54.Voorontwerp-bestemmingsplan Toldam 5 te Heenvliet; bestemmingsplan
Tekst van het document
37/102
Figuur 4.3 Uitsnede Legger wateren en kunstwerken Waterschap Hollandse Delta met projectgebied rood omkaderd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. De verderop gelegen Bernisse is wel aangewezen vanuit KRW. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering, wel grenst het plangebied ten westen aan de beschermingszone van de waterkering zie figuur 4.4.
38/102
Figuur 4.4: Uitsnede Legger Waterveiligheid Waterschap Hollandse Delta met het plangebied rood omkaderd Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Het programma bestaat uit het realiseren van 10 grondgebonden, vrijstaande woningen. Waterkwantiteit Wanneer werkzaamheden in de beschermingszones van de aangrenzende watergangen plaatsvinden, dient een watervergunning aangevraagd te worden. Op dit moment is het perceel grotendeels verhard, waardoor er in de toekomstige situatie geen sprake is van een toename van meer dan 500 m2 aan verharding. Hierdoor hoeft er niet gecompenseerd te worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden in de aangrenzende beschermingszone van de waterkering. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
39/102
hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.8.3 Conclusie Omdat de verharding niet met meer dan 500 m2 toeneemt door de beoogde ontwikkeling, is compensatie niet noodzakelijk. Daarnaast grenst het plangebied aan beschermingszone van watergangen en een waterkering. Voor eventuele werkzaamheden in de beschermingszone zal een watervergunning aangevraagd worden. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Wegverkeerslawaai
4.9.1 Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten moet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is 63 dB. 4.9.2 Onderzoek Aan de Toldam 5 is een boodschappencluster gevestigd. Het initiatief ligt voor om deze te slopen en te vervangen door 10 vrijstaande, grondgebonden woningen. Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt er een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor deze locatie. Dit akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai maakt hiervan een onderdeel uit (bijlage 8).
40/102
Uit het onderzoek blijkt dat: de geluidbelasting van de gezoneerde wegen Toldijk en Wieldijk voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en daarmee is het laten vaststellen van hogere waarden niet nodig; de geluidbelasting van de niet gezoneerde Toldam de richtwaarde van 48 dB niet overschrijdt; de gecumuleerde geluidbelasting als zeer goed wordt beoordeeld. Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woningen worden bereikt. 4.9.3 Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat bij de woningen. Het aspect geluid van het wegverkeer staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Industrielawaai 4.10.1 Toetsingskader Beleid en normstelling Industrielawaai Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' of 'grote lawaaimakers' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet hoger zijn dan 50 dB(A). Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er in de geluidszone van het industrieterrein geluidgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).
Daarbij dient te worden getoets aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling Voor de industrieterreinen Maasvlakte-Europoort en Botlek-Pernis is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid-Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten. In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de geluidzones van de industrieterreinen. Het plangebied ligt binnen het werkingsgebied van het RAK.
41/102
Het RAK bevat een methode voor het bepalen van de optredende geluidbelasting op basis van vastgestelde geluidcontouren. Daarnaast bevat het RAK procesafspraken. Het vaststellen van een hogere waarde die lager is dan de waarde die op bovenstaande wijze is bepaald, is volgens het RAK mogelijk als uit onderzoek blijkt dat aan die lagere waarde door afscherming kan worden voldaan, afdoende borging voor die afscherming is getroffen en de gemeente hierover overleg heeft gepleegd met de DCMR. Interimwet stad-en-milieubenadering Sinds 1 februari 2006 is de Interimwet stad-en-milieubenadering van kracht. Doelstelling van deze wet is het bereiken van een zuinig ruimtegebruik en een optimale leefomgevingskwaliteit. Op basis van deze wet mogen gemeenten, na zorgvuldig onderzoek en onder bepaalde voorwaarden, afwijken van de wettelijke milieunormen voor (onder andere) geluid. Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid voor gemeenten waardoor lokaal meer maatwerk mogelijk is uitgaande van een integrale benadering van alle aspecten van leefomgevingskwaliteit. 4.10.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Botlek Pernis. Om deze reden moet aandacht worden besteed aan het aspect industrielawaai. Het RAK biedt een bepalingsmethode voor het akoestisch onderzoek op basis van vastgestelde geluidcontouren.
De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft contouren verstrekt van de geluidbelasting ten gevolge van Botlek Pernis, met stappen van 1 dB. Het plangebied is gelegen tussen de 55 en 57 dB(A)-contouren. Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 9) blijkt dat bij alle woningen de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden. Ter plaatse van een deel van de woningen is de geluidbelasting hoger dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. De hoogste geluidbelasting bedraagt 57 dB(A). Dit betekent dat via de reguliere weg geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld en een zogenaamd stap 3-besluit (op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering) noodzakelijk is om af te wijken van de wettelijke grenswaarde. De procedure voor het Stap 3-besluit is gekoppeld aan de procedure voor het bestemmingsplan. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de vergaande inhoudelijke eisen die worden gesteld aan de motivering van een dergelijk besluit. Gelijktijdig met het publiceren van het voorontwerpbestemmingsplan wordt een melding gedaan bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland, van het voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid uit de Interimwet stad-en-milieubenadering om af te wijken van de grenswaarden van de wet geluidhinder. Deze melding is opgenomen in bijlage 10.
Het ontwerp-besluit Stap 3 is gekoppeld aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. In verband met het afwijken van de wettelijke grenswaarde zullen compenserende maatregelen worden getroffen. In de melding is op hoofdlijnen inzicht gegeven in de te treffen maatregelen. Dit zal in het ontwerpbestemmingsplan en de onderbouwing van het Stap 3-geluid nader worden uitgewerkt.
42/102
Nestgeluid schepen Binnen industrieterrein Botlek Pernis is er sprake van nestgeluid. Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet aan de schepen wordt gewerkt en geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Voor afgemeerde schepen is geen regelgeving opgesteld. Echter op grond van jurisprudentie van de Raad van State moet het bevoegd gezag bij het vaststellen van een plan zich uitspreken over de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen. Aan de hand van een door DCMR aangeleverd rekenmodel is de geluidbelasting op de planlocatie als gevolge van nestgeluid berekend, uitgaande van een jaargemiddelde bezetting van 70% (worst case scenario). Wanneer voor de beoordeling van het nestgeluid wordt aangesloten bij het toetsingskader voor industrielawaai (50 dB(A) als richtwaarde) dan kan op basis van de berekeningsresultaten worden geconcludeerd dat het nestgeluid ter plaatse van de meest noordelijke woningen een relevante bijdrage lever aan de optredende geluidbelastingen. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 52 dB(A). Het specifiek laagfrequent geluid van de afgemeerde schepen vraagt ter voorkoming van hinder aandacht bij het dimensioneren van de gevels. Bij de compenserende maatregelen in het kader van het Stap 3-besluit wordt ook het nestgeluid betrokken.
4.10.3 Conclusie De geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Botlek-Pernis is hoger dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wgh. Om de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken zal een zogenaamd Stap 3-besluit op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering worden genomen. In dat kader worden compenserende maatregelen getroffen om te zorgen dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie. Ook zijn maatregelen noodzakelijk omdat niet alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte (voorwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid). De te treffen maatregelen worden in het ontwerpbestemmingsplan en het daaraan gekoppelde Stap 3-besluit verder uitgewerkt en onderbouwd.
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381. De vastgestelde parkeernota dateert uit 2016. Hierop is later een toevoeging gekomen met normen uit CROW publicatie 381. Op basis van kencijfers uit deze publicatie wordt tevens de verkeersgeneratie berekend. Voor het juiste kencijfer/parkeernorm wordt een ligging in de rest bebouwde kom gehanteerd, de kern Heenvliet binnen de gemeente Nissewaard wordt op basis van adressendichtheid getypeerd als niet stedelijk gebied (CBS). Verder wordt uitgegaan van het gemiddelde binnen de bandbreedte van het kencijfer/parkeernorm. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en expert judgement.
43/102
4.11.2 Onderzoek Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer De geplande ontwikkeling ligt in het oostelijk deel van Heenvliet en wordt ontsloten door de erftoegangsweg Toldam. Deze weg valt binnen een 30 km/uur zone en is een éénrichtingsweg. De Toldam verbindt in noordelijk richting de Toldijk en zuidelijke richting de Markt. Vanuit de Toldijk is in oostelijke richting de kern Geervliet te bereiken en in westelijke richting via de Wieldijk de kern Zwartewaal. De Toldijk is een erftoegangsweg waar een maximale snelheid van 60 km/uur geldt. Vanuit de Markt is in zuidelijke richting de provinciale weg Groene Kruisweg (N218) waar een maximale snelheid van 80 km/uur te bereiken. Deze is te bereiken via de Stationsweg, Wethouder Gelderlandlaan en Verdouwenhoeck. Op de Stationsweg en Wethouder Gelderlandlaan geldt een maximale snelheid van 30 km/uur en op de Verdouwenhoeck een maximale snelheid van 50 km/uur. Vanuit de Markt is in westelijke richting de rest van de kern Heenvliet te bereiken. Langzaam verkeer De planontwikkeling wordt ontsloten door erftoegangswegen waarbij de fietser de rijbaan deelt met het gemotoriseerd verkeer. De wegen in de kern zijn smal waardoor weinig ruimte is voor voetpaden. Openbaar vervoer Binnen 500 meter van de beoogde ontwikkeling ligt aan het Nieuwesluisplein een bushalte Dorp waar lijn 107 richting Geervliet en Oudenhoorn halteert.
Deze lijn halteert 1 keer in het uur. Aan de Groene Kruisweg buiten de kern van Heenvliet ligt bushalte Heenvliet. Hier halteren hoog frequent de lijnen 102, 104, 403 en 404. Lijn 107 halteert hier ook parallel aan het Stationspad. Deze lijnen verbinden Heenvliet met o.a. Brielle, Hellevoetsluis en Spijkenisse (metro station). Richting Spijkenisse halteren de lijnen ongeveer 12 keer in het uur. Verkeersgeneratie en afwikkeling Verkeersintensiteit huidig en toekomstig In de bestaande situatie is een boodschappencentrum (buurtcentrum) aanwezig waaronder een supermarkt en overige detailhandel. Deze functies genereren veel meer verkeer dan woningen. Verkeersgeneratie huidige situatie Voor een buurtcentrum geldt op basis van “niet stedelijk en rest bebouwde kom” een gemiddelde verkeersgeneratie van 58,05 mvt/etmaal per 100 m² bvo (CROW 381). Het aantal bvo van het buurtcentrum is ongeveer 2700 m². De huidige situatie genereert 58,05 x 27 =1.567 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Er geldt geen omrekeningsfactor voor weekdag naar werkdag voor deze functie. Verkeersgeneratie toekomstige situatie In de beoogde planontwikkeling zijn 10 vrijstaande woningen opgenomen. Voor woningen geldt op basis van “niet stedelijk en rest bebouwde kom” een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal (CROW 381).
De beoogde planontwikkeling zal in de toekomst op een gemiddelde weekdag ongeveer 82 mvt/etmaal genereren. De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag voor woningen is 1,11 (CROW 381). Op een gemiddelde werkdag genereren de woningen 91 mvt/etmaal.
44/102
Conclusie Op basis van bovenstaande zorgt de beoogde woningbouwontwikkeling voor een flinke verkeersafname. Verkeersafwikkeling Het verkeer van de beoogde ontwikkeling wikkelt zich 100% (91 mvt/etmaal) af op de Toldam richting de Markt. Gezien de huidige afwikkeling van het boodschappencentrum leidt dit niet tot knelpunten. Verkeersveiligheid Door de flinke verkeersafname van de beoogde ontwikkeling verbetert de verkeersveiligheid op de Toldam en omliggend wegennet. Parkeren Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de normatieve parkeerbehoefte worden de kencijfers gehanteerd uit CROW publicatie 381. Tabel 4.2 toont dat voor de planontwikkeling een normatieve parkeerbehoefte van 23 parkeerplaatsen benodigd is. Tabel 4.2: totale parkeerbehoefte planontwikkeling Functie
Aantal
Parkeernorm*
Parkeerbehoefte
Koop vrijstaand (bewoners)
10 woningen
2,0 per woning
20 pp
Koop vrijstaand (bezoekers)
10 woningen
0,3 per woning
3 pp
Totaal
23 pp
*niet stedelijk, gemiddelde, rest bebouwde kom Aangezien de ontwikkeling enkel woningbouw betreft, past de gemeente geen dubbelgebruik toe. In dit geval dient er voldaan te worden aan 20 parkeerplaatsen op eigen terrein en 3 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Parkeeraanbod Voor de ontwikkeling wordt op de kavels voorzien van parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen voor de bewoners wordt gerealiseerd op de kavels. De parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen voor de bezoekers wordt gerealiseerd in het openbaar gebied ten noorden van de woningen naast het trafohuisje. De parkeerbehoefte kan hierdoor volledig worden opgevangen. 4.11.3 Conclusie De beoogde planontwikkeling aan de Toldam 5 zorgt voor een flinke afname van verkeer ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor leidt dit niet tot knelpunten op het omliggend wegennet en is dit positief voor de verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is 20 parkeerplaatsen voor bewoners en 3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Per kavel worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd voor bewoners en 3 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in het openbaar gebied ten noorden van de woningen naast het trafohuisje. De parkeerbehoefte wordt volledig opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
45/102
4.12 Kabels en leidingen 4.12.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.12.2 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. 4.12.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
46/102
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedure op een goede manier is doorlopen. Inspraak en vooroverleg De initiatiefnemer regelt een inloopavond voor de bewoners ter kennisgeving van het voorontwerpbestemmingsplan. Tevens krijgen de bewoners op deze avond de gelegenheid om vragen te stellen over de betreffende plannen. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het artikel 3.3.1. vooroverleg toegezonden aan de vooroverlegpartners van de gemeente Nissewaard, zoals de provincie Zuid-Holland en het waterschap Hollandse Delta. De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe, niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Zienswijze Na het art 3.3.1. vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Hierna gaat het bestemmingsplan nogmaals voor zes weken ter inzage als ontwerpbestemmingsplan. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).
Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht.
47/102
Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.
48/102
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Welke bestemmingen komen voor in dit plan?
Een bestemmingsplan geeft aan voor welke functies percelen en bouwwerken mogen worden gebruikt. Dat kan bijvoorbeeld zijn voor wonen, groen, verkeer enzovoort. Daarnaast bevat het plan per functie regels waaraan het gebruik en/of het bouwen moet voldoen. Zo is vastgelegd waar gebouwd mag worden en waar niet, en zijn regels gesteld hoe mag worden gebouwd. Het plan geeft bijvoorbeeld de maximale bouw- en goothoogte van huizen, en de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals erfafscheidingen aan.
6.2
Hoe ziet een bestemmingsplan er uit?
Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (voorheen de 'plankaart' genoemd), planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels zijn het juridische deel van het bestemmingsplan. In dit deel van het bestemmingsplan staan de rechten en plichten die voortvloeien uit het plan. In de plantoelichting zijn de achtergronden en uitgangspunten voor het beleid opgenomen. Met de toelichting worden de aanwezige belangen in het gebied afgewogen en wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Alle bestemmingsplannen in Nederland zijn te vinden op de website: www.ruimtelijkeplannen.nl. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar.
Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksboven 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Met een dubbelbestemming. Dit betreft een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Bijvoorbeeld voor archeologie of ondergrondse leidingen. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Met een aanduiding. Een aanduiding is een vlak op de verbeelding. Via een aanduiding wordt in de regels iets aanvullend geregeld. Dat kan betrekking hebben op maatvoering (bijvoorbeeld een specifieke goot- of bouwhoogte), bouwen (bijvoorbeeld voor specifieke bouwwerken als overkappingen) of functies (bijvoorbeeld zorgwoningen).
49/102
6.3
Wat regelt een bestemmingsplan?
Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen: 1. Wonen: ter plaatse van de beoogde grondgebonden woningen; 2. Verkeer - Verblijfsgebied: ter plaatse van het beoogde woonerf; 3. Tuin: ter plaatse van de voor- en achterzijde van de woningen. En dubbelbestemming: 4. Waarde - Archeologie - 2: ter plaatse van het gehele plangebied met uitzondering van de twee delen met de bestemming 'Waarde - Archeologie -3'; 1. Waarde - Archeologie - 3: in het linker gelegen deel van het plangebied langs het water en in een deel ter hoogte van de al bestaande woningen aan de Toldam.
6.4
Opzet van de planregels
De hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, hebben de volgende vaste volgorde: In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; De Algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing); De Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Daarnaast is een aantal bepalingen opgenomen waaraan landelijk gezien de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
6.5
Toelichting op de inleidende regels
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de inleidende regels. Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
50/102
Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
6.6
Toelichting op de bestemmingsregels
Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen in dit plan. Artikel 3 Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor de voortuinen van de grondgebonden woningen. Daarnaast is een strook van 4 m breed opgenomen langs de watergang langs de oostgrens van het plangebied. Binnen deze bestemming wordt vergunningvrij bouwen uitgesloten. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verkeersdoeleinden behorende bij de woningen op Toldam 5. Artikel 5 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij horende tuinen, erven, verharding, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen, waarmee de uiterste bouwgrenzen zijn vastgelegd. Artikel 6 Waarde - Archeologie - 2 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Artikel 7 Waarde - Archeologie - 3 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
51/102
52/102
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
55/102
Toldam 5 te Heenvliet Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend milieukundig bodemonderzoek
Kenmerk Datum
A0868-06/ADR/rap1 23 juni 2021
Opdrachtgever
Rho Adviseurs t.a.v. Mevr. E. Louwers Weena 505 3013 AL Rotterdam
Goedkeuring
Functie
Datum
De heer A.R. Dorgelo (Adviseur milieu)
Opsteller, auteur
23-06-2021
Mevrouw P. Mulder (Projectleider)
2e lezerschap en vrijgave
23-06-2021
Handtekening
BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002
INHOUDSOPGAVE INLEIDING ..................................................................................................................................... 4 MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ..................................................................................... 6 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK............................................................................................. 6
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 7
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ..................................................... 8
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ............................................................................................... 9
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................................................... 10
2.6
BEÏNVLOEDING ...................................................................................................................... 10
2.7
BODEMVERONTREINIGING ................................................................................................... 11
2.8
TERREINVERKENNING .......................................................................................................... 12
2.9
BEOORDELING ....................................................................................................................... 12
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ............................................................................ 13
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ......................................................................................... 14 3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE..................................................................................................... 14
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................................... 14
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ......................................................................... 16
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN .......................................................................... 17
3.5
INTERPRETATIE ..................................................................................................................... 18
3.6
TOETSING HYPOTHESE ........................................................................................................ 19
3.7
CONCLUSIES.......................................................................................................................... 20
3.8
AANBEVELINGEN ................................................................................................................... 21
BETROUWBAARHEID................................................................................................................. 22
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 2 van 22
BIJLAGEN
1. 1.1 1.2
Kaarten en tekeningen Topografische kaart Situatietekening
2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Vooronderzoek Rapportage Bodemloket DCMR Milieudienst Rijnmond omgeving in kaart Verkennend bodemonderzoek Arnicon 2006 Mailwisseling DCMR Milieudienst Rijnmond Fotoreportage
3. 3.1 3.2
Veldonderzoek Formulieren veldonderzoek Boorstaten en legenda
4. 4.1 4.2
Laboratoriumonderzoek Certificaten grond (incl. asbest) Certificaat grondwater
5. 5.1 5.2
Toetsingstabellen Toetsingstabellen grond Toetsingstabellen grondwater
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 3 van 22
INLEIDING In opdracht van Rho Adviseurs is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als Toldam 5 te Heenvliet (afbeelding 1).
Afbeelding 1: Onderzoeksgebied (bron: OpenTopo)
Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In dit kader wenst de opdrachtgever inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Verklaring onafhankelijkheid Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Dennis Rietveld Milieutechniek. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 onder procescertificaat NC-SIK20338 Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 4 van 22
Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft. Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond.
Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatiespecifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoekaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken. Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst en worden indien van toepassing, aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 4 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 5 van 22
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK
Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, het antwoord opgenomen.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 6 van 22
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED
TABEL 2.2.1: Afbakening onderzoeksgebied Onderzoeksvraag Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Uitwerking
Bronnen
Situering
Globale ligging: zie overzichtskaart 1.1 in bijlage 1. Begrenzing onderzoekslocatie: zie situatietekening 1.2 in bijlage 1.
Adres
Toldam 5
Postcode / Plaats
3218 AW Heenvliet
Gemeente
Nissewaard
Provincie
Zuid-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving
Globaal middelpunt onderzoekslocatie
X
76.381
Y
431.093
Hoogte maaiveld
Z
Ca 1,2 m +NAP
Kadastraal
Gemeente
Heenvliet
Gemeentecode
HVT04
Sectie
B
Nummers
5000, 5001, 5002 en 5004
Totaal
6.141 m2
Bebouwd
Ca. 3.000 m2
Verharding
Inpandig is een betonvloer aanwezig. Rondom de bebouwing is plaatselijk sprake van asfaltverharding
Belendingen
Alle richtingen
De onderzoekslocatie ligt aan de rand van een woonwijk en is aan de oostkant begrenst door het oppervlaktewater ‘Bernisse’.
Afbakening VO
25 meter buiten kadastrale grenzen.
Oppervlaktes (m²)
#1 / #2 / #3 / #4 / #5
-
Conclusie Afbakening voldoende. #1: Perceelloep.nl #2: IDDS Projectenkaart #3: AHN.nl #4: Bagviewer.kadaster.nl #5: Google Earth
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 7 van 22
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.3.1: Potentiële bronnen van bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? Uitwerking
Bronnen
Voormalig gebruik
Uit historisch onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie tot de jaren ’90 onbebouwd is geweest een agrarisch doel diende. Vanaf de jaren ’40 vond glastuinbouw op het terrein plaats. De eerste en tevens huidige bebouwing dateert uit 1999 en 2009 en bestaat uit een supermarkt met bijgebouw. Tot de jaren ’50 bevondt zich een sloot op het terrein. Verwacht wordt dat deze met gebiedseigen grond gedempt is. Opgemerkt wordt dat de exacte locatie van deze sloot onbekend is.
Potentiële bronnen
Gezien langdurige agrarisch functie van het terrein, waarbij eveneens teelt heeft plaatsgevonden, worden verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (OCB’s) verwacht.
#1 / #2 / #3 / #4 / #5
Gezien de lange gebruikshistorie van de onderzoeklocatie worden ophooglagen verwacht. In dergelijke ophooglagen kunnen verhoogde gehalten zware metalen en PAK voorkomen. Huidig gebruik
Momenteel is de locatie in gebruik als supermarkt.
Potentiële bronnen
In de huidige situatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend.
Toekomstig gebruik
De toekomstige bestemming van de onderzoekslocatie is onbekend.
-
Conclusie Gezien langdurige agrarisch functie van het terrein, waarbij eveneens teelt heeft plaatsgevonden, worden verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (OCB’s) verwacht. Gezien de lange gebruikshistorie kan in het verleden grond zijn aangebracht waarin verhoogde gehalten met zware metalen en PAK kunnen voorkomen. #1: Topotijdreis.nl #2: Bodemloket.nl; Rapport (opgenomen in bijlage 2.1) #3: Bagviewer.kadaster.nl #4: DCMR Milieudienst Rijnmond; Omgeving in kaart (opgenomen in bijlage 2.2)
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 8 van 22
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST
TABEL 2.4.1: Bodemkwaliteit en asbest Onderzoeksvraag Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Uitwerking Asbest
Bronnen Op basis van Bodemloket en DCMR Milieudienst Rijnmond is er geen informatie beschikbaar omtrent een eventuele verdenking op de aanwezigheid van asbest in de bodem.
#1 / #2 #3
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2006 door Arnicon een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (C06-141-0; verkregen via de opdrachtgever). Opgemerkt wordt dat het een kleiner perceel betreft dan de huidige onderzoekslocatie. Hierin zijn in de bovengrond geen asbestverdachte bijmengingen aangetroffen (kolengruis). Vermeld moet worden dat analytisch geen asbest is onderzocht. Opgemerkt wordt dat, indien in de bodem sprake is van bijmengingen met puin de locatie, ongeacht de gradatie van het puin, dient te worden aangemerkt als asbestverdacht. Bodemkwaliteit
Bodemfunctieklasse
Wonen
Bodemkwaliteitszone
B3 Recente bebouwing (vanaf 1945)
Ontgravingskaart boven- en ondergrond
Bovengrond (0 - 1,0 m-mv): Landbouw Ondergrond (1,0 - 2,0 m-mv): Landbouw
#4 / #5 / #6
Conclusie Informatie omtrent het voorkomen van asbest in de bodem is onbekend. Vooralsnog wordt de locatie als niet asbestverdacht beschouwd. Opgemerkt wordt dat, indien in de bodem sprake is van bijmengingen met puin, de locatie als asbestverdacht wordt aangemerkt. Op basis van de beschikbare gegevens is de verwachte milieuhygiënische kwaliteit klasse ‘Wonen’. #1: Bodemloket.nl; Rapport (opgenomen in bijlage 2.1) #2: DCMR Milieudienst Rijnmond; Omgeving in kaart (opgenomen in bijlage 2.2) #3: Arnicon; Verkennend bodemonderzoek (C06-141-0), d.d. 05-05-2006 (opgenomen in bijlage 2.3) #4: Gemeente Nissewaard; Bodemfunctieklassenkaart #5: Gemeente Nissewaard; Bodemkwaliteitskaart #6: Gemeente Nissewaard; Ontgravingskaart
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 9 van 22
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
TABEL 2.5.1: Bodemopbouw en geohydrologie Onderzoeksvraag Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Uitwerking
Bronnen
Bodemopbouw (lokaal) Grondwater (lokaal)
0,0 - 0,5 m-mv
Zand en klei
0,5 - 3,0 m-mv
Klei
Grondwaterstand freatisch
Circa 1,0 m-mv
#1 / #2
Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend. De stromingsrichting zal lokaal worden beïnvloed door objecten in de ondergrond. Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen (drainage, bemalingen, etc.). Geohydrologie
0,0 - 17,0 m-mv
Deklaag 1e watervoerende pakket
17,0 - 31,0 m-mv e
Stromingsrichting 1 WVP Bodemvreemde lagen
Noordoost
Ter plaatse van de onderzoekslocatie worden ophooglagen verwacht.
Conclusie Ter plaatse van de onderzoekslocatie worden bodemvreemde lagen verwacht ten gevolge van ophooglagen. #1: DINOloket.nl #2: Archief IDDS
2.6
BEÏNVLOEDING
TABEL 2.6.1: Beïnvloeding Onderzoeksvraag Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Uitwerking Beïnvloeding
Bronnen Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.
#1 / #2
Conclusie Er is voor zover bekend geen sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit en/of de kwaliteit van het grondwater. #1: Bodemloket.nl; Rapport (opgenomen in bijlage 2.1) #2: DCMR Milieudienst Rijnmond; Omgeving in kaart (opgenomen in bijlage 2.2)
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 10 van 22
2.7
BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.7.1: Bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Uitwerking
Bronnen
Onderzoek ter plaatse van de locatie Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in 1997 en 2006 twee bodemonderzoeken uitgevoerd, waarvan het onderzoek uit 1997 noch bij DCMR Milieudienst Rijnmond, noch bij Gemeente Nissewaard beschikbaar was. Het rapport uit 2006 is verkregen via de opdrachtgever. Opgemerkt wordt dat het onderzoek was uitgevoerd op een kleiner dan de huidige onderzoekslocatie. Hieruit blijkt het volgende: -
#1 / #2 / #3
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (C06-141-0). De aanleiding hiervan was de aanvraag van een bouwvergunning. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met kwik, zink en PAK aangetroffen. Tevens is de grond matig verontreinigd met koper en lood. Na uitsplitsing bleek de grond slechts licht verontreinigd met lood. Het grondwater is niet verontreinigd.
Onderzoek nabij de locatie Verwachting o.b.v. eerder bodemonderzoek
Bij DCMR Milieudienst zijn een tweetal onderzoeken opgevraagd. De rapporten kunnen worden ingezien via de website van DCMR Milieudienst Rijnmond. Hieruit blijkt het volgende: -
-
#1 / #5
Nabij de onderzoekslocatie (Toldam 1/1a) is in 2010 door de Bodem OnderZoeker B.V een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (BOZ-9480). De aanleiding hiervoor was de voorgenomen eigendomsoverdracht van het terrein. Hierin is in de bovengrond een lichte verontreiniging met enkele zware metalen en minerale olie aangetroffen. Tevens overschrijdt het gehalte PAK de interventiewaarde. De ondergrond is licht verontreinigd met lood en kwik. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen en dichlooretheen. Nabij de onderzoekslocatie (Toldam 1/1a) is in 2012 door DETA Milieu een nader bodemonderzoek uitgevoerd (120609D). De aanleiding hiervoor was de hierboven beschreven sterke verontreiniging met PAK op het terrein. De verontreiniging is ingekaderd. Plaatselijk is sprake van een lichte verontreiniging met PAK; zeer plaatselijk is sprake van een matige verontreiniging met PAK. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Conclusie Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij lichte verontreinigingen in de bovengrond zijn aangetroffen. Nabij de onderzoekslocatie zijn in het verleden een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd waarbij in de grond en het grondwater lichte tot zeer plaatselijk matige verontreinigingen zijn aangetroffen. Op basis van bovenstaande bevindingen worden ter plaatse van de onderzoekslocatie hoogstens lichte verontreinigingen verwacht. #1: Bodemloket.nl; Rapport (opgenomen in bijlage 2.1) #2: DCMR Milieudienst Rijnmond; Omgeving in kaart (opgenomen in bijlage 2.2) #3: Arnicon; Verkennend bodemonderzoek (C06-141-0), d.d. 05-05-2006 (opgenomen in bijlage 2.3) #4: Mailwisseling DCMR Milieudienst Rijnmond (opgenomen in bijlage 2.4) #5: Website DCMR Milieudienst Rijnmond
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 11 van 22
2.8
TERREINVERKENNING
De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is op 04-06-2021 uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt geen sprake te zijn van aanvullende bijzonderheden en hebben zich geen wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens. Ter illustratie is in bijlage 2.5 een fotoreportage opgenomen. 2.9
BEOORDELING
Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. In tabel 2.9.1 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.9.1: Beoordeling Onderzoeksvraag Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Beantwoording Omschrijving
Reden afwijking
Afwijking
Geen
-
Gevolgen betrouwbaarheid
-
-
Beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen
-
-
Conclusie De milieuhygiënische bodemkwaliteit is niet afdoende bekend. Er is geen (actuele) informatie beschikbaar omtrent de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 12 van 22
2.10 CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij eventueel bodemonderzoek dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.10.1: Conclusie en hypothese Hypothese Algemeen Locatie
Gehele terrein
Conclusie
Gezien de lange gebruikshistorie van de onderzoeklocatie worden ophooglagen verwacht. In dergelijke ophooglagen kunnen verhoogde gehalten zware metalen en PAK voorkomen. Echter is ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij slechts lichte verontreinigingen in de bovengrond zijn aangetroffen. Op basis van de bekende gegevens worden ter plaatse van de onderzoekslocatie hoogstens lichte verontreinigingen verwacht. Derhalve wordt de onderzoeksstrategie ‘onverdacht’, onzes inziens, afdoende geacht voor het vaststellen van eventuele verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Gezien langdurige agrarisch functie van het terrein, waarbij eveneens teelt heeft plaatsgevonden, worden verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (OCB’s) verwacht.
Hypothese
Onverdacht Als aandacht parameters worden aangemerkt: Grond: zware metalen, PAK, OCB’s
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 13 van 22
VERKENNEND BODEMONDERZOEK 3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE
De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1.1. TABEL 3.1.1: Onderzoeksstrategie Locatie Onderzoeksstrategie Gehele terrein
NEN 5740+A1;2016; Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. In het verleden heeft op de locatie een voormalige sloot gelopen. De exacte locatie van de voormalige sloot is onbekend. Tijdens de veldwerkzaamheden is extra aandacht verricht om na te gaan in hoeverre de demping visueel nog terug te vinden is (afwijkend dempingsmateriaal, slib- en rietresten). Dit wordt gecombineerd met het onderzoek van het gehele terrein. Een tweetal diepere boringen zijn geplaatst ter plaatste van de vermoedelijke ligging van de sloot. In verband met de omvang van de locatie en de aanwezigheid van mogelijke ophooglagen is een aantal diepe boringen tot 1,0 m-mv doorgezet. Tevens is de bovengrond aanvullend geanalyseerd op bestrijdingsmiddelen OCB’s.
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op situatietekening 1.2 die in bijlage 1 is opgenomen. TABEL 3.2.1: Samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode 4 en 16 juni 2021 Uitvoerende partij
D. Rietveld Milieutechniek
BRL SIKB / protocol
BRL SIKB 2000 Protocol 2001, 2002
Onderzoeksaspect
Meetpunten
Gehele terrein
Codering
Bijzonderheden
7
02, 04, 06, 09 t/m 11, 13
-
4
05, 071, 12, 16B2
-
Type
Diepte [m-mv]
Aantal
Boring
0,5 1,0 2,0 - 2,5
4
1
03, 08 , 14, 15
-
Peilbuis 3,0 1 01 #1: Boringen zijn geplaatst ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de gedempte sloot. #2: Boring 16 is vanwege het inpandig aanwezig zijn van een machinaal niet te doorboren laag naar buiten geplaatst.
Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 3. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1
Pagina 14 van 22
Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op de boorstaten, wordt als volgt omschreven: -
De bovengrond bestaat afwisselend uit matig fijn zand en klei. De ondergrond bestaat tot de geboorde dieptes van maximaal 3,0 m-mv uit klei.
Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: -
-
In de bovengrond zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De grond bevat hier sporen baksteen (boring 09 en 11), koolas (boring 03, 05, 06) en sporen / resten metselpuin (boring 01 en 12 ). Plaatselijk is de grond zwak metselpuin -en/of koolashoudend (boring 06 en 09). In de ondergrond zijn zeer plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De grond bevat hier sporen metselpuin (boring 03) of resten slib (boring 07). De resten slib duiden op een voormalige sloot. Er is geen dempingsmateriaal aangetroffen. hoogstwaarschijnlijk is de demping gerealiseerd met gebiedseigen grond.
Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm). Indien asbestverdacht materiaal is aangetroffen is dit, per boorpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de visuele inspectie op asbest blijkt het navolgende: -
Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is visueel geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in de boven -en ondergrond plaatselijk metselpuin aangetroffen. Dergelijke bijmengingen worden volgens bijlage A van de NEN 5725 als asbestverdacht beschouwd.
Grondwater Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld. Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Toldam 5 te Heenvliet Kenmerk rapportage: A0868-06/ADR/rap1