CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toldam - toelichting regels en verbeelding

Gemeenteraad 9 november 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Toldam 5, Heenvliet20.783 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

35/107

  

circulair werken zodat het handelen geen negatieve impact meer heeft op onze planeet. assets steeds duurzamer ontwerpen, aanleggen, beheren en onderhouden. Dit met het oog op (toekomstige) gevolgen voor klimaat, milieu en biodiversiteit. de inrichting van het beheersgebied aanpassen aan de consequenties die de klimaatverandering nu al heeft aan. Op een “groene” manier, door zo veel mogelijk mee te bewegen met de natuur en zo ook de biodiversiteit te bevorderen. Samen met gemeenten, de landbouwsector en andere actoren werken aan het herstel van de sponswerking van de bodem om water te bergen in natte perioden en te anticiperen op langdurige droge perioden. Dat betekent ook anders omgaan met hemelwater.

Op het gebied van waterveiligheid is de doelstelling het blijvende bescherming bieden tegen overstromingen voor de burgers in het gebied. Dit doet het waterschap robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk rioleringsplan voor de periode 20017 – 2021 beschrijft op welke wijze de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplicht voor stedelijk afval‐, hemel‐ en grondwater. Het GRP is samen met het Waterschap Hollandse Delta opgesteld. In grote lijnen is de invulling van de zorgplicht gelijk aan het niveau van de afgelopen jaren. Op enkele onderdelen is het beleid aangescherpt of verdient het extra aandacht. De speerpunten van de gemeente zijn:  Het blijven beschermen van de volksgezondheid en het milieu;  Lozen en beheer van aansluitleidingen;  Klimaatadaptatie & integraal programmeren;  De verantwoordelijkheid ten aanzien van grondwater;  Samenwerking in de afvalwaterketen Voorne‐Putten. Er zijn tal van activiteiten nodig om het bestaande areaal in stand te houden en te anticiperen op de toekomst.

Dit vertaalt zich voor de gemeente in de volgende acties:  Planmatig beheer en onderhoud van bestaande voorzieningen conform het dynamisch beheerplan;  Het vervangen en renoveren van kwalitatief slechte riolering in combinatie met de bovenliggende verharding, het groen en klimaatadaptieve maatregelen;  Meten aan het systeem zodat we op de praktijk gebaseerde beslissingen kunnen nemen;  Nader onderzoek naar de voor wateroverlast gevoelige locaties binnen de gemeente. Bij nieuwe ontwikkeling gelden de volgende uitgangspunten  Inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerde afvalwater;  Inzameling van het hemelwater dat niet mag of kan worden gebruikt voor de lokale waterhuishouding;  Transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt, waarbij: a. Ongewenste emissie naar oppervlaktewater, bodem en grondwater worden voorkomen; b. Geen overlast voor de omgeving wordt veroorzaakt. De gemeente Nissewaard heeft een 'Programmaplan Duurzaamheid' opgesteld waarin wordt ingegaan op de thema's

36/107

energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie. Vanuit klimaatadaptatie is het streven om voldoende waterberging in de gemeente aanwezig te hebben, zoveel mogelijk water vast te houden en meer groen te realiseren in de bebouwde omgeving. In het voorliggend plan is hier rekening mee gehouden. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Nissewaard en hemelwater wordt gescheiden ingezameld. Gemeente Nissewaard zet zich in voor het vasthouden van hemelwater op de locatie waar dit water valt. 4.8.2 Onderzoek Huidige situatie Het plangebied is onderdeel van de kern Heenvliet. Het plan wordt aan de noordelijke zijde begrensd door de Toldam. Aan de westelijke wordt het begrenst door agrarische grond. Aan de zuidzijde ligt een perceel met een woonbestemming. Langs de oostelijke zijde loopt een watergang. Het plangebied is grotendeels verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten zuiden van het plangebied bestaat de grond uit kleidek op veen. Met betrekking tot grondwater is ten zuiden van het projectgebied sprake van grondwatertrap II. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt.

De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen 50 en 80 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,8 meter + NAP. Waterkwantiteit Het plangebied wordt ten oosten en zuiden begrensd door watergangen behorende tot de categorie 'overig', zie figuur 4.3. Deze watergangen hebben een beschermingszone van 2 meter. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig.

37/107

Figuur 4.3: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken Waterschap Hollandse Delta met projectgebied rood omkaderd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. De verderop gelegen Bernisse is wel aangewezen vanuit KRW. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van een waterkering, zie figuur 4.4.

Figuur 4.4: Uitsnede Legger Waterveiligheid Waterschap Hollandse Delta Afvalwaterketen en riolering

38/107

De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Het programma bestaat uit het realiseren van 10 grondgebonden, vrijstaande woningen. Waterkwantiteit Wanneer werkzaamheden in de beschermingszones van de aangrenzende watergangen plaatsvinden, dient een watervergunning aangevraagd te worden. Daarnaast moet bij een toename van meer dan 500 m² verharding gecompenseerd worden. Bij de berekening van watercompensatie bij ontwikkelingen met een toename van verharding van meer dan 500m2 hanteert het Waterschap de volgende regels:  dakoppervlak: ongeacht rijtjes of vrijstaande woningen is 100% verharding;  tuinen van rijtjeswoningen en twee onder 1 kap is 50% verharding;  tuinen van vrijstaande woningen is 25% verharding;  openbare verharding zoals wegen en parkeerplaatsen is 100% verharding;  openbaar groen wordt niet gezien als verharding en is dan ook vrijgesteld ;  bestaand water wordt niet in de berekening opgenomen;  dempingen moeten geheel gecompenseerd worden. In figuur 4.5 is op basis van bovenstaande uitgangspunten een berekening gemaakt. Hieruit blijkt dat er sprake is van een toename van verharding van 165 m². Doordat de toename van de verharding niet met meer dan 500 m² bedraagt hoeft er niet gecompenseerd te worden.

Figuur 4.5: Verschil verharding feitelijke situatie ten opzichte van de toekomstige situatie conform het bestemmingsplan

39/107

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden in de aangrenzende beschermingszone van de waterkering. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.

In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.8.3

Conclusie

Omdat de verharding niet met meer dan 500 m2 toeneemt door de beoogde ontwikkeling, is compensatie niet noodzakelijk. Daarnaast grenst het plangebied aan beschermingszone van watergangen en een waterkering. Voor eventuele werkzaamheden in de beschermingszone zal een watervergunning aangevraagd worden. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Wegverkeerslawaai

4.9.1 Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst.

40/107

Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten moet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is 63 dB. 4.9.2 Onderzoek Aan de Toldam 5 is een boodschappencluster gevestigd. Het initiatief ligt voor om deze te slopen en te vervangen door 10 vrijstaande, grondgebonden woningen. Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt er een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor deze locatie. Dit akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai maakt hiervan een onderdeel uit (bijlage 8). Uit het onderzoek blijkt dat:  de geluidbelasting van de gezoneerde wegen Toldijk en Wieldijk voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en daarmee is het laten vaststellen van hogere waarden niet nodig;  de geluidbelasting van de niet gezoneerde Toldam de richtwaarde van 48 dB niet overschrijdt;  de gecumuleerde geluidbelasting als zeer goed wordt beoordeeld.

Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woningen worden bereikt. 4.9.3 Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon‐ en leefklimaat bij de woningen. Het aspect geluid van het wegverkeer staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Industrielawaai 4.10.1 Toetsingskader Beleid en normstelling Industrielawaai Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie‐ en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A‐inrichtingen' of 'grote lawaaimakers' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet hoger zijn dan 50 dB(A).

41/107

Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er in de geluidszone van het industrieterrein geluidgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A). Daarbij dient te worden getoets aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling Voor de industrieterreinen Maasvlakte‐Europoort en Botlek‐Pernis is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid‐Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten. In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de geluidzones van de industrieterreinen. Het plangebied ligt binnen het werkingsgebied van het RAK.

Het RAK bevat een methode voor het bepalen van de optredende geluidbelasting op basis van vastgestelde geluidcontouren. Daarnaast bevat het RAK procesafspraken. Het vaststellen van een hogere waarde die lager is dan de waarde die op bovenstaande wijze is bepaald, is volgens het RAK mogelijk als uit onderzoek blijkt dat aan die lagere waarde door afscherming kan worden voldaan, afdoende borging voor die afscherming is getroffen en de gemeente hierover overleg heeft gepleegd met de DCMR. Interimwet stad‐en‐milieubenadering Sinds 1 februari 2006 is de Interimwet stad‐en‐milieubenadering van kracht. Doelstelling van deze wet is het bereiken van een zuinig ruimtegebruik en een optimale leefomgevingskwaliteit. Op basis van deze wet mogen gemeenten, na zorgvuldig onderzoek en onder bepaalde voorwaarden, afwijken van de wettelijke milieunormen voor (onder andere) geluid. Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid voor gemeenten waardoor lokaal meer maatwerk mogelijk is uitgaande van een integrale benadering van alle aspecten van leefomgevingskwaliteit. 4.10.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Botlek Pernis. Om deze reden moet aandacht worden besteed aan het aspect industrielawaai. Het RAK biedt een bepalingsmethode voor het akoestisch onderzoek op basis van vastgestelde geluidcontouren.

De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft contouren verstrekt van de geluidbelasting ten gevolge van Botlek Pernis, met stappen van 1 dB. Het plangebied is gelegen tussen de 55 en 57 dB(A)‐contouren. Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 9) blijkt dat bij alle woningen de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden. Ter plaatse van de woningen is de geluidbelasting hoger dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. De hoogste geluidbelasting bedraagt 57 dB(A). Dit betekent dat via de reguliere weg geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld en een zogenaamd stap 3‐besluit (op grond van de Interimwet stad‐en‐ milieubenadering) noodzakelijk is om af te wijken van de wettelijke grenswaarde. De procedure voor het Stap 3‐ besluit is gekoppeld aan de procedure voor het bestemmingsplan. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de vergaande inhoudelijke eisen die worden gesteld aan de motivering van een dergelijk besluit.

42/107

Met het publiceren van het ontwerpbestemmingsplan is een melding gedaan bij gedeputeerde staten van Zuid‐ Holland, van het voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid uit de Interimwet stad‐en‐milieubenadering om af te wijken van de grenswaarden van de wet geluidhinder. Deze melding is opgenomen in bijlage 10. Het ontwerp‐besluit Stap 3 is gekoppeld aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerp‐ besluit en de onderliggende onderbouwing is opgenomen in het rapport in bijlage 11. In verband met het afwijken van de wettelijke grenswaarde zullen compenserende maatregelen worden getroffen (zie paragraaf 4.10.3). Nestgeluid schepen Binnen industrieterrein Botlek Pernis is er sprake van nestgeluid. Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet aan de schepen wordt gewerkt en geen laad‐ en losactiviteiten plaatsvinden. Voor afgemeerde schepen is geen regelgeving opgesteld. Echter op grond van jurisprudentie van de Raad van State moet het bevoegd gezag bij het vaststellen van een plan zich uitspreken over de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen. Aan de hand van een door DCMR aangeleverd rekenmodel is de geluidbelasting op de planlocatie als gevolge van nestgeluid berekend, uitgaande van een jaargemiddelde bezetting van 70% (worst case scenario).

Wanneer voor de beoordeling van het nestgeluid wordt aangesloten bij het toetsingskader voor industrielawaai (50 dB(A) als richtwaarde) dan kan op basis van de berekeningsresultaten worden geconcludeerd dat het nestgeluid ter plaatse van de meest noordelijke woningen een relevante bijdrage levert aan de optredende geluidbelastingen. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 52 dB(A). Het specifiek laagfrequent geluid van de afgemeerde schepen vraagt ter voorkoming van hinder aandacht bij het dimensioneren van de gevels. Bij de compenserende maatregelen in het kader van het Stap 3‐besluit wordt ook het nestgeluid betrokken. 4.10.3 Maatregelen Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan voor de locatie Toldam 5 Heenvliet is de stad‐en‐milieubenadering toegepast die bestaat uit de volgende drie stappen:  vroegtijdig integreren van milieu in het ruimtelijk plan en werken aan brongerichte maatregelen (stap 1);  zoeken naar oplossingen binnen de bestaande wet‐ en regelgeving (stap 2);  als milieunormen of wettelijke procedures de gewenste stedelijke leefkwaliteit in de weg staan, kunnen gemeenten via een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad afwijken van bestaande regels (stap 3). In het rapport in bijlage 11 zijn de mogelijke maatregelen binnen stap 1 en stap 2 afgewogen.

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is duurzaam en doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de leefomgevingskwaliteit. Op basis van de analyse in bijlage 11 wordt geconcludeerd dat het vanwege de geluidbelasting door het industrieterrein Botlek‐Pernis niet mogelijk is om te komen tot uitvoering van het plan zonder gebruik te maken van de mogelijkheden die de Interim Stad‐ en Milieubenadering biedt. In dat kader worden compenserende maatregelen getroffen. Uitgangspunt is dat de compenserende maatregelen een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de leefomgeving en de kosten van de maatregelen (financieel) in verhouding staan met het compenserende effect. Geluidwering Bij het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie wordt uitgegaan van de totale (niet hindergewogen) geluidbelasting op de gevel. Uitganspunt voor de nieuwbouwwoningen is een binnenniveau van maximaal 33 dB. Dat betekent dat de geluidwering groter of gelijk dient te zijn aan het verschil tussen de totale geluidbelasting (Ltotaal) minus een karakteristiek binnenniveau van 33 dB. Hierbij wordt het

43/107

geluidspectrum gehanteerd van de meest bepalende bron. Voorgaande betekent dat ook de geluidbelasting door het nestgeluid en de 30 km/h‐wegen worden betrokken bij het bepalen van de karakteristieke geluidwering. Lucht‐ en contactgeluidisolatie Voor de toekomstige woningen gelden strengere norm voor de lucht‐ en contactgeluidisolatie tussen de woningen dan de minimale eisen zoals die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 (voor het karakteristiek luchtgeluidniveau geldt een verhoogde eis van + 5dB en voor het gewogen contactgeluidniveau een verhoogde eis van + 10dB). Slaapverstoring Als woningen beschikken over een geluidluwe zijde, moeten de slaapkamers zo veel mogelijk aan de geluidluwe zijde zijn gesitueerd. In het Stap 3‐besluit is het uitgangspunt voor 'geluidluw' dat de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Botlek‐Pernis en het nestgeluid samen niet meer dan 50 dB(A) bedraagt. Wanneer woningen niet beschikken over een geluidluwe zijde, wordt ingezet op het creëren van zo veel mogelijk geluidluwe geveldelen en daar de slaapkamers te situeren. Waar dat niet mogelijk is en slaapkamers niet zijn gelegen aan een geluidluw geveldeel, worden aanvullende gebouwgebonden maatregelen getroffen ter plaatse van de slaapkamers die zijn gericht op het kunnen ventileren/spuien zonder dat sprake is van hoge geluidbelastingen.

Uitgangspunt is dat het geluid dermate wordt gereduceerd dat het binnenniveau ten minste gelijkwaardig is aan het binnenniveau dat wordt verkregen bij een geopend raam in een geluidluwe gevel. Daarbij kan (mede afhankelijk van de optredende geluidbelastingen) bijvoorbeeld worden gekozen voor harbour‐vensters, gevelschermen of afgeschermde ventilatievoorzieningen. Detaillering van de woninggebonden maatregelen vindt plaats in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

44/107

4.10.4 Conclusie De geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Botlek‐Pernis is hoger dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wgh. Om de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken zal een zogenaamd Stap 3‐besluit op grond van de Interimwet stad‐en‐milieubenadering worden genomen. In dat kader worden compenserende maatregelen getroffen om te zorgen dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie. Ook zijn maatregelen noodzakelijk omdat niet alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel (voorwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid). Met de hiervoor beschreven maatregelen en randvoorwaarden is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbare akoestische situatie en wordt op een verantwoorde wijze afgeweken van de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder (en voor een deel van de woningen bij het ontbreken van een geluidluwe gevel ook aan deze voorwaarde het gemeentelijk geluidbeleid). De genoemde maatregelen vormen het uitgangspunt voor de aanvraag van de benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. In de planregels is geborgd dat de maatregelen worden getroffen (met een verwijzing naar het Stap 3‐besluit en de daaraan gekoppelde maatregelen en randvoorwaarden).

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381. De vastgestelde parkeernota dateert uit 2016. Hierop is later een toevoeging gekomen met normen uit CROW publicatie 381. Op basis van kencijfers uit deze publicatie wordt tevens de verkeersgeneratie berekend. Voor het juiste kencijfer/parkeernorm wordt een ligging in de rest bebouwde kom gehanteerd, de kern Heenvliet binnen de gemeente Nissewaard wordt op basis van adressendichtheid getypeerd als niet stedelijk gebied (CBS). Verder wordt uitgegaan van het gemiddelde binnen de bandbreedte van het kencijfer/parkeernorm. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en expert judgement.

4.11.2 Onderzoek Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer

45/107

De geplande ontwikkeling ligt in het oostelijk deel van Heenvliet en wordt ontsloten door de erftoegangsweg Toldam. Deze weg valt binnen een 30 km/uur zone en is een éénrichtingsweg. De Toldam verbindt in noordelijk richting de Toldijk en zuidelijke richting de Markt. Vanuit de Toldijk is in oostelijke richting de kern Geervliet te bereiken en in westelijke richting via de Wieldijk de kern Zwartewaal. De Toldijk is een erftoegangsweg waar een maximale snelheid van 60 km/uur geldt. Vanuit de Markt is in zuidelijke richting de provinciale weg Groene Kruisweg (N218) waar een maximale snelheid van 80 km/uur te bereiken. Deze is te bereiken via de Stationsweg, Wethouder Gelderlandlaan en Verdouwenhoeck. Op de Stationsweg en Wethouder Gelderlandlaan geldt een maximale snelheid van 30 km/uur en op de Verdouwenhoeck een maximale snelheid van 50 km/uur. Vanuit de Markt is in westelijke richting de rest van de kern Heenvliet te bereiken. Langzaam verkeer De planontwikkeling wordt ontsloten door erftoegangswegen waarbij de fietser de rijbaan deelt met het gemotoriseerd verkeer. De wegen in de kern zijn smal waardoor weinig ruimte is voor voetpaden. Openbaar vervoer Binnen 500 meter van de beoogde ontwikkeling ligt aan het Nieuwesluisplein een bushalte Dorp waar lijn 107 richting Geervliet en Oudenhoorn halteert. Deze lijn halteert 1 keer in het uur.

Aan de Groene Kruisweg buiten de kern van Heenvliet ligt bushalte Heenvliet. Hier halteren hoog frequent de lijnen 102, 104, 403 en 404. Lijn 107 halteert hier ook parallel aan het Stationspad. Deze lijnen verbinden Heenvliet met o.a. Brielle, Hellevoetsluis en Spijkenisse (metro station). Richting Spijkenisse halteren de lijnen ongeveer 12 keer in het uur. Verkeersgeneratie en afwikkeling Verkeersintensiteit huidig en toekomstig In de bestaande situatie is een boodschappencentrum (buurtcentrum) aanwezig waaronder een supermarkt en overige detailhandel. Deze functies genereren veel meer verkeer dan woningen. Verkeersgeneratie huidige situatie Voor een buurtcentrum geldt op basis van “niet stedelijk en rest bebouwde kom” een gemiddelde verkeersgeneratie van 58,05 mvt/etmaal per 100 m² bvo (CROW 381). Het aantal bvo van het buurtcentrum is ongeveer 2700 m². De huidige situatie genereert 58,05 x 27 =1.567 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Er geldt geen omrekeningsfactor voor weekdag naar werkdag voor deze functie. Verkeersgeneratie toekomstige situatie In de beoogde planontwikkeling zijn 10 vrijstaande woningen opgenomen. Voor woningen geldt op basis van “niet stedelijk en rest bebouwde kom” een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal (CROW 381). De beoogde planontwikkeling zal in de toekomst op een gemiddelde weekdag ongeveer 82 mvt/etmaal genereren.

De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag voor woningen is 1,11 (CROW 381). Op een gemiddelde werkdag genereren de woningen 91 mvt/etmaal. Conclusie Op basis van bovenstaande zorgt de beoogde woningbouwontwikkeling voor een flinke verkeersafname.

46/107

Verkeersafwikkeling Het verkeer van de beoogde ontwikkeling wikkelt zich 100% (91 mvt/etmaal) af op de Toldam richting de Markt. Gezien de huidige afwikkeling van het boodschappencentrum leidt dit niet tot knelpunten. Verkeersveiligheid Door de flinke verkeersafname van de beoogde ontwikkeling verbetert de verkeersveiligheid op de Toldam en omliggend wegennet. Parkeren Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de normatieve parkeerbehoefte worden de kencijfers gehanteerd uit CROW publicatie 381. Tabel 4.2 toont dat voor de planontwikkeling een normatieve parkeerbehoefte van 23 parkeerplaatsen benodigd is. Tabel 4.2: totale parkeerbehoefte planontwikkeling Functie

Aantal

Parkeernorm*

Parkeerbehoefte

Koop vrijstaand (bewoners)

10 woningen

2,0 per woning

20 pp

Koop vrijstaand (bezoekers)

10 woningen

0,3 per woning

3 pp

Totaal

23 pp

*niet stedelijk, gemiddelde, rest bebouwde kom Aangezien de ontwikkeling enkel woningbouw betreft, past de gemeente geen dubbelgebruik toe. In dit geval dient er voldaan te worden aan 20 parkeerplaatsen op eigen terrein en 3 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Parkeeraanbod Voor de ontwikkeling wordt op de kavels voorzien van parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen voor de bewoners wordt gerealiseerd op de kavels. De parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen voor de bezoekers wordt gerealiseerd in het openbaar gebied ten noorden van de woningen naast het trafohuisje. De parkeerbehoefte kan hierdoor volledig worden opgevangen. 4.11.3 Conclusie De beoogde planontwikkeling aan de Toldam 5 zorgt voor een flinke afname van verkeer ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor leidt dit niet tot knelpunten op het omliggend wegennet en is dit positief voor de verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is 20 parkeerplaatsen voor bewoners en 3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Per kavel worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd voor bewoners en 3 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in het openbaar gebied ten noorden van de woningen naast het trafohuisje. De parkeerbehoefte wordt volledig opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

47/107

4.12 Kabels en leidingen 4.12.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.12.2 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. 4.12.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

48/107

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedure op een goede manier is doorlopen. Inspraak en vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het artikel 3.3.1. vooroverleg toegezonden aan de vooroverlegpartners van de gemeente Nissewaard, zoals de provincie Zuid‐Holland en het waterschap Hollandse Delta. De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe, niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. De reacties en antwoorden zijn opgenomen in bijlage 12. Ter inzage legging Het ontwerpbestemmingsplan Toldam 5, Heenvliet en het ontwerpbesluit Stap 3 hebben van 25 juli t/m 5 september 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn geen zienswijze ingediend. Ambtshalve wijzigingen Het bodemonderzoek is aangepast. Aan het onderzoeksgebied is een deel toegevoegd wat bij het plangebied hoort, maar in een eerder stadium niet was meegenomen.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

49/107

De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.

50/107

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Welke bestemmingen komen voor in dit plan?

Een bestemmingsplan geeft aan voor welke functies percelen en bouwwerken mogen worden gebruikt. Dat kan bijvoorbeeld zijn voor wonen, groen, verkeer enzovoort. Daarnaast bevat het plan per functie regels waaraan het gebruik en/of het bouwen moet voldoen. Zo is vastgelegd waar gebouwd mag worden en waar niet, en zijn regels gesteld hoe mag worden gebouwd. Het plan geeft bijvoorbeeld de maximale bouw‐ en goothoogte van huizen, en de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals erfafscheidingen aan.

6.2

Hoe ziet een bestemmingsplan er uit?

Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (voorheen de 'plankaart' genoemd), planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels zijn het juridische deel van het bestemmingsplan. In dit deel van het bestemmingsplan staan de rechten en plichten die voortvloeien uit het plan. In de plantoelichting zijn de achtergronden en uitgangspunten voor het beleid opgenomen. Met de toelichting worden de aanwezige belangen in het gebied afgewogen en wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Alle bestemmingsplannen in Nederland zijn te vinden op de website: www.ruimtelijkeplannen.nl. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar.

Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksboven 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:  Met een dubbelbestemming. Dit betreft een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Bijvoorbeeld voor archeologie, ondergrondse leidingen of waterkeringen. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden.

51/107

Met een aanduiding. Een aanduiding is een vlak op de verbeelding. Via een aanduiding wordt in de regels iets aanvullend geregeld. Dat kan betrekking hebben op maatvoering (bijvoorbeeld een specifieke goot‐ of bouwhoogte), bouwen (bijvoorbeeld voor specifieke bouwwerken als overkappingen) of functies (bijvoorbeeld zorgwoningen).

6.3

Wat regelt een bestemmingsplan?

Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen: 1. Wonen: ter plaatse van de beoogde grondgebonden woningen; 2. Verkeer ‐ Verblijfsgebied: ter plaatse van het beoogde woonerf; 3. Tuin: ter plaatse van de voor‐ en achterzijde van de woningen. En de volgende dubbelbestemmingen: 1. Waarde ‐ Archeologie ‐ 2: ter plaatse van het gehele plangebied met uitzondering van de twee delen met de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐3'; 2. Waarde ‐ Archeologie ‐ 3: in het linker gelegen deel van het plangebied langs het water en in een deel ter hoogte van de al bestaande woningen aan de Toldam. 3. Waterstaat ‐ Waterkering: ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering conform de Legger van het waterschap.

6.4

Opzet van de planregels

De hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, hebben de volgende vaste volgorde:  In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald;  In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven;  De Algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti‐dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing);  De Overgangs‐ en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Daarnaast is een aantal bepalingen opgenomen waaraan landelijk gezien de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti‐ dubbeltelbepaling.

52/107

6.5

Toelichting op de inleidende regels

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de inleidende regels. Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

6.6

Toelichting op de bestemmingsregels

Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen in dit plan. Artikel 3 Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor de voortuinen van de grondgebonden woningen. Daarnaast is een strook van 4 m breed opgenomen langs de watergang langs de oostgrens van het plangebied. Deze gronden liggen in principe achter de woning, maar maken geen een onderdeel uit van het achtererfgebied. Binnen deze bestemming is daarmee vergunningvrij bouwen uitgesloten om de landschappelijke kwaliteiten van het recreatiegebied Bernisse en het onderhoud van de watergang te waarborgen. Artikel 4 Verkeer ‐ Verblijfsgebied De gronden met de bestemming 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verkeersdoeleinden behorende bij de woningen op Toldam 5. Artikel 5 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij horende tuinen, erven, verharding, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen, waarmee de uiterste bouwgrenzen zijn vastgelegd. Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie ‐ 2 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 2' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Artikel 7 Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 3' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Artikel 8 Waterstaat ‐ Waterkering

53/107

De gronden met de bestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' zijn bestemd voor voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water en de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering ter hoogte van de Toldam.

54/107

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Toldam 5, Heenvliet van de gemeente Nissewaard 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML‐bestand NL.IMRO.1930.BPToldam5HNV‐3001 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 achtererf een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel. 1.6

achtergevelrooilijn

de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd. Indien er geen sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw ‐ zonder aan‐ en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen ‐ alsmede het verlengde daarvan. 1.7

afwijking

een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wabo, zoals deze luidt op het moment van vaststelling van het plan. 1.8

archeologische waarde

de in het kader van dit plan aan het gebied toegekende waarde gekenmerkt door voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen direct onder het aardoppervlak. 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

81/107

1.10

beroepsmatig gebruik van een woning

het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan‐ of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de hoofdbewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende aan‐ of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.11

bestaand

ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.12

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14

bevoegd gezag

het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo. 1.15 bewoner een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een woning en op dat adres is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. 1.16

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.17

bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat door de vorm, ligging en constructie onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.18

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.19 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.20

bouwlaag

een doorlopende gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.21

82/107

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22

bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel. 1.23

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond. 1.26

erfafscheiding

de afscheiding van een erf. 1.27

erker

een grondgebonden uitbreiding van één bouwlaag aan de voor‐ of zijgevel van een woning. 1.28 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt uitgeoefend, zoals escortservices en bemiddelingsbureaus. 1.29 functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.30

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

83/107

1.31

hoofdgebouw

een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw op een bouwperceel valt kan worden aangemerkt. 1.32

kamerverhuurbedrijf

a. een samenstel van verblijfsruimten, uitsluitend of mede bestemd of gebruikt om daarin anderen dan aan de rechthebbende en de personen behorende tot diens huishouden, woonverblijf, niet in de zin van zelfstandige woongelegenheid, te verschaffen, al dan niet met gehele of gedeeltelijke verzorging; b. een en ander kan onder meer blijken uit het feit dat voor de kamers afzonderlijk huur wordt berekend en/of betaald en elke kamer zelfstandig wordt bewoond, waarbij al dan niet sprake is van enkele gemeenschappelijke voorzieningen. 1.33

kleinschalig bedrijfsmatig gebruik van een woning

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan‐ of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, in tegenstelling tot een beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de woonfunctie behouden blijft en waarvoor geen melding‐ of vergunningplicht op grond van de Wabo geldt. 1.34 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.35

ondergrondse gebouwen

gebouwen of delen daarvan die zijn gelegen onder peil. 1.36 onderkomen een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar‐ of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent. 1.37

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak en voorzien van maximaal één wand. 1.38 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

84/107

1.39

raamprostitutie

een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 1.40

seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch‐pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.41

straatprostitutie

het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen of aanlokken, dan wel het naar aanleiding daarvan verrichten van seksuele handelingen. 1.42

uitbouw

de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.43 verblijfsruimte een in een gebouw gelegen ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen. 1.44

voorgevel

de gevel van een hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.45 voorgevellijn de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan. 1.46

voorgevelrooilijn

de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd 1.47

vrijstaand

bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide zijden niet in de perceelsgrens zijn gebouwd. 1.48 Wabo de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.49

wonen

gebruiken van een woning of wooneenheid voor het huisvesten van niet meer dan één huishouden. 1.50

woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten. 1.51

85/107

Wro

Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.

86/107

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstanden van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de bouwperceelgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2

afstand tot de zijdelingse perceelgrens

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.3

bebouwde oppervlak

optellen van de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen tezamen, tenzij in deze regels anders is bepaald. 2.4 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.5

de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.6

de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8

de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9

peil

a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil; c. in andere gevallen én voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

87/107

2.10

ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel‐ en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner; b. overstekende daken tot ten hoogste 1 m; c. luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw; buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt ten opzichte van de bouwgrens of de maximale bouwhoogte.

88/107

Hoofdstuk 2

Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Tuin

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, erven en verhardingen; b. parkeervoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Gebouwen en overkappingen Op deze gronden mogen uitsluitend erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: a. de horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw +0,3 m; d. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf‐ en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m. c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ 1' dienen de gronden niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, dan wel zoals het artikel luidt indien sprake is van een wetswijziging betreffende vergunningsvrij bouwen op het erf.

89/107

Artikel 4 4.1

Verkeer ‐ Verblijfsgebied

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen voor verkeer en verblijf; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. straatmeubilair en nutsvoorzieningen; e. afvalverzamelvoorzieningen. 4.2

Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 6 m.

90/107

Artikel 5 5.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. tuinen, erven, verhardingen en parkeervoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtneming van het bepaalde in lid 5.3. 5.2

Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. de goot‐ en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m respectievelijk 10 m; c. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de zijgevel van het hoofdgebouw in de gevellijn te worden gebouwd. 5.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; c. de gronden gelegen buiten het bouwvlak mogen voor maximaal 50% worden bebouwd; d. de gezamenlijke oppervlakte van aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mag niet meer bedragen dan 60 m² met dien verstande dat bestaande grotere oppervlaktes mogen worden gehandhaafd; e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; f. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m; g. voor het bouwen van overkappingen gelden ook de volgende regels: 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3.

de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf‐ en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf‐ en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m;

91/107

c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.3

Specifieke gebruiksregels

a. Het in gebruik nemen van de woning of delen van de woning als een kamerverhuurbedrijf is niet toegestaan; b. Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een woning, een aan‐ of uitbouw of aangebouwd bijgebouw, zijn respectievelijk bij wijze van medebestemming toegestaan met inachtneming van de volgende regels: 1. de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner; 2. het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps‐ en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan‐ en uitbouwen met een maximum van 60 m²; 3. op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps‐ of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats; 4. het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps‐ of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; c. de beroeps‐ of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2.

in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings‐ of meldingsplichtig is op grond van de Wabo. 5.3.1 Geluid a. de functie wonen als bedoeld in lid 5.1 onder a, is uitsluitend toegestaan als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder dan wel de hogere waarden (en bijbehorende voorwaarden) uit het Stap 3‐besluit op grond van de Interimwet stad‐en‐milieubenadering d.d. <in te vullen bij vaststelling>.;

92/107

Artikel 6 6.1

Waarde ‐ Archeologie ‐ 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 6.2

Bouwregels

a. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m² hebben; c. het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 6.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning de hierna onder 6.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. 6.3.2 Werken c.q. werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. b. c. d. e. f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11914414/1