89.Voorontwerpbestemmingsplan uitbreiding trafostation Simonshaven; Bijlagen bij toelichting Bijlage 12 Vorm-vrije m.e.r. beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie Onderwerp: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Hoogspanningsverbinding Simonshaven 380kV Projectnummer: 51010255 Referentienummer: NL23-648800269--54578 Datum: 10-07-2023
1
Inleiding
In verband met de grootschalige transitie naar duurzame energie realiseert TenneT in de nabije toekomst de aansluiting van het windpark IJmuiden Ver Beta en Gamma op het landelijke hoogspanningsnet. Om dat te kunnen realiseren, moet het hoogspanningsstation Simonshaven 380kV (SMH380) schakelbaar gemaakt worden en worden uitgebreid. Daarnaast worden de zes grote industriële clusters in Nederland verder verduurzaamd middels de Cluster Energie Strategie (CES). Om de CES voor regio Rotterdam – Moerdijk te realiseren, is een vergrootte transportcapaciteit nodig bovenop wat momenteel wordt gevoed door SMH380. Vanwege dit Rijksbelang is het project opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) van de Rijksoverheid. Bij de bouw van SMH380 in 2009 is deze al zodanig ingericht dat een verdere invulling van het station met de lijn- en transformatorvelden mogelijk is, maar – door de toegenomen vraag naar energie ten behoeve van het industriële cluster (in verband met onder andere productie van waterstof) – is een uitbreiding nodig die verder reikt dan de huidige terreingrenzen en bestemmingsplanmogelijkheden. Daarnaast moet de bovengrondse verbinding tussen Maasvlakte 380kV en SMH380 op een andere tak worden aangesloten, waardoor de gewijzigde verbinding buiten de huidige bestemming voor de verbinding komt te liggen.
Het project hoogspanningsstation SMH380 is op grond van het geldende planologische kader niet realiseerbaar. Daarom wordt voor deze ontwikkeling het bestemmingsplan gewijzigd, waardoor de ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd. Het project vindt plaats in gemeente Nissewaard in provincie Zuid-Holland. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming voor dit bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen (formeel ook aangeduid als aanmeldingsnotitie). Achtereenvolgens wordt ingegaan op het voornemen (hoofdstuk 2), de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 3) en de vormvrije m.e.r.-beoordeling (hoofdstuk 4) waarin de potentiële effecten van het voornemen worden beschreven.
2
Voornemen
TenneT is voornemens om hoogspanningsstation Simonshaven 380kV schakelbaar te maken voor de toekomstige aansluiting voor het windpark op zee. Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het betreft een hoogspanningsstation en twee hoogspanningsmasten. Om Simonshaven 380kV schakelbaar te maken, omvat het project het aanpassen van drie hoogspanningsmasten en bijbehorende bekabeling. Mast 068 zal gesloopt worden en verplaatst worden in noordelijke richting. Mast 67 wordt verstevigd om als hoekmast te kunnen dienen. Aan mast 066 zullen geen wijzigingen plaatsvinden.
Koen de Weert Adviseur Planologie Sweco Nederland B.V. Middelburg M +31 6 82062407 koen.deweert@sweco.nl
Sweco Nederland B.V. De Bilt Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt 1 (22)
Figuur 1
Ligging plangebied met cijfer aanduiding van de hoogspanningsmasten en het hoogspanningsstation.
Figuur 2
Ligging plangebied toekomstige situatie.
2 (21)
De beoogde uitbreiding van SMH380 zal in fases worden gerealiseerd: In fase 1 en 2 zullen de hoogspanningstakken ingericht worden, zodat deze schakelbaar worden. In fase 3 zal een deel van de bestaande verbinding verplaatst worden van Simonshaven 380kV naar Maasvlakte 380kV middels verzwaring van mast 067 en een sloop van mast 068 en de nieuwbouw ervan op eigen terrein van TenneT, iets ten noorden van waar deze nu staan. In fase 4 zullen drie transformatoren, inclusief compensatiespoelen, gebouwd worden. Ook zal de toegangsweg naar het station en de landschappelijke inpassing van het station mogelijk worden gemaakt.
3 (21)
3
Toets aan het Besluit m.e.r.
3.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r,. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r., geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Het Besluit m.e.r. geeft aan of voor een project een m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing is. De ontwikkeling betreft de uitbreiding van een hoogspanningsstation en een wijziging van een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 380kV. Deze ontwikkeling is als activiteit opgenomen in de D-lijst onder categorie D 11.3 (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) en D 24.1 (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding), zie tabel 3.1. Tabel 3.1
Activiteit D 24.2 uit het Besluit m.e.r. Kolom 1 Activiteiten
Kolom 2 Gevallen
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
D 11.3
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D 24.1
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.
Het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
1° een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied.
Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante (indicatieve) drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Daarbij kunnen de volgende situaties zich voordoen (zie ook figuur 2): Een project zit boven de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst. In dat geval geldt een rechtstreekse m.e.r.-plicht voor plannen en besluiten uit kolom 3 en 4.
4 (21)
Een project zit onder de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst, maar boven de drempelwaarde van een activiteit uit de D-lijst. In dat geval geldt voor een plan dat is aangewezen in kolom 3 een directe m.e.r.-plicht. Voor besluiten die zijn aangewezen in kolom 4, geldt een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. Een project blijft onder de drempelwaarde van de activiteit uit de D-lijst. Voor die projecten moet via een (‘vormvrije’) m.e.r.-beoordeling worden bepaald of er een MER nodig is.
In figuur 3.1 is schematisch weergegeven wanneer een m.e.r.-plicht, m.e.r.beoordelingsplicht of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing is.
Figuur 3.1
Schematische weergave m.e.r.-beoordeling (Kenniscentrum InfoMil)
Met de uitbreiding van een hoogspanningsstation en een wijziging van een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 380kV wordt één van de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. overschreden. De spanning bedraagt namelijk 380kV. Echter, deze verbinding beslaat geen lengte van 5 km of meer in een gevoelig gebied (zoals NNN of Natura 2000). Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'.Dit is opgenomen in artikel 2 lid 5 sub b van het Besluit milieueffectrapportage. Pas als is vastgesteld dat belangrijk nadelige gevolgen zijn uitgesloten, geldt voor de activiteit geen m.e.r.- plicht. Voor de ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ geldt nagenoeg dezelfde beoordelingsprocedure als voor de m.e.r.-beoordeling van activiteiten die boven de drempelwaarde zitten (zie verder onder paragraaf 3.2). 3.2 Te volgen procedure Deze aanmeldingsnotitie geeft het bevoegd gezag (college van B&W van gemeente Nissewaard) de informatie die nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer, óf artikel 7.17 lid 2) om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit.
Op basis van deze aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag een beslissing of voor deze activiteit, omwille van belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. Gelijktijdig met het besluit van de gemeenten om het ontwerp bestemmingsplan in procedure te brengen, neemt de gemeente het m.e.r.-beoordelingsbesluit1 in ontvangst. 1 Indien het bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium de m.e.r.-beoordelingsbeslissing.
5 (21)
Tegen dit besluit is geen bezwaar of beroep mogelijk, wel kan een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan worden ingediend of beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan worden ingesteld. Eventuele inhoudelijke bezwaren tegen de vormvrije m.e.r.-beoordeling kunnen worden ingediend in de procedure van het bestemmingsplan. 3.3 Doel van de aanmeldingsnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden; belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij ….
(zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.-(beoordeling) (m.e.r.(-beoordeling) nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. omvang van het project; b. cumulatie met andere projecten; c. gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. productie afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van de activiteit: a. bestaand grondgebruik; b. rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied. c. Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden.
6 (21)
3. Kenmerken van het potentiële effect: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect; b. de aard van het effect; c. grensoverschrijdend karakter; d. intensiteit en complexiteit effect; e. waarschijnlijkheid effect; f. verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; h. de mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit en of dit kan resulteren in potentiële effecten. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten. Hierbij wordt gekeken of er sprake is mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven, is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken.
Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze Dlijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland.
Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.
7 (21)
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
1. Kenmerken van het project
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)
Uitbreiding van een hoogspanningsstation en een wijziging van een bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding Het project omvat de uitbreiding van een hoogspanningsstation en een wijziging van een bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding. De aanleg van de bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt mogelijk gemaakt via een nieuw bestemmingsplan. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het Besluit m.e.r.. Activiteit D 11.3 uit Besluit m.e.r. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Drempelwaarden zijn: Gevallen waarin de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Dit initiatief omvat: Het planvoornemen voorziet in een uitbreiding van een 380 kVhoogspanningsstation. De oppervlakte van deze uitbreiding is minder dan 75 hectare. De activiteit valt daardoor onder de gestelde drempelwaarden van het besluit m.e.r. voor activiteit D 11.3’ Conclusie Met de uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt de (indicatieve) drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. niet overschreden. Activiteit D 24.1 uit Besluit m.e.r. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding. Drempelwaarden zijn: gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1°. een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2°. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied.
Dit initiatief omvat: Het planvoornemen voorziet in een verbinding met een spanning van 380kV, maar de verbinding loopt niet voor meer dan 5 kilometer door gevoelig gebied (zoals Natura 2000gebied of NNN). De activiteit valt daardoor onder de gestelde drempelwaarden van het besluit m.e.r. voor activiteit D 24.1
8 (21)
Conclusie: Met de wijziging van een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 380kV wordt één van de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. overschreden. De spanning bedraagt namelijk 380kV. Echter, deze verbinding beslaat geen lengte van 5 kilometer of meer in gevoelig gebied (zoals NNN of Natura 2000). Cumulatie met andere projecten
In de omgeving van het plangebied spelen geen ontwikkelingen die invloed hebben en/of cumuleren door het aanleggen van deze 380 kV-hoogspanningsverbinding.
Gebruik natuurlijke hulpbronnen2
Bij het aanleggen van de 380kV-hoogspanningsverbinding, wordt geen gebruik gemaakt van hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen. Eventueel vrijgekomen grond wordt afgevoerd en kan elders gebruikt worden, bijvoorbeeld voor ophoging van gebieden in de omgeving van het plangebied.
Productie afvalstoffen3
Bij de aanleg van het hoogspanningsstation en de 380 kVhoogspanningsverbinding komt afval vrij en is sprake van emissies van bouwverkeer. Ook bij het amoveren van de bestaande situatie, komt afval vrij. Tijdens de gebruiksfase komt er geen afval vrij. (Bouw)afval wordt conform de geldende wet- en regelgeving afgevoerd.
Verontreiniging en hinder
Verontreiniging Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Gelet op de beperkte effecten van dit project, zijn belangrijke nadelige effecten niet te verwachten. De ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem. Uit dit onderzoek blijkt dat bijmengingen zijn waargenomen tijdens de veldwerkzaamheden. Ook is er een sterke loodverontreiniging. Indien TenneT rekening houdt met deze aandachtspunten in de uitvoeringsfase, zijn negatieve effecten niet te verwachten.
2 Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op,
of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen, zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 3 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.
9 (21)
Hinder Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal beperkte verkeershinder en geluidshinder optreden. Naar verwachting neemt het verkeer van en naar het plangebied in de aanlegfase licht toe. De hinder als gevolg van extra verkeer tijdens de aanlegfase zal tijdelijk van aard zijn. Hierdoor levert het verkeer geen significant nadelige effecten op. In de gebruiksfase is er geen extra verkeersaantrekkende werking. In de gebruiksfase zal de hoogspanningsverbinding geen hinder opleveren. De verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase als gevolg van onderhoud en inspectie is verwaarloosbaar. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht en er wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Ook zal de hoogspanningsverbinding niet leiden tot extra klimaateffecten en juist zorgen voor een bijdrage aan de energietransitie. Er is dus geen risico voor ongevallen als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen en klimaatverandering.
Risico op de menselijke gezondheid
De hoogspanningsverbinding ligt op voldoende afstand van de omliggende bebouwing, waardoor risico’s op de menselijke gezondheid niet aan de orde zijn. Er bevinden zich geen gevoelige objecten binnen de magneetveldzone van de verbinding. Elektromagnetische velden zullen dan ook geen probleem opleveren.
2. Plaats van de projecten Bestaand grondgebruik
De gronden ter plaatse van het hoogspanningsstation en de 380 kV-verbinding betreffen het buitengebied. De grond van het hoogspanningsstation is al deels in gebruik als hoogspanningsstation. De gronden onder de hoogspanningsverbinding zijn agrarische gronden en natuurgronden. Echter loopt hier op dit moment ook al de bestaande hoogspanningsverbinding. Het bestaand gebruik van deze gronden kan worden voortgezet na aanleg van dit project. De verzwaring van de mast hoeft niet planologisch geregeld te worden. Dit kan op basis van het geldende bestemmingsplan. Herziening van het bestemmingsplan is nodig om het nieuwe verloop van de te verplaatsen hoogspanningsverbinding planologisch te regelen. De nieuwe locatie van mast 068 valt binnen de bedrijfsbestemming. Bestemmingsplanherziening is enkel nodig, omdat de bouwhoogten in het geldende bestemmingsplan niet toereikend zijn. Een bestemmingsplanherziening is tevens nodig, omdat de nieuw te bouwen transformator cellen niet binnen het geldende bouwvlak en bestemmingsregeling passen.
10 (21)
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Er zijn daarom geen effecten op natuurlijke hulpbronnen te verwachten.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
Natuur – gebiedsbescherming Het gebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ ligt op ten minste 3,8 km afstand van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten als gevolg van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstof Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase 0,00 mol N/ha/jaar is. Voor de gebruiksfase wordt geen toename van emissies verwacht, want het project leidt niet tot activiteiten die uitstoot van stikstof (NOx en/of NH3) veroorzaken. Natuur Netwerk Nederland Mast 067 ligt geheel binnen het NNN en mast 068 en hoogspanningsstation Simonshaven liggen bij een ecologische verbindingszone. Het NNN-gebied bij mast 067 heeft als beheertype N12.02 ‘Kruiden- en faunarijk grasland’. De verzwaring van mast 067 heeft mogelijk een permanent effect op het NNN-gebied.
Om eventuele effecten van het planvoornemen op NNN-gebied in beeld te brengen, is een Nee, tenzij toets uitgevoerd. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. De ecologische verbindingszone langs mast 068 en het hoogspanningsstation bestaat uit het beheertype N00.01 ‘Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’. De werkzaamheden hebben mogelijk een permanent effect op het nog in te richten beheertype. Ook hiervoor is een Nee, tenzij toets uitgevoerd. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Groene contour en weidevogelgebied Mast 068 en station Simonshaven liggen binnen de groene contour en op circa 40 m van het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied.
11 (21)
De locatie van mast 067 is niet gelegen binnen de Groene Buffer of belangrijk weidevogelgebied. De sloop en nieuwbouw van mast 068 zorgt per saldo niet tot een verandering. De ontwikkeling op station Simonshaven betreft geen grootschalige ontwikkeling. Het betreft enkel de uitbreiding van het huidige hoogspannings-station op deze locatie. Dit is nodig om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen. De functie van het terrein wijzigt niet en de belevingswaarde blijft hetzelfde. De geplande werkzaamheden en uitbreiding van het hoogspanningsstation hebben geen negatief effect op de omgeving. Het uitvoeren van een Nee, tenzij toets is ten aanzien van de Groene Buffer niet nodig. De werkzaamheden op het terrein van het hoogspanningsstation Simonshaven liggen op 40 m van een weidevogelgebied. Externe werking is niet van toepassing op belangrijke weidevogelgebieden. Vanuit de Wet natuurbescherming blijft artikel 3.10 van kracht (beschermingsregime andere soorten). In dit artikel staat dat verstoring van broedvogels, ook broedende weidevogels in het weidevogelgebied, niet is toegestaan. De werkzaamheden kunnen een verstorend effect hebben op aanwezige broedvogels. Indien de werkzaamheden in de periode 1 juli tot en wel 15 februari worden uitgevoerd, treedt er geen negatief effect op.
Bij werkzaamheden in de periode 15 februari tot en met 1 juli kan er wel een negatief effect optreden. Bij werkzaamheden in de periode 15 februari tot en met 1 juli is er, voorafgaand aan de werkzaamheden, een broedvogelcontrole nodig. Indien er broedende vogels aanwezig zijn binnen de effectafstand, dan kunnen de werkzaamheden niet plaatsvinden. Mogelijk zijn mitigerende maatregelen nodig om de effecten te mitigeren. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Natuur – soortenbescherming Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat de werkzaamheden mogelijk een negatief effect hebben op vogels met een jaarrond beschermd nest en de noordse woelmuis. De werkzaamheden bij de hoogspanningsverbinding en het hoogspanningsstation hebben geen negatief effect op beschermde planten, reptielen en/of ongewervelden. Wel is het voor enkele soorten – vleermuizen en bever – noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen. Als dit niet mogelijk is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’.
12 (21)
De Wet natuurbescherming borgt dat geen onaanvaardbare ingrepen plaatsvinden. Hierdoor is een zorgvuldige afweging geborgd. Eventuele mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Landschap en cultuurhistorische waarden De effecten van de hoogspanningsverbinding zijn zichtbaar. Echter betreft het enkel het aanpassen van de bestaande hoogspanningsverbinding en het plaatsen van een mast iets ten noorden van de huidige mast. Er is geen sprake van een nieuwe doorsnijding van het landschap. De aanpassingen in het landschap zijn hierdoor nihil en vergelijkbaar met de huidige situatie. Bodem Door het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied. Hier wordt onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ nader op ingegaan. Archeologie Het bevoegd gezag heeft het projectgebied bekeken en adviseert dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Water Oppervlaktewater Rondom het station bevindt zich een hoofwatergang van het waterschap. Voor het verplaatsen van hoogspanningsmast 068, is het noodzakelijk een gedeelte van deze waterpartij te dempen. Hiervoor moet een vergunning worden aangevraagd. Het water dat gedempt wordt, moet volledig gecompenseerd worden.
Op de plek waar de toekomstige toegangsweg wordt aangelegd, is in de huidige situatie al een verbinding tussen de Oud Hoenderhoekseweg en het terrein aanwezig. De sloot wordt hier verbonden door middel van een duiker. Verhard oppervlak Het verhard oppervlak is afgeleid uit het ontwerp. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met 4.587 m² (5.692 m² – 1.105 m² ) toe. De toename is groter dan 1.500 m². Dit betekent dat watercompensatie nodig is om versnelde afvoer tegen te gaan.
13 (21)
Watercompensatie De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. In de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 20141 staat beschreven dat de toename aan verharding volledig gecompenseerd dient te worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap een compensatienorm van 10% oppervlaktewater ten opzichte van het verharde oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 458 m³ (4.587 x 0,10). Daarnaast moet, zoals reeds beschreven, het dempen van de waterpartij volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie bedraagt circa 400 m² . In totaal dient er circa 858 m² aan watercompensatie plaats te vinden in de vorm van het graven van extra oppervlaktewater. Onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ wordt nader ingegaan op de watercompensatie. Verkeer Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. Geluid Er is in het kader van dit project door Peutz een akoestisch onderzoek opgeleverd. Er is mogelijk hinder als gevolg van geluid.
Luchtkwaliteit Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. Het project beïnvloedt dan ook de luchtkwaliteit in de zin van het Besluit niet in betekenende mate. Elektromagnetische velden Binnen de zone van 150 m, gemeten vanuit beide zijde van de hartlijn van de nieuwe verbinding, bevinden zich geen gevoelige bestemmingen, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven. Er is derhalve geen sprake van negatieve (gezondheid)effecten vanuit magneetvelden. Op basis van (1.) de kenmerken en (2.) de plaats van het project zijn de volgende mogelijk belangrijk nadelige gevolgen naar voren gekomen:
14 (21)
natuur – gebiedsbescherming (NNN); natuur – soortenbescherming; bodem; water; geluid. Op deze gevolgen wordt bij ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Overige belangrijk nadelige gevolgen zijn niet te verwachten. 3. Kenmerken van het potentiële effect De orde van grootte en het ruimtelijk De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bereik van het effect hoogspanningsverbinding zijn tijdelijk en de effecten op de omgeving zijn grotendeels omkeerbaar. In alle gevallen zullen potentiële effecten slechts lokaal optreden, in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Hinder voor omwonenden beperkt zich tot de woningen rondom het plangebied. Dit zal nihil zijn, aangezien de dichtstbijzijnde woning zich op circa 750 m bevindt.
De aard van het effect
Verder zal in de aanlegfase in beperkte mate mogelijk hinder optreden op de woningen langs de aan/-afvoerroutes. Tijdens het aanvoeren van de drie transformatoren, is een operatie met zwaar transport nodig waarvoor tijdelijk wegen afgesloten moeten worden. Wegen zullen tijdelijk verbreed moeten worden en/of verstevigd. De effecten van het voornemen zijn beperkt van aard.
Grensoverschrijdend karakter
Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten.
Intensiteit en complexiteit effect
Natuur – gebiedsbescherming De ‘Nee, tenzij toets’ is uitgevoerd en concludeert het volgende: mast 067 ligt geheel binnen het NNN en mast 068 en station Simonshaven liggen bij een ecologische verbindingszone. Beschermd grasland in de Bollenstreek ligt op meer dan 40 km afstand van de locaties. Voor mast 067 geldt: een ontheffing op de Omgevingsverordening is niet nodig. Compensatie van oppervlakte en kwaliteit van het NNN en het aanwezige beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijkgrasland is niet nodig. Voor mast 068 geldt: de tijdelijke verstoring op een oppervlakte van circa 1 ha tijdens de werkzaamheden en de nieuwe locatie van de mast van circa 140 m² zal geen negatief effect hebben op de kwaliteit, samenhang en wezenlijk kenmerken en waarden van het natuurbeheertype en het gebied. Een ontheffing op de Omgevingsverordening is niet nodig. Compensatie van oppervlakte en kwaliteit van het NNN is niet nodig
15 (21)
Natuur – soortenbescherming Sweco heeft een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd ten behoeve van het realiseren van Simonshaven 380kV (Sweco, 27-03-2023). Aanlegfase Het bosje bij mast 067 zal door het vele blad opnieuw onderzocht worden, voorafgaand aan de werkzaamheden. Nesten die eventueel worden aangetroffen in het bosje, worden door de werkzaamheden niet vernietigd, wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben. Voor de sloop van mast 068 is een onderzoek noodzakelijk naar aanwezige nesten van jaarrond beschermde nesten. Indien een jaarrond beschermd nest aanwezig is, dient een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Indien het nest niet bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest, dan mag deze (mits deze niet in gebruik is) worden weggenomen. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de noordse woelmuis is noodzakelijk ter plaatse van het hoogspanningsstation Simonshaven en mast 068. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Er zijn in mast 069, en 070 (masten ten oosten van het hoogspanningsstation) en in een boom net buiten het terrein van station Simonshaven nesten waargenomen die mogelijk in gebruik kunnen zijn door een soort met een jaarrond beschermd nest. Nader onderzoek is noodzakelijk.
Op basis van de uitkomsten is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vogels mogelijk noodzakelijk. Mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het treffen van mitigerende maatregelen is noodzakelijk om verstoring (Wnb art. 3.5 lid 2) in het geval van het gebruik van (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden op mogelijke verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen te voorkomen. Verder geldt dat voor de verstoring van de beverburchten en broedende vogels ook mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn, deze dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Wanneer maatregelen niet kunnen worden toegepast is mogelijk een ontheffing op de grond van de wet natuurbescherming nodig. Werkzaamheden die in de omgeving van het water plaatsvinden (vissen en amfibieën), dienen rustig te worden opgestart zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten.
16 (21)
Eiklompen en/of eisnoeren van amfibieën dienen naar een geschikte locatie te worden verplaatst. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. De werkzaamheden dienen daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen in de periode half juli tot en met half maart plaats te vinden om verstoring te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens de werkzaamheden plaatsvinden. Deze dient opnieuw uitgevoerd te worden als de werkzaamheden twee dagen stil liggen. Wanneer zeker is dat er zich geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, zo veel mogelijk beperkt worden nalaat om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Aanvullende soortgerichte onderzoeken naar nesten, de noordse woelmuis, de vleermuis, beverburchten en broedende vogels worden uitgevoerd om de aanwezigheid en effecten van de ingreep te kunnen bepalen. Dit onderzoek vindt bij de verdere planuitwerking plaats. Ongeacht de resultaten van dit onderzoek, wordt het planvoornemen vergunbaar geacht.
Soorten die zijn aangetroffen, betreffen soorten die veelvuldig voorkomen bij soortgelijke projecten. Hierdoor is het nemen van mitigerende/compenserende maatregelen om deze effecten te mitigeren zeer goed mogelijk. Maatregelen betreffen bijvoorbeeld het ‘tijdelijk ’ongeschikt maken van het leefgebied / werken buiten gevoelige periodes / werken vanuit één richting / aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen etc. Omdat het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen mogelijk is, zijn belangrijke nadelige milieugevolgen mits wordt gemitigeerd of gecompenseerd, uit te sluiten. De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg. Eventuele ontheffingen die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden, worden op voorhand verleenbaar geacht. Gebruiksfase In de gebruiksfase zal er geen hinder zijn voor (beschermde) flora en fauna. Hierdoor vormt de gebruiksfase geen problemen voor de soortenbescherming.
17 (21)
Bodem Er is een verkennend bodem onderzoek uitgevoerd. In de grond zijn bijmengingen waargenomen tijdens de veldwerkzaamheden. Ook is er een sterke loodverontreiniging aangetoond. Dit gaat mogelijk om een nieuw geval. De verontreiniging komt voor in een zandlaag die naar alle waarschijnlijkheid bij de aanleg is aangebracht. Er wordt aanbevolen om middels een afperkend onderzoek de omvang van de verontreiniging vast te stellen. In de overige boringen zijn ten hoogst lichte verontreinigingen aangetoond. Ondanks de verdachte aspecten kan de beoogde ontwikkeling doorgang krijgen. De beoogde functie is niet gevoelig voor een vervuilde bodem, ook leidt de activiteit zelf niet tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Verder wordt er in de aanlegfase aandacht besteed aan de bodemkwaliteit. Water Aandachtspunten waterberging De waterbergingsopgave wordt ingevuld met oppervlaktewater. Zoals beschreven, vormt het extra te creëren oppervlaktewater een uitbreiding op het aanwezige oppervlaktewater. Hierdoor kan het afstromend hemelwater op dit oppervlaktewater dat zich aan alle zijden rondom het hoogspanningsstation bevindt, geloosd worden. In het ontwerp wordt rekening gehouden met de mogelijkheden voor het bovenstrooms afvoeren van hemelwater richting het oppervlaktewater.
Daarnaast zorgen de toenames van het verhard oppervlak en oppervlaktewater voor de vermindering van (bovengronds) groen. Dit nadelige effect op de biodiversiteit wordt gecompenseerd door in het ontwerp rekening te houden met de aanleg van een kruidenstrook of de aanplant van bomen, struiken en andere planten. Ook wordt gedacht aan de installatie van groene daken. Bovendien zorgt dit voor extra waterbergingscapaciteit op het terrein. In overleg met de waterbeheerder wordt een uitvoeringswijze bepaald waarmee de belangen van het waterschap zijn geborgd. Voor het verplaatsen van hoogspanningsmast 068, is het noodzakelijk een gedeelte van het aangrenzende oppervlaktewater te dempen. Op basis van de keur van het waterschap (artikel 3.2 en artikel 3.9) dient hiervoor een vergunning aangevraagd te worden. In de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 20142 (BL-05) worden criteria voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen beschreven.
18 (21)
Daarnaast neemt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie met ongeveer 4.587 m² toe. De toename is groter dan 1.500 m². Dit betekent dat watercompensatie in de vorm van waterberging nodig is om versnelde afvoer tegen te gaan. Het waterschap hanteert een compensatienorm van 10% oppervlaktewater ten opzichte van het verharde oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 458 m². Dit oppervlak wordt ter plaatste gecompenseerd. Wanneer naar de totale waterbergingsopgave wordt gekeken, moet hier de compensatie voor de gedempte waterpartij aan toegevoegd worden. Deze bedraagt circa 400 m². Het water dat gedempt wordt, moet volledig gecompenseerd worden. Compensatie van dit oppervlak vindt plaats op de locatie van de huidige mast die verplaatst zal worden. Bij het invullen van de compensatieplicht, dient rekening gehouden te worden met het gehanteerde peil en de verschillende beschermingszones. Op grond van artikel 3.2 van de keur van het waterschap geldt een algemene, ruime verbodsbepaling voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij waterstaatwerken en beschermingszones. Indien handelingen zich binnen de beschermingszones bevinden, dient hiervoor een vergunning aangevraagd te worden. Met de beschermingszones wordt rekening gehouden.
Negatieve effecten hierop zijn op voorhand uit te sluiten. De watercompensatie maakt onderdeel uit van het plan. In totaal moet er circa 858 m² watercompensatie plaatsvinden (400+458). Dit wordt binnen het plangebied gerealiseerd. De te realiseren watercompensatie is nader uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Geluid Naast de in het onderzoek genoemde geluidsbronnen is er tevens sprake van een beperkt aantal vervoersbewegingen. De bijdrage hiervan aan de geluidsniveaus in de omgeving is verwaarloosbaar. Verder geldt dat de drie 500 MVA transformatoren en drie 50 kV compensatiespoelen inpandig worden opgesteld en het buiten opgestelde vermogen lager is dan 200 MVA. Hierdoor betreft het geen geluidszonerende inrichting.
19 (21)
Waarschijnlijkheid effect
Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen
Naar verwachting, zal – gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden – geen sprake zijn van significant negatieve effecten. Verder wordt op voorhand het planvoornemen vergunbaar geacht. De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten (bouwverkeer, geluid, luchtkwaliteit). Na de bouwfase verdwijnen deze effecten. Effecten op beschermde soorten zijn onomkeerbaar. In de gebruiksfase treden geen effecten op. Effecten als gevolg van de ontwikkeling zijn beperkt en veelal lokaal van aard. Er zijn geen andere projecten bekend waarmee naar verwachting cumulatieve effecten zullen optreden. De effecten zijn beperkt van aard en van omvang. Om verstoring van nesten te voorkomen, dienen de werkzaamheden buiten de periode half maart tot en met half juli plaatst te vinden, zoals vermeld in het door Sweco opgestelde ecologisch onderzoek (13-12-2022). Maatregelen die genomen kunnen worden voor de navolgbaarheid, betreffen bijvoorbeeld het ‘tijdelijk ’ongeschikt maken van het leefgebied / werken buiten gevoelige periodes / werken vanuit één richting / aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen etc. Omdat het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen mogelijk is, zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uit te sluiten.
Voor de beverburchten dienen de werkzaamheden buiten een straal van 100 m van de beverburchten plaats te vinden, tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang in de periode mei tot en met augustus. Buiten deze periode geldt een afstand van 20 meter. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Werkzaamheden die in de omgeving van het water plaatsvinden, dienen met het oog op de hier aanwezige vissen en amfibieën rustig te worden opgestart zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. Eiklompen en/of eisnoeren van amfibieën dienen naar een geschikte locatie te worden verplaatst. Specifieke aanvullende mitigerende maatregelen zijn niet nodig, omdat de effecten beperkt van aard zijn. Hierdoor zijn de effecten te mitigeren en te compenseren.
Mits rekening wordt gehouden met mitigatie en/of compensatie, zijn belangrijk negatieve effecten op soorten niet te verwachten. Op basis van de in deze aanmeldingsnotitie uitgevoerde analyse kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen op het milieu optreden als gevolg van het planvoornemen.
20 (21)
Verantwoording Titel
Aanmeldingsnotitie m.e.r.- beoordeling Simonshaven 380kV
Projectnummer
51010255
Referentienummer
NL23-648800269-54578
Revisie
Final
Datum
10-07-2023
Auteur
Koen de Weert
E-mailadres
koen.deweert@sweco.nl
Gecontroleerd door
Mariska Everts
Goedgekeurd door
Joren Gillissen
21 (21)