CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

43. Memo VAWOZ, bijlage I; Ontwerpprogramma VAWOZ

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken (1 t/m 44)46.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

25 alinea's met “categorie”: 242 244 359 366 424 463 471 482 485 487 514 536 554 558 561 564 584 608 613 721 723 728 741 745 746

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) toetst of TenneT de juiste, volledige en voor de besluitvorming relevante informatie heeft aangeleverd over de investeringen in het hoogspanningsnet op zee, voor het nemen van goed onderbouwde keuzes door de minister en staatssecretaris van KKG in het Programma VAWOZ.

3.2.5 Samenvatting proces en participatie De beschreven processtappen in dit hoofdstuk staan in Figuur 3‑2. Per stap is te zien hoe de omgeving is betrokken welke stappen hebben plaatsgevonden als voorbereiding op de besluitvorming.

Processtappen programma VAWOZ NRD (Notitie Reikwijdte en Detailniveau)

IEA/plan-MER onderzoek

Opstellen ontwerpprogramma

Terinzagelegging ontwerpprogramma, IEA en plan-MER

Verwerking reacties in nota van antwoord en programma

Vaststellen programma

Omgeving Reacties door • medeoverheden • belangen­ organisaties • georganiseerde omgevingspartijen • burgers

Werk­ en dia­ loogsessies met medeoverheden, belangenorganisaties en georganiseerde omgevingspartijen

Inbreng in concepten ontwerpprogramma door medeoverheden

Voorbereiden besluitvorming Bestuurlijke overleggen met medeoverheden per regio en landelijk

Mogelijkheid tot indienen van een zienswijze

Regioadviezen, advies RWS, voor­ zittersbrief NZO

Advies commissie MER

Ministerraad

Figuur 3‑2 Processtappen Programma VAWOZ 18

4

Opstellen, beoordelen en ordenen van de alternatieven voor elektrische aanlandingen

In hoofdstuk 3 (Aanpak programma, onderzoek en participatie) is beschreven hoe de relevante informatie is verzameld op basis waarvan de mogelijke alternatieven voor de elektrische aanlandingen zijn opgesteld. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de alternatieven zijn opgesteld, waarop ze zijn beoordeeld en hoe ze zijn geordend.

4.1

Samenstellen van de alternatieven

Op basis van alle onderzoeksresultaten en het participatieproces zijn de mogelijke alternatieven samengesteld. Hierbij is per regio gekeken naar de volgende aspecten: • Harde randvoorwaarden gehanteerd in onderzoek. In de onderzoeken zijn bepaalde harde randvoorwaarden voor routes en zoekgebieden gehanteerd. Het gaat bijvoorbeeld over de minimale afstand tot bebouwing, geluidzonering, de aanwezigheid van beschermde natuur- en landschappelijke waarden en technische randvoorwaarden zoals de maximale afstand van een boring. Deze harde randvoorwaarden stellen zo grenzen en beperken op deze manier het aantal mogelijkheden voor alternatieven. • Onmogelijke (delen) van aanlandingen. Uit het onderzoek voor de thema's Milieu en ruimte en Techniek komen technische en juridische aandachtspunten naar voren. Als sprake is van een technische onhaalbaarheid of wettelijke belemmering, dan is een aanlanding (gedeeltelijk) niet maakbaar. Deze valt af voor verder onderzoek. Bepaalde (onderdelen van) aanlandingen worden dan niet meer opgenomen als of in een alternatief. Bijvoorbeeld een (stuk) route met een significant negatief effect op een Natura 2000-gebied, valt af voor het samenstellen van de alternatieven. • De effectbeoordeling in de IEA/plan-MER (inclusief Passende Beoordeling).

Uit de effectbeoordeling wordt duidelijk wat de kansen, effecten van en verschillen zijn tussen routes en zoekgebieden. De onderlinge verschillen maken dat bepaalde routes en zoekgebieden kansrijker zijn dan andere routes en zoekgebieden. Bijvoorbeeld een lange route langs bebouwd gebied of drinkwaterwingebied met meer effecten dan een route die hier niet langs loopt. • Randvoorwaarden vanuit gerelateerde projecten. Bepaalde projecten kunnen tot specifieke regionale randvoorwaarden leiden. Bijvoorbeeld het moment waarop een nieuw te bouwen hoogspanningsstation waarop mogelijk aangesloten wordt, gereed is. Of dat een keuze voor bijvoorbeeld een kerncentrale op een bepaalde locatie betekent dat er geen aanlanding in die regio meer mogelijk is omdat de capaciteit van het hoogspanningsnet niet voldoende is. • Opbrengst omgevingsproces. In iedere regio heeft gedurende de onderzoeksfase een omgevingsproces plaats gevonden. Hier is veel specifieke regionale informatie opgehaald die geholpen heeft bij het samenstellen van de verschillende alternatieven. Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

• Regio-advies. De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Zeeland hebben ieder een regio-advies opgesteld, samen met gemeenten, waterschappen en andere organisaties. Hierin wordt geadviseerd over welke aansluitlocaties, routes en zoekgebieden de voorkeur hebben vanuit de regio. • De overige adviezen en raadpleging van andere overheden en organisaties. In de hoofdstukken 6 tot en met 11 is per regio aangegeven hoe de alternatieven zijn samengesteld en hoe deze zijn beoordeeld.

4.2

Beoordelen van de alternatieven

Om tot een systematische en vergelijkbare beoordeling van de verschillende alternatieven te kunnen komen, is voor alle alternatieven onderstaande redeneerlijn doorlopen. Daarbij zijn ook de beleidsprincipes uit de relevante beleidskaders gehanteerd (zie paragraaf 2.1). 1: Landelijk perspectief systeemintegratie Bij de beoordeling van de alternatieven is gekeken naar de systeemintegratie van aanlandingen van Wind op zee op het landelijke hoogspanningsnet. Het gaat daarbij om de vraag of een 2GW-aanlanding aansluit op de regionale vraag en of het overschot afgevoerd kan worden via het hoogspanningsnet. Randvoorwaarde hierbij is dat een (grootschalige) toename van netcongestie en redispatchkosten24 moeten worden voorkomen. Deze beoordeling geeft inzicht in: • Het maximale aantal aanlandingen dat per regio op het hoogspanningsnet kan worden aangesloten. • Het maximale aantal aanlandingen in Nederland. • De meest wenselijke verdeling van deze aanlandingen over Nederland. 2: Overwegingen vanuit milieu & natuur, techniek en kosten Voor alle opgestelde alternatieven is beoordeeld of er op basis van milieu-, natuur- en landschappelijke waarden, techniek, kosten en andere gebruiksfuncties overwegingen zijn die een alternatief meer of juist minder wenselijk en daarmee meer of minder kansrijk maken.

24 Redispatch is een maatregel die netbeheerders gebruiken om overbelasting van het hoogspanningsnet te voorkomen door de productie en het verbruik van elektriciteit aan te passen. De netbeheerder betaalt een vergoeding aan de partijen (energieproducenten of grote afnemers) die hun productie of verbruik aanpassen. 19

3: Moment van aansluiten op gewenst hoogspanningsstation Er is gekeken naar het mogelijke moment van aanlanden. Wanneer kan er, als de onderstaande aspecten in samenhang bekeken worden, aangesloten worden op het hoogspanningsstation? • Bij een nieuw hoogspanningsstation: wanneer is deze gereed? • Zijn er mijlpalen bij relevante andere projecten die bepalen op welk moment een aanlanding in mogelijk is? Bijvoorbeeld; wanneer is een benodigde versterking van het hoogspanningsnet klaar? • Is er voldoende vraag naar elektriciteit in een regio te verwachten die een (extra) aanlanding nuttig en mogelijk maakt? • Zijn er nieuwe grootschalige productiebronnen voorzien, zoals bijvoorbeeld kernenergie die, net als een aanlanding van Wind op zee, aansluitcapaciteit op een hoogspanningsstation en transportcapaciteit op het hoogspanningsnet vereisen? 4: (Regio)adviezen Op basis van de binnengekomen (regio)adviezen is beoordeeld welke (onderdelen van) de verschillende alternatieven op draagvlak kunnen rekenen van verschillende overheden en belangenorganisaties.

4.3

aandachtspunten kent. • Omdat gebleken is dat er meer detailonderzoek nodig is voordat bepaald kan worden of een alternatief haalbaar is. • Omdat vanwege nog te nemen besluiten bij een aanpalend traject of raakvlakproject, waarvan dit alternatief afhankelijk is, het nog erg onduidelijk is hoe dit alternatief eruit komt te zien. • Omdat de inschatting is dat het lang duurt voordat het alternatief te realiseren is. • Het nu nog niet mogelijk om de aangelande energie regionaal te gebruiken (onvoldoende vraag) of via het hoogspanningsnet te transporteren naar het achterland omdat er te weinig transportcapaciteit is. Wellicht zijn één of meerdere van deze alternatieven toch nodig om de ambitie voor Wind op zee te kunnen realiseren. Dit kan betekenen dat één of meerdere van deze alternatieven op termijn verder uitgewerkt worden. Hiervoor is aanvullende besluitvorming nodig. Categorie 3: niet haalbare alternatieven Dit zijn (delen van) routes of zoekgebieden die op basis van de onderzoeksresultaten definitief vervallen vanwege technische onhaalbaarheid of wettelijke belemmeringen.

Ordening van alternatieven

De kansrijkheid van een alternatief wordt bepaald door een weging van in paragraaf 4.2 genoemde aspecten samen. Er zijn drie categorieën van alternatieven onderscheiden op basis van de huidige mate van kansrijkheid. Hieronder zijn deze categorieën beschreven en in hoofdstuk 14 zijn de alternatieven ingedeeld in deze categorieën. Categorie 1: Voorkeursalternatieven Dit zijn de meest kansrijke alternatieven. Daarom zijn deze zijn als voorkeursalternatief benoemd. De voorkeursalternatieven bestaan uit een route op zee, een route op land en een zoekgebied voor een converterstation. Alle voorkeursalternatieven kennen nog (grote) ruimtelijke of systeemtechnische uitdagingen. De voorkeursalternatieven kunnen benut worden om de verdere uitrol van Wind op zee mogelijk te gaan maken. De staatssecretaris en minister van KGG besluiten wanneer voor deze voorkeursalternatieven projectprocedures worden gestart. De voorkeursalternatieven worden dan verder uitgewerkt en ruimtelijk geborgd door het vaststellen van een projectbesluit. Categorie 2: Overige alternatieven Diverse van de alternatieven zijn (op dit moment) minder kansrijk. De redenen hiervoor verschillen per alternatief. Bijvoorbeeld: • Omdat een alternatief op diverse (ruimtelijke of ecologische) aspecten grote Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

20

Deel B – Voorkeursalternatieven voor elektrische aanlandingen

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

21

5

Waar zijn aanlandingen van elektriciteit systeemtechnisch mogelijk?

In dit hoofdstuk wordt een landelijk overzicht gegeven van de plekken waar het mogelijk is om elektriciteit van zee aan te sluiten als er alleen gekeken wordt naar wat het energiesysteem kan verwerken. Het doel is om negatieve effecten op het hoogspanningsnet te minimaliseren. Aanlanden van windenergie geproduceerd op de Noordzee vindt in de toekomst vooral plaats via gelijkstroomkabels van 2GW. Dit is een groot vermogen. Met 2GW kunnen ongeveer 2 miljoen huishoudens van elektriciteit worden voorzien. Of het landelijke hoogspanningsnet dit kan verwerken, is onder andere afhankelijk van de vraag naar en aanbod van elektriciteit in de regio waar de elektriciteitskabel aangesloten wordt. In lijn met de (ontwerp-)Nota Ruimte steven we naar aanlanding in of rondom de energieintensieve industrieclusters, waar sprake is van een grote energievraag. Als de vraag minder is dan het aanbod, moet de overtollige elektriciteit via het hoogspanningsnet worden afgevoerd naar het achterland. Dat kan niet overal vanwege beperkte transportcapaciteit op het hoogspanningsnet.

5.1

Factoren van invloed op plek en moment van aanlanding van windenergie op zee

De inpassing van windenergie geproduceerd op zee op het landelijk hoogspanningsnet staat niet op zichzelf. De aansluiting van andere energiebronnen, bijvoorbeeld kernenergie, heeft hier invloed op. Ook kan – bij onvoldoende (flexibele) lokale vraag naar energie – gewerkt worden met technieken zoals batterijen en elektrolyse om de overschotten elektriciteit tijdelijk lokaal op te slaan of om te zetten naar energiedragers zoals waterstof of warmte. Dit zijn zogenaamde flexibiliteitsbronnen. Al deze factoren samen bepalen of een aanlanding in een regio mogelijk en wenselijk is. Hieronder volgt een beschrijving van de belangrijkste aspecten die meegewogen worden bij de beoordeling of de op zee geproduceerde elektriciteit aangesloten kan worden op het hoogspanningsnet. Uitgebreide analyses over systeemintegratie zijn opgenomen in IEA Bijlage B Deelrapport Systeemintegratie. Ontwikkeling van de regionale vraag naar elektriciteit: aanlanden waar voldoende vraag wordt verwacht De verduurzaming van de energie-intensieve industrie is één van de belangrijke factoren bij de regionale ontwikkeling van de vraag naar elektriciteit. In beginsel wordt daarom gezocht naar aanlandlocaties in en rondom de energie-intensieve clusters. Echter, er is nog veel onzekerheid rondom de toekomst van (een deel van) de energie-intensieve industrie in Nederland.

Daarbovenop komt de verduurzaming van het midden- en kleinbedrijf en Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

huishoudens. Generiek neemt de vraag naar elektriciteit in de komende jaren in alle regio’s toe, maar er zijn binnen de energiescenario’s grote verschillen in tempo en hoeveelheid. Op dit moment blijft in veel regio's de vraag naar elektriciteit achter bij eerdere prognoses. Daarom is het extra belangrijk om aansluitlocaties te benutten waar op korte termijn voldoende vraag is naar elektriciteit, of wordt verwacht. Kan het hoogspanningsnet de aangelande elektriciteit transporteren? Doorrekeningen laten zien dat voor alle regio’s in alle scenario’s de transportcapaciteit van het hoogspanningsnet een beperkende factor vormt voor het aanlanden van windenergie geproduceerd op zee. In de doorrekeningen is uitgegaan van de huidige planning van de versterking van het hoogspanningsnet tot 2040. Zeker in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Zeeland beperkt de beschikbare transportcapaciteit op het hoogspanningsnet de aanlandingsmogelijkheden. Dit probleem kan ondervangen worden door de elektriciteit lokaal, nabij de aanlanding, te gebruiken. Dan hoeft er geen elektriciteit te worden afgevoerd via het hoogspanningsnet. Daarom is de toekomstige energievraag belangrijk (zie voorgaande alinea).

Mogelijkheden om bij onvoldoende vraag het elektriciteitsaanbod te verwerken Richting 2040 wordt de inzet van flexibiliteitsbronnen steeds belangrijker bij het balanceren van vraag en aanbod in het energiesysteem. Dit kan bijdragen aan een efficiënte benutting van de windenergie. Met flexibiliteitsbronnen wordt extra elektriciteit afgenomen op momenten met lokale overschotten van elektriciteit. Ook het afschakelen van windparken op zee (curtailment) is een manier om netcongestie (onvoldoende transportcapaciteit op het hoogspanningsnet) te beperken. Hieraan zijn echter wel kosten verbonden. Mogelijke ontwikkeling kerncentrales De ontwikkeling van nieuwe kerncentrales heeft effect op het totale aanbod aan elektriciteit in de verschillende regio’s. Er wordt onderzoek gedaan naar locaties voor nieuwe kerncentrales nabij Terneuzen, het Sloegebied, de Tweede Maasvlakte en in de Eemshaven (zie paragraaf 2.1.2). De afvoer (het transport) van elektriciteit geproduceerd door kerncentrales via het hoogspanningsnet heeft invloed op de afvoer van elektriciteit geproduceerd door Wind op zee en vice versa. Dit moet meegenomen worden in bij de keuze van locaties voor nieuwe kerncentrales en bij locaties voor de aanlanding van elektriciteit geproduceerd op zee.

5.2

Voorkomen van onnodige kosten bij het aanlanden van elektriciteit

Bij het aanlanden van een groot vermogen aan elektriciteit moet worden gekeken of de lokale vraag en het lokale aanbod in evenwicht zijn, en of het hoogspanningsnet genoeg capaciteit heeft om eventuele overschotten af te voeren. 22

Als blijkt dat aanbod en vraag structureel niet in balans zijn en dat het hoogspanningsnet de elektriciteit niet (altijd) kan transporteren zijn er drie opties: 1. Een aanlanding is technisch niet mogelijk als de te transporteren vermogens structureel groter zijn dan de beschikbare transportcapaciteit. 2. Of er ontstaan redispatchkosten. Bij redispatch betaalt TenneT afnemers of producenten van elektriciteit om hun productie of afname te verminderen of juist toe te laten nemen. Zo is minder transport nodig op een verbinding waar een transportknelpunt (stroom kan niet afgevoerd worden) dreigt op te treden. Een bepaalde omvang van redispatchkosten is acceptabel om bij niet vaak voorkomende situaties het hoogspanningsnet in balans te houden. Als deze situatie vaak voorkomt, krijgen redispatchkosten een structureel karakter en gaan de vergoedingen honderden miljoenen of zelfs miljarden euro's per jaar bedragen. 3. Het verder uitbreiden van het hoogspanningsnet. Dit duurt lang, tussen de 10 en 15 jaar per project. Bij de keuzes binnen Programma VAWOZ is rekening gehouden met de reeds geplande netuitbreidingen in het investeringsplan van TenneT. De planning en de realisatie van aanlandingen moeten daarom zo veel mogelijk gelijk oplopen met de versterkingen van het landelijke hoogspanningsnet.

Om te voorkomen de elektriciteit van de windparken niet getransporteerd kan worden, moet de aanleg van windparken op zee en de aanlanding van het opgewekte vermogen worden afgestemd op de regionale vraag en de beschikbare transportcapaciteit van het hoogspanningsnet. Pas wanneer er voldoende vraag en transportcapaciteit aanwezig is in een regio, kan er een aanlanding gerealiseerd worden.

5.3

Resultaten van de modelberekeningen voor Programma VAWOZ

5.3.1

Aannames in modelberekeningen

Met modelberekeningen wordt voorspeld of aanlandingen van elektriciteit geproduceerd op zee op het hoogspanningsnet passen. Er zijn netwerkdoorrekeningen uitgevoerd door TenneT waarvoor scenario’s zijn gebruikt voor de ontwikkeling van vraag en aanbod van energie in de toekomst. Het energiesysteem gaat namelijk flink veranderen. Zo neemt door elektrificatie de vraag naar elektriciteit fors toe en is er ook een toename van flexibiliteitsbronnen. Verder zijn aannames gedaan over de versterkingen van het landelijke hoogspanningsnet. Door deze ontwikkelingen mee te nemen in de scenario’s en doorrekeningen, kan een inschatting worden gemaakt van de impact van deze ontwikkelingen op de inpassing van Wind op zee op het landelijke hoogspanningsnet.

De analyses voor de IEA/plan-MER voor Programma VAWOZ zijn gebaseerd op de Integrale energiesysteemverkenning 2030-2050 van Netbeheer Nederland (II3050)25 uit 2023. De scenario’s over de toekomstige ontwikkeling van het Nederlandse energiesysteem zijn gebruikt in de doorrekeningen voor Programma VAWOZ. In 2025 hebben de netbeheerders de scenario’s geactualiseerd, waarbij er onder andere uitgegaan wordt van een andere ontwikkeling van de elektriciteitsvraag. TenneT heeft in 2025 ook het Investeringsplan Net op Land 2026 gepubliceerd, waarbij gebruik is gemaakt van de nieuwe scenario’s. Aanvullend zijn er doorrekeningen gedaan over de inpassing van Wind op zee in het energiesysteem. Hierbij is uitgegaan van 30GW Wind op zee, de onderkant van de bandbreedte uit het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee (WIN, juli 2025). Op basis van deze nieuwe doorrekeningen zijn de inzichten over hoeveel elektriciteit waar aangeland kan worden, veranderd. In paragraaf 5.3.3 wordt op basis van de systeemberekeningen en de actualisaties in 2025 een beeld geschetst over de aanlandingsmogelijkheden voor Wind op zee tot circa tien tot vijftien jaar vooruit.

5.3.2 Verdeling van aanlandingen over Nederland In voorgaande paragrafen is uitgelegd dat veel factoren van invloed zijn op het bepalen van de juiste plek en het juiste moment van aanlanden. Op basis van de analyses voor Programma VAWOZ kunnen de volgende uitspraken gedaan worden over de verdeling van aanlandingen over Nederland: • Spreiding over Nederland is beter dan clusteren van aanlandingen. Bij het spreiden van de aanlandingen over alle regio’s is aanzienlijk minder versterking van het landelijke hoogspanningsnet nodig dan bij clustering op enkele locaties. Spreiding heeft daarom vanuit het perspectief van systeemintegratie de voorkeur. • Het verschilt per regio hoeveel aanlandingen mogelijk zijn. Echter in alle regio's blijkt de beschikbare transportcapaciteit op het hoogspanningsnet een belangrijke bepalende factor voor het aantal mogelijke aanlandingen. • Het verder landinwaarts spreiden van de aanlandingen (ook wel diepe aanlandingen genoemd) heeft een gunstig effect op de belasting van het hele landelijke hoogspanningsnet. • Overige ontwikkelingen van het energiesysteem, zoals kernenergie en elektrificatie van de industrie, hebben impact op de totale hoeveelheid elektriciteit geproduceerd op zee die in de verschillende regio’s aangesloten kan worden.

25 Rapport II3050 Scenario's | Netbeheer Nederland Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

23

5.3.3

Aanlandingsopties per regio vanuit systeemintegratie op het hoogspanningsnet

Uit de voorgaande uitspraken over de verdeling van aanlandingen over Nederland ontstaat, vanuit systeemintegratie, een beeld van waar en wanneer aanlandingen mogelijk zijn. Dit wordt hierna per regio toegelicht. Dit zegt nog niets over effecten op milieu, natuur, ander gebruiksfuncties en regionaal draagvlak. Deze aspecten worden in de volgende hoofdstukken per regio toegelicht. Noord-Holland Voor de aanlanding van elektriciteit geproduceerd op zee is zowel aansluitcapaciteit op een hoogspanningsstation als transportcapaciteit op het achterliggende hoogspanningsnet nodig. In de Kop van Noord-Holland zijn twee aanlandingen van 2GW mogelijk op het nieuwe noordelijke hoogspanningsstation van Netuitbreiding Noord-Holland Noord (380kV-NNHN, gereed tussen 2035-2038). De nog te realiseren hoogspanningsverbinding 380kV NNHN door Noord-Holland zal uit twee circuits (één mastenrij) bestaan. De transportcapaciteit van deze verbinding biedt ruimte voor één 2GW-aanlanding in de Kop van Noord-Holland.

haven gekozen wordt als locatie voor de nieuwbouw van twee kerncentrales dan is het niet mogelijk om een 2GW-aanlanding aan te sluiten in Zuid-Holland. Noord-Brabant In Noord-Brabant is het nog te realiseren hoogspanningsstation Port of Moerdijk beschikbaar (gereed 2033-2036). Dit station heeft aansluitcapaciteit voor twee aanlandingen van 2GW. Zowel de verwachte toekomstige lokale vraag en de beschikbare transportcapaciteit op de hoogspanningsverbindingen van en naar het nog te realiseren hoogspanningsstation Moerdijk zijn beperkende factoren voor de hoeveelheid aanlandingen die aangesloten kunnen worden. De transportcapaciteit op de verbinding tussen Moerdijk en Geertruidenberg is beperkt doordat overschotten van elektriciteit vanuit Zeeland richting de rest van Nederland afgevoerd moeten worden. Daardoor is op Port of Moerdijk één 2GW-aanlanding inpasbaar mits er in de regio ook voldoende flexibele vraagontwikkeling ontstaat.

In het zuiden van Noord-Holland is er één 2GW-aanlanding mogelijk op het nog te realiseren hoogspanningsstation A9-Zuid aan de westkant van het Amsterdamse havengebied (gereed 2032-2035). Ook is een 2GW-aanlanding mogelijk op het bestaande hoogspanningsstation Vijfhuizen na beperkte ingrepen binnen het station. Op het nieuwe zuidelijke hoogspanningsstation van Netuitbreiding Noord-Holland Noord (380kV-NNHN, gereed 2035-2038) is er ook één 2GW-aanlanding mogelijk. Vanuit transportcapaciteit bezien is er aanvullend op één 2GW-aanlanding in het zuiden van Noord-Holland, één aanlanding van 700MW vanuit windenergiegebied HKW8 mogelijk in het Noordzeekanaalgebied. Zuid-Holland In Zuid-Holland zijn er vier hoogspanningsstations waar aanlanding mogelijk is: • Het bestaande hoogspanningsstation Bleiswijk, één aanlanding van 2GW. • Het bestaande hoogspanningsstation Wateringen, één aanlanding van 2GW. • Het bestaande hoogspanningsstation Simonshaven, één aanlanding van 2GW. • Het nog te realiseren hoogspanningsstation Europoort (gereed 2032-2035), twee aanlandingen van 2GW. De nog beschikbare transportcapaciteit van het hoogspanningsnet in Zuid-Holland naar de rest van Nederland is de voornaamste beperkende factor bij de hoeveelheid elektriciteit die kan worden aangeland in Zuid-Holland.

Dit betekent dat er één aanlanding van 2GW in Zuid-Holland mogelijk is indien er voldoende vraagontwikkeling is. Als de Rotterdamse Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

24

Zeeland In Zeeland zijn er twee nog te realiseren hoogspanningsstations waar aanlanding mogelijk is: • Het hoogspanningsstation in het Sloegebied (gereed in 2029-2030), één aanlanding van 2GW. • Het hoogspanningsstation bij Terneuzen (gereed in 2034-2037), twee aanlandingen van 2GW. De omvang van de toekomstige regionale vraag en de beperkte hoeveel transportcapaciteit op de bestaande hoogspanningsverbindingen richting de rest van Nederland zijn de beperkende factoren voor de aanlanding van elektriciteit in Zeeland. Als er in Zeeland kerncentrales gerealiseerd worden, is er geen aanlanding van Wind op zee inpasbaar. Daarbij maakt het niet uit of de kerncentrales in het Sloegebied of Terneuzen geplaatst worden. Noord-Nederland Op het nog te realiseren hoogspanningsstation Oostpolder (gereed 2034-2037) zijn nog drie aanlandingen van 2GW mogelijk, aanvullend op de 2GW-aanlanding Net op zee Doordewind Beta. Voor Net op zee Doordewind is in 2025 een projectprocedure gestart. Er loopt een 380kV-verbinding met twee circuits richting Meeden, via Musselkanaal en Veenoord richting Zwolle. Daarnaast wordt een 380kV-verbinding gerealiseerd vanaf de Eemshaven richting Vierverlaten en vervolgens richting Ens. Naar verwachting is de transportcapaciteit voldoende voor het faciliteren van tenminste nog één aanlanding van 2GW (aanvullend op Doordewind).

Dit beeld verandert waarschijnlijk als er nog andere vormen van grootschalige energieproductie zoals kerncentrales op het hoogspanningsnet aangesloten zouden worden.

Uitwerking van de keuzes per regio In de hoofdstukken hierna volgt voor alle regio’s een analyse van de verschillende aanlandingsopties en een toelichting van de afwegingen ten aanzien van de alternatieven. De mogelijkheden voor de inpassing op het energiesysteem vormen hierbij het vertrekpunt. Overwegingen vanuit milieu, natuur, techniek, kosten de (regio)adviezen en het moment van aansluiting bepalen uiteindelijk welke alternatieven kansrijk zijn. De beoordelingsmethodiek is uitgebreid toegelicht in paragraaf 4.2. In hoofdstuk 6 worden eerst de afwegingen op de Noordzee toegelicht en onderbouwd. Daarna volgen de afwegingen voor Noord-Holland (hoofdstuk 7), Zuid-Holland (hoofdstuk 8), Noord-Brabant (hoofdstuk 9), Zeeland (hoofdstuk 10) en Noord-Nederland (hoofdstuk 11).

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

25

6

Regio Noordzee Keuzes voor de Noordzee De staatssecretaris van KGG kiest ervoor om vanuit windenergiegebied 6/7 de voorkeursalternatieven op de Noordzee te bundelen via de middencorridor. Vanaf de middencorridor lopen de voorkeursalternatieven via eigen routes naar de aanlandingszones Kop van Noord-Holland, Noordzeekanaalgebied (regio NoordHolland), Hoek van Holland (regio Zuid-Holland), Moerdijk (regio Noord-Brabant) en Nieuwvliet-Bad (regio Zeeland). Hierbij wordt waar mogelijk tot aan de kust gebundeld met (andere) infrastructuur.

6.1

Vertrekpunt

Programma VAWOZ omvat aanlandingen die lopen van windenergiegebied 6/7 en windenergiegebied Hollandse Kust West 8 (HKW8) naar het hoogspanningsnet op land. Windenergiegebied 6/7 is aangewezen in het Partieel Herziene Programma Noordzee 2022-2027 en bestaat uit een westelijk- en een oostelijk deel. Tussen deze twee delen ligt een nader vast te leggen open zone die ruimte biedt aan andere belangen zoals natuur, scheepvaart, visserij en mogelijke toekomstige mijnbouwplatforms. Programma VAWOZ richt zich voornamelijk op het verbinden van het westelijk deel van windenergiegebied 6/7 met de kust, aangezien dat deel van dit windenergiegebied het eerst ontwikkeld wordt. Hiervoor voorziet het ministerie van EZK vijf 2GW-verbindingen naar de kust. Windenergiegebied HKW8 is een onderdeel van windenergiegebied Hollandse Kust West dat in het Nationaal Waterplan 2009-2015 is aangewezen maar nog niet ontwikkeld. Voor het aansluiten van HKW8 is er een 700MW-wisselstroomverbinding nodig. Uitgangspunten bij de routes op zee zijn onder andere het beperken van de ruimtelijke impact van kabels op de Noordzee, rekening houden met natuur, rekening houden met andere beleidsopgaven op zee zoals scheepvaart, mijnbouw, visserij en defensie en een kosteneffectief routeontwerp. Bij het routeontwerp is ook gekeken naar de impact van de routekeuzes op het veilig houden van de kabels.

De routes op de Noordzee zijn onderdeel van de voorkeursalternatieven. De routes en zoekgebieden op land worden toegelicht in de hoofdstukken 7 tot en met 10.

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

6.2

Beschrijving onderzoek in het kader van Programma VAWOZ

6.2.1

Inleiding

Om windenergiegebied 6/7 en windenergiegebied HKW8 te verbinden met het vaste land zijn routes ontworpen. Deze staan in . Ook zijn er routes vanaf windenergiegebied Doordewind in kaart gebracht, omdat bij de start van Programma VAWOZ nog onderzocht werd of 6GW aan windenergievermogen in dit gebied mogelijk was. Inmiddels blijkt het ontwikkelen van 4GW hier het hoogst haalbare. De aanlanding van 4GW uit windenergiegebied Doordewind is onderzocht in PAWOZ-Eemshaven en hierover is al besloten, zie ook paragraaf 2.3. De routes vanaf dit windenergiegebied zijn dus geen onderdeel van Programma VAWOZ. 26

De routes vanaf windenergiegebied 6/7 starten vanuit uittredepunten aan de zuidelijke en oostelijke grens van het windenergiegebied. Er was op het moment van schrijven van Programma VAWOZ nog geen zicht op de kavelindeling van dit gebied. Vanuit het oostelijke uittredepunt gaan routes naar Noord-Nederland en de westkust van Nederland. Vanuit het zuidelijke uittredepunt gaan de routes naar de westkust. Dit uittredepunt is ook het meest logische uittredepunt voor het westelijke deel van het windenergiegebied. Als de kavelindeling bekend is, kan bij de start van de projectprocedures de platformlocatie en routering binnen het windenergiegebied ingevuld worden.

6.2.2 Resultaten onderzoek natuur Gezien de aard van het programma met bijbehorend plan-MER en het grote aantal routes is op hoog abstractieniveau naar de mogelijke impact gekeken. Hierbij zijn showstoppers en onderscheidend vermogen in beeld gebracht. Voor de daadwerkelijke realisatie wordt in detail in het vervolg op Programma VAWOZ in een projectprocedure naar de actuele situatie van de route gekeken. Voor het onderwerp natuur is naar een groot aantal mogelijke effecten gekeken, waarvan de resultaten zijn gebundeld naar vier aspecten: gebiedsbescherming, soortenbescherming, Kaderrichtlijn Water (KRW) en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). De beoordeling is worst-case (voorafgaand aan mitigerende maatregelen), waarna de meest negatieve beoordeling binnen het (deel)aspect doorslaggevend is. Hierdoor is veelal de beoordeling zeer negatief (--) toegekend, en in sommige gevallen negatief (-) of extra negatief (---). De extra negatieve beoordelingen zijn allen het gevolg van onzekerheid in combinatie met voorzichtige aannames. Bijvoorbeeld kennisleemten over mogelijke effecten van elektromagnetische velden (bij een riviermonding) op het gedrag van trekvissen of onzekerheid over het in ontwikkeling zijnde toetsingskader voor activiteiten in KRMgebieden.

Figuur 6‑1 Overzicht onderzochte routes op zee voor elektrische aanlandingen

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

De zeer negatieve beoordelingen kunnen veroorzaakt worden door verschillende gevolgen van een aanlanding. Sommige effecten zijn tijdelijk (met snelle of langzame hersteltijd), anderen zijn permanent. Een verstoring is een voorbeeld van een tijdelijk effect dat snel herstelt. Een voorbeeld van een tijdelijk effect met langzaam herstel is habitataantasting. Bij permanente effecten kan worden gedacht aan de potentiële invloed van het elektromagnetisch veld. Sommige effecten kunnen relatief eenvoudig worden gemitigeerd, bijvoorbeeld door te werken buiten het ruiseizoen om verstoring van vogels op kwetsbare momenten te voorkomen. Andere effecten zijn lastiger of niet te mitigeren, zoals vertroebeling tijdens de aanlegwerkzaamheden. In het plan-MER zijn de beoordelingen en mitigerende maatregelen uitgebreid toegelicht. Deze informatie is gebruikt bij de afweging van de routes op zee die is beschreven in dit hoofdstuk.

27

Het respecteren van de ecologische draagkracht van de Noordzee is een voorwaarde voor het ontwikkelen van de aanlandingen uit Programma VAWOZ. Voor de voorkeursalternatieven moet in de projectprocedures onderzocht worden of ze daadwerkelijk haalbaar zijn. Daarbij wordt de meest actuele kennis over ingreep-effect relaties, aanlegtechnieken, het wettelijk kader en de ligging van beschermde natuurwaarden meegenomen.

6.3

Afweging corridors en voorkeursalternatieven op de Noordzee

6.3.1

Brief Noordzeeoverleg en advies Rijkswaterstaat

De voorzitter van het Noordzeeoverleg heeft aan Programma VAWOZ een brief gestuurd met bevindingen waar de deelnemers in het Noordzeeoverleg het unaniem over eens zijn. Rijkswaterstaat heeft een advies gegeven over te benutten routes. Dit is waardevolle input die bij het maken van de afwegingen over de voorkeursalternatieven zijn benut.

6.3.2 Corridors op de Noordzee De windenergiegebieden, natuurgebieden en het scheepvaartverkeersstelsel op de Noordzee bepalen in grote mate welke ruimte beschikbaar is voor aanlandingen. De beschikbare ruimte dient zo optimaal mogelijk gebruikt te worden door het zoveel als mogelijk bundelen van kabels. Hierdoor ontstaan corridors, zie Figuur 6‑2. Er is sprake van een westelijke corridor (geel), een middencorridor (rood) en een oostelijke corridor (blauw). Door te bundelen kan TenneT een onderlinge afstand van 200 meter aanhouden als onderhoudszone, in plaats van de gangbare 500 meter. Hierdoor is het totale ruimtebeslag veel kleiner en wordt versnippering van het ruimtebeslag op de Noordzee voorkomen. De drie mogelijke corridors zijn getoetst op vier ontwerpprincipes: (1) mogelijkheid om te bundelen, (2) het vermijden van beschermde gebieden, (3) zo min mogelijk impact op andere belangen en (4) een zo kosteneffectief mogelijke kabelroute.

De brief en het advies gaan in op het ontzien van kwetsbare natuurgebieden. Hierbij dient zowel naar de KRM als Natura 2000-gebieden gekeken te worden. Verder wordt aanbevolen het Afwegingskader voor Natuurvriendelijk Bouwen op de Noordzee te benutten en in de projectprocedure diepgaander onderzoek naar natuur te doen. Beide organisaties benoemen de (mogelijke) effecten van elektromagnetische velden in de gebruiksfase. Dit is een kennisleemte, waar in hoofdstuk 9 voor de regio Noord-Brabant verder op in wordt gegaan. Zowel het Noordzeeoverleg als Rijkswaterstaat komen tot de conclusie dat het bundelen van infrastructuur in de middencorridor de beste optie is. Naast het ontwijken van natuurgebieden en meer mogelijkheden om te bundelen, wordt de afstand tot scheepvaart als argument genoemd. Verder worden in de brief en het advies verschillende aandachtspunten benoemd, waaronder: • Borgen van mitigatie en compensatie. • Waarborgen van veiligheid voor gebruikers van (actieve en buiten gebruik zijnde) infrastructuur op de Noordzee. • Het minimaliseren van de impact op de mogelijkheden voor zandwinning. • Borgen dat boven de kabels (en leidingen) gevist mag worden. • Inzetten op hergebruik van offshore aardgasinfrastructuur voor het eventuele transport van waterstof van zee. Deze aandachtspunten hebben een rol gespeeld bij het komen tot de voorkeursalternatieven op de Noordzee.

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

28

Aanlanden via middencorridor De staatssecretaris van KGG kiest ervoor om aan te landen via de middencorridor (zie Figuur 6‑2). Deze corridor is de beste optie en dat heeft een aantal redenen: • De corridor biedt de mogelijkheid om alle voorkeursalternatieven langdurig te bundelen, wat gunstig is voor het totale ruimtebeslag en het voorkomen van versnippering. • De corridor levert de kortste routes op voor de vijf voorkeuralternatieven. Dit is gunstig voor de gezamenlijke effecten op natuur, andere gebruiksfuncties en kosten. • Deze corridor ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden Friese Front en Bruine Bank. • De corridor heeft zo veel mogelijk haakse kruisingen met scheepvaartroutes. Tot ter hoogte van Den Helder loopt de corridor niet samen met scheepvaartroutes. • De corridor loopt niet of nauwelijks samen met al bekende initiatieven voor interconnectoren.26 • De corridor sluit aan bij de voorkeur van de organisaties, zoals blijkt uit het advies van Rijkswaterstaat en de brief van het Noordzeeoverleg. Voor mijnbouw is in het routeontwerp rekening gehouden met bestaande en geplande platforms. Doordat de kabels begraven worden, mag er boven de kabels gevist worden. De impact op visserij is niet onderscheidend voor de corridors. Aandachtspunt bij de middencorridor is de doorkruising van defensie-oefengebied EHD41.

Dit is vooral in de aanlegfase relevant en met goede werkafspraken inpasbaar. Niet gekozen: Westelijke corridor De westelijke corridor heeft ten opzichte van de middencorridor als voordeel dat deze niet door het oefengebied van defensie gaat en relatief minder kruisingen met bestaande infrastructuur kent. Daar staat tegenover dat deze corridor alleen aanlandingsopties op de Tweede Maasvlakte en zuidelijker bereikt, waardoor minder bundeling mogelijk is dan met de middencorridor. De westelijke corridor neemt meer ruimte op zee in beslag en kent bovendien andere nadelen. Er is (te) beperkte ruimte in de bufferzone tussen scheepvaartroutes en windenergiegebied Nederwiek bij het zuidelijke punt. Verder kruist de corridor Natura 2000-gebied de Bruine Bank en zijn de routes langer en daarmee duurder. Tenslotte heeft de westelijke corridor aanzienlijk meer samenloop met de bekende initiatieven voor interconnectoren.

Figuur 6‑2 Corridors vanaf windenergiegebied 6/7 26 Een interconnector is een grensoverschrijdende hoogspanningsverbinding die de hoogspanningsnetten van twee (of meer) landen met elkaar verbindt. Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

29

Niet gekozen: Oostelijke corridor De oostelijke corridor heeft ten opzichte van de middencorridor relatief minder kruisingen en heeft kortere (5km) routes naar de Kop van Noord-Holland en het Noordzeekanaalgebied. De route naar Europoort via de oostelijke corridor is echter 16 km langer, waardoor bundelen via deze corridor in totaal langer is en een grotere ruimtelijke impact heeft. Bovendien kent deze corridor geen routes voor de zuidelijke aanlandingen zoals Zeeuws-Vlaanderen en Moerdijk. Er is hierdoor minder bundeling mogelijk, wat meer ruimte kost. Ook gaat deze corridor door Natura 2000- en KRM-gebied Friese Front. Ten opzichte van de middencorridor is hier meer parallelligging met scheepvaartroutes en de oostelijke corridor gaat ook door het defensie-oefengebied EHD41

6.3.3 Voorkeursalternatieven vanuit windenergiegebied 6/7 op de Noordzee Hieronder zijn de vervolgroutes van de voorkeursalternatieven beschreven vanaf het verlaten van de middencorridor. Ook worden de niet gekozen alternatieven, als deze niet door de westelijke of oostelijke corridor gaan, kort benoemd. Figuur 6‑3 geeft de Noordzeedelen van de voorkeursalternatieven weer, met een verbinding naar de Kop van Noord-Holland, het Noordzeekanaalgebied, Europoort, Moerdijk en Nieuwvliet-Bad (Zeeuws-Vlaanderen).

Figuur 6‑3 Voorkeursalternatieven op zee vanaf windenergiegebied 6/7

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

30

Route naar Kop van Noord-Holland Figuur 6‑4 toont de route van het voorkeursalternatief naar de Kop van Noord-Holland (in de IEA/plan-MER route 6/7-KNH1-E). Voor de aanlanding naar de Kop van NoordHolland wordt de middencorridor gevolgd tot ter hoogte van Texel. Daar buigt de route af in oostelijke richting, parallel aan de TENAZ-leiding. Ter hoogte van Den Helder wordt een bundel van drie leidingen gekruist, waarna de route naar Kop van Noord-Holland parallel aan deze bundel loopt en aan land gaat. Door te bundelen wordt het effect op de voorraad winbaar zand geminimaliseerd en wordt Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (Habitatrichtlijngebied) zo kort mogelijk gekruist. Niet gekozen alternatieven naar de Kop van Noord-Holland Naast de oostelijke corridor is een 12km kortere route door het voormalig windenergiegebied Lagelander onderzocht. Vuistregel is dat kortere routes minder effecten hebben, hoewel dat niet naar voren komt in de beoordelingsscores. Daarnaast is een kortere route goedkoper. Nadeel van deze optie is dat de bundel in de middencorridor eerder verlaten moet worden, wat meer versnippering van de Noordzee(bodem) en een netto groter ruimtebeslag oplevert.

Figuur 6‑4 Voorkeursalternatief naar Kop van Noord-Holland

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

31

Routes naar Noordzeekanaalgebied Figuur 6‑5 toont de route van het voorkeursalternatief naar het Noordzeekanaalgebied (in de IEA/plan-MER routes 6/7-EAZ1-E en 6/7-VNH1-E). Voor de routes naar het Noordzeekanaalgebied zijn dezelfde routeopties onderzocht als naar de Kop van NoordHolland tot ter hoogte van Den Helder. De route naar het Noordzeekanaalgebied loopt ter hoogte van Den Helder verder in zuidelijke richting en gaat parallel aan de kust tot windenergiegebied Hollandse Kust-Noord. Daar splitst het voorkeursalternatief zich in twee opties: één via aanlandingszone Egmond aan Zee en één via als aanlandingszone Velsen-Noord - Heemskerk. Bij deze laatste is er een sterke samenhang met de (tijdige) verduurzaming van Tata Steel Nederland omdat deze route alleen mogelijk is als er door tijdige verduurzaming van Tata Steel ruimte is voor het leggen van kabels in dat gebied. Beide aanlandingen gaan door het aan te wijzen Natura 2000-gebied Hollandse Kust (Vogelrichtlijngebied). Rijkswaterstaat heeft de voorkeur voor de aanlanding bij Velsen-Noord vanuit het perspectief van behoud van de zandvoorraad voor het uitvoeren van kustsuppleties voor de waterveiligheid. De aanlanding bij Egmond aan Zee heeft een veel grotere impact op deze zandvoorraad. De route naar Egmond aan Zee is technisch eenvoudiger uit te voeren.

De aanlanding via Velsen-Noord – Heemskerk is technisch complexer door veel meer kruisingen en beperkte ruimte. Als de aanlanding via Egmond aan Zee gaat, dan dient de route geoptimaliseerd te worden in de reserveringszone voor zandwinning. Zandwinning is een nationaal belang, daarom is het een voorwaarde dat de impact van de route op de zandvoorraad in de reserveringszone zeer gering is.

Figuur 6‑5 Voorkeursalternatief naar Noordzeekanaalgebied

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

32

Niet gekozen alternatieven naar Noordzeekanaalgebied Daarnaast zijn in Noord-Holland nog aanlandingszones nabij Castricum en IJmuiden onderzocht. In hoofdstuk 7 Noord-Holland zijn de redenen beschreven waarom deze aanlandingszones niet zijn benut voor het voorkeursalternatief naar hoogspanningsstation A9-Zuid (Noordzeekanaalgebied). Dit betekent dat de routes op de Noordzee naar deze aanlandingszones ook niet zijn gekozen. Route naar Europoort Figuur 6‑6 toont de route van het voorkeursalternatief naar Europoort (route 6/7-HVH1-E met variant HKW-oost in de IEA/plan-MER). De route naar Europoort volgt de middencorridor tot ter hoogte van Den Helder. Vanaf daar vervolgt de route zijn weg zuidelijk door de veiligheidszone van windenergiegebied HKW. Hiermee mijdt de route het verkeersscheidingsstelsel. Ter hoogte van HKW8 wordt de Aramis-leiding gekruist en vervolgens parallel gevolgd aan de noordoostzijde. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de veiligheidszone van het windpark Hollandse Kust Zuid.

Figuur 6‑6 Voorkeursalternatief naar Europoort

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

33

Voor de kust van Hoek van Holland zijn er twee aanlandopties onderzocht. In samenhang met de route voor het voorkeursalternatief op land heeft de zuidelijke aanlanding de voorkeur. Deze ligt dichter bij de strekdam van de Nieuwe Waterweg. In de projectprocedure moet bij de uitwerking van de route meegenomen worden dat er geen effect ontstaat op de stabiliteit van deze strekdam. Deze route gaat door het aan te wijzen Natura 2000-gebied Hollandse Kust.

demarcatielijn Haringvlietmonding. Het hoofdstuk over Noord-Brabant gaat in op het routedeel vanaf deze demarcatielijn naar Moerdijk.

Niet gekozen alternatieven naar Europoort Naast routes door de westelijke corridor is er nog een alternatief waarbij de middencorridor langer in zuidelijke richting gevolgd wordt. Hierbij wordt zuidwestelijk via de Haringvlietmonding in de richting van Europoort aangeland en dan gaat de route noordwaarts naar hoogspanningsstation Europoort. Deze route is veel langer, levert meer hinder op voor scheepvaart en gaat door Natura 2000-gebied Voordelta; dit is een habitatrichtlijngebied en daarmee verstoringsgevoeliger dan het aan te wijzen Vogelrichtlijngebied Hollandse Kust. Ook vanuit land bezien, gaat de voorkeur uit naar een aanlanding via Hoek van Holland. Hoofdstuk 8 over Zuid-Holland gaat hier verder op in. Daarnaast bestaat het alternatief om ter hoogte van windenergiegebied Hollandse Kust West te bundelen met de Aramis-leiding. Dit is vanuit scheepvaartperspectief minder gunstig. Route naar Moerdijk Figuur 6‑7 toont de route van het voorkeursalternatief naar Moerdijk (route 6/7-HVM4-E in de IEA/plan-MER). De route volgt de middencorridor tot het einde, waarbij gebundeld wordt met de al vergunde kabelroutes voor windenergiegebieden IJmuiden Ver en Nederwiek. Hierbij wordt ruimte van het windenergiegebied HKW8 benut.27 Zo kan Natura 2000-gebied de Bruine Bank, inclusief gehanteerde verstoringszone van 1.500 meter worden ontzien.

Bovendien kan ruim afstand worden gehouden tot de scheepvaartroute (route 6), dit is in lijn met het beleid rond leggen van kabels in bufferzones, zoals vastgelegd in het Partieel Herziene Programma Noordzee. Deze route passeert daarna ankergebied 5 en bij het ontwerpen van deze route is rekening gehouden met de uitbreiding van dit ankergebied. Ten zuidwesten van ankergebied 5 kruist de route de bundel kabels van de verbindingen voor Nederwiek en IJmuiden Ver om deze aan de zuidoostkant parallel te volgen en daarna de Eurogeul te kruisen. Tussen ankergebied 4-West en 4-Oost wordt lichtplatform Goeree ontweken. Daarna buigt de route naar het oosten, parallel aan het voorkeursalternatief voor Nederwiek 3 naar de

Het ministerie van KGG heeft in een LCOE-studie onderzocht of in gebied HKW8 met minder ruimte ook voldoende vermogen aan wind (700MW + overplanting) gerealiseerd kon worden. Dit blijkt te kunnen en daarom is gekozen aan de westkant van HKW8 een strook van 1.500 meter breed mogelijk te maken voor toekomstige aanlandingen richting het zuiden van Nederland.

27 

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Figuur 6‑7 Voorkeursalternatief naar Moerdijk 34

Niet gekozen alternatieven naar Moerdijk Naast de alternatieven via de westelijke corridor (zie paragraaf 6.3.1) is er nog een variant aan de noordwestkant van windenergiegebied Hollandse Kust West. Deze variant bundelt minder met geplande en bestaande infrastructuur, waaronder de kabels voor windenergiegebied IJmuiden Ver en is daarom minder gunstig. Route naar Zeeuws-Vlaanderen Figuur 6‑8 toont de route van het voorkeursalternatief naar Zeeuws-Vlaanderen (route 6/7-NVL3-E in de IEA/plan-MER). De route naar Zeeuws-Vlaanderen doorloopt net als de route naar Moerdijk de volledige middencorridor. Ter hoogte van precautionary area Rijnveld steekt de route de bundel van kabels voor Nederwiek en IJmuiden Ver over en kruist dan ook Rijnveld in zuidwestelijke richting. Boven het verkeersscheidingsstelsel aan de monding van de Nieuwe Waterweg gaat de route westelijk en buigt dan af naar het zuiden om parallel aan Fran- en Seapipe richting Windpark Borssele te gaan. Hier wordt gebruik gemaakt van de veiligheidszone van het windpark en daarna gaat de route door de aangewezen corridor voor kabels en leidingen in de reserveringsstrook voor zandwinning. Daarna worden de kabels van windpark Borssele gekruist, en gaat de route in zuidoostelijke richting verder. Vlak voor ankergebied Wielingen-Noord buigt de route zuidelijk af. Er zijn twee aanlandingen mogelijk: Nieuwvliet-Bad en Cadzand.

Beide routes gaan niet de Westerschelde in, noch kruisen ze die volledig, waarmee eventuele effecten op trekvissen waarschijnlijk beperkt worden. De route naar Nieuwvliet-Bad is het kortst, maar ligt ook nabij het ankergebied Wielingen-Zuid. Deze aanlanding heeft de voorkeur. In de projectprocedure wordt in afstemming met de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit de benodigde afstand tot het ankergebied Wielingen-Zuid onderzocht en bepaald.

Figuur 6‑8 Voorkeursalternatief naar Zeeuws-Vlaanderen

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

35

Niet gekozen alternatieven naar Zeeuws-Vlaanderen Als alternatief kan de route langer samenlopen met de route naar Moerdijk om ten zuiden van ankergebied 4 af te buigen in zuidwestelijke richting, Vervolgens loopt de route langs de grens van Natura 2000-gebieden Voordelta en Vlakte van de Raan, om ter hoogte van Middelburg weer samen te komen met de route voor het voorkeursalternatief. Deze route heeft een vergelijkbare ‘ongebundelde’ afstand, maar heeft veel impact op de zandvoorraad en ook op natuurgebieden door lange doorkruising van Natura 2000-gebieden Voordelta en Vlakte van de Raan. Doordat dit alternatief niet het voorzorgsgebied Rijnveld kruist en een kortere kruising van het scheepvaartverkeers-stelsel kent, is de impact op scheepvaart kleiner. De overige routes naar Zeeuws-Vlaanderen zijn hetzelfde als de routes naar Moerdijk. Ze zijn om dezelfde redenen niet gekozen als voorkeursalternatief.

6.3.4 Aandachtspunten voor de voorkeursalternatieven op de Noordzee Beveiliging van energie infrastructuur op zee (security) Nederland heeft groot belang bij de aansluiting van windparken op zee. Incidenten, zoals de sabotage van de Nord-Streamleidingen in september 2022, laten het belang zien van de beveiliging van infrastructuur. Sabotage, manipulatie of spionage van de routes kan de energievoorziening verstoren en daarmee een grote economische en sociale impact hebben. Om te zorgen dat beveiliging integraal wordt meegewogen bij de aanleg van de onderzeese infrastructuur werkt de Rijksoverheid nauw samen met TenneT en Gasunie en de veiligheidsdiensten. Onderdeel hiervan is om op basis van gezamenlijke risicoassessments de juiste zichtbare en onzichtbare maatregelen te nemen. In verband met de veiligheid en aard van deze maatregelen, wordt hier niet benoemd wat deze maatregelen inhouden. De Rijksoverheid zet ook in op een robuuste aanpak om de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee te borgen en waar nodig te verbeteren. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat coördineert het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI). Het ministerie van EZK is hierbij aangesloten.

Belangrijk onderdeel van de gezamenlijke strategie is de ontwikkeling van een sector overstijgend kader voor de ontwikkeling van weerbaarheidsverhogende maatregelen en handelingsperspectief voor de betrokken publieke en private partijen. Hierbij is oog voor dreigingsactoren, (internationale) juridische dimensies van het zeerecht, (toekomstige) ruimtelijke ontwikkeling van activiteiten op de Noordzee, scheepvaartbewegingen, zeehavens en aanlandingspunten van data- en energieinfrastructuur vanaf de Noordzee.

Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Uit het onderzoek volgt een aantal aandachtspunten voor de gekozen routes op de Noordzee. Deze punten worden verder uitgewerkt in projectprocedures die volgen op Programma VAWOZ: • Voor de kruising van de natuurgebieden voor de kust moet meer detailonderzoek worden gedaan naar de effecten van de route en de aanleg op habitats, soorten en waterkwaliteit. Realisatie kan alleen binnen de wettelijke vereisten vanuit KRM, KRW en Natura 2000. • Voor de effecten van elektromagnetische velden op bepaalde soorten haaien, roggen en trekvissen is een kennisleemte geconstateerd. Hiervoor loopt aanvullend onderzoek (o.a. in het kader van ElasmoPower en EMV-onderzoek Net op Zee in opdracht van Rijkswaterstaat.), dat in de projectprocedures betrokken moet worden. • Verdere optimalisatie van de routes door het reserveringsgebied voor zandwinning om de impact op de hoeveelheid winbaar zand zo klein mogelijk te maken. • Het uitgangspunt op de Noordzee is om het veiligheidsniveau voor de scheepvaart te handhaven dan wel te verbeteren. In het routeontwerp en afweging is hier rekening mee gehouden. In de projectprocedure moeten mitigerende maatregelen ten tijde van de aanleg van kabels worden onderzocht. • Voor de aanlegfase moeten werkafspraken gemaakt worden voor het werken in defensieoefengebied EHD41. • In de nabijheid van de voorkeursalternatieven bevinden zich gedempte gaswinningsputten.

Hierop geldt een nazorgplicht voor de operator. In de routeoptimalisatie dient voldoende afstand tot deze putten gehouden te worden (in de basis 150 meter). • Het afwegingskader Natuurvriendelijk Bouwen op de Noordzee moet worden benut. • De routes zijn globaal bepaald. In de projectprocedure is ruimte voor optimalisatie van lokale belangen. • Het uittredepunt bij windenergiegebied 6/7 (west) wordt na de verkaveling van het gebied vastgelegd. • De routes lopen allemaal door de middencorridor. De ligging binnen deze corridor is afhankelijk van de volgorde waarin de routes worden aangelegd. Corridors worden van west naar oost gevuld. Zo wordt voorkomen dat een kabel in de beperkte ruimte tussen bestaande in bedrijf zijnde kabels moet worden geïnstalleerd. Uitzondering hierop is de bundel kabels afkomstig van Nederwiek en IJmuiden Ver nabij ankergebied 4; hier wordt aan de westzijde aangesloten wegens beperkte ruimte aan de oostzijde. • Voor de energietransitie vinden veel (internationale) projecten plaats om energienetwerken met elkaar te verbinden, Carbon Capture and Storage mogelijk te maken en er is behoefte aan meer telecomverbindingen. Deels gaan deze projecten over het Nederlandse deel van de Noordzee. Bij samenloop moeten in de projectprocedure afspraken gemaakt worden.

36

Europese Natuurherstelverordening (NHV) Sinds augustus 2024 is de NHV van kracht. Deze bevat onder andere hersteldoelstellingen voor habitattypen en leefgebieden voor 2030, 2040 en 2050. Het gaat hierbij om herstel van habitat-typen en leefgebieden van soorten die niet in goede toestand verkeren en ook het opnieuw ontwikkelen van habitats om tot een gunstige referentie oppervlakte (GRO) te komen. De GRO is de grens waarbij de levensvatbaarheid van een ecosysteem en soorten gewaarborgd wordt. Ook is er een verbod op verslechtering zodra deze goede toestand is bereikt (Art 4.11, 4.12, 5.9 en 5.10). De doelen van de NHV gelden binnen én buiten de Natura 2000-gebieden. Er moeten ook maatregelen buiten Natura 2000- en KRM-gebieden worden genomen die mogelijk overlappen met de voorkeursalternatieven en andersom kunnen de routes niet bijdragen aan verslechtering. In de projectprocedures volgend op Programma VAWOZ is dit een aandachtspunt. Er wordt ook een Nationaal Herstelplan (NHP) opgesteld dat in september 2026 (in concept) wordt verwacht. In de projectprocedures moet worden bekeken hoe de routes bij het NHP aansluiten.

6.4

De noordelijke route is één kilometer langer, maar bundelt met bestaande Net op zeekabels vanuit windparken Hollandse Kust West en Hollandse Kust Noord. De route kent daarmee een kleiner netto ruimtebeslag en voorkomt versnippering van de ruimte op de Noordzee. Daarnaast is deze route vanuit scheepvaartperspectief gunstiger, omdat deze in tegenstelling tot de zuidelijke route niet parallel aan de IJ-geul loopt. Daardoor is het risico kleiner dat de kabels van een route geraakt worden door een anker.

Verdere groei Wind op zee – doorkijk kabels op de Noordzee

Voor verdere groei van Wind op zee worden vanuit ruimtelijk oogpunt voor kabels op zee mogelijkheden gezien, waarbij met name bij de kust uitdagingen spelen. De ecologische draagkracht van de Noordzee is hierbij een constant aandachtspunt. In het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep) wordt continu en meerjarig onderzoek gedaan naar de effecten van Windenergie op zee op de ecologie. Dit onderzoekt werkt direct door in besluitvorming over windenergie op zee. Naast ecologische draagkracht als aandachtspunt is er sprake van toenemende ruimtelijke druk door de ontwikkeling van andere kabels en leidingen. Voor aanlandingen aanvullend op de voorkeursalternatieven uit Programma VAWOZ, zijn vanuit ruimtelijk oogpunt nog mogelijkheden. Hier is wel een afhankelijkheid met andere ontwikkelingen op de Noordzee.

6.4.1 Aanlanden van Hollandse Kust West kavel VIII Het alternatief 700MW-wisselstroomverbinding vanuit windenergiegebied HKW8 naar 150kV-station Velsen in Noord-Holland is opgenomen in categorie 2. Voor dit alternatief zijn een noordelijke en een zuidelijke route ontworpen vanuit HKW8 richting de kust (zie Figuur 6-9). Beiden landen aan in de aanlandingszone Velsen-Noord - Heemskerk. De noordelijke route (HKW8-VNH1-E) wordt positiever beoordeeld. Voor de aanlanding van HKW8 wordt in Programma VAWOZ geen voorkeursalternatief aangewezen. Als voor een aanlanding van HKW8 naar het Noordzeekanaalgebied een projectprocedure wordt gestart, is de noordelijke route het uitgangspunt. Ontwerpprogramma VAWOZ - Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Figuur 6‑9 Routes vanaf HKW8 37

6.4.2 Ruimte voor aanlandingen na Programma VAWOZ Door in te zetten op bundeling én op inrichting van de corridors van west naar oost, blijft zoveel mogelijk ruimte behouden. Dit is belangrijk voor andere beleidsopgaven op de Noordzee en zo blijven de mogelijkheden zo groot mogelijk voor het aansluiten van nieuwe windparken. De corridors zijn voor een groot aantal kabels en één waterstofleiding onderzocht. In de middencorridor is er na de realisatie van de voorkeursalternatieven uit Programma VAWOZ ruimte voor verdere ontwikkelingen. De westelijke corridor heeft beperkt ruimte, met name bij windenergiegebied Nederwiek. Daarnaast is in de oostelijke corridor ook nog ruimte voor meerdere verbindingen, met de kanttekening dat in de huidige vorm deze corridor door Natura 2000-gebied Friese Front gaat. Voor elektrische aanlandingen is op termijn optimalisatie mogelijk vanwege de afbouw van gaswinning in dit gebied in de toekomst. Dit biedt kansen om het Friese Front te ontwijken. Om aanvullende aanlandingen in de Eemshaven in de toekomst mogelijk te kunnen maken, werkt het ministerie van EZK een tunnelconcept nader uit. Uit het onderzoek van Programma VAWOZ en PAWOZ-Eemshaven komen geen showstoppers naar voren voor het routedeel tussen het windenergiegebied 6/7 en het intredepunt voor de tunnel. Voor meer informatie over het tunnelconcept, zie hoofdstuk 11.

Dichter bij de kust en in de kustzone zijn er andere beleidsopgaven die leiden tot mogelijke ruimtelijke beperkingen. Een daarvan is de zandvoorraad voor zandwinning. Vanwege de zeespiegelstijging is er meer zand nodig om de kustlijn op haar plek te houden. Bij doorkruising van de reserveringszone voor zandwinning moet het beslag op de zandvoorraad tot een minimum worden beperkt. Ook komen bij de kust veel kabels en leidingen samen, waardoor de ruimtelijke druk zich hier concentreert en de routeopties beperkt worden. De natuurgebieden aan de kust en de ecologische draagkracht van de Noordzee zijn van groot belang. De beleidsmatige opgaven voor natuur kunnen bepalend zijn voor de ruimte voor verdere aanlandingen. Met natuurvriendelijk bouwen en maximaal inzetten op mitigatie en indien nodig compensatie kan mogelijk een positief effect ontstaan of negatieve effecten op de natuur worden voorkomen. De mogelijkheden voor de aanleg van nieuwe kabels voor nieuwe windparken na Programma VAWOZ zijn – gezien ontwikkelingen voor natuur – lastig te voorspellen en moeten op dat moment bekeken worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17072383/1