CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Antwoordnota zienswijzen OP Halfweg

Gemeenteraad 6 mei 2026, gemeente NissewaardBij agendapunt: Vaststelling wijziging omgevingsplan uitbreiding bedrijventerrein Halfweg4.735 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Antwoordnota zienswijzen Ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg Het Ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg heeft van 23 oktober tot en met 3 december 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn 2 zienswijzen ingediend. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van de zienswijzen. 1. Petrochemical Pipeline Services B.V. (21 november 2025) Zienswijze In de nabijheid van het aangevraagde gebied zijn wij betrokken met een pijpleiding voor gevaarlijke stoffen (vloeibare koolwaterstoffen) en graag zien wij meer informatie tegemoet aangaande dit project. Het is in het belang van de veiligheid en om latere vertraging of oponthoud te voorkomen van belang dat wij in een vroeg stadium betrokken worden bij de planvorming, zodat wij onze exacte betrokkenheid kunnen bepalen en in staat zijn voorwaarden te formuleren en evt. aanvullende maatregelen. Graag ontvangen wij dan ook uw concept-)plannen ter beoordeling/goedkeuring. Houdt hierbij rekening met de volgende elementen: - U dient rekening te houden met de bepalingen uit de meest recente VELIN voorwaarden (zie bijlage), PPS-Pipelines behoudt zich het recht voor om strengere veiligheidseisen te stellen.

- Activiteiten binnen het belemmeringengebied voor de buisleiding (5m aan weerszijden van de leiding) zijn verboden, indien dit echter onvermijdelijk is, heeft u vooraf schriftelijke goedkeuring van PPSPipelines nodig. Voor het kruisen van ons leidingtracé geldt dat er details en dwarsprofielen dienen te worden voorgelegd ter beoordeling; - Heeft u plannen welke over een grotere afstand (conform NEN-normen) van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de aanwezige ondergrondse buisleiding en aanhorigheden, zoals het plaatsen van windturbines, laadpalen voor elektronische voertuigen, grondgebonden zonnepanelenparken, batterijenparken, of andere spanningsvoorzieningen groter dan 1 kV? Dan is de invloedszone van uw project mogelijk groter dan de 5 meter aan weerszijden van de leiding. Aanvullende informatie (beïnvloedingsstudie) en vooroverleg is dan noodzakelijk. Er mag namelijk nooit ontoelaatbare beïnvloeding of veiligheidsrisico ontstaan op onze leidingen. Gelieve al tijdens het voortraject van een omgevingsvergunning uw (concept)plannen voorleggen aan PPSPipelines. Op deze manier voorkomt men een bezwaar op de omgevingsvergunningaanvraag en daarmee samenhangend onnodig oponthoud. Antwoord De genoemde pijpleiding ligt buiten het plangebied van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg (hierna: het omgevingsplan).

In bijlage 8 bij de motivering van het omgevingsplan is deze pijpleiding ook opgenomen in de beoordeling. In die bijlage is bijvoorbeeld in figuur 3-2 te zien dat het voorgenomen plan ook ruim buiten het aandachtsgebied van de pijpleiding ligt. Per saldo is de afstand tussen de pijpleiding en de rand van het plangebied van het omgevingsplan ongeveer 50 meter. Een deel van de beschermingszone voor de hoogspanningsleiding is ook opgenomen in het omgevingsplan. Naast deze beschermingszone gaat hier om de functies Water en Groen. Op grond van deze functies kunnen dus alleen groenvoorzieningen en aan de functie Water gerelateerde voorzieningen gerealiseerd worden. De voorziene bedrijfsbebouwing in het omgevingsplan (vallend binnen de functie Bedrijventerrein) ligt dus op nog grotere afstand (ongeveer 85 meter) van de pijpleiding. Gezien de afstand van het plangebied tot de pijpleiding, maar ook gezien het feit dat de dichtstbijzijnde functies in eerste instantie de functies Groen en Water betreft, vormt het plan geen belemmering of bedreiging voor de pijpleiding. Met het verzoek om vooraf (en tijdig) stukken te delen kan uiteraard ingestemd worden. Aanpassingen Deze reactie leidt niet tot aanpassingen aan het plan.

Pagina 1 van 10

2.

Provincie Zuid-Holland (3 december 2025)

Archeologie Zienswijze De provinciale monumenten 4091 en 4092 worden in de plantoelichting niet expliciet als zodanig benoemd. De status als provinciaal beschermd archeologisch monument komt onvoldoende tot uitdrukking. Wij zouden graag zien dat dit verduidelijkt wordt in de toelichting. Artikel 7.70 van de ZHOV stelt behoud in situ van archeologische waarden als uitgangspunt. De afwegingscyclus in de toelichting bij dit artikel vereist dat eerst wordt verkend of door planaanpassing behoud in situ mogelijk is of dat we overgaan tot ex situ behoud. Wij zien graag een beargumenteerde afweging ten aanzien van de algehele provinciale monumenten. Antwoord In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (hierna: de Verordening) zijn in Bijlage II, Kaart 22 gebieden aangewezen met een hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Het plangebied van het omgevingsplan bevat twee aangewezen gebieden. Het betreft de zogeheten AMK-terreinen (behoudenswaardige archeologische terreinen) met monumentnummers 4092 en 4091. Alleen de uiterste noordwestelijke punt van het plangebied overlapt met monumentnummer 4091. In paragraaf 2.2.1 en 2.3.1 van het archeologisch onderzoek dat als bijlage 2 bij de motivering van het omgevingsplan is opgenomen worden deze beide locaties ook benoemd. Er is in het archeologisch onderzoek dus ook rekening gehouden met deze provinciale belangen.

In de toelichting van de wijziging van het omgevingsplan zijn de hiervoor genoemde monumentnummers inderdaad niet expliciet genoemd. Dat wordt in de toelichting aangepast. In het uitgevoerde archeologisch onderzoek is al aangegeven dat behoud in situ gezien de beoogde planontwikkeling waarschijnlijk niet mogelijk is. Op basis van het grondwaterpeil wordt al duidelijk dat er voor de vindplaatsen 3, 4 en 5 waarschijnlijk al degradatie plaatsvindt. De ambitie van de gemeente Nissewaard is hier om een uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren. Ook gezien de samenhang met woningbouwontwikkeling Haven-Noord is sprake van een zwaarwegend belang. Ook de provincie Zuid-Holland ziet dit belang gezien de aanduiding van de locatie als grote buitenstedelijke bouwlocatie. De volgende stap is een verkenning naar de mogelijkheden om het plan aan te passen of archeologisch vriendelijk te bouwen. Planaanpassing is geen reële mogelijkheid. De planlocatie is reeds geoptimaliseerd voor het realiseren van de benodigde vierkante meters aan bedrijventerrein. Het reserveren van substantiële, aaneengesloten zones voor behoud in situ zou de beschikbare kaveloppervlakte te sterk kunnen reduceren. Het zou ook leiden tot onbruikbare bedrijfskavels. Er zijn ook geen reële alternatieven voor het bedrijventerrein. Gezien het beoogde gebruik is archeologisch vriendelijk bouwen ook geen reële optie.

De functie als bedrijventerrein kan zware en diepe fundering noodzakelijk maken. Bovendien wordt beoogd de te realiseren bedrijfskavels intensief te gebruiken. Het bevoegd gezag, de gemeente Nissewaard, zal een selectiebesluit nemen overeenkomstig het advies dat is opgenomen in het laatste archeologisch onderzoek. Dit betekent dat het uitgangspunt behoud ex situ zal zijn. Aanpassingen - Paragraaf 4.2 van de motivering van het omgevingsplan wordt aangevuld met benoemen van het provinciaal belang en de hiervoor beschreven afweging; - Daarnaast wordt het meest recente archeologisch onderzoek bijgevoegd (bijlage 3). Mobiliteit Zienswijze Voor de verkeersafwikkeling is alleen naar de eerste aansluiting op de N218 (Malledijk) gekeken. Er is niet gekeken naar de impact op de kruising N218-N493-Hartelburg. Deze zijn vermoedelijk meer maatgevend en zwaar belast. We raden aan om ook daar de impact te beschouwen. Daarbij is het goed om de belasting in combinatie met het voorgenomen plan Haven-Noord te bekijken. In de rapportage wordt een cyclustijd van 120 seconden als maximaal benoemd. Dit is niet in lijn met het HOW 5.0 van de provincie waarin 90 seconden de grens is (zeker omdat er langzaam verkeer de N218 oversteekt). Daarbij wordt met dit niet al te grote plan deze grens in de avondspits net overschreden.

Ten opzichte van de autonome situatie is de toename in cyclustijd (avondspits) best fors van 79 sec naar 92 seconden. Er is Pagina 2 van 10

waarschijnlijk dus weinig “speelruimte”. Een kleine toename in verkeer, heeft een groot effect. Ook vanuit dit oogpunt is het in beeld brengen van de verzadigingsgraad van de kruising N493/N218 voor autonoom en met plan voor 2040H noodzakelijk. Antwoord Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze is aanvullend onderzoek verricht naar het effect van de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg op de kruising N493/N218. Verzadigingsgraad van VRI-kruispunt N218/N493 Bij verkeersregelinstallaties (VRI) is de verkeersafwikkeling niet gebaseerd op een vaste capaciteit per rijrichting, maar op de verdeling van groentijden binnen een beschikbare cyclustijd. De mate waarin verkeer kan worden verwerkt hangt daarmee direct samen met de lengte van de cyclus en de beschikbare groentijd per richting, inclusief verlies- en ontruimingstijden. Een klassieke verzadigingsgraad geeft in die situatie onvoldoende inzicht in de kwaliteit van de verkeersafwikkeling, omdat dezelfde verzadiging kan optreden bij zowel acceptabele als onacceptabele wachttijden. Om die reden wordt bij VRI’s primair beoordeeld op cyclustijd, wachttijden en benutting van de beschikbare groentijd.

Indien een kruispunt structureel zeer lange cyclustijden nodig heeft (wat op dit kruispunt het geval is) en geen extra groen meer kan verdelen, is sprake van een feitelijk vastgelopen situatie en verliest de verzadigingsgraad zijn betekenis als beoordelingscriterium. Voor het VRI-kruispunt N218/N493 is in COCON (software voor verkeerslichtenregelingen) geen output gegenereerd voor zowel de autonome situatie als de plansituatie 2040H. Dit komt doordat het kruispunt in het referentiescenario 2040 (dus zonder de ontwikkeling van dit bedrijventerrein en zonder Haven-Noord) overbelast zal zijn. De verkeersvraag overstijgt daarbij de beschikbare capaciteit van de VRI, waardoor geen cyclustijden kunnen worden bepaald. Omdat hierdoor geen COCON output beschikbaar is, is op deze wijze het effect van de uitbreiding van het bedrijventerrein op deze kruising niet afzonderlijk te kwantificeren. Maatregelen Aanvullend op voorgaande geldt dat er concrete maatregelen gepland zijn voor het bewuste kruispunt om de toenemende verkeersdrukte te kunnen verwerken. Vanuit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) van het Rijk zijn concrete maatregelen per regio opgenomen. De provincie Zuid-Holland is daar ook partner in. Er is een afsprakenlijst opgesteld met de concrete maatregelen per regio waar de diverse overlegpartners mee ingestemd hebben.

Relevant voor dit plan uitbreiding bedrijventerrein Halfweg is dat in de afsprakenlijst voor de regio Zuidwest-Nederland maatregelen 7 en 9 benoemd zijn: • Het realiseren van extra opstelstroken op het Kruispunt Hartelweg/N218; • Het realiseren van 3 in plaats van 2 rijstroken tussen kruispunt N493/N218 en Baljuwplein in de richting van Spijkenisse. Deze beide maatregelen worden gerealiseerd/uitgevoerd door de provincie Zuid-Holland en zullen de capaciteit van het genoemde kruispunt en wegvak vergroten. Aandeel Halfweg Uit het verkeersonderzoek (paragraaf 4.13 van de motivering en bijlage 9 bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan) komt naar voren dat de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg in het worstcasescenario maximaal 648 motorvoertuigbewegingen per werkdag genereert. Omgerekend naar het drukste spitsuur betreft dit circa 65 motorvoertuigen, die zich over meerdere richtingen verspreiden. Van deze 65 motorvoertuigen rijdt 75% (50 motorvoertuigen) naar het kruispunt N218/N493. Afgezet tegen een geprognosticeerd totaal verkeersaanbod van circa 1.100 motorvoertuigen op deze rijrichting in de plansituatie 2040, betreft dit een aandeel van minder dan 5%. Dit is minder dan 1 voertuig per minuut extra op dit kruispunt. De toename als gevolg van de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg is daarmee zeer beperkt en nauwelijks relevant.

Uit de doorrekening van de verschilplots (Halfweg ten opzichte van Referentie 2040) blijkt bovendien dat door het vastlopen van het kruispunt N493/N218 (zonder maatregelen) verkeersgeneratie van de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg en de omliggende bestaande bedrijven het kruispunt N493/N218 in toenemende mate mijdt en gebruik maakt van alternatieve routes via de Edisonweg en Galvaniweg, waardoor de impact van de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg op dit kruispunt mogelijk nog kleiner is dan hierboven beschreven.

Pagina 3 van 10

Gezien de zeer kleine verkeersbijdrage van het plan in combinatie met de voorziene maatregelen, zal er als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg geen sprake zijn van een onevenredige impact op de doorstroming van het verkeer. Aanpassingen In bijlage 11 bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan wordt de cyclustijd overeenkomstig de provinciale uitgangspunten aangepast. Dit leidt niet tot een andere conclusie. Ruimtelijke kwaliteit – landschappelijke inpassing Zienswijze Op gebied van landschappelijke inpassing is er een beperkt aantal tekeningen en beelden toegevoegd. Er mist nog een duidelijk groenplan. Hierdoor is geen goede inschatting te maken over de breedte van de groene rand, welk type oevers en welke vegetatie hier wordt toegepast. Omdat dit een rand van de bebouwde ruimte betreft, zal dit goed ingepast moeten worden conform de richtpunten voor dorpsranden. Het voorgestelde beeld en de referentiebeelden van de landschappelijke inpassing geven geen helder beeld. Een beeldkwaliteitsplan of dwarsdoorsnedes van de landschappelijke inpassing zouden hier duidelijkheid in kunnen scheppen. Wij willen u verzoeken de toelichting hiermee aan te vullen.

Antwoord De planlocatie van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg (hierna: het omgevingsplan) heeft op grond van de Verordening de volgende aanduidingen: • Beschermingscategorie 3 – buitengebied; • Beschermingscategorie 2 – groene buffer; • Grote buitenstedelijke bouwlocatie - bedrijventerrein zachte capaciteit Doordat de locatie is aangewezen als “Grote buitenstedelijke bouwlocatie” wordt overeenkomstig artikel 7.43h, lid 3 van de Verordening niet toegekomen aan toetsing van beschermingscategorie 3 – buitengebied. Artikel 7.43k van de Verordening vormt het toetsingskader voor ontwikkelingen in de Groene Buffer. Daar is opgenomen dat alleen sprake kan zijn van “inpassen” of “aanpassen”. Artikel 7.43f, lid 2 van de Verordening ondervangt dit: als sprake is van een grote buitenstedelijke bouwlocatie, dan is ook “transformeren” mogelijk binnen de Groene Buffer. De ontwikkeling van het omgevingsplan valt te zien als “transformeren”. Het gaat om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Tegenstrijdig blijft wel dat zowel in artikel 7.43k van de Verordening als in de toelichting op dat artikel wordt benoemd dat het niet mag gaan om grootschalige ontwikkelingen. Het is niet duidelijk hoe dit zich verhoudt tot de aanwijzing van de locatie als grote buitenstedelijke bouwlocatie.

Dat betekent immers per definitie een verlies van areaal aan groene buffer, terwijl dat juist een van de kwaliteiten is die benoemd wordt in artikel 7.43k van de Verordening (zie bijvoorbeeld lid 2, onder c). Daarnaast moet in algemene zin de ruimtelijke kwaliteit onderbouwd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, onder meer door rekening te houden met de richtpunten ruimtelijke kwaliteit. De locatie maakt onderdeel uit van het rivierdeltacomplex (jonge zeeklei). De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De dynamiek van de estuariën is een belangrijk natuurlijk gegeven. De hier genoemde richtpunten hebben geen relevantie met dit planvoornemen en tasten deze dus ook niet aan. De planlocatie ligt in het gebied “zeekleipolders met veenkern”. Kenmerkend zijn het kleinschalige dijkenpatroon en de relatief onregelmatige verkaveling. Dit zijn veelal de eerste bedijkte polders van de (noordelijke) eilanden. Veenrestanten bepalen het beeld van een nattere bodem met een fijnmazige slotenpatroon en overwegend graslanden. Kenmerkende landschapselementen zijn bijvoorbeeld dijkbeplanting van populier of iep, stevige erfbeplanting en boomgaarden.

Als richtpunt wordt hier benoemd: “ontwikkelingen dragen bij aan het herkenbaar houden van het kleinschalige dijkenpatroon en de relatief onregelmatige en fijnmazige verkaveling.” De uitbreiding van het bedrijventerrein is gelegen in een polder die juist meer grootschaliger is en door de eerdere ontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein is het kleinschalige al veel minder aanwezig. Het

Pagina 4 van 10

kleinschalige dijkenpatroon is juist verder naar het zuiden (Konijnendijk) en westen nog wel herkenbaar. De ontwikkeling tast dit echter niet aan. Kijkend naar de laag “kwaliteit van de stedelijk occupatie” dan is sprake van de Groene buffer (Landschapspark) en stads- en dorpsranden. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap tussen of grenzend aan de steden. Het is een landschap waar het groene karakter en het contrast met de drukke en dichtbebouwde steden centraal staat. De groene buffer is bedoeld om het aaneengroeien van steden in de dichtbevolkte deel van de provincie tegen te gaan. Als richtpunten worden genoemd: • Er vinden geen grootschalige (stedelijke) ontwikkelingen plaats in de groene buffer. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe structuur, de recreatieve gebruikswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Doordat de planlocatie is opgenomen als “grote buitenstedelijke bouwlocatie” kan per definitie niet voldaan worden aan het hiervoor genoemde eerste richtpunt. Hoe met het tweede richtpunt rekening is gehouden, volgt uit de beoordeling zoals opgenomen onder het kopje “inrichtingsplan”. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. De stads- en dorpsranden van de provincie zijn plekken met bijzondere potentie voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.

Het zijn overgangsplekken waar de contrasten tussen de stad en het buitengebied goed beleefd kunnen worden. In deze gebieden is nadrukkelijk aandacht nodig voor de doorgaande landschappelijke structuren, de recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp en de inrichting van de stads- en dorpsrand zelf. Ontwikkelingen in deze randen vragen daarom om extra aandacht voor een zorgvuldige inpassing en een optimale ruimtelijke kwaliteit. Denk hierbij aan: logische ontsluitingsstructuur, inpassing wateropgave, oriëntatie van de bebouwing, verzachting beeld door beplanting. Ook kan gedacht worden aan stadslandbouw, aanleg van voedselbossen en groengebieden aan de rand. Als richtpunt wordt benoemd: • Ontwikkelingen in stads- en dorpsranden moeten bijdragen aan een goede overgang maken tussen stad en buitengebied, met aandacht voor doorgaande landschappelijke structuren, toegankelijkheid, recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp van de stads- en dorpsrand zelf. Inrichtingsplan Als bijlage 1 bij deze antwoordnota is het inrichtingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg opgenomen. In dit inrichtingsplan is op basis van landschappelijke analyse, een beleidsanalyse en een ecologische analyse op basis van de uitgevoerde natuurtoets een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld.

In dit inrichtingsplan is inzicht geboden in hoe de uitbreiding van het bedrijventerrein landschappelijk wordt ingepast, hoe omgegaan wordt met de bestaande landschappelijke structuren en welke recreatieve verbindingen er zijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan de hiervoor beschreven uitgangspunten en richtpunten. Het inrichtingsplan wordt als bijlage 3 bijgevoegd bij de regels en wordt via een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd. Aanvullend op het inrichtingsplan merken wij nog het volgende op. In en om het plangebied is sprake van diverse belemmeringen zoals een bovengrondse hoogspanningsverbinding en een ondergrondse gasleiding. Op basis hiervan gelden beperkingen als het gaat om het type bomen of beplanting dat toegepast kan worden. Deze mogen immers de aanwezige leidingen/verbindingen niet schaden of in gevaar brengen. De gasleiding die in de noordzijde van het plangebied loopt geeft als beperking dat geen sprake kan zijn van diep wortelende soorten. Voor wat betreft de hoogspanningsverbinding die langs de gehele westzijde van het plangebied loopt, geldt dat de beplanting vanwege de hoogspanningsverbinding niet hoger dan 12 meter mag zijn.

Omdat er ver gevorderde plannen zijn om deze hoogspanningsverbinding ondergronds te leggen, waarmee de beperking van 12 meter komt te vervallen, is hier in het inrichtingsplan rekening mee gehouden door meerdere boomsoorten op te nemen. Op die manier kan, in afstemming met TenneT, de inrichting aangepast worden aan de situatie. Daarnaast is binnen het plangebied een representatieve zone opgenomen net zoals deze is opgenomen voor het bestaande bedrijventerrein Halfweg-Molenwatering. Deze zone geldt voor de randen van het plangebied (zowel de noord- als westzijde). Gebouwen binnen deze zone moeten op grond van de regels van het omgevingsplan een representatieve uitstraling krijgen. Deze uitstraling en oriëntatie van de gebouwen draagt ook bij aan een kwalitatieve overgang tussen het bebouwde gebied en het buitengebied.

Pagina 5 van 10

Per saldo is daarmee de conclusie dat er zorgvuldig rekening is gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit er per saldo op vooruit gaat. In de huidige situatie is er tenslotte geen sprake van landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en geen recreatieve gebruikswaarde. De bedrijfsgebouwen van het bedrijventerrein staan, op de plek waar deze uitbreiding nu is voorzien, zonder enige vorm van inpassing en representatieve uitstraling vol in het zicht. Aanpassingen - In paragraaf 3.2.2 van de motivering wordt de wijze waarop de landschappelijke inrichting wordt vorm gegeven beschreven; - In de planregels wordt in artikel 16.4 de voorwaardelijke verplichting als volgt aangepast: “Het (doen/laten) gebruik(en) van gronden binnen de functie Bedrijventerrein is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functies Groen en Water landschappelijke inpassing is gerealiseerd binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan overeenkomstig de uitgangspunten opgenomen in bijlage 3 bij de regels, en in stand wordt gehouden.” - Bijlage 1 van deze antwoordnota wordt als bijlage 3 toegevoegd aan de regels. Ruimtelijke kwaliteit – locatie Stedin Zienswijze Het lijkt logischer om het elektriciteitsstation ruimtelijk langs de randen te positioneren, zodat het bedrijventerrein hiervan grotendeels van wordt gevrijwaard.

Ook heeft het station zoals deze nu is gepositioneerd een negatieve impact op het bestaande industrieterrein. De zuidelijke punt van het plangebied lijkt dan ook ruimtelijk een logischere plek. Hier is al van een kant een natuurlijke omzoming aanwezig. Door gebruik te maken met natuurlijke barrières zoals groen of water kun je dit station hier beter en natuurlijker inpassen. Ook ontstaat er op die manier meer ruimte voor het aanleggen van een heldere ontsluitingsstructuur, representatie van de toekomstige bedrijven, een prettig verblijfsklimaat in de openbare ruimte, een goede overgang naar het buitengebied, meer flexibiliteit in kavelgrootten en opties om bijvoorbeeld expeditie te scheiden van personeel en bezoekersverkeer. Graag zien wij een motivatie op de positie van het elektriciteitsstation op dit bedrijventerrein. Antwoord Zoals bij het onderdeel “ruimtelijke kwaliteit – landschappelijke inpassing” is aangegeven zijn er diverse kwaliteiten en richtpunten volgend uit de Verordening waar rekening mee gehouden moet worden. De benoemde kwaliteiten hebben vooral betrekking op de relatie tussen het stedelijk en landelijk gebied, het belang om de schaal en het karakter van de groene buffer in stand te houden en een kwalitatieve dorpsrand.

Op geen enkele manier biedt dit aanknopingspunten voor een provinciaal belang bij de locatie van een specifieke voorziening binnen het plangebied. Dit geldt ook voor de wijze waarop het bedrijventerrein wordt ingedeeld (verkaveld). Alle genoemde kwaliteiten/wensen/uitgangspunten zijn ook te realiseren met de locatie van Stedin zoals die beoogd is. Aanvullend geldt eveneens dat het zeer gebruikelijk is (en niet alleen in de gemeente Nissewaard) om in omgevingsplannen (en voorheen bestemmingsplannen) voor bedrijventerreinen te werken met één groot functie- en bouwvlak en niet met een vooraf verkavelde systematiek. Het is vooraf namelijk nog niet bekend welk type bedrijf zich zal willen vestigen op het bedrijventerrein en welke wensen dit type bedrijf heeft. Door te werken met één groot functie- en bouwvlak kan juist ingespeeld worden op de specifieke vraag uit de markt. Deze systematiek houdt ook in dat de locatie van Stedin planologisch-juridisch gezien overal in het plangebied kan, ook op de door provincie gewenste positie. Tot slot geldt dat de huidige voorkeurslocatie voor Stedin, zoals weergegeven in de motivering van de ontwerpwijziging omgevingsplan, ook stedenbouwkundig gezien voor de gemeente de voorkeur heeft. De gemeente heeft er voor gekozen het perceel van Stedin te laten omringen door de omliggende bedrijven.

Deze bedrijven krijgen, voor zover gelegen aan de rand van de beoogde uitbreiding, een representatieve uitstraling waardoor deze de locatie van Stedin afschermen en het middenstation niet vol in het zicht komt te staan. Deze bebouwing zal ook hoger zijn dan het beoogde middenstation. De gemeente hecht er waarde aan om juist het zicht op het bedrijventerrein van buitenaf, bijvoorbeeld vanaf de N218 of vanuit het buitengebied, een representatieve uitstraling te geven bestaande uit een groenblauwe zone en representatieve bedrijfspanden om zo een goed ingepaste dorp- of stadsrand te realiseren. Ook delen wij niet de stelling dat “het station zoals Pagina 6 van 10

deze nu is gepositioneerd een negatieve impact op het bestaande industrieterrein” heeft. Het deel van het bestaande bedrijventerrein waar het middenstation aan grenst wordt gevormd door achterkanten van de daar gevestigde bedrijven. Wij zien niet in wat voor negatieve impact dat zou hebben. Overigens worden aan de omgevingsvergunning die Stedin heeft aangevraagd voor het middenstation voorwaarden verbonden die betrekking hebben op de inpassing van het station. Aanpassingen Deze reactie leidt niet tot aanpassingen aan het plan. Bedrijventerrein Zienswijze De uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg is gedeeltelijk benodigd vanwege de voorgenomen woningbouw op Haven-Noord. Het te compenseren deel van Haven-Noord is in oppervlakte kleiner dan hetgeen dat met het omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt. De locatie Halfweg staat met 3ha benoemd in bijlage IX van de ZHOV. Graag zouden wij een motivatie zien waarom de beoogde grootte van de uitbreiding wel binnen provinciaal omgevingsbeleid past. Antwoord In bijlage IX van de Verordening is voor deze locatie 3 ha. uitgeefbaar terrein benoemd. De benodigde compensatie voor het voorgenomen plan Haven-Noord bedraagt ongeveer 2,7 ha. De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg betreft een logisch gelegen locatie die duidelijk afgebakend wordt door onder meer de Groene Kruisweg en de hoogspanningsverbinding.

Hierbinnen bleek meer mogelijk dan alleen de hiervoor genoemde hectares. De afspraak met de provincie Zuid-Holland is dat de hectares voor Halfweg in mindering worden gebracht op de Bernissester. Dit betekent dat voor Bernissester van de 40 ha nog 36,3 ha i.p.v. 37 ha overblijft. Dit laatste is in gesprekken met de ambtenaren van de provincie ook bevestigd. De gemeente ontvangt vanuit de provincie ook consequent het signaal dat er eerder méér dan minder uitbreiding van het bedrijventerreinareaal gerealiseerd moet worden. Daar geeft dit plan invulling aan. Aanvullend is voorgaande verwoord in een zienswijze op ter inzage liggen de herziening van het provinciaal ruimtelijk beleid met het verzoek dit aan te passen. Aanpassingen In de motivering van het plan worden de te compenseren hectares benoemd in paragraaf 3.2.2. Regels functie bedrijventerrein Zienswijze Artikel 8.2.1 lid b en c m.b.t. “kantoren” graag aanpassen in “bedrijfsgebonden kantoren”. Dit is overeenkomstig onze eigen regels in de verordening. Antwoord Er is geen bezwaar dit aan te passen. Zienswijze De opgenomen regels in artikel 8 zijn strijdig met onze omgevingsverordening waarin we aangeven dat er een minimale milieucategorie 3.1 of hoger toegestaan is bij nieuwe bedrijventerreinen. Het betreft lid e en f van artikel 8.2.1 van de regels.

Antwoord Lid e en f van artikel 8.2.1 staan inderdaad type bedrijven toe die in de regel lager zijn dan milieucategorie 3.1. Er is geen bezwaar om deze mogelijkheden te schrappen. Zienswijze 8.2.1d. Productiegebonden detailhandel dient vervangen te worden door: ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf. Antwoord Pagina 7 van 10

Er is geen bezwaar dit aan te passen. Zienswijze Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten moet ook dienovereenkomstig provinciaal beleid aangepast worden: alleen bedrijven van MC 3.1 en hoger mogen hierin opgenomen worden. Antwoord In de planregels is opgenomen dat alleen bedrijven uit milieucategorie 3.1 tot en met 4.2 toegestaan worden. Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten is ondersteunend aan de regels en betreft een algemene (standaard)lijst. Het feit dat daar ook bedrijven in genoemd worden uit de lagere categorieën kan er nooit toe leiden dat deze ook automatisch toegestaan zijn. Aanpassingen - Kantoren wordt vervangen door bedrijfsgebonden kantoren. - Artikel 8.2.1, lid e en f worden geschrapt. De navolgende leden worden omgenummerd. - Productiegebonden detailhandel wordt vervangen door: ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf. Conclusie Samengevat wordt het omgevingsplan op de volgende punten aangepast n.a.v. de ingediende zienswijzen: De motivering van het plan wordt als volgt aangepast: 1. Paragraaf 3.2.2 wordt aangevuld met toelichting op de ruimtelijke kwaliteit – landschappelijke inpassing; 2. In paragraaf 3.2.2 wordt de te compenseren m2 bedrijfsgrond aangepast; 3. Paragraaf 4.2 wordt aangevuld met het provinciaal belang voor wat betreft archeologie en een archeologische afweging.

Daarnaast wordt de laatste versie van het archeologisch onderzoek als bijlage 2 toegevoegd bij de motivering; 4. In bijlage 9 bij de motivering wordt de cyclustijd overeenkomstig de provinciale uitgangspunten aangepast. 5. Figuur 2-2 en 4-4 worden vervangen door onderstaande afbeelding; 6. Bij figuur 4-1 wordt de indeling in kavels geschrapt omdat dit nog niet vast staat.

De planregels worden als volgt aangepast:

Pagina 8 van 10

1.

2. 3. 4.

Artikel 16.4 wordt aangepast en luidt: “Het (doen/laten) gebruik(en) van gronden binnen de functie Bedrijventerrein is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functies Groen en Water landschappelijke inpassing is gerealiseerd binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan overeenkomstig de uitgangspunten opgenomen in bijlage 3 bij de regels, en in stand wordt gehouden.” Bijlage 1 van deze antwoordnota wordt als bijlage 3 toegevoegd aan de regels. Artikel 8.2.1 onder b: “kantoren” wordt vervangen door “bedrijfsgebonden kantoren”; Artikel 8.2.1, lid e en f worden geschrapt. De navolgende leden worden omgenummerd. Artikel 8.2.1 onder d: “productiegebonden detailhandel” wordt vervangen door: “ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf.”

Overige aanpassingen 1. Als gevolg van een actualisatie van de AERIUS-calculator wordt bijlage 8 vervangen door een geactualiseerd onderzoek, inclusief een daarbij horende passende beoordeling (bijlage 9). In paragraaf 4.11 van de motivering wordt dit aangepast. 2. In artikel 8.8.4 van de regels wordt de mogelijkheid opgenomen om via een beoordelingsregel activiteiten uit bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving toe te staan.

Pagina 9 van 10

Bijlage 1 Landschappelijke inpassing

Pagina 10 van 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16781591/4