Arcadis C2305.0065 BP Plaatweg 1 Spijkenisse (voorontwerp)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse Gemeente Nissewaard
NL.IMRO.1930.BPPlaatweg1-1001 VOORONTWERP 11 mei 2023
Contactpersoon T M E
Arcadis Nederland B.V.
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
5
1.3
Vigerende planologische situatie
6
1.4
Leeswijzer
7
Hoofdstuk 2
Beschrijving plan
8
Hoofdstuk 3
Beleidskader
9
3.1
Rijksbeleid
9
3.2
Provinciaal beleid
9
3.3
Gemeentelijk beleid
12
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
14
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
15
5.1
Planmethodiek
15
5.2
Verbeelding
15
5.3
Regels
15
3
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
17
6.1
Economische uitvoerbaarheid
17
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
17
6.3
Handhaving
17
Hoofdstuk 7
Procedure
18
7.1
Vooroverleg
18
7.2
Ontwerpfase
18
7.3
Vaststellingsfase
18
Regels Hoofdstuk 1
19 Inleidende regels
20
Artikel 1
Begrippen
20
Artikel 2
Wijze van meten
22
Bestemmingsregels
23
Artikel 3
Groen
23
Artikel 4
Waarde - Archeologie 1
24
Artikel 5
Waterstaat - Waterkering
26
Algemene regels
27
Artikel 6
Antidubbeltelregel
27
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
28
Artikel 8
Algemene aanduidingsregels
29
Overgangs- en slotregels
30
Artikel 9
Overgangsrecht
30
Artikel 10
Slotregel
31
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
4
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Toelichting Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
HVC Landwind is voornemens om op de Brielse Maasdijk een windpark te realiseren met een opgesteld windturbinevermogen van circa 25 tot 35 Megawatt (MW). Het is de bedoeling om in totaal 5 windturbines te realiseren. De geluidcontour Lden 47 dB (voormalige normstelling) van de meest oostelijke windturbine (nummer 10) overlapt met de woning gelegen op het adres Plaatweg 1, Spijkenisse. Om de windturbine te kunnen realiseren heeft HVC Landwind de betreffende woning aangekocht teneinde de mogelijkheid te hebben om de woonbestemming ter plaatse te beëindigen en te vervangen door een andere bestemming. Daartoe is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied, te weten het perceel Plaatweg 1, is gelegen aan de noordrand van Spijkenisse, in de zuidelijke oksel van het Hartelkanaal en de rivier de Oude Maas.
Ligging in groter verband, het plangebied bevindt zich ter plaatse van de locatie-aanduider
5
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
De locatie, het pand met het oranje dak is de woning Plaatweg 1
1.3
Vigerende planologische situatie
Voor het plangebied vigeert de beheersverordening Hartel-Oostbroek, vastgesteld op 24 april 2013 door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Spijkenisse. Daarin is bepaald dat de in het verordeningsgebied gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik en dat bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie. Voor de onderhavige locatie betekent dit dat de gronden bestemd zijn voor wonen in grondgebonden woningen en voor bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen.
6
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Uitsnede plankaart
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 worden enkele algemene, in ieder bestemmingsplan voorkomende, onderdelen beschreven. Hoofdstuk 2 beschrijft de toekomstige situatie. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 wordt kort ingegaan op het feit dat er geen onderzoeken zijn uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling. De juridische planbeschrijving is opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 7 is de procedure voor dit bestemmingsplan beschreven.
7
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 2
Beschrijving plan
Op de locatie Plaatweg 1 is momenteel een grondgebonden woning gelegen. Het bouwjaar van deze woning is 1953. De inhoud van de woning bedraagt 414 m3 en de bebouwde oppervlakte 100 m2. De woning is opgetrokken in metselwerk met een spouwmuur. Doel van het bestemmingsplan is het verwijderen van de aan het perceel toegekende woonbestemming. Om de omgevingsvergunningprocedure voor het beoogde windpark niet onnodig te belasten, dient dit zo spoedig mogelijk te geschieden. Op dit moment is echter nog niet duidelijk welke bestemming aan het perceel en de woning kan worden toegekend. Gedacht wordt aan een maatschappelijke of recreatieve bestemming. Naar de haalbaarheid en wenselijkheid daarvan wordt door de eigenaar momenteel onderzoek gedaan. Tevens zullen de mogelijkheden in en met de omgevingsadviesraad en met de gemeente worden besproken. Wanneer duidelijkheid over de nieuwe functie is verkregen, zal hiervoor een wijziging omgevingsplan onder de nieuwe Omgevingswet worden doorlopen. In de tussentijd wordt ervoor gekozen om een bestemming 'Groen' aan de gronden toe te kennen. De woning is momenteel in bruikleen volgens tijdelijk leegstandsbeheer; de bruikleenovereenkomst is maandelijks opzegbaar en kan dus ieder moment beëindigd worden door HVC.
De eigenaar HVC heeft aangegeven de bruikleen te zullen beëindigen op het moment dat de omgevingsvergunning voor de windturbines onherroepelijk is geworden. Vanaf dat moment zal het object in de bouwperiode tijdelijk worden gebruikt als Compound Area. Dat wil zeggen dat het object zal gaan dienen als bouwkantoor voor HVC en haar contractpartijen en tevens gebruikt zal worden voor enige parkeer- en opslagvoorzieningen.
8
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De in september 2020 vastgestelde Nationale omgevingsvisie (NOVI) vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft in ieder geval geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.2
Barro & Rarro
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn geen onderwerpen opgenomen die toezien op deze locatie. In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is aangegeven dat het plangebied gelegen is in een radarverstoringsgebied waarvoor geldt dat een hoogte van maximaal 90 meter ten opzichte van NAP is toegestaan. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het bestemmingsplan maakt slechts bouwwerken van een beperkte hoogte mogelijk. Het bestemmingsplan leidt niet tot strijdigheden met het Barro en Rarro.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland, herziening 2021
De Omgevingsvisie Zuid-Holland, herziening 2021, is vastgesteld op 2 februari 2022. De provincie stuurt in haar omgevingsvisie op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Het gaat daarbij onder andere om gebiedskenmerken zoals de aard en schaal, om duurzaam gebruik van de ondergrond, de versterking
9
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
van de ruimtelijke opbouw en de inpassing in de wijdere omgeving. Waar binnen de provincie het beste bepaalde ontwikkelingen plaats kunnen vinden, ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’, is onderdeel van een integrale belangenafweging en bijvoorbeeld terug te vinden in de ruimtelijke hoofdstructuur. Hoe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit is een ontwerpopgave. Om hier richting aan te geven, heeft de provincie richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen opgesteld. De provincie zet de richtpunten in bij de planbeoordeling. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden en worden bijzondere waarden beschermd. Ruimtelijke ontwikkelingen worden beoordeeld op hun impact op de omgeving. Vooral bij ontwikkelingen met een grote impact is het belangrijk ook een beeld te krijgen van hoe de ontwikkeling eruit komt te zien, daarom vraagt de provincie in dat geval een motivering, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. De richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ondergebracht bij de betreffende beleidskeuzes. Omdat een groot deel van de richtpunten gaan over kwaliteiten van de bepaalde landschappen is een groot deel van de richtpunten te vinden in de beleidskeuze landschap.
De gebiedsgerichte uitwerking is nog in ontwikkeling. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen de basis voor deze uitwerking in een later stadium. De provincie heeft, samen met betrokken partijen, zestien gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit opgesteld voor het landelijk deel van de provincie. Het betreft een gebiedsgerichte uitwerking van de gebiedsidentiteit en richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Voorbeelden van kenmerkende ruimtelijke elementen zijn: de verkavelings- en waterstructuur, linten, laanbeplantingen, herkenbare dijken en openheid. De gebiedsprofielen geven invulling aan de gebiedsidentiteit met een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de impact op de omgeving is en worden betrokken bij de planbeoordeling. Ruimtelijke kwaliteit is vanuit het perspectief van de provincie sterk verbonden met het landschap. De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschappen, veen(weide) landschappen, deltarivierenlandschappen en stedelijke landschappen.
De beleidskeuze landschap is opgezet vanuit deze vier landschapsgroepen waarbinnen meerdere landschapstypen worden uitgelegd met de bijbehorende richtpunten er in opgenomen. Het plangebied behoort tot de stedelijke landschappen, Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het bestemmingsplan ziet enkel toe op het omzetten van een woonbestemming in een groenbestemming. Hiermee worden de bestaande kwaliteiten niet aangetast. Het bestemmingsplan past daarmee in het beleid zoals dat is neergelegd in de structuurvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de Omgevingsverordening vindt de juridische borging plaats van het provinciaal ruimtelijke beleid. Uit kaart Regionale waterkeringen blijkt dat het plangebied voor een klein deel gelegen is binnen de gronden met de aanduiding regionale waterkering. De omgevingsverordening schrijft voor dat de betreffende kering en bijbehorende beschermingszone beschermd dienen te worden in het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan voor deze gronden kan alleen worden vastgesteld wanneer door de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Hiertoe dient tevens advies gevraagd te worden aan de beheerder van de waterkering. Verder zijn de gronden aangeduid op de kaart Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is in de Omgevingsverordening bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Daarbij
10
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
dient rekening te worden gehouden met het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Verder dient er een zorgvuldige afweging te zijn gemaakt ten aanzien van de locatiekeuze. Volgens de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. De motivering bij het bestemmingsplan bevat in dat geval een verantwoording over de wijze van compensatie. Volgens de kaart Ruimtelijke kwaliteit zijn op het plangebied voorts nog de volgende aanduidingen van toepassing: Beschermingscategorie 3 Buitengebied Hiervoor geldt dat ontwikkelingen uitsluitend zijn toegestaan indien de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied.
In de betreffende motivering moeten in ieder geval worden betrokken (1) de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin, (2) de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen, (3) het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap en (4) de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied Hiervoor geldt dat de ontwikkeling geen beperking mag opleveren voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied. De ontwikkeling dient tevens gericht te zijn op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en moet ook de recreatieve waarde van het gebied versterken. Daarnaast dient de ontwikkeling te passen bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied en moet de ontwikkeling bijdragen aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren. Bovendien dient de ontwikkeling zo mogelijk te worden gekoppeld aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Beschermingscategorie 2 Groene buffers Hiervoor geldt dat een ruimtelijke ontwikkeling geen grootschalige ontwikkelingen mag behelzen en dat de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
In de motivering moet daarbij worden ingegaan op (1) de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek, (2) de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving, (3) de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling en (4) de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
11
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het bestemmingsplan ziet enkel toe op het omzetten van een woonbestemming in een groenbestemming. Hiermee is er geen sprake van grote ontwikkelingen of ontwikkelingen met nadrukkelijke effecten op de omgeving en worden de bestaande kwaliteiten niet aangetast. Het bestemmingsplan is daarmee niet strijdig met de Omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie 2010-2020
Op 13 mei 2009 heeft het gemeentebestuur (toen nog gemeente Spijkenisse) de gemeentelijke structuurvisie voor de periode 2010-2020 vastgesteld. De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Spijkenisse op hoofdlijnen weer. De visie is het uitgangspunt voor de politieke agenda. Geen dichtgetimmerd eindplan, maar het vertrekpunt van de gemeente voor gesprekken met hogere overheden, marktpartijen en partners om ontwikkelingen en investeringen in de stad te initiëren. In de visie zijn de volgende kernkwaliteiten geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Ligging aan de rand van de Randstad tussen stad en strand Stadsranden en stadsentrees Verbindende elementen Wonen in Spijkenisse Kwalitatief hoogwaardig stadscentrum Sociaal-culturele kwaliteiten
Uitsnede structuurvisiekaart
Het plangebied maakt volgens de structuurvisie deel uit van de Stadsentree Spijkenisserbrug. Het beleid is erop gericht deze stadsentree te verbeteren. De stadsentree is in de structuurvisie onderverdeeld in drie deelgebieden, namelijk: Haven Noord
12
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Sportpark Oostbroek Landtong Het plangebied is gelegen tussen het sportpark en de landtong. Ten aanzien van Sportpark Oostbroek wordt in de structuurvisie het volgende gesteld: "Door de windsingels rond de velden biedt Sportpark Oostbroek van een afstand het beeld van grote groene kamers. Ideeën: Krijtlijnsportvelden handhaven. Sportpark multifunctioneel bruikbaar en toegankelijk maken voor verenigingen, particulier gebruik en onderwijs. Effectiever en intensiever gebruik maken van het sportpark, bijvoorbeeld door kunstgras aan te leggen en nieuwe sportaccommodaties te bouwen. Ook een combinatie van onderwijsvoorzieningen en de sportvelden behoort tot de mogelijkheden. Het realiseren van een grootschalige overdekte speelvoorziening is een nadrukkelijke wens." Met betrekking tot de landtong is het volgende bepaald: "Deze ‘verborgen zone’ van de stadsentree Spijkenisserbrug biedt kansen voor allerlei vormen van stedelijke dagrecreatie en vrijetijdsbesteding. Ideeën voor verbeteringen: Thema kiezen: actieve outdoor sport op en aan het water. Thema gerelateerde functies toelaten en indien nodig werven. Voorzieningen treffen om het functioneren van het ‘Spijkenisse strand’ te verbeteren. Wielerbaan bouwen en multifunctioneel gebruiken, bijvoorbeeld door combinatie met een klimwand.
De Landtong positioneren als onderdeel van het regionale netwerk van recreatieve routes, zoals het ‘rondje’ Voorne-Putten." Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het bestemmingsplan ziet enkel toe op het omzetten van een woonbestemming in een groenbestemming. Hiermee is er geen sprake van grootschalige ontwikkelingen of ontwikkelingen met nadrukkelijke effecten op de omgeving en worden de bestaande kwaliteiten niet aangetast. Het bestemmingsplan is daarmee niet strijdig met de structuurvisie.
13
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Het bestemmingsplan behelst de omzetting van een woonbestemming naar een groenbestemming. De bestemming groen is niet aan te merken als een gevoelige, beperkt kwetsbare, kwetsbare of risicovolle functie in de zin van de milieuwet- en regelgeving. Gelet op het voorgaande, zijn er geen milieu-onderzoeken uitgevoerd. Geconcludeerd kan worden dat de bestemmingsomzetting niet leidt tot enig negatief effect om de omgeving.
14
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Planmethodiek
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden. Het bestemmingsplan bestaat uit de juridische bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergeven, met daarbij de randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
Verbeelding
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
5.3
Regels
Hoofdstuk1 inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat gebruikt wordt in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen, waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk2 bestemmingsregels Algemeen In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Daarnaast zijn - voor zover nodig- per bestemming specifieke gebruiksregels gegeven. Het gaat om de (dubbel)bestemmingen: Groen, Waarde – Archeologie 1 en Waterstaat - Waterkering. De genoemde bestemmingen worden hieronder kort toegelicht.
15
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Groen Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen, fiets- en/of voetpaden toegestaan. Bijbehorende verhardingen en watergangen en aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeersvoorzieningen zijn ook mogelijk. Waarde – Archeologie 1 Vanwege de mogelijke archeologische waarden is aan het gehele plangebied deze dubbelbestemming toegekend. Het gaat hier om de historische dijktracés (Waarde - Archeologie - 1). Hiervoor geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. Waterstaat - Waterkering Omdat het terrein zich in de beschermingszone van de waterkering bevindt, is deze dubbelbestemming opgenomen. Hoofdstuk3 Algemene regels In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat de bepaling dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Verder worden in dit hoofdstuk algemene gebruiks- en aanduidingsregels opgenomen. In de gebruiksregels is opgenomen welke zaken in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden beschouwd.
In de algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen dat er geen geluidgevoelige functies mogen worden opgericht. Dit vanwege de ligging van het plangebied binnen de geluidszone van het industrieterrein Botlek/Pernis Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels In de overgangsregels is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik, dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. In de slotregel is de naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.
16
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens moeten, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten), deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Het onderhavige bestemmingsplan omvat geen bouwplan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening, zodat een exploitatieplan niet aan de orde is. Er hoeven door de gemeente evenmin kosten worden gemaakt, behoudens plankosten. Gezien het feit dat het bestemmingsplan toeziet op het omzetten van een woonbestemming in een groenbestemming en gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om inspraak- en vooroverlegreacties alsmede zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 7 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht
6.3
Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.
17
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 7
7.1
Procedure
Vooroverleg
Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerp-bestemmingsplan “Plaatweg 1, Spijkenisse is ten behoeve van het vooroverleg gezonden aan diverse instanties. PM
7.2
Ontwerpfase
Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van PM tot PM ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen.
7.3
Vaststellingsfase
PM
18
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Regels
19
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse met identificatienummer NL.IMRO.1930.BPPlaatweg1-1001 van de gemeente Nissewaard; 1.2 bestemmingsplan: De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 archeologische waarde: een aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; 1.6 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.7 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.8 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.9 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.10 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.11 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor
mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.12 groenvoorziening: ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; 1.13 maaiveld: de hoogte van het afgewerkte bouwterrein; 1.14 nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;
20
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
1.15 peil: zie artikel 2.4 bij "Wijze van meten"; 1.16 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.17 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
21
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, (ketelhuizen, condensors, luchtkokers, liftkokers, lichtkoepels) en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.3 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.4 peil: a. voor een gebouw op een perceel, waarvan de hoofdtoegang aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad, of stoep grenst: de hoogte van het oorspronkelijke afgewerkte maaiveld ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk; d.
indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.
22
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
groenvoorzieningen; fiets- en / of voetpaden; bijbehorende verhardingen en watergangen; parkeren; aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeersvoorzieningen; bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals bankjes, reclameborden, kunstwerken en nutsvoorzieningen.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan. 3.2.2
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximale bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten 9 m; b. maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.
23
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Rapport archeologisch deskundige
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en dieptematen welke genoemd zijn in 4.3.1. 4.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1
Verbod
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de hierna onder 4.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. 4.3.2
Vergunningvereiste
Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. b. c. d. e. f.
grondbewerkingen (van welke aard dan ook); het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
4.3.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
24
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
4.3.4
Vergunning
Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 4.3.5
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
25
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 5 5.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor bescherming en onderhoud van de waterkering. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Rapport deskundige
In het belang van de te beschermen waterkering dient een aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een deskundige rapport aan het bevoegd gezag te overleggen waaruit blijkt dat de functie van de waterkering niet onevenredig worden aangetast. 5.2.2
Vergunning
Een omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwen het doelmatig functioneren van de waterkering niet onevenredig aantast, met dien verstande, dat geen omgevingsvergunning mag worden verleend dan nadat de beheerder van de waterkering is gehoord. 5.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de primaire waterkering, afwijken van het bepaalde in lid 5.2 en toestaan dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de hierna onder 5.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren. 5.4.2
Het vergunningsvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
a. het aanbrengen van gesloten verhardingen; b. het aanbrengen, vellen en/of rooien van beplantingen en/of bomen; c. het wijzigen van watergangen en het uitvoeren van afgravings- en ontgrondingswerkzaamheden anders dan normaal spitwerk, dieper dan 0,30 m.; d. het ophogen van gronden. 5.4.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het verbod als bedoeld in lid 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; d. werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik. Vergunning 5.4.4
Vergunning
Een omgevingsvergunning wordt verleend indien de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.2 het doelmatig functioneren van de waterkering niet onevenredig aantast, met dien verstande, dat geen omgevingsvergunning mag worden verleend dan nadat het waterschap is gehoord. Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorwaarden verbinden.
26
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
27
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 7 7.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval verstaan: a. de opslag van oude metalen, schroot, lompen, papier, puin of vuilnis; b. de opslag van rij- of voertuigen, die voor de sloop bestemd zijn, of reeds gedeeltelijk gesloopt zijn, of daaruit reeds gesloopte materialen; c. het gebruik van bebouwing ten behoeve van bewoning; d. het gebruik van gronden voor een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen; e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de stalling of opslag van (sta)caravans; f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting.
28
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 8 8.1
Algemene aanduidingsregels
Geluidszone - industrie
Binnen de aanduiding 'Geluidszone - industrie' is de bouw van geluidsgevoelige functies uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de normen van de Wet geluidhinder.
29
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Hoofdstuk 4 Artikel 9
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
9.1
Overgangsrecht bouwwerken
9.1.1
Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 9.1.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 9.1.3
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 9.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2
Overgangsrecht gebruik
9.2.1
Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 9.2.2
Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 9.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 9.2.3
Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in het lid 9.2.1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 9.2.4
Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 9.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
30
bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse (voorontwerp)
Artikel 10
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Plaatweg 1, Spijkenisse.
31
Arcadis Nederland B.V. www.arcadis.com