42.Vaststellen wijzigingsplan Oudenlandsedijk 71, Abbenbroek; toelichting wp Oudelandsedijk 71 Abbenbroek
Tekst van het document
Toelichting Wijzigingsplan ‘Oudelandsedijk 71 Abbenbroek’ Gemeente Nissewaard
Vastgesteld 21 november 2023 1
INHOUDSOPGAVE
PAG.
1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding Huidige situatie Het vigerende bestemmingsplan
3 3 4 5
2. 2.1 2.2 2.3
Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
7 7 8 10
3. Omgevingsaspecten 3.1 Bodem 3.2 Bedrijven en milieuzonering 3.3 Luchtkwaliteit 3.4 Water 3.5 Flora en fauna 3.6 Archeologische waarden en cultuurhistorie 3.7 Verkeer 3.8 Geluid 3.9 Externe veiligheid 3.10 Geur
13 13 13 13 14 15 16 16 16 18 19
4.
Juridische vormgeving
20
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Planschade
21 21 21
6. Vooroverleg en zienswijzen 6.1 Vooroverleg 6.2 Zienswijzen
22 22 22
Bijlage: Verkennend bodemonderzoek (Inventerra, augustus 2023)
2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Dit wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel Oudelandsedijk 71 te Abbenbroek. Op het perceel is voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig in de vorm van bedrijfsgebouwen en een voormalige bedrijfswoning. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Waardevolle openheid’. Het perceel Oudelandsedijk 71 is kadastraal bekend Bernisse, sectie D nr. 553. Het perceel heeft een oppervlakte van 4.480 m².
Figuur 1.1: geldend bestemmingsplan met plangebied wijzigingsplan
Op het perceel worden al langere tijd geen agrarische bedrijfsactiviteiten uitgeoefend. De schaalvergroting en de economische ontwikkelingen in de agrarische sector maken het ook niet meer mogelijk om op dit relatief kleine perceel nog een agrarisch bedrijf rendabel te exploiteren. De woning en bedrijfsbebouwing zijn niet meer voor (agrarische) bedrijfsdoeleinden nodig. Burgemeester en wethouders kunnen medewerking verlenen aan het wijzigen van de agrarische bestemming, door het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 4.7.2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’. In deze toelichting wordt ingegaan op de realiseringsmogelijkheid van de voorgenomen gebruikswijziging.
3
1.2 Huidige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Nissewaard aan de Oudelandsedijk 71 in Abbenbroek. Hierna is de ligging van de percelen in relatie tot de omgeving weergegeven.
Figuur 1.2: luchtfoto plangebied en omgeving
Hierna zijn foto’s opgenomen van het perceel.
4
Figuur 1.3: luchtfoto perceel Oudelandsedijk71
Figuur 1.4: foto woning en bedrijfsgebouwen Oudelandsedijk 71
1.3 Vigerend bestemmingsplan Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ van de gemeente Nissewaard heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Waardevolle openheid’.
5
Daarnaast gelden deels de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 4’ en voor het overige ‘Waarde – Archeologie- 5’. Ten slotte is de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ van toepassing, vanwege de aanwezigheid van bedrijventerrein Botlek Pernis. Het bestemmingsplan is op 17 december 2016 vastgesteld door de raad van de gemeente Nissewaard.
Figuur 1.5: plangebied wijzigingsplan
Het agrarisch bouwvlak, dat nu op het perceel ligt, zal vervallen. In artikel 4.7.2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ zijn de voorwaarden opgenomen, waaronder burgemeester en wethouders kunnen meewerken aan het wijzigen van de agrarische bestemming. In paragraaf 2.3.1 wordt ingegaan op de vraag of het voorliggende plan voldoet aan de gestelde voorwaarden.
6
2. Beleidskader 2.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie De in september 2020 vastgestelde Nationale omgevingsvisie (NOVI) vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder, dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het plan tot het aanpassen van gebruiksfunctie van het perceel Oudelandsedijk 71 betreft geen nieuwe (stedelijke) ontwikkeling. Er is sprake van de aanwezigheid van (voormalige agrarische) bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning. De functie wijzigt van bedrijfsmatig naar woongebruik. De bestaande bebouwing wordt hergebruikt of hoogstens gedeeltelijk vernieuwd. Het gaat ook niet om een zodanige functiewijziging dat er sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden is er geen noodzaak om de behoefte aan deze ontwikkeling te toetsen aan de hand van de ladder der duurzame verstedelijking.
7
2.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is opgenomen in de omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland. Het omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: • De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Geen stedelijke ontwikkeling Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zijn op basis van artikel 6.10 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat dit binnen bestaand stads- en dorpsgebied niet mogelijk is. Zoals onder 2.1 is beargumenteerd, is er in onderhavig plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Uit de Omgevingsverordening vloeit voort dat er mogelijkheden zijn voor wijziging van het gebruik van bestaande bebouwing. Een bestemmingsplan voor gronden buiten BSD kan een ander gebruik mogelijk maken van bestaande bebouwing, waaronder agrarische bedrijfsbebouwing. De nieuwe functie mag geen belemmering vormen voor omliggende agrarische bedrijven. In deze toelichting wordt ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid van de bestemmingswijziging. Om te kunnen bepalen of deze ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in drie categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Het plangebied zelf ligt in de groene ruimte (categorie 3).
Figuur 3.1: deel kaart 14 ‘ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën’ provincie Zuid-Holland 8
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: -
-
een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van het landschap heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en kwetsbaarder de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen (artikel 6.9 en toelichting Omgevingsverordening), te weten ‘inpassing’, ‘aanpassing’ en ‘transformatie’. Inpassing wordt omschreven als: ‘Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een nieuwe woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit.’ Conclusie De nieuwe functie past binnen de aard en schaal van het gebied. De bestemming is ‘Agrarisch met waarden – Waardevolle openheid’ en deze wordt grotendeels getransformeerd naar een woonbestemming. Qua bebouwing en ook qua bestaande structuren en kwaliteiten verandert er niet wezenlijk iets, de omvang van de bebouwing blijft gelijk. Om die reden kan voorliggend plan worden gerangschikt in categorie ‘inpassing’. Het plan maakt het gebruik van de bestaande bebouwing mogelijk en eventueel ook nieuwbouw van de woning. Het perceel is al landschappelijk ingepast met omzomende beplanting en bomen. Daarbij komt dat, zoals in paragraaf 3.2 is gemotiveerd, de gebruikswijziging geen belemmeringen met zich brengt voor omliggende bedrijven en woningen.
Ten slotte bevat de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mede het handelingskader voor de provincie. Om die reden wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in paragraaf 2.1 hieromtrent is opgemerkt. Klimaatadaptie In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is bepaald dat in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, uitgewerkt in de thema’s: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte.
9
Ad a. In onderhavige situatie gaat het om het wijzigen van het gebruik van bestaande bebouwing en is er geen toename van verharding. De ontwikkeling zal daarom niet leiden tot het ontstaan van wateroverlast door overvloedige neerslag (zie ook paragraaf 4.7 van deze onderbouwing). Ad b. Het plangebied heeft geen betrekking op (de kwaliteit van een) waterkering. Ad c. en d. Er is vanwege het behoud van de bestaande situatie ook geen sprake van invloed op toename van hitte of droogte. Conclusie Het wijzigingsplan stemt overeen met het provinciaal ruimtelijk beleid.
2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied West In het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ is in artikel 4.7.2 de bevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Waardevolle openheid’. Hierna is dit artikel opgenomen: 4.7.2 Vervolgfuncties Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Waardevolle openheid’ wijzigen ten behoeve van een van de vervolgfuncties zoals opgenomen in tabel 4.3, met inachtneming van het volgende: a. de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien het agrarisch gebruik is beëindigd; b. de bestaande landschappelijke waarden in de directe omgeving zoals bedoeld in lid 4.1 dienen niet onevenredig te worden aangetast; c. vervolgfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; d. de aard en omvang van de nieuwe functie, dient in relatie te staan tot de omvang en de situering van de aanwezige bebouwing; e. de vervolgfuncties zijn alleen toegestaan binnen de bestaande gebouwen, niet zijnde kassen en loodskassen; f. na de bestemmingswijziging wordt de omvang van het bouwvlak zoveel mogelijk beperkt het in gebruik genomen en als zodanig ingerichte erf en wordt een aanduiding opgenomen die aangeeft dat het een voormalig agrarisch bedrijf betreft; g. ter plaatse van bouwvlakken mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd.
Evenmin mogen de gebouwen na bestemmingswijziging qua oppervlakte en hoogte worden uitgebreid; h. het aantal woningen mag niet toenemen; i. ten aanzien van de vervolgfuncties: 1. agrarische loonbedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. opslag/stalling van goederen in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing (niet zijnde kassen en loodskassen);
10
3. overige bedrijven in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; geldt tevens dat: ▪ bedrijven in één categorie hoger dan in tabel 4.3 genoemd zijn toegestaan, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de in lid 1 genoemde categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; ▪ bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd zijn toegestaan, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals in lid 1 genoemd; met dien verstande dat risicovolle inrichtingen en geluidshinderlijke inrichtingen niet zijn toegestaan. j. de oppervlakte van een paardenbak bij een paardenhouderij mag ten hoogste 1200 m2 bedragen; k. de vervolgfunctie dierenpension/hondenfokkerij en -africhting is niet toegestaan in stiltegebieden; l. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en lichtreclame niet is toegestaan; m.
er op eigen terrein en binnen het bouwvlak voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid; De hierna genoemde voorwaarden, waaraan moet worden voldaan om de bestemming te kunnen wijzigen worden hierna uiteengezet met daaropvolgend de motivering waaruit blijkt dat het initiatief voldoet aan deze voorwaarden. Ad a. het oorspronkelijke agrarische gebruik van het perceel is al enige jaren geleden beëindigd; Ad b. de bebouwingssituatie en landschappelijke inrichting van het plangebied worden gehandhaafd. Het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is daardoor niet van invloed op de bestaande landschappelijke waarden in de omgeving; Ad c. de vervolgfunctie is alleen de woonfunctie. Uit milieuhygiënisch oogpunt is dat niet een voor de omgeving belastende functie, in ieder geval minder belastend dan de agrarische bedrijfsuitoefening die in het verleden op de locatie plaatsvond. Er zijn in de directe omgeving van de woning Oudelandsedijk 71 geen agrarische bedrijfscomplexen aanwezig, waardoor er ook geen belemmeringen zijn voor agrarische bedrijven; Ad d. de boerderij met bijbehorende loodsen/schuren biedt meer dan voldoende ruimte voor het beoogde toekomstige gebruik voor bewoning. Er komt geen nieuwe bebouwing bij; Ad e.
op het perceel bevinden zich geen kassen of loodskassen; de ruimte die de bestaande bebouwing biedt, is toereikend voor het beoogde gebruik voor bewoning; Ad f. het bouwvlak wordt kleiner en beperkt tot waar alleen de bebouwing staat. Dit bouwvlak is kleiner dan het huidige agrarische bouwvlak. De aanduiding ‘specifieke vorm van wonen voormalig agrarisch bedrijf’ is vermeld op de verbeelding van het wijzigingsplan; Ad g. er zijn geen plannen voor nieuwe of uitbreiding van bestaande bebouwing, de regels van het wijzigingsplan sluiten dit ook uit; 11
Ad h. de huidige woning blijft in gebruik als woning, er komt geen nieuwe woning bij; Ad i. in de toekomstige situatie zijn er geen bedrijfsactiviteiten meer aanwezig in het plangebied; Ad j. er is op dit moment geen plan tot het aanleggen van een paardenbak, als dit in de toekomst toch aan de orde komt dan zullen de afmetingen van het bestemmingsplan worden gerespecteerd; Ad k. de functies dierenpension/hondenfokkerij en -africhting zijn niet voorzien; Ad l. er worden geen reclameborden en/of lichtreclame geplaatst; Ad m. het toekomstig gebruik is alleen voor privégebruik, op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar voor het voorzien in de parkeerbehoefte. De conclusie is dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 4.7.2 van de regels van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’.
12
3. Omgevingsaspecten 3.1 Bodem Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Er is bodemonderzoek ingesteld (Inventerra, augustus 2023). Uit dit onderzoek blijkt dat de grond geschikt is om te worden gebruikt voor woondoeleinden. De conclusie is dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor het beoogde plan.
3.2 Bedrijven en milieuzonering Om te voorkomen dat bedrijven milieubelastend zijn ten opzichte van gevoelige functies en daarmee de leefbaarheid en woonkwaliteit verslechteren, wordt gebruik gemaakt van een milieuzonering. Door het hanteren van afstandsnormen wordt de overlast ten opzichte van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Daarnaast krijgen bedrijven zo ‘milieuruimte’ opdat de bedrijfsvoering kan worden uitgevoerd zonder anderen tot hinder te zijn. Gemeenten hanteren de normen die zijn gepubliceerd in de VNG-publicatie ‘’Bedrijven en milieuzonering’’. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in type bedrijvigheid en soort overlast. Deze normen zijn niet wettelijke bepaald maar vormen wel een richtlijn. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat dit bijvoorbeeld het geval is bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. gebieden die langs de hoofdinfrastructuur liggen. Bij een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven wiens milieuzone ligt over het plangebied.
Samengevat is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning Oudelandsedijk 71, terwijl geen van de aanwezige omliggende bedrijven gehinderd worden door de omzetting van de agrarische- naar een woonbestemming. Uit oogpunt van milieuzonering is de omzetting van de agrarische bestemming naar de woonbestemming daarom mogelijk.
3.3 Luchtkwaliteit Normen voor het aspect ‘luchtkwaliteit’ zijn opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit niet in betekende mate bijdragen en de Regeling niet in betekende mate bijdragen. Uit deze regelingen volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide, indien deze maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide bedraagt. 13
Hier is sprake van een ontwikkeling die op geen enkele wijze een negatieve invloed op de luchtkwaliteit zal hebben. Er zullen door de bestemmingswijziging geen extra verkeersbewegingen plaatsvinden van en naar de percelen, eerder minder vanwege het wegvallen van de agrarische bestemming. Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Gegevens (2020) uit de Atlas voor de Leefomgeving laat zien dat de luchtconcentraties ter hoogte van het plangebied als volgt zijn: Stikstofdioxide NO2: 16,32 μg/m³ Fijn stof PM10: 15,34 μg/m³ Fijn stof PM 2,5: 7,79 μg/m³ Dit voldoet ruimschoots aan de normering van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. De grenswaarde voor NO2 en PM10 bedraagt 40 μg/m³ en voor PM2,5 is dit 25 μg/m³. De conclusie is dat vanuit het aspect luchtkwaliteit er geen belemmering bestaat voor de geplande ontwikkeling.
3.4 Water De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Op 10 november 2021 is het nieuwe Waterbeheerprogramma unaniem door het algemeen bestuur van het waterschap Hollandse Delta vastgesteld. Dat programma geldt voor de periode 2022-2027. Het waterbeheerprogramma heeft betrekking op drie kerntaken: • veilige dijken en duinen; • voldoende en schoon water; • het schoonmaken van afvalwater. Om deze taken ook in de toekomst goed te kunnen blijven uitvoeren, wordt door het waterschap rekening gehouden met klimaatverandering, duurzaamheid, energietransitie en biodiversiteit. Voor zover voor dit wijzigingsplan relevant wordt ten aanzien van wateraspecten het volgende vermeld. Waterveiligheid Er is sprake van bestaande bebouwing die niet binnen de beschermingszone van een waterkering aanwezig is. De Oudelandsedijk heeft geen status als waterkerende dijk. Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het wijzigingsplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast. Uit de ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’ van het Waterschap blijkt dat 10% van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. 14
In buitenstedelijk gebied geldt die eis pas bij een toename van verharding van 1.500 m², in stedelijk gebied bij een toename van 500 m². De verharde oppervlakte op het perceel blijft gelijk. Schoon water In de afvoer van vuilwater wordt geen verandering aangebracht. Wegen Het plangebied ligt aan de Oudelandsedijk, voor de ontsluiting wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitritten. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’.
3.5 Flora en Fauna De Wet natuurbescherming (Wnb) bepaalt, dat bij planologische ontwikkelingen of fysieke veranderingen in een ruimtelijk omgeving rekening moet worden gehouden Flora en/of Fauna met een beschermde status. Ook geldt er op grond van de Wnb de zorgplicht waardoor eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Het vaststellen van een wijzigingsplan mag op grond van het toegelaten gebruik er niet toe leiden dat beschermde soorten worden aangetast. Het onderhavig wijzigingsplan voorziet in een functiewijziging van de huidige bebouwing. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet ook rekening worden gehouden met de instandhoudingsdoelen van de op grond van de Wnb beschermde gebieden. Dit zijn hoofdzakelijk NNN-gebieden en Europees beschermde Natura 2000-gebieden. In de directe omgeving zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig, het dichtstbijzijnde is de Krammer. Dit is ook een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De afstand van Oudelandsedijk 71 tot de Krammer is ongeveer 1,9 km. Het wijzigingsplan voorziet niet in een verandering van de feitelijk bestaande situatie. Dit levert daarom geen nadelig invloed op de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden.
Daarnaast zal er in de gebruiksfase geen toename zijn van de uitstoot van stikstof. Het initiatief is uit ecologisch oogpunt realiseerbaar.
15
3.6 Archeologie & cultuurhistorie Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992) en de nationale Erfgoedwet. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ vermeldt de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 4’ en ‘Waarde - Archeologie – 5’ voor het plangebied. Vanwege het feit dat er in het kader van het wijzigingsplan geen grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden, is er geen noodzaak om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig op de percelen. Het plangebied valt ook niet binnen een molenbiotoop.
3.7 Verkeer Het plangebied ligt langs de Oudelandsedijk. De geplande functieverandering zal niet leiden tot een toename van verkeer, eerder van een afname. Er zal met name sprake zijn van woongerelateerd verkeer en niet meer van (agrarisch) bedrijfsverkeer. Een woning genereert 6 á 7 vervoersbewegingen per etmaal. De Oudelandsedijk is voldoende gedimensioneerd om dit aantal bewegingen te verwerken. Voor het parkeeraspect hanteert de gemeente Nissewaard de parkeernormen uit de CROWpublicatie 381. Voor woningen in het buitengebied geldt een norm van 2 tot 2,8 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan genoemde parkeernorm te voldoen.
3.8 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder (wgh) en enkele uitvoeringsbesluiten. Spoorweglawaai Het plangebied valt niet binnen een zone voor spoorweglawaai. Industrielawaai Het plangebied valt binnen de geluidszone van het bedrijventerrein Botlek/Pernis. De geluidbelasting vanwege industrielawaai dient te worden berekend conform het Regionale Afsprakenkader (RAK). In het RAK is onderstaande zonekaart van het industrieterrein opgenomen. Het plangebied is rood omcirkeld.
16
Figuur 3.1: Geluidszonekaart bedrijventerrein (Bron: RAK)
Uit deze zonekaart blijkt dat het plangebied ligt in de zone tussen de 50 en 55 dB. De voorkeursgrenswaarde bij industrielawaai in 50 dB, er is een mogelijkheid tot vaststelling van een hogere geluidsgrenswaarde voor bestaande woningen tot 60 dB (artikel 55 Wgh). Het betreft hier een bestaande woning die aanwezig was toen de geluidszone werd vastgesteld. In die bestaande situatie en daarom ook in de gevelbelasting ten gevolge van industrielawaai komt geen verandering. Om deze reden is er geen belemmering voor het vaststellen van het wijzigingsplan. Wegverkeerslawaai Wat betreft wegverkeerslawaai dient op grond van het bepaalde in artikel 82, lid 1 van de Wgh te worden bezien of er sprake is van een geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai binnen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Voor buitenstedelijk gebied zoals hier aan de orde is een hogere grenswaarde toegestaan tot 53 dB Lden. In onderhavige situatie is sprake van omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Op grond van artikel 76, lid 3 van de Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Het wijzigingsplan is uit oogpunt van de Wet geluidhinder aanvaardbaar.
17
3.9 Externe veiligheid Op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) en enkele andere uitvoeringsbesluiten dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen en/of buisleidingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Ook dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. In het kader van de externe veiligheid is het dus van belang om te onderzoeken of er in of in de nabijheid van de plangebieden nabij de bouwlocatie relevante inrichtingen en transportroutes aanwezig zijn en zo ja, of nader onderzoek noodzakelijk is. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats in de omgeving van het plangebied. Er kan worden geconstateerd dat er zich in de directe omgeving geen gevaarzettende ondergrondse leidingen dan wel Lpg-stations aanwezig zijn. Ook wordt nog verwezen naar de risicokaart (Atlas leefomgeving). Uit deze kaart is op te maken dat er voor het plangebied in de directe nabijheid geen risicovolle zaken aan de orde zijn.
Er is een gasdrukregelstation aan de Moerseweg 2-2a aanwezig op ongeveer 330 m van het plangebied, maar de risicocontour daarvan is beperkt tot 30 m. De gasleidingen ten westen van het plangebied liggen op ruim 450 m van de woning Oudelandsedijk 71. De noordelijk van het plangebied aanwezige leidingstrook ligt op ongeveer 500 m afstand. Ten slotte is er op het perceel Drieëndijk 1b een propaantank aanwezig met een veiligheidszone van 150 m. De afstand tot de woning Oudelandsedijk 71 is echter ruim 400 m.
Figuur 3.2: Risicokaart met pijl bij planlocatie 18
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de gemeente Nissewaard haar bewoners actief informeert op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing. Door middel van de campagne Denk Vooruit (‘Rampen vallen niet te plannen, voorbereidingen wel’) worden burgers geïnformeerd hoe men zich kan voorbereiden op een eventuele calamiteit. Conclusie is dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
3.10
Geur
Het plangebied ligt niet binnen de geurzone van een bedrijf c.q. een veehouderij. Het wijzigingsplan is daarom ook uit oogpunt van het aspect geur uitvoerbaar.
19
4. Juridische vormgeving Na wijziging wordt voor het perceel Oudelandsedijk 71 de bestemming ‘Wonen’ en de daarbij behorende regels uit het vigerende bestemmingsplan van toepassing. Er zijn daardoor op het perceel geen bouwmogelijkheden meer voor agrarische bedrijfsbebouwing. Wanneer dit wijzigingsplan rechtskracht heeft verkregen, zal het plan vigeren als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’. Het wijzigingsplan ‘Oudelandsedijk 71 Abbenbroek’ van de gemeente Nissewaard bestaat uit regels en verbeelding en gaat vergezeld van voorliggende toelichting. Ten aanzien van het wijzigingsplan is een aantal regels opgenomen: inleidende regels (artikel 1 en 2), bestemmingsregels (artikelen 3 t/m 6), algemene regels (artikel 7) en Overgangs- en slotregels (artikel 8 en 9). Op de wijziging zijn de regels uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ onverkort van toepassing.
20
5. Uitvoerbaarheid Het plan omvat de wijziging van de regels van het perceel Oudelandsedijk 71 te Abbenbroek. Het betreft een particuliere ontwikkeling waar geen overheidsmiddelen ingezet behoeven te worden. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
5.1 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Bij onderhavig voornemen gaat het om een gebruikswijziging van een bestaande woning en bedrijfsgebouwen van agrarisch naar woongebruik. Daarom niet om de bouw van een of meer (planologisch) nieuwe woningen of verbouw voor ten minste tien woningen. Voor onderhavig plan is daarom geen exploitatieplan noodzakelijk.
5.2 Planschade Tussen de gemeente en initiatiefnemers wordt ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro afgesloten.
21
6. Vooroverleg en zienswijzen De procedure voor vaststelling van een wijzigingsplan zijn door de wetgever geregeld. Op de voorbereiding van een wijzigingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 6.1 Vooroverleg In art. 1.1.1 lid 3 Bro wordt aangegeven dat in hoofdstuk 3 van het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een bestemmingsplan ook een uitwerkings- of een wijzigingsplan als bedoeld in art. 3.6 Wro wordt begrepen. Om die reden is het wijzigingsplan voorgelegd aan vooroverleginstanties. Er zijn reacties ontvangen van het waterschap Hollandse Delta, Archeologie Rotterdam en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, alle hebben aangegeven dat zij geen opmerkingen hebben.
6.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een wijzigingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (artikel 3.9a, lid 1 Wro). Dit houdt in dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om gedurende zes weken hun zienswijze naar aanleiding van het ontwerp-wijzigingsplan naar voren te kunnen brengen, alvorens het wijzigingsplan wordt vastgesteld. Eventueel ingediende zienswijzen worden behandeld en indien nodig in het plan verwerkt. Burgemeester en wethouders dienen vervolgens binnen acht weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de wijziging te besluiten. Tegen een vastgesteld wijzigingsplan staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, eventueel in combinatie met een verzoek om voorlopige voorziening. Het wijzigingsplan heeft met ingang van 22 september t/m 2 november 2023, derhalve gedurende zes weken ter inzage gelegen. Daarbij is de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de ter visie ligging van het ontwerpwijzigingsplan zijn geen zienswijzen ingediend.
22