CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Gemeenlandsedijk Noord toelichting

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Vaststellen gewijzigd bestemmingsplan Gemeenlandsedijk Noord, Abbenbroek13.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Er

- 27 -

worden in onderhavig plan 46 woningen toegevoegd. Volgens de CROW is de verkeersgeneratie bij woningen in het meest ongunstigste geval 8,6 verkeersbewegingen. Deze meest ongunstige norm hebben we voor alle woningen genomen. Dit betekent dat er voor 46 woningen 396 verkeersbewegingen zijn. In de Nibm tool ziet de berekening er als volgt uit:

Figuur 4.3: Nibm tool

Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Op basis van de landelijk beschikbare GCNwaarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 22,0 (2015, gebaseerd op gegevens gcn 2013) microgram per kubieke meter lucht bedraagt en voor fijn stof is dit 22,8 (2015, gebaseerd op gcn 2013) microgram per kubieke meter. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit (grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof bedragen 40 microgram per kubieke meter, te bereiken in 2015 respectievelijk in 2011). Conclusie: Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden. 4.4 Bodem. In het kader van de voorbereiding van het bouwplan is de bodem gesaneerd. Er is een beschikking van de evaluatie van de sanering ontvangen van de DCMR. Een evaluatieverslag is bijgevoegd. De conclusie is: Ter plaatse van de perceelsgrens is een foliescherm geplaatst, een en ander conform het saneringsplan. Betreffende scherm dient ter afscherming van de olieverontreiniging, aanwezig op het naastgelegen perceel. Dit scherm dient in stand te blijven. Bij de sanering van de oliespot is het saneringsresultaat bereikt, te weten geschikt voor

- 28 -

wonen. De vrijgekomen grond is afgevoerd naar ATM en de plas van Heenvliet. Een deel van de grond is/wordt herschikt buiten de woonpercelen onder infrastructuur.

Conclusie: Dit betekent dat uit het onderzoek blijkt dat er geen milieuhygiënische bezwaren zijn tegen het beoogde gebruik van de grond (wonen). Het evaluatieverslag is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.5 Externe veiligheid. Normstelling en beleid Alle ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan het externe veiligheidsbeleid. Deze verplichting is voor wat betreft de risico's van bedrijven vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en in de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) voor wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het externe veiligheidsbeleid moet worden uitgevoerd wanneer het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van een risicobron. Wanneer dit het geval is moet beoordeeld worden of het plan voldoet aan de grens c.q. richtwaarde van het plaatsgebonden risico van deze risicobron. Verder zal in dat geval het groepsrisico verantwoord moeten zijn. De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft op verzoek van de gemeente een inventarisatie gemaakt van alle risicovolle inrichtingen en transportroutes die invloed kunnen hebben op het gemeentelijk grondgebied.

Deze inventarisatie heeft de basis gevormd voor de opgestelde signaalkaart NissewaardKernpunt in dit beleid is dat de gemeente bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening houdt met de door de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond aangehouden effectzones bij ongevallen. Voor bestaande situaties is in de visie als uitgangsprincipe aangegeven dat er geen maatregelen op het gebied van externe veiligheid worden opgelegd. Het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is het dus van belang om te onderzoeken of er in of in de nabijheid van de plangebieden nabij de bouwlocatie relevante inrichtingen en transportroutes aanwezig zijn en zo ja of nader onderzoek noodzakelijk is. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats in de omgeving van het plangebied. Er kan worden geconstateerd dat er zich in de directe omgeving geen gevaarzettende ondergrondse leidingen dan wel Lpg-stations aanwezig zijn. Ook wordt nog verwezen naar de risicokaart van de provincie Zuid-Holland. Uit deze kaart is op te maken dat er voor het plangebied geen risicovolle zaken aan de orde zijn. De herinrichting van deze locatie heeft geen invloed op deze situatie en levert ook geen extra risico op.

- 29 -

Figuur 4.4: Risicokaart provincie Zuid-Holland met pijl bij planlocatie

Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de gemeente Nissewaard haar bewoners actief informeert op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing. Door middel van de campagne Denk Vooruit ('Rampen vallen niet te plannen, voorbereidingen wel') worden burgers geïnformeerd hoe men zich kan voorbereiden op een eventuele calamiteit. Conclusie: Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat in het onderhavige plan voldaan wordt aan de wettelijke eisen en het geldende beleid op het gebied van externe veiligheid. 4.6 Bedrijven en milieuzonering. Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn.

Ten noordwesten van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming aan de Gemeenlandsedijk Noord 26 te Abbenbroek. Hier was het voormalige gemeentehuis in gevestigd. Thans wordt deze locatie verhuurd. Binnen de maatschappelijke bestemming mogen maatschappelijke en culturele voorzieningen. Dit zijn educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen, sportvoorzieningen, recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en kinderopvang, alsmede

- 30 -

ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen. De grootste richtafstand is bij deze voorzieningen maximaal 30 meter . De nieuw te bouwen woningen liggen op circa 52 meter van het bebouwingvlak van deze bestemming, zodat deze buiten de richtafstand liggen. Aan de zuidkant van de planlocatie blijft een strook met de bestemming bedrijf tot en met de categorie 2 aanwezig. Bij deze bedrijven is de grootste richtafstand 30 meter. De afstand tot de nieuwbouw bedraagt circa 20 meter. Dat is binnen deze richtafstand. Echter de bedrijfsbebouwing is aan twee zijden al omgeven door woningen. Op de Gemeenlandsedijk Zuid 29 te Abbenbroek is op kortere afstand dan 20 meter al een woning aanwezig en aan de Gorzen zijn op een afstand van 20 meter ook al woningen aanwezig. Dit betekent dat de nieuwbouw geen verdere beperking brengt in de bestaande bedrijfspanden Conclusie: Dit betekent dat dit onderdeel de planvorming niet in de weg staat. 4.7 Water. Beleidskader De beleidscontext voor de visie op de ontwikkeling van het plangebied wordt gevormd door een aantal landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk zijn de meest relevante gemeentelijke beleidsaspecten op het gebied van riolering en waterhuishouding beknopt samengevat.

Beleidskader Europees en Rijksniveau Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is een wettelijke richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de EU-lidstaten te beschermen en te verbeteren. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben de overheden (Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten) in 2003 afspraken gemaakt om gezamenlijk het watersysteem in Nederland op orde te brengen en te houden. De focus lag daarbij sterk op waterkwantiteit (wateroverlast). Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het waterbeheerprogramma heeft betrekking op 3 kerntaken • veilige dijken en duinen • voldoende en schoon water • het schoonmaken van afvalwater. Om deze taken ook in de toekomst goed te kunnen blijven uitvoeren, houden we rekening met klimaatverandering, duurzaamheid, energietransitie en biodiversiteit.

- 31 -

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagd de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Het plan zal in het kader van het vooroverleg nog aan het Waterschap worden voorgelegd.

Watercompensatie. De berekening voor de watercompensatie is als volgt: BEREKENING Totaal terrein oppervlak: 18.121,7 m2 ONVERHARD Totaal als onverhard te rekenen: 8.675,1 m2 VERHARD Totaal te rekenen verhard oppervlak: 9.446,6 m2 WATERCOMPENSATIE Water compensatie in open water is (10% verhard oppervlak) : 944,7m2 AANWEZIG OPEN WATER Aanwezig open water binnen plan: 1.261,7 m2 Reeds aanwezig te behouden: 200,0 m2 Reeds aanwezig te dempen: 90,0 m2 Te rekenen voor compensatie: 971,7 m2 Overcapaciteit open water: 27,0 m2

- 32 -

Figuur 4.5: berekening verhard oppervlak met uitvergroting cijfers

- 33 -

Figuur 4.6: berekening onverhard oppervlak met uitvergroting cijfers

- 34 -

Figuur 4.7: watercompensatie met uitvergroting cijfers

Schoon inrichten Het vuilwater wordt afgevoerd via de bestaande riolering. Bij de bouw zal ter bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals zink, lood, koper en zacht pvc. Het schoon hemelwater afkomstig van de daken zal via een hemelwaterafvoerleiding via een bestaand hemelwaterafvoerriool op een aangrenzende watergang geloosd worden. Veilig inrichten Het plangebied ligt in een beschermingszone van de waterkering. Ter bescherming van de belangen ter plaatse is de bestemming Waterstaat- Waterkering opgenomen. Conclusie Het bestemmingsplan tast geen waterbelangen aan

- 35 -

4.8 Flora en Fauna. De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2017 in werking getreden. Op basis van deze wet is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Het gebied vormt geen onderdeel van de provinciaal ecologische hoofdstructuur. Er is geen sprake van een ecologische verbindingszone dan wel een recreatiegebied of een natuurgebied. Het plangebied ligt aan de Gemeenlandsedijk Noord in Abbenbroek en ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Haringvliet) ligt op een afstand van circa 5,8 km van het plangebied. Een ander Natura 2000gebied (Oude Maas) ligt op een afstand van circa 6,7 km van het plangebied. Verder zijn er ook andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (o.a. Voornes Duin, Voordelta, Grevelingen, Oudeland van Strijen etc.). Deze liggen op een afstand van minimaal 13 km van het plangebied. Op 1 februari 2023 heeft Bureau Stadsnatuur een quick scan uit gevoerd. De conclusies van deze scan luiden als volgt: Op basis van de quick scan is voldoende inzichtelijk gemaakt welke soorten afhankelijk zijn van het plangebied. De opdrachtgever is voornemens woningen te bouwen op het braakliggende terrein.

De volgende (volgens de Wnb) beschermde soorten en functies zijn te verwachten in en rond het plangebied:

De aanwezigheid van andere beschermde soorten of functies kan uitgesloten worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren. Een stikstofdepositieberekening (voor de aanlegfase en gebruiksfase) met het rekenmodel Aerius is noodzakelijk om na te gaan of het nieuwbouwproject geen negatieve invloed heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Aanbevelingen Broedvogels Voorkom vestiging van Oeverzwaluw in zandhopen met steile wanden of gronddepots door flauw aflopende hellingen te maken. Of dek de steile wanden buiten de werktijden af met bijvoorbeeld doeken of steigergaas. Deze maatregelen moeten wel genomen worden vóór het broedseizoen start. Voorkom een broedgeval van een zangvogel in de Klimop door deze plant buiten het broedseizoen te verwijderen.

- 36 -

Zorgplicht In het plangebied kunnen kleine zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën voorkomen die onder bescherming van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming vallen, maar waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van ontheffing geldt (Provinciale Staten van Zuid-Holland 2016). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht en moet het onnodig doden of verwonden van dieren voorkomen worden. Wanneer bij de aanlegwerkzaamheden dieren worden aangetroffen of plotseling verschijnen dan moeten ze de kans krijgen om het werkterrein te verlaten. Indien dit niet mogelijk is dan moet het dier voorzichtig verplaatst worden naar een geschikte plek in de omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Laat de stikstofdepositie berekenen. Om het externe effect op Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied nauwkeurig te bepalen is een berekening van de stikstofdepositie middels het rekenmodel Aerius nodig. Hierbij moet de stikstofuitstoot tijdens de aanleg- en gebruiksfase berekend worden. Wanneer de drempelwaarde overschreden wordt dan zijn maatregelen nodig om de uitstoot te verminderen of te compenseren. Natuurinclusief bouwen De ruimtelijke ontwikkeling biedt niet alleen mogelijkheden voor een herinrichting van het plangebied, maar ook om meerwaarde te creëren voor de biodiversiteit (Vink, Vollaard & de Zwarte, 2017).

Door in de ontwerpfase al te kijken naar mogelijkheden voor het creëren van nest- en verblijfplaatsen kan de nieuwbouw mogelijkheden bieden om ook voor dieren het terrein aantrekkelijk te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het toegankelijk maken van de daken van de toekomstige woningen voor Huismussen. Door extra broedgelegenheid te creëren wordt de lokale populatie van deze bedreigde vogel ondersteund. Hetzelfde geldt voor de inrichting van de tuinen en de keuze voor het type beplanting. Dergelijke maatregelen zijn geen wettelijke verplichting, maar dragen bij aan een vergroting van de biodiversiteit. De aanwezigheid van planten en dieren in de woonomgeving vergroten bovendien het woongenot. Aan de aanbevelingen en de zorgplicht zal worden voldaan. Bij de uitwerking zal worden bekeken of er elementen van natuurinclusief bouwen kunnen worden opgenomen. De nieuwe Aeriusberekening is hier onder opgenomen. Gebiedsbescherming/ stikstof In het kader van de Wnb dient de stikstofdepositie vanwege de betreffende ontwikkeling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Het plangebied ligt aan de Gemeenlandsedijk Noord in Abbenbroek en ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Haringvliet) ligt op een afstand van circa 5,8 km van het plangebied.

Een ander Natura 2000gebied (Oude Maas) ligt op een afstand van circa 6,7 km van het plangebied. Verder zijn er ook andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (o.a. Voornes Duin, Voordelta, Grevelingen, Oudeland van Strijen etc.). Deze liggen op een afstand van minimaal 13 km van het plangebied.

- 37 -

Uit het uitgevoerde onderzoek d.d. 19 februari 2024 (bijlage) blijkt uit de berekeningen geen bijzonderheden, in zowel de gebruiksfase als de bouwfase is de uitkomst een depositie niet groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie: Dit betekent dat voor dit onderdeel aan de wettelijke eisen wordt voldaan. 4.9 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Beleidskader De gemeente Nissewaard heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld, waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De ter plaatse geldende beheersverordening vermeldt de aanduidingen ‘Waarde Archeologie - 1' en ‘Waarde - Archeologie – 2’, dit ter behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Archeologisch onderzoek zou nodig zijn bij ingrepen die groter zijn dan 100 m² respectievelijk 200 m².

Deze waarden zijn in het huidige bestemmingsplan over genomen ter bescherming van de Archeologische Waarden 4.10 Geur. Het perceel bevindt zich niet binnen een geur- en/of stankcirkel, waardoor het aspect geur/stank geen belemmeringen oplevert voor de realisering van het bouwplan.

4.11 Kabels en leidingen. De kabels en leidingen in de omgeving staan de voorgestane ontwikkeling niet in de weg. Bij de uitvoering van de (grond)werkzaamheden zal uiteraard rekening worden gehouden met de aanwezige ondergrondse infrastructuur. 4.12 Molenbiotoop. Een groot deel van Abbenbroek valt binnen de molenbiotoop van molen De Hoop. Deze zogenaamde grondzeiler bevindt zich aan de Gemeenlandsedijk Zuid 25. Om de windvang van de molen te beschermen, is in het bestemmingsplan een molenbeschermingszone opgenomen. Binnen deze beschermingszone gelden beperkingen aan de hoogte van bebouwing en mag geen hoge beplanting aanwezig zijn.

- 38 -

Deze zogenaamde molenbiotoop duidt maximaal toegestane bouwhoogten (ten opzichte van NAP) aan binnen een straal van 400 meter, waarmee het windrecht is gewaarborgd. Een klein deel van het plangebied valt binnen de molenbiotoop. Ter bescherming zijn regels in dit bestemmingsplan opgenomen. De essentie van de molenbiotoop is dat de vrije windvang van de molen niet wordt beperkt door de hoogte van bebouwing binnen een afstand van 400 meter tot de molen. De hoogte wordt berekend aan de hand van het volgende: • binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; • binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;

In onderstaand figuur is de molenbiotoop opgenomen. De planlocatie is hierop globaal ingetekend.

Figuur 4.8 uitsnede molenbiotoop met globale intekening plangebied

Een heel klein gedeelte van het plangebied ligt binnen de molenbiotoop. De molen is een grondzeiler, daarom is de afstand tussen het maaiveld (Gemeenlandsedijk Zuid) en de onderste punt van de verticaal staande wiek zeer klein: minder dan 1 meter. Dit leidt tot forse beperkingen voor de realisering van

- 39 -

bebouwing in de kern. In figuur 4.6 is de beschermingszone van de molen opgenomen. Daar het dichtstbijzijnde bouwblok op circa 380 meter ligt mag de bebouwing circa 13.70 hoog zijn. De bebouwing gelegen in de molenbiotoop is maximaal 9 meter hoog. Derhalve is er geen belemmering voor de windvang.

Figuur 4.9 molenbeschermingszone

Conclusie: Dit betekent dat dit onderdeel voldoet aan de wettelijke eisen.

4.13 Milieueffectrapportage. Vormvrije mer. Op basis van het hierna volgende zal het college van burgemeester en wethouders voor de vaststelling van het plan een besluit nemen dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het plan maakt ontwikkelingen mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Een m.e.r. beoordeling is in dat geval op basis van de Wet milieubeheer verplicht. In de ruimtelijke onderbouwing is al ingegaan op de verschillende onderdelen. Echter hieronder motiveren wij nogmaals dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • De omvang van het project betreft een uitbreiding van bestaand stedelijk gebied met in planologische zin 46 woningen. • Er is geen cumulatie met andere projecten. • Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater door een hemelwaterafvoerleiding via een bestaand hemelwaterafvoerriool op een aangrenzende watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt • De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. • Er is geen sprake van verontreiniging en hinder.

Wij verwijzen naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.6. • Er is geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. We verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.5.

- 40 -

•

Er zijn geen risico's voor de menselijke gezondheid. Wij verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.5.

2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • Het bestaande grondgebruik betreft bedrijfsmatig gebruik. • Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt binnen het bestaand stedelijk gebied maar betreft vervangende nieuwbouw met een toevoeging van 46 woningen, hetgeen past bij het landschap ter plaatse. • Het gebied heeft geen hoge bevolkingsdichtheid en is cultureel en archeologisch gezien niet waardevol. Wij verwijzen naar paragraaf 4.9. • Het plangebied ligt aan de Gemeenlandsedijk Noord in Abbenbroek en ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Haringvliet) ligt op een afstand van circa 5,8 km van het plangebied. Een ander Natura 2000-gebied (Oude Maas) ligt op een afstand van circa 6,7 km van het plangebied. Verder zijn er ook andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (o.a. Voornes Duin, Voordelta, Grevelingen, Oudeland van Strijen etc.). Deze liggen op een afstand van minimaal 13 km van het plangebied. 3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de kleinschaligheid van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting

- 41 -

5. Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden de regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden. 5.2 Juridische vormgeving. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding.

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: •inleidende regels •bestemmingsregels •algemene regels •overgangs- en slotregels Inleidende regels Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

Bestemmingsregels In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. In het plan zijn de bestemming en ‘Groen’, ‘Verkeer’, ‘Water’ en ‘Woongebied’ opgenomen, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’en tevens de aanduiding ‘geluidzone – industrie’.

- 42 -

Op de bestemming ‘Groen’ mogen groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer, in- en uitritten, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen gerealiseerd worden. Op de bestemming ‘Verkeer’ mogen voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen gerealiseerd worden. Op de bestemming ‘Water’ mag water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder bruggen, duikers, steigers en gelijksoortige voorzieningen gerealiseerd worden. Op de bestemming ‘Woongebied’ mag gewoond worden en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, tuinmuren, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, toegangswegen, fietspaden, voetpaden, water, groen, nutsvoorzieningen, balkons, terrassen, toegangswegen gerealiseerd worden. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1 en 2’ is opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden ter plaatse. De aanduiding ‘Geluidzone industrie’ is opgenomen ter bescherming van de industrie ter plaatse. Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.

Antidubbeltelbepaling Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een regeling voor wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat een regeling voor de aanduiding Molenbiotoop. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.

- 43 -

Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om onder voorwaarden het plan wijzigen voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van bestemmingsgrenzen. Overgangs- en slotregels In het afsluitend onderdeel komen de overgangs- en slotregels aan de orde. Overgangsrecht De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Slotregel Deze regel bevat de titel van het plan.

- 44 -

6. Economische uitvoerbaarheid. Het plan omvat de realisering van maximaal 46 woningen. Het betreft een sanering van een bedrijfsbestemming naar een woongebied. De percelen zijn op dit moment in eigendom van de heer K. Hogenboom. Het plan wordt geheel door initiatiefnemer de heer J. Corpeleijn ontwikkeld. De gemeentelijke kosten worden via een anterieure overeenkomst doorberekend. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

- 45 -

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de vooroverlegpartners. In de bijgevoegde nota inspraak zijn deze vooroverlegreacties opgenomen. In het kader van bewonersparticipatie zijn door de ontwikkelaar als diverse acties uitgevoerd. Een overzicht hiervan is bijgevoegd als bijlage 6.

- 46 -

8. Inspraak en zienswijze 8.1 Inspraak Het voorontwerp-bestemmingsplan “Gemeenlandsedijk Noord” heeft van 5 juni 2023 tot en met 13 juli 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor inspraak. Tevens is het plan in vooroverleg gezonden aan diverse instanties. Tijdens de termijn zijn drie inspraakreacties en twee vooroverlegreacties ingediend In de bijgevoegde nota van inspraak en vooroverleg is deze inspraak opgenomen. 8.2 Zienswijze Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 1 december 2023 t/m 11 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kan door een ieder mondeling of schriftelijk een zienswijze tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad worden ingediend. Gedurende de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen zijn er drie schriftelijke zienswijze ingediend. Er zijn geen mondelinge zienswijzen ingediend. In de Nota van Beantwoording zienswijzen, die als bijlage is gevoegd bij het raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan, is inhoudelijk ingegaan op de ingediende zienswijzen. Op enkele onderdelen zijn de ingediende zienswijzen gegrond, in de Nota van Beantwoording zienswijzen is dit nader aangegeven. De aanpassingen in het bestemmingsplan zijn verwerkt in de regels, verbeelding en deze toelichting.

- 47 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13982470/1