbines voor Windpark Brielse Maasdijk als volgt vastgesteld:
De geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen mag niet meer bedragen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Tussen 23:00 en 05:30 uur mag bij windrichtingen tussen 120° en 240° de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dat de waarde conform de windcurvenorm WNC-35. In de Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt mag de maximale equivalente geluidbelasting vanwege WT5 in de slaapvertrekken in de nachtperiode niet meer bedragen dan 25 dB(A). De geoorloofde maximale equivalente geluidbelasting op de gevel bedraagt 25 dB(A) plus de gevelwering. Uitgangspunt voor de huidige situatie is een gevelwering van 20 dB. In de toekomstige situatie, na verbouwing, dient de gevelwering opnieuw te worden bepaald om de geoorloofde geluidbelasting op de gevels van de slaapvertrekken vast te stellen. 39
Bijlage 2 Voorschriften Herplantplicht Onverminderd wettelijke herplantverplichtingen, is vergunninghouder gehouden om zich in te spannen om voor iedere gekapte boom twee kwalitatief gelijkwaardige bomen terug te planten in het projectgebied, of, wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, buiten het projectgebied. Onder het projectgebied wordt verstaan het gebied van de Brielse Maasdijk alsmede het gebied direct ten zuiden van het voedingskanaal, een en ander tussen hoogspanningsstation Geervliet in het westen en de inlaatsluis Spijkenisse in het oosten. Om invulling te geven aan de inspanningsverplichting dient vergunninghouder uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase een herplantplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. Uiterlijk binnen twaalf maanden na aanvang bouw dient het aan het goedgekeurde herplantplan uitvoering worden gegeven. Vergunninghouder dient de hergeplante bomen in stand te houden. Recreatie & compensatie Uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase dient vergunninghouder een uitgewerkt compensatieplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen.
In dit compensatieplan moet het totaal aan maatregelen zijn opgenomen (inclusief tijdspad voor uitvoering hiervan) gericht op compensatie van negatieve gevolgen van het windpark, zodanig dat de kwaliteit van het recreatiegebied per saldo gelijk blijft. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. Onderdeel van het compensatieplan vormt een beeldkwaliteitsplan met (foto)visualisaties. Afschrift van dit compensatieplan met verzoek om goedkeuring wordt onverwijld door vergunninghouder aan GS van Zuid-Holland verstrekt. Inpassingsplan voeten van turbines en transformatorgebouw Mede gelet op de recreatieve functie van de Brielse Maasdijk, dient vergunninghouder uiterlijk 12 weken voor aanvang van de bouwfase een landschappelijk inpassingsplan ter goedkeuring aan het college voor te leggen, zowel voor de voeten van de windturbines als voor het transformatorgebouw en het onderstation. Uit dit inpassingplan moet blijken hoe (en wanneer) de voeten, het transformatorgebouw en het onderstation zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast in overeenstemming met de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied. Op de vereiste goedkeuring is de reguliere procedure van afdeling 4.1 Awb van toepassing. Uiterlijk binnen twaalf maanden na aanvang bouw dient het aan het goedgekeurde inpassingsplan uitvoering worden gegeven.