CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 1 bij brief SvWrR; Concept Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025

Gemeenteraad 29 januari 2025, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken (1 - 41 )13.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Definitieve versie 6 december 2024

22

5. Het in het vorige lid bedoelde tweede woonruimtetype geeft enkel voorrang bij het verlenen van huisvestingsvergunningen: a. gedurende de tweede fase van de urgentie; en b. indien de woonruimte die voldoet aan het tweede in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype, gelegen is in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft afgegeven. 6. Onder wooncarrière wordt in dit artikel verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar algemeen gangbare maatschappelijke maatstaven als gewilder wordt beschouwd dan de woonruimte die achtergelaten wordt. Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal 1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkameraantal wordt overeenkomstig de onderstaande tabel bepaald aan de hand van de grootte en samenstelling van het huishouden van de houder van de urgentieverklaring. Aantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden

Nadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden

Aantal slaapkamers

1

-

0 tot en met 2

2

2 volwassenen

1 tot en met 2

2

1 ouder en kind

2

3

2 ouders en kind

2

3

1 ouder en 2 kinderen

2 tot 3

4

2 ouders en 2 kinderen

2 tot 3

4

1 ouder en 3 kinderen

3 tot en met 4

5

2 ouders en 3 kinderen

3 tot en met 4

5

1 ouder en 4 kinderen

4 of meer

6 of meer

-

4 of meer

2. Onder ‘ouder’ als bedoeld in het vorige lid wordt mede verstaan, gelet op de zorg voor het inwonende kind of de inwonende kinderen, daaraan gelijk te stellen persoon zoals voogd, pleeg- of stiefouder. Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie 1. In de urgentieverklaring kan in de volgende gevallen worden bepaald dat de tweede fase van de urgentie in afwijking van het bepaalde in de vorige leden direct na verlening van de urgentieverklaring start: a. de urgentieverklaring wordt verleend voor indeling in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ voor zover het betreft een woningzoekende als bedoeld in artikel 3.4.3, tweede lid, onder a, b of c; Definitieve versie 6 december 2024

23

b. de houder van de urgentieverklaring of een lid van zijn huishouden is naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in zodanige mate afhankelijk zijn van zorg-, onderwijs- of dagbestedingsinstellingen dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aanvrager buiten de huidige woonplaats of kern gaat wonen, terwijl gelet op de samenstelling en mutatiegraad van de woonruimtevoorraad in die woonplaats of kern redelijkerwijs verwacht moet worden dat de houder van de urgentieverklaring niet gedurende de eerste fase van de urgentie zelf woonruimte overeenkomstig het in de urgentieverklaring voor de eerste fase op te nemen zoekprofiel zou kunnen vinden; c. overeenkomstig artikel 3.2.2, vijfde lid, is in de urgentieverklaring bepaald dat de houder van de urgentieverklaring niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte mag zoeken. 2. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt in het zoekprofiel van de urgentieverklaring als zoekgebied opgenomen de gemeente waartoe de in het derde lid, onder b, bedoelde kern behoort. Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring 1. De houder van de urgentieverklaring doet al hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om het aan de verlening van de urgentieverklaring ten grondslag liggende huisvestingsprobleem op te lossen. 2.

Gedurende de beide fasen van de urgentie: a. zoekt de houder van de urgentieverklaring zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte; b. geeft houder van de urgentieverklaring een reactie woonruimte die via het aanbodinstrument wordt aangeboden, voor zover de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3. Het vorige lid is niet van toepassing als toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, in de urgentieverklaring is bepaald dat de houder van de urgentieverklaring niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken. Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring 1. Gedurende de tweede fase van de urgentie dragen de in de regio werkzame corporaties in gezamenlijkheid verantwoordelijkheid voor het aanbieden van woonruimte aan de houder van de urgentieverklaring. 2. Gedurende de tweede fase van de urgentie krijgt de houder van de urgentieverklaring van tenminste één van de in de regio werkzame corporaties een direct aanbod van een woonruimte die voldoet elk van de volgende eigenschappen: a. de woonruimte is gelegen in de in de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; b. de woonruimte behoort tot een in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3.

Indien de urgentieverklaring verleend is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geldt als de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorkeursurgentieregio: a. de urgentieregio Noordoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen:

Definitieve versie 6 december 2024

24

i. de urgentieregio Waterweg; ii. de urgentieregio Noord; iii. de urgentieregio Hart van Rotterdam; iv. de urgentieregio Oost; of v. de urgentieregio Noordoever. b. de urgentieregio Zuidoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Zuidrand; ii. de urgentieregio Voorne-Putten; of iii. de urgentieregio Zuidoever. 4. Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype. Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën Artikel 3.4.1. Mantelzorg Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de mantelzorg in de drie maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag tenminste acht uur per week is verleend of ontvangen; c.

de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; d. de mantelzorgsituatie naar verwachting nog minstens één jaar zal voortduren; e. de relatie tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger gebaseerd is op familiebanden of langdurige sociale omgang; f. de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener niet in een intramurale instelling wonen; g. de mantelzorgverlener medisch, fysiek en psychisch in staat is mantelzorg te verlenen; h. het betrekken van een woonruimte in de regio de meest passende manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; en i. de mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger op ten minste vijf kilometer afstand van elkaar wonen of de gemiddelde reistijd tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger tenminste een half uur bedraagt. Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek 1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:

Definitieve versie 6 december 2024

25

a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed; c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en d. de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betrecende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinischpsychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland. 2.

Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt en dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld. Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. de woningzoekende tot een van de in het volgende lid genoemde categorieën behoort. 2. Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden: a. aan wie wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang, geboden door een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling, verlaten; b.

aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten; c. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen voorziening voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlaten; d. die een verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of

Definitieve versie 6 december 2024

26

woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten. 3. Bij de indeling van de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie kan het college van burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden en beperkingen opleggen: a. de woningzoekende ontvangt begeleiding van een instelling in de regio voor een door het college te bepalen duur, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; b. de woningzoekende neemt de woonruimte in gebruik van een zorginstelling, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; c. de indeling in de urgentiecategorie beperkt zich tot een woonruimte in een gebied met kenmerken die structureel bijdragen aan de deelname van de woningzoekende aan de maatschappij. Deze beperking maakt deel uit van het in het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel. 4. De in het vorige lid bedoelde voorwaarden en beperkingen worden in de urgentieverklaring vermeld. 5. Het college van burgemeester en wethouders wijst de in het tweede lid, onder a of c, bedoelde voorzieningen en instellingen aan.

Het college van burgemeester en wethouders actualiseert het aanwijzingsbesluit jaarlijks. Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘onbewoonbaarheid’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. door aanvrager rechtmatig bewoonde zelfstandige woonruimte naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders feitelijk onbewoonbaar is als gevolg van een calamiteit en c. de onder b. bedoelde woonruimte niet binnen drie maanden zodanig hersteld kan worden, dat bewoning weer redelijkerwijs mogelijk is. Artikel 3.4.5. Woonlasten 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘woonlasten’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager op dit moment een zelfstandige woonruimte bewoont; en c. er zich één of meer van de in het volgende lid genoemde omstandigheden voordoet. 2. De in het vorige lid, onder b, bedoelde omstandigheden zijn: a. de woningzoekende moet voldoen aan een verhuisverplichting die ingevolge de Participatiewet in verband met de hoogte van de woonlasten aan de woningzoekende is opgelegd;

Definitieve versie 6 december 2024

27

b. de woonlasten van de woningzoekenden zijn naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders onevenredig in relatie tot het inkomen van aanvrager of andere mogelijkheden van aanvrager en diens huishouden om in de woonlasten te voorzien. 3. Indien de in het vorige lid, onder b, genoemde omstandigheid het gevolg is echtscheiding of beëindiging van samenwoning: a. wordt de urgentieverklaring alleen aangevraagd door degene tot wiens huishouden de kinderen met een leeftijd tot 23 jaar behoren of gaan behoren; en b. toont de aanvrager door overlegging van bewijsstukken aan, dat sprake is van een de echtscheiding, beëindiging van samenwoning, of voornemen daartoe. 4. Onder woonlasten als bedoeld in het tweede lid worden verstaan alle kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders rechtstreeks veroorzaakt worden door het in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van woonruimte. Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. voldaan wordt aan elk van de in het volgende lid genoemde voorwaarden. 2.

Aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden wordt voldaan indien: a. de aanvrager op het moment waarop de urgentieverklaring wordt aangevraagd, rechtmatig een in de regio gelegen zelfstandige woonruimte bewoont; b. ten aanzien van de aanvrager of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen; en c. uit een schriftelijke verklaring van de politie blijkt dat de aanvrager in verband met de onder b. bedoelde problematiek om veiligheidsredenen niet meer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen. Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager woonachtig is in een woonruimte die door het college van burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid is aangewezen; en c. het aannemelijk is dat de onder b. woonruimte binnen 18 maanden gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden. 2.

Het college van burgemeester en wethouders kan woonruimte aanwijzen die in verband met een mede door het algemene of volkshuisvestelijk belang ingegeven object-, project of gebiedsgerichte aanpak gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden.

Definitieve versie 6 december 2024

28

3. Indien een urgentieverklaring verleend wordt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt in de urgentieverklaring de uitverhuisdatum opgenomen. 4. In de urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’: a. wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2, eerste lid, onder b, de urgentieregio waarin de te slopen of grijpend te renoveren woonruimte gelegen is, als urgentieregio en zoekgebied vermeld; en b. wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3, tweede lid, een woonruimtetype opgenomen dat gelijkwaardig is aan de te slopen of ingrijpend te renoveren woonruimte. 5. In dit artikel wordt onder uitverhuisdatum verstaan: de datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben. Artikel 3.4.8. Vergunninghouders 1. Een vergunninghouder wordt gelijkgesteld met de houder van een urgentieverklaring vanaf het moment waarop de vergunninghouder ingevolge de in artikel 28 van de wet bedoelde taakstelling gehuisvest dient te worden door een regiogemeente tot het moment waarop de vergunninghouder gehuisvest is. 2.

Gedurende de termijn dat een vergunninghouder ingevolge het eerste lid gelijkgesteld is met de houder van een urgentieverklaring, geldt voor de vergunninghouder als zoekgebied de regiogemeente die de vergunninghouder dient te huisvesten. Hoofdstuk 4. Standplaatsen Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen Artikel 4.1.1. Werkingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op de in de gemeente gerealiseerde en nog te realiseren standplaatsen. Artikel 4.1.2. Aanvullende begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wachtlijst: de door het college van burgemeester en wethouders bijgehouden wachtlijst van woningzoekenden die in aanmerking wensen te komen voor een standplaats. Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad De volgende categorie woonruimte is aangewezen als bedoeld in artikel 7 en mag alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: standplaatsen. Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden

Definitieve versie 6 december 2024

29

1. Eenieder die behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden en voor een standplaats in aanmerking wenst te komen, kan het college van burgemeester en wethouders verzoeken om inschrijving op de wachtlijst voor standplaatszoekenden. 2. Het verzoek wordt gedaan via het aanbodinstrument. Het college van burgemeester en wethouders kan daarvoor een aanvraagformulier vaststellen en in het aanvraagformulier aangeven, welke gegevens en bescheiden bij het verzoek ingediend moeten worden. Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden 1. Een inschrijving op de wachtlijst vervalt als: a. de ingeschreven standplaatszoekende om beëindiging van de inschrijving verzoekt; b. de ingeschreven standplaatszoekende een standplaats in gebruik neemt; c. de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt en zijn of haar inschrijving niet met toepassing van het tweede lid overgenomen wordt; of d. de ingeschreven standplaatszoekende niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden. 2. Indien de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt, wordt zijn of haar inschrijving van rechtswege overgenomen door de geregistreerd partner of echtgenoot of echtgenote van de standplaatszoekende. Artikel 4.2.4. Verlening van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen 1.

Indien via het aanbodinstrument is bekendgemaakt dat een standplaats beschikbaar komt voor bewoning, komen alleen aanvragers die op de wachtlijst als standplaatszoekenden zijn ingeschreven, in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. 2. Het college van burgemeester en wethouders verleent de huisvestingsvergunning aan de aanvrager die: a. voldoet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; en c. [VOEG AANVULLENDE VOORRANGSREGELS OF ALGEMENE VOLGORDECRITERIA TOE, VOOR ZOVER NOODZAKELIJK EN GESCHIKT GELET OP HET BESTRIJDEN VAN ONEVENWICHTIGE EN ONRECHTVAARDIGE EFFECTEN VAN SCHAARSTE AAN STANDPLAATSEN]. 3. De huisvestingsvergunning wordt geweigerd, indien de aanvrager gelet op het eerste en tweede lid niet voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan de verlening en weigering van huisvestingsvergunningen mandateren. Artikel 4.2.5. Overgangsbepaling [optioneel: gemeente kan deze bepaling wel of niet overnemen] Een inschrijving op de in artikel 2.6.2 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 bedoelde wachtlijst die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening niet vervallen was, wordt gelijkgesteld met een inschrijving op de in artikel 4.2.2 bedoelde wachtlijst.

Definitieve versie 6 december 2024

30

Hoofdstuk 5. Overige bepalingen Paragraaf 5.1. Experimenten Artikel 5.1.1. Experimenten 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. 2. Bij een experiment worden de ececten onderzocht van een wijze van aanbod en in gebruik geven van woonruimte, die niet in of op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen worden. 3. De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte. 4. Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar. 5. De resultaten van een experiment, waaronder in ieder geval de werking en de ececten van het experiment en de uitkomst van de evaluatie ervan worden besproken in regionaal verband en maken deel uit van de evaluatie van de verordening. Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst 1. Een in artikel 5.1.1 bedoeld experiment wordt georganiseerd door één of meer corporaties in samenwerking met één of meer gemeenten. Zij sluiten daartoe voorafgaand aan de start van het experiment een experimentenovereenkomst, welke ten minste het volgende bevat: a. een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; b. het toepassingsbereik van het experiment; c.

de tijdsduur van het experiment; d. de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het experiment; en e. de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt. 2. Voordat het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente waar het experiment plaats zal vinden, besluit tot het aangaan van de experimentenovereenkomst, worden de opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige regiogemeenten. 3. Bij zijn besluit inzake het aangaan van de experimentenovereenkomst neemt het college van burgemeester en wethouders de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht. Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties 1. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de registratie van vraag, aanbod en verhuringen van de

Definitieve versie 6 december 2024

31

onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallende woonruimten van corporaties. 2. Het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg bepaalt in welke gegevens en ontwikkelingen, te herleiden uit de in het eerste lid bedoelde registratie, per kalenderjaar door middel van het document "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam" inzicht wordt geboden. 3. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de samenstelling van de in lid 2 bedoelde "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam". De monitor van een kalenderjaar wordt uiterlijk op: a. 1 juni van het daaropvolgende jaar toegezonden aan de corporaties, de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; en b. 1 juni van het daaropvolgende jaar gepubliceerd op de website van de corporaties of van een door hen aan te wijzen partij of orgaan. Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring Corporaties gezamenlijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten voeren ten minste éénmaal per kalenderjaar overleg over de in artikel 5.2.1, tweede lid, bedoelde monitor. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland wordt uitgenodigd zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Artikel 5.2.3.

Registratie en monitoring bij overige woonruimten De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor: 1. de registratie van vraag, aanbod, verhuringen en verkoop van woonruimten, niet zijnde woonruimte van corporaties, die onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallen; 2. het per kalenderjaar op basis van de onder a. bedoelde registratie opstellen van een monitor, als onderdeel van de in artikel 5.2.1 bedoelde “Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam”. Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling In aanvulling op het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg wordt tenminste éénmaal per kalenderjaar overleg gevoerd over de woonruimtebemiddeling in het lopende kalenderjaar, over actuele thema’s in het kader van de woonruimteverdeling en over eventuele benodigde bijsturing. Paragraaf 5.3. Handhaving Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 van de wet kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. De in het vorige lid bedoelde bestuurlijke boete bedraagt: a. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet € [eerste categorie, per 1 januari 2024 is dat € 515];

Definitieve versie 6 december 2024

32

b. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet € [vierde categorie, per 1 januari 2024 is dat € 25.750]. 3. In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet € [vijfde categorie, per 1 januari 2024 is dat € 103.000] indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod. Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt nog niet besloten is op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om een urgentieverklaring, wordt op die aanvraag beslist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Artikel 6.1.2. Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep 1. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. 2.

Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen 1. Urgentieverklaringen die is verleend voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van deze verordening, zijn overeenkomstig dit artikel gelijkgesteld met urgentieverklaringen die zijn afgegeven met toepassing van deze verordening. 2. Een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 1 van de tabel van Bijlage 1 genoemde, in de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 of de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen urgentiecategorie, is gelijkgesteld aan een op grond van deze verordening afgegeven urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 2 van de tabel van Bijlage 1 genoemde urgentiecategorie. 3. Indien een urgentieverklaring verleend is vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, geeft de urgentieverklaring de houder ervan in de volgende gevallen geen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning: a.

de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 1 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring heeft de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, bij het aanbod van de woonruimte te bepalen leeftijd niet bereikt; b. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 2 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring is ouder dan, of

Definitieve versie 6 december 2024

33

ouder dan een lagere leeftijd dan die bij het aanbod van de woonruimte bepaald is; c. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 6 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring beschikt niet over de in artikel 2.2.6, derde lid, bedoelde indicatie. 4. Voor urgentieverklaringen verleend vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, blijven gedurende een termijn van één jaar na inwerkingtreding van deze verordening de in die urgentieverklaringen overeenkomstig artikel 3.2 van Bijlage I en Bijlage II bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen voorkeursurgentieregio’s van kracht. 5. Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn worden de in het eerste lid bedoelde urgentieverklaringen aangepast aan de nieuwe indeling. Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling voor huisvestingsvergunningen Na inwerkingtreding van deze verordening blijven de onder de eerder geldende regels verstrekte huisvestingsvergunningen van kracht. Paragraaf 6.2. Slotbepalingen Artikel 6.2.1. Intrekking van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 wordt ingetrokken. Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 3. Deze verordening vervalt vier jaar na het tijdstip van haar inwerkingtreding. [volgt ondertekening]

Definitieve versie 6 december 2024

34

Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen Bijlage bij artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 Kolom 1 Urgentiecategorieën uit de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 en de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (met verwijzing naar artikel uit die verordeningen) Medische noodzaak (artikel 5.1) Onbewoonbaarheid (artikel 5.2) Woonlasten (artikel 5.3) Geweld en bedreiging (artikel 5.4) Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten (artikel 5.5) Mantelzorg (artikel 5.6) Doorstroming vanuit opvanginstellingen (artikel 5.7) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 5.8) Vergunninghouders

Definitieve versie 6 december 2024

Kolom 2 Urgentiecategorieën uit deze verordening (met verwijzing naar artikel uit deze verordening)

Ernstige en chronische medische problematiek (artikel 3.4.2) Onbewoonbaarheid (artikel 3.4.4) Woonlasten (artikel 3.4.5) Geweld en bedreiging (artikel 3.4.6) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3)

Mantelzorg (artikel 3.4.1) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 3.4.7) Vergunninghouders (artikel 3.4.8)

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15065882/1