40.Raadsinformatiebrief Uitvoeringsprogramma ‘Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving’ (VTH) fysieke leefomgeving 2024; Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid
Tekst van het document
Een bouwveiligheidsplan hoeft niet per se door een uitvoerend bouwbedrijf te worden voorbereid. In het aanvraagstadium is een aannemer vaak nog niet in beeld. Het bouwveiligheidsplan, als informatieplicht, kan bestaan uit een hoofdopzet en uitgangspunten. Dit plan kan op aanwijzing van het bevoegd gezag worden opgesteld door een ter zake deskundige. Op basis van dit uitgangspuntenplan kan op een later moment een gedetailleerd veiligheidsplan voor de uitvoering worden gemaakt. (art. 7.5c lid 2 Bbl). Ook als aangeleverde gegevens en bescheiden gedurende de bouw zijn aangepast dienen deze opnieuw aan het bevoegd gezag te worden verstrekt.
Wat zegt het Besluit bouwwerken leefomgeving? Artikel 7.1 (toepassingsbereik: activiteiten) Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Artikel 7.2 (toepassingsbereik: oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Blad 23 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
a. het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden; en b. het waarborgen van duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- en sloopterrein. Artikel 7.3 (toepassingsbereik: normadressaat) Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 7.4 (specifieke zorgplicht) Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend locatie of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden. Artikel 7.15 (veiligheid in de directe omgeving) 1 Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: a. letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein; b.
letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden; en c. gevaar voor de veiligheid van belendingen. 2. Bij het bouwen of slopen van een gebouw wordt bij de bouw- en sloopplaats een veiligheidsafstand vrijgehouden bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid.
De formulering "Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen" in artikel 7.15 Bbl impliceert, dat er aan het veiligheidsplan onder meer projectgebonden inhoudelijke voorwaarden kunnen worden gesteld door het bevoegd gezag. Vanuit de informatieplicht op basis van artikel 7.5c Bbl kan het bevoegd gezag naast de omgevingsvergunning of melding maatwerkvoorschriften stellen voor een verdere detailuitwerking van de bouw- en sloopveiligheid. Welke gegevens kunnen worden gevraagd en welke onderwerpen dienen te worden geborgd als ‘’voldoende getroffen maatregelen’ is verderop in deze richtlijn opgenomen. Aangezien de informatieplicht niet valt onder 4.5 Awb (aanvullende gegevens niet complete aanvraag) kan het bevoegd gezag altijd en meerdere momenten om aanvullende gegevens vragen gedurende het gehele proces, voorafgaand en tijdens de uitvoering. Bouw- en sloopveiligheid geen weigeringsgrond omgevingsvergunning De weigeringsgronden voor een aanvraag omgevingsvergunning staan in de Omgevingswet artikel 5.20 waarin staat dat dient te worden voldaan aan het waarborgen van de veiligheid geregeld in het Bbl. In lid 2 van artikel 5.20 staat duidelijk dat een weigeringsgrond voor een bouwactiviteit alleen die regels betreft die betrekking hebben op de kwaliteit van het bouwwerk. Hierdoor kan worden gesteld dat het ontbreken van het veiligheidsplan geen
Blad 24 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
weigeringsgrond is. De sanctie bij het niet voldoen aan de informatieplicht kan inhouden dat niet mag worden gestart met de bouw- of sloopwerkzaamheden. Voordat de bouw/sloop start Voordat de bouw- of sloopwerkzaamheden starten dient het normadressaat op basis van artikel 7.5c lid 2 Bbl de risicobeoordeling op basis van de risicomatrix te herijken en zo nodig het veiligheidsplan te actualiseren over de logistiek, bouwplaatsinrichting, bouwmaterialen, bouwvolgorde en bouwtechniek die in de ontwerpfase mogelijk niet waren te voorzien of zijn gewijzigd. Het actualiseren van de risicobeoordeling en het veiligheidsplan is ook nodig bij ingrijpende veranderingen in de omgeving, zoals een wijziging in de verkeerssituatie of samenloop met andere activiteiten. Het actueel houden van de risicobeoordeling en het veiligheidsplan voor de veiligheid in de directe omgeving loopt veelal parallel aan het actueel houden van het veiligheids- en gezondheidsplan (V&G-plan) en het veiligheids- en gezondheidsdossier volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit. Een herijkt en/of geactualiseerd plan dient altijd aan het bevoegd gezag ter goedkeuring te worden voorgelegd.
Maatwerkvoorschrift naar aanleiding van al dan niet voldoen aan informatieplicht Er zullen naar verwachting altijd enkele bijzondere gevallen zijn waarin de matrix niet hoeft te worden ingevuld of dat uit de uitgebreide matrix geen nadere maatregelen volgen, maar er toch bij nader inzien sprake is van risico’s voor de omgeving die ondervangen moeten worden.2 Ook kan het zijn dat er niet is voldaan aan de informatieplicht. In beide gevallen kan het bevoegd gezag altijd een maatwerkvoorschrift stellen om alsnog te verplichten tot een veiligheidsplan en het aanstellen van de veiligheidscoördinator directe omgeving waar op basis van ook kan worden besloten de werkzaamheden niet te mogen starten, of deze stil te moeten leggen. (art. 7.5 Bbl). Tijdens de bouw In de uitvoeringsfase coördineert de veiligheidscoördinator directe omgeving de veiligheid. De opdrachtgever en de hoofdaannemer (normadressaat) zijn tijdens de bouw- en sloopwerkzaamheden verantwoordelijk voor de veiligheid. Als de veiligheid in geding is kunnen beiden hierop worden aangesproken. De veiligheidscoördinator directe omgeving doet zijn werkzaamheden uit naam van degene die hem heeft aangesteld. Dit kan de opdrachtgever zijn doch dit is meestal de hoofdaannemer.
Als de veiligheidscoördinator directe omgeving zijn taak niet kan uitvoeren geeft hij zijn opdracht terug omdat hij vindt dat de veiligheid in het geding is en in strijd met de vergunning/melding wordt gehandeld. De opdrachtgever of de hoofdaannemer dient in te grijpen en zo nodig de bouw/sloop stil te leggen totdat de veiligheid weer gegarandeerd kan worden. Zij kunnen hierop allebei door de gemeente worden aangesproken. De gemeente kan altijd gebruik maken van haar handhavingsbevoegdheid door bijvoorbeeld de bouw/sloop stil te leggen, al dan niet na signalen van betrokkenen of een handhavingsverzoek.
Toezicht en handhaving In de toezichtstrategie, op grond van het Omgevingsbesluit, van het bevoegd gezag is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. Het gaat hierbij om het observeren en constateren van het wel of niet voldoen aan de regels. 2
Bijvoorbeeld bij vergunningvrije of niet meldplichtige bouw‐ of sloopactiviteiten, zie artikel 2.27 Bbl.
Blad 25 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Mocht tijdens de realisatiefase blijken dat er wordt gebouwd zonder of in afwijking van een goedgekeurd, al dan niet nader uitgewerkt, veiligheidsplan of in strijd met een opgenomen maatwerkvoorschrift dan kan handhavend worden opgetreden door bijvoorbeeld het werk stil te leggen. Mag een vergunning worden verleend als er mogelijk schade ontstaat aan omliggende panden? Vraag In bezwaren tegen een bouwvergunning wordt vaak als bezwaargrond ingebracht dat door de uitvoering van de vergunde werkzaamheden schade ontstaat aan het eigen pand van de bezwaarmaker. Dit is zeker een vaak ingebracht bezwaar als er sprake is van heiwerkzaamheden. In een recente uitspraak3 van de Raad van State is de wettelijke grondslag van een dergelijk bezwaar aan de orde. Antwoord De Afdeling gaat na welke voorschriften de gemeente aan de vergunning heeft verbonden. Het gaat om het voorschrift tot het indienen van een palenplan en een bouwveiligheidsplan en de monitoring van trillingen en zettingen tijdens de heiwerkzaamheden. Verder is niet in geschil dat de heimethode, waarin het project die is gebruikt, algemeen bekend staat als trillingsarm. Appellant had een technisch bezwaar gemaakt over de breedte van de palen. De gemeente wist dit bezwaar op de zitting te weerspreken. Ook had appellant naar voren gebracht dat beter voor de methode van het trillingsvrij persen kon worden gekozen.
Ook dit wist de gemeente met een technisch betoog te weerspreken. Om die reden blijft de vergunning in stand, ook al is door toepassing van de vergunning aantoonbaar schade ontstaan. De Afdeling gaat er kennelijk vanuit dat schade altijd kan ontstaan, ook in het geval dat de gemeente heeft aangetoond voldoende maatregelen te hebben genomen. Het bouwveiligheidsplan Het Bbl stelt geen eisen meer aan de inhoud en onderwerpen van het bouwveiligheidsplan of sloopveiligheidsplan. Deze zijn nog wel terug te vinden in de toelichting op het Bbl waardoor deze nog wel richtinggevend zijn. Dat is dus ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 niet meer centraal door het rijk geregeld, maar is op decentraal niveau nu door het bevoegd gezag zelf in te vullen. Waaraan een goed veiligheidsplan moet voldoen (zoals hieronder opgenomen) is wel geborgd als deze richtlijn als beleid is vastgesteld.
3
Uitspraak RvS 201600001/1/A1, d.d. 12 april 2017
Blad 26 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Inhoud Bouw‐ of sloopveiligheidsplan volgens deze richtlijn. Het veiligheidsplan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag ten minste: Inhoudsopgave • Overzicht bijbehorende documenten Risicomatrix • invullen van de risicomatrix en formulier als bijlage toevoegen Toelichting Project (administratieve gegevens en betrokken partijen) • Omschrijving van project • Nut, noodzaak en achtergrond van het project • Opdrachtgever, ontwikkelaar, aannemer, constructeur (verantwoordelijkheidsstructuur) • De naw gegevens van de veiligheidscoördinator directe omgeving • Planning, motivatie tijdpad en consequenties • Luchtfoto bouwlocatie en directe omgeving • Toelichting bouwsystematiek en bouwlogistiek Algemene informatie • Sloop‐/Bouwmethode, . sloopvolgorde irt rest stabiliteit (toepassing materieel/materiaal, hulp‐ en beveiligingsmiddelen; Tekeningen 1. Situatietekening (schaal 1:1000) van het project en de omgeving 2. Tekeningen bouw/sloopplaatsinrichting (schaal 1:100 en 1:1000) incl.
de volgende onderdelen: • Ligging van het perceel, omliggende wegen, naastgelegen bouwwerken e.d.; • Situering van het te (ver) bouwen / slopen bouwwerk; • Langs‐ en dwarsdoorsneden en bouwhoogten en de bijbehorende veiligheidszones; • Aan‐ en afvoerwegen; • Laad‐, los‐ hijs‐ en bouw‐/ veiligheidszones; • Opstelplaats kranen met bijbehorende draaicirkels; • Plaats van de bouwketen en bouwliften; Plaats van ander hulpmaterieel en opslag van materialen (silo); Opstelplaats brandweer/ bluswater voorzieningen in de omgeving; indien een bouwput wordt gemaakt: 1° de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem; 2° de uitgangspunten voor een bemalingsplan; 3° de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken; een rapport van een akoestisch onderzoek, indien aannemelijk is dat de dagwaarde vanwege het uitvoeren van bouw‐ of sloopwerkzaamheden meer bedraagt of de maximale blootstellingsduur in dagen langer duurt dan de waarden, bedoeld in artikel 7.17 lid 3 Bbl.
LET OP: Alle bovengenoemde tekeningen dienen te worden voorzien van maatvoering én renvooi/ legenda. Benoem de Veiligheidsrisico’s inclusief de beheersmaatregelen: • Bezwijken/breken/vallen van constructie of onderdelen (boven de weg) • Aanrijdgevaar (bouw)verkeer in relatie tot hulpconstructies • Stempelplan (indien nodig) • Vluchtroutes dienen in stand gehouden te worden • Houd rekening met wegkaatsrisico tijdens de gehele realisatie van het project
Blad 27 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
• • • • • • •
20 december 2023 2.14
Onderzoek naar stabiele ondergrond bij gebruik van machines Klic‐melding Onderzoek naar in de grond aanwezige explosieven Vallende voorwerpen op openbaar terrein of belendingen Brandgevaar/ brandveiligheid Bouwhoogte >20m droge blusleiding meenemen tijdens de bouw Monitoring: bemaling, geluid en trilling
Zie voor de detail uitwerking onder andere Hoofdstuk 7 van de Richtlijn. Omgevingsscan • •
Nulmeting hoogte bestaande gebouwen, bouwwerken en de ondergronden in de directe omgeving. Monitoring van bovenstaande punt tijdens de bouw.
Communicatieplan (communicatie over het project, richting de omgeving) • Omschrijf de communicatie met de buurt/omgeving en geef aan hoe u met signalen uit de buurt/omgeving omgaat. • Bij derden‐belanghebbenden (bv. RWS, lokaal spoor, Prorail, buren, Gemeente) zal er gecommuniceerd moeten worden met deze partij en moeten de afspraken in vaststellingsovereenkomsten worden vastgelegd. Deze afspraken/stukken maken onderdeel uit van het veiligheidsplan.
Blad 28 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
5
20 december 2023 2.14
De risicomatrix en de veiligheidscoördinator directe omgeving Het doel van de risicomatrix is het realiseren van een duiding van de risico’s voor de veiligheid die zijn verbonden aan de beoogde bouw- of sloopwerkzaamheden. De risicomatrix is een indieningsvereiste als informatieplicht gelijktijdig met de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of de bouw- of sloopmelding. Het doel van de veiligheidscoördinator directe omgeving is om de maatregelen te coördineren die bij de bouw- of sloopwerkzaamheden worden getroffen. Als de ingevulde risicomatrix daartoe aanleiding geeft wordt een veiligheidscoördinator als bedoeld in artikel 7.5b Bbl aangesteld en moet er een bouw- of sloopveiligheidsplan worden opgesteld. In het bouw- of sloopveiligheidsplan wordt dan nader uitgewerkt: welke risico’s er worden onderkend, hoe deze vervolgens worden ondervangen en geborgd en welke beheersmaatregelen en procesafspraken er zijn. Dit alles met het doel om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van het bouwof sloopterrein.
Dit sluit dan ook goed aan op de doelstelling van een bouw- en sloopveiligheidsplan namelijk: “Het doel van een bouw- en sloopveiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord, in zijn relatie tot de directe omgeving en de openbare ruimte, gerealiseerd kan worden.” De in het bouw- en sloopveiligheidsplan uitgewerkte risicopunten zie je dan ook terugkomen in de taken van de veiligheidscoördinator directe omgeving zoals die in artikel 7.5b Bbl zijn verwoord. De veiligheidscoördinator directe omgeving ziet er op toe dat: 1°. de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van het bouw- of sloopterrein op doeltreffende wijze worden getroffen; 2°. de werkzaamheden die gelijktijdig of achtereenvolgend plaatsvinden, goed op elkaar zijn afgestemd; 3°. er voorlichting wordt gegeven aan degenen die de bouw- of sloopwerkzaamheden verrichten; 4°. alleen bevoegde personen de directe omgeving waar de bouw- of sloopwerkzaamheden worden verricht, kunnen betreden; 5°. de maatregelen die worden getroffen in de directe omgeving van het bouw- of sloopterrein worden aangepast als de bouw- of sloopwerkzaamheden daartoe aanleiding geven; en 6°. passende maatregelen worden getroffen als niet, onjuist of in onvoldoende mate uitvoering wordt gegeven aan de onderdelen 1° tot en met 5°.
In artikel 7.8 Bbl wordt verder nog geregeld dat als op grond van artikel 7.5 Bbl of 7.5a Bbl een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b Bbl moet worden aangesteld: de naam en contactgegevens van die coördinator op de
Blad 29 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
bouwplaats aanwezig dienen te zijn zodat een uitvoerder of toezichthouder direct contact kan leggen met deze veiligheidscoördinator. De taak van de veiligheidscoördinator directe omgeving is in artikel 7.5b onder a. Bbl, vastgelegd. Zo coördineert de veiligheidscoördinator directe omgeving namens degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht de volgende maatregelen: 1. maatregelen die worden getroffen bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden ter voorkoming van letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein, letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden en gevaar voor de veiligheid van belendingen (artikel 7.15 van het Bbl); 2. maatregelen die gevolgen hebben voor de grondwaterstand (artikel 7.16 van het Bbl); en 3. maatregelen die betrekking hebben op geluidhinder (artikel 7.17 van het Bbl), trillinghinder (artikel 7.18 van het Bbl) of stofhinder (artikel 7.19 van het Bbl). Net zoals voor de V&G-coördinator volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt, krijgt de veiligheidscoördinator directe omgeving in het Bbl geen publiekrechtelijke bevoegdheden. Als hij zijn taak niet kan uitvoeren omdat zijn instructies niet worden opgevolgd, gaat hij terug naar degene die hem in dienst heeft genomen. Dit is de opdrachtgever of de (hoofd)aannemer.
De opdrachtgever en de aannemer zijn normadressaat (artikel 7.3 Bbl) en dragen er zorg voor dat aan de vergunning en de eisen van het Bbl wordt voldaan, en dat de maatregelen uit het veiligheidsplan worden nageleefd indien deze is opgesteld. De opdrachtgever/aannemer dient in te grijpen en zo nodig de bouw/sloop stil te leggen totdat de veiligheid weer gegarandeerd kan worden. In het uiterste geval kan het BG gebruik maken van haar handhavingsbevoegdheid door bijvoorbeeld de bouw/sloop werkzaamheden stil te leggen, al dan niet na signalen van betrokkenen of een handhavingsverzoek. Tot slot wordt geregeld dat de naam en contactgegevens van de veiligheidscoördinator directe omgeving op het bouw- of sloopterrein aanwezig zijn.
De rol van de veiligheidscoördinator directe omgeving, in relatie tot de begrippen ‘veiligheidsafstand’ en ‘directe omgeving’ Het begrip ‘directe omgeving’ dat voorkomt in artikel 7.4 van het Bbl (met betrekking tot de specifieke zorgplicht ter voorkoming van gevaar) en bijvoorbeeld in artikel 7.15, eerste lid, onder a, van het Bbl (letsel aan personen op het bouw- en sloopterrein), kan betrekking hebben op een grotere afstand dan de ‘veiligheidsafstand’. De veiligheidsafstand is een wiskundig vast te stellen afstand, die dient te worden vastgesteld volgens de methode beschreven in paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn. Artikel 7.15, tweede lid, van het Bbl bepaalt dat de ‘veiligheidsafstand’ bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid, vrij moet worden gehouden. Het betreft de met oog op de risico’s van vallende objecten vrij te houden afstand, die niet toegankelijk is voor derden of voor publiek. Het vrijhouden van de veiligheidsafstand is een verantwoordelijkheid van de normadressaat uit artikel 7.3 van het Bbl: dat betreft degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht (of laat verrichten). Het valt daarnaast wel binnen de taakomschrijving van de veiligheidscoördinator directe omgeving in het nieuw ingevoegde artikel 7.5b van het Bbl dat die veiligheidsafstand ook daadwerkelijk wordt vrijgehouden.
Blad 30 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Verduidelijking begrip directe omgeving Het bereik van het begrip directe omgeving is afhankelijk van de locatie en de aanwezigheid van bebouwing en mensen in de omgeving daarvan. Dit biedt de benodigde ruimte voor maatwerk en legt de eerste verantwoordelijkheid neer bij diegene die de werkzaamheden uitvoert. Bijvoorbeeld: als er een basisschool dichtbij een bouw- of sloopterrein staat, maar buiten de veiligheidsafstand bepaald op grond van paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn, dan kan de basisschool toch binnen het bereik van de zorgplicht van artikel 7.4 van het Bbl vallen (en dus kan de basisschool binnen het bereik van het begrip ‘directe omgeving’ vallen). Dat houdt in dat er maatregelen moeten worden genomen om gevaar te voorkomen door de partijen die op grond van artikel 7.3 verantwoordelijk zijn voor de veiligheid (degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht (of doet verrichten), wat in dit specifieke geval kan inhouden dat vrachtwagenchauffeurs moeten worden geïnstrueerd dat ze langzaam aan komen rijden, opletten op overstekende kinderen en dat er op bepaalde tijdstippen geen in- of uitrijdend bouwverkeer is.
De veiligheidscoördinator directe omgeving voert primair het veiligheidsplan uit, maar hij kan zo nodig altijd op grond van artikel 7.5b, onderdeel b, onder 5, tijdens de bouw- of sloopwerkzaamheden de maatregelen (laten) aanpassen als de werkzaamheden en het voorkomen van risico’s, daartoe aanleiding geven. In dat veiligheidsplan kunnen, als de situatie daarom vraagt, maatregelen zijn opgenomen die toezien op de directe omgeving, hetgeen tevens betrekking kan hebben op de openbare weg. Bijvoorbeeld: voor de geplande bouw- of sloopwerkzaamheden wordt op twee opeenvolgende werkdagen met hijskranen gewerkt die een hijszone hebben die over de openbare weg reikt en over een trambaan. Zoals opgenomen in het bouw- of sloopveiligheidsplan, dat ten behoeve van de vergunningaanvraag of de sloopmelding ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag / gemeente, mogen er op de betreffende twee werkdagen geen trams op deze trambaan rijden. Belang goede contractuele afspraken met derde belanghebbenden. De opdrachtgever (normadressaat) draagt er zorg voor dat in een dergelijk geval goede afspraken (contracten/vaststellingsovereenkomsten) worden gemaakt met derden, zoals wegbeheerders en openbaarvervoersbedrijven en dat deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd tussen partijen. In het veiligheidsplan worden de te treffen maatregelen en afspraken opgenomen.
Als deze derden de instructies van de veiligheidscoördinator niet opvolgen, zoals in dit specifieke voorbeeld bijvoorbeeld de tramvervoerder die toch blijft rijden, dan dient de veiligheidscoördinator directe omgeving de opdrachtgever/(hoofd)aannemer (normadressaat) te adviseren in te grijpen en zo nodig de bouw/sloop stil te laten leggen totdat veiligheid weer gegarandeerd kan worden. De opdrachtgever/(hoofd)aannemer kan deze derden, zoals wegbeheerders en openbaarvervoerbedrijven waarmee hij van tevoren afspraken heeft gemaakt, op grond van het contract aanspreken. Daarnaast heeft de gemeente ook altijd de bevoegdheid (als de bouwer dit niet doet) de bouw/sloop stil te leggen omdat de veiligheid in het geding is.
Risicomatrix
Blad 31 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
De risicomatrix https://iplo.nl/@264244/risicomatrix-bouw-sloopactiviteit/ is een informatieplicht voor een bouw- of sloopactiviteit. Als de uitkomst van het invullen van de matrix aangeeft dat er veiligheids-of gezondheidsrisico’s zijn, dan dienen naast de matrix ook een veiligheidsplan en de naam en het adres van de veiligheidscoördinator directe omgeving bij de aanvraag of melding te worden aangeleverd. Als de bouwactiviteit vergunningplichtig is, mogen deze gegevens later worden aangeleverd alsnog niet bekend is wie deze rol in de uitvoeringsfase vervult. Wie de veiligheidscoördinator directe omgeving uiteindelijk aanstelt is, net als bij het aanvragen van de vergunning voor een bouwactiviteit of het doen van een melding voor een sloopactiviteit, niet geregeld. De matrix is, ten opzichte van de matrix die voorafgaand aan inwerkingtreding van dit besluit in de praktijk al werd gehanteerd, zodanig aangepast dat in de gevallen dat geen veiligheidsplan en veiligheidscoördinator directe omgeving nodig zijn, dit na enkele vragen duidelijk wordt en niet de gehele matrix hoeft te worden ingevuld (dit volgt uit de matrix zelf).
Het Bbl regelt verder dat de gemeente bij maatwerkvoorschrift naast het veiligheidsplan nu ook een veiligheidscoördinator directe omgeving kan voorschrijven als zij dit noodzakelijk acht en deze geen onderdeel uitmaakte van de vergunningaanvraag of de melding. Beoordeling van de informatieplicht; Rol bevoegd gezag Het doorlopen en invullen van de risicomatrix kan voor de betrokken partijen mogelijk leiden tot de conclusie dat geen veiligheidsplan en veiligheidscoördinator directe omgeving noodzakelijk zijn. Mocht het bevoegd gezag bij het beoordelen van een vergunningaanvraag/melding of bij een vergunningvrije uitvoering van werkzaamheden alsnog van mening zijn dat een veiligheidsplan en veiligheidscoördinator directe omgeving noodzakelijk zijn omdat zij de risico’s in de matrix anders beoordelen, dan kunnen zij altijd een veiligheidsplan en veiligheidscoördinator directe omgeving voorschrijven als maatwerkvoorschrift op grond van artikel 7.5 Bbl. Ook kan tijdens de bouw/sloop altijd nog een maatwerkvoorschrift worden opgelegd als dit op basis van aanwezige risico’s nodig is. Alle bij een project betrokken partijen (gemeente, opdrachtgever, aannemer, ontwerper o.a.) kunnen een risicoanalyse uitvoeren.
De uitkomsten tijdig voorafgaand aan de start met elkaar delen en afstemmen voorkomt verschil van inzicht en draagt bij aan begrip voor elkaars positie en versnelt vaak de processen. Het stappenplan om te komen tot een goed bouwveiligheidsplan is opgenomen in bijlage 2 bij deze richtlijn.
Blad 32 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
6
20 december 2023 2.14
Bouwveiligheidszone, hijszone, hijsgebied en hijsroute 6.1
Ontwikkeling normen en korte geschiedenis
Met name voor hoogbouwplannen op stedelijke locaties werd geruime tijd geleden al de behoefte gevoeld aan normering, voor onder andere de hijswerkzaamheden. In 1996 zijn in Den Haag normen opgesteld op basis van vroegere regelgeving van de Arbeidsinspectie. Met de regeling en de tabel bouwhoogte in relatie tot veilige afstand voor publiek zijn goede ervaringen opgedaan. Met referentie aan de Duitse normering voor veiligheid en gezondheid bij toren– en schoorsteenbouw ZH 1/1601 van juli 1997 is de regeling in 2006 aangepast voor bouwwerken tot grotere hoogte (140 meter). De regeling is telkens aangepast aan nieuwe versies van het Bouwbesluit en bleek goed te voldoen. Er is geen wetenschappelijke onderbouwing van de hoogtenormen, wel heeft er een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar ongevallen en het valbereik van vallende voorwerpen. Dit heeft ertoe geleid dat onderstaande paragraaf met veiligheidsafstanden is opgenomen als prestatie-eis in artikel 7.15 lid 2 Bbl. 6.2 hijsgebied)
Veiligheidsafstanden (Bouwveiligheidszone, hijszone en
In het Bbl artikel 7.15 is deze paragraaf als prestatie-eis opgenomen voor de bouw- en sloopveiligheid van een gebouw. De richtlijn kan ook worden toegepast voor een bouwwerk geen gebouw zijnde voor het bepalen van de veilige afstanden. Op basis van deze paragraaf wordt de bouwveiligheidszone (BVZ) bepaald. Deze wordt in eerste instantie bepaald door de hoogte van het bouwwerk of de hoogte van het hijsobject maar de in deze paragraaf beschreven situaties kunnen van invloed zijn op de omvang van de bouwveiligheidszone. Tabel 1 is bedoeld als uitgangspunt voor het bepalen van de bouwveiligheidszone. Voor elke bouw- en/of slooplocatie gelden specifieke werk gerelateerde omstandigheden. bouwwerkhoogte / hijshoogte (m) 3 6 9 12 15 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130
bouwveiligheidszone (m) 1,5 2 2,5 3 3,5 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
bouwwerkhoogte / hijsoogte (m) 140 150 160 170 180 190 200 210 220 230 240 250 260 270 280 290 300
bouwveiligheidszone (m) 16 17 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 30 31 32 33 34
Blad 33 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Tabel 1: De relatie tussen de hoogte van een bouwwerkhoogte/ hijshoogte en de bouwveiligheidszone tot een hoogte van 300 meter. Tot 150 meter hoogte is dit in Nederland beproeft. Boven de 150 meter moet hier ervaring mee worden opgedaan. Bij tussenliggende waarden van de gebouwhoogte/hijshoogte in deze tabel dient de hoogste waarde voor de bouwveiligheidszone te worden aangehouden.
Een bouwveiligheidsplan dient te voldoen aan onderstaande criteria. Deze criteria worden in het vervolg van deze richtlijn nader toegelicht.
Bouwterrein 1. Het bouwterrein is te allen tijde fysiek afgescheiden van zijn omgeving. Binnen deze fysieke afscheiding vallen de oppervlakte van het bouwwerk, het materiaal, het materieel, het werkterrein, de bouwveiligheidszone en het hijsgebied. 2. Een vaste- of mobiele kraan, evenals ieder ander hulpmiddel dat wordt gebruikt om lasten zowel horizontaal als verticaal te verplaatsen, dient te allen tijde binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein te worden opgesteld. Bouw- en sloopveiligheidszone 3. Een bouw- en sloopveiligheidszone is niet toegankelijk voor publiek. 4. Tijdens de werkzaamheden dient de bouwveiligheidszone, zoals genoemd in tabel 1, te allen tijde aanwezig te zijn. 5. De bouwveiligheidszone heeft betrekking op kleine vallende voorwerpen (tot 5 kg). Voor zwaardere vallende voorwerpen (vanaf 5kg) gelden de hijszone, het hijsgebied en de hijsroute (zie 6.2.2 en 6.2.4). Hijszone 6. Een hijszone ligt binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein. Uitsluitend binnen deze hijszone mogen lasten gehesen worden. 7. De oppervlakte van de hijszone is minimaal gelijk aan de oppervlakte van het te hijsen object. 8. Wanneer rotatie van het te hijsen object mogelijk is (bijvoorbeeld door de wind) dan geldt voor de bepaling van de hijszone de grootste afmeting (lengte of breedte of hoogte) van het hijsobject.
Voor de projectie van het object is de meest ongunstige situatie maatgevend (zie figuur 6.2).
Hijsgebied 9. De hijszone en daar omheen de benodigde bouwveiligheidszone (in relatie tot de hijslashoogte) vormen samen het hijsgebied. 10. Wanneer er voor een gevel of steiger omhoog wordt gehesen, wordt er tussen de gevel/steiger en de hijszone 1/3 van de hierboven bepaalde bouwveiligheidszone toegevoegd (zie figuur 6.2) 11. Het hijsgebied dient te allen tijde binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein te vallen. 6.2.1 Kleine vallende voorwerpen Het risico van kleine vallende voorwerpen (tot 5kg) doet zich voor binnen de bouw- en sloopveiligheidszone. Zoals eerder is omschreven, is deze zone afhankelijk van de
Blad 34 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
hoogte van het bouwwerk (zie tabel 1). Deze zone dient op de situatietekening te worden ingetekend (zie figuur 6.1). Aan de hand van deze tekening wordt bepaald waar de fysieke bouwplaatsafscheiding ten minste gesitueerd dient te worden. Dit om te voorkomen dat kleine vallende voorwerpen in de omgeving terecht komen. Bij voorwerpen tot 5kg kun je onder andere denken aan bouw- of sloopafval, onderdelen van bouwmachines, bouwmaterialen en gereedschap.
6.2.2 Zware vallende voorwerpen Het risico van zware vallende voorwerpen (vanaf 5kg) doet zich voor tijdens het lossen, hijsen en monteren van grote(re) objecten. Dit risico doet zich voor in het hijsgebied (zie 6.2.4 en 6.2.5). Er wordt hierbij rekening gehouden met het draaien van het object door de wind. De grootste afmeting van het object is hierbij telkens bepalend. 1. Het hijsen van een object over de omgeving (openbare straat en/of in gebruik zijnde belendingen) is niet toegestaan; 2. Mocht een hijsgebied boven een belending zijn geprojecteerd (de projectie van de bouwveiligheidszone op het maaiveld is dan maatgevend) dan mag zich binnen deze projectie geen publiek bevinden. Wanneer zich binnen de projectie van de bouwveiligheidszone een noodtrappenhuis bevindt, zal ook het vloerveld welke voor ontvluchting op dit trappenhuis is aangewezen, vrij moeten blijven van publiek. Dit zal veelal tot het instellen van een alternatieve vluchtroute (bypass) leiden. Een en ander volgens de vigerende regelgeving op het gebied van brandveiligheid.
6.2.3 Bouwveiligheidszone De bouwveiligheidszone is afhankelijk van de hoogte van het bouwwerk of de hijshoogte (zie tabel 1) en volgt de contouren van het bouwwerk (zie figuur 6.1 en het volgende hoofdstuk voor verdere details). De bouwveiligheidszone bepaalt de minimale afstand tussen het te bouwen of te slopen bouwwerk en de fysieke bouwplaatsafscheiding. Wanneer de fysieke bouwplaatsafscheiding niet kan worden geplaatst op de volgens tabel 1 bepaalde locatie, zal bepaald moeten worden tot welke bouwwerkhoogte de bouwveiligheidszone wel binnen de bepaalde afmeting valt. Deze bouwwerkhoogte wordt op een gevel- of doorsnedetekening ingetekend. Aan de hand van deze gegevens wordt bepaald welke werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, terwijl de risico's zich voordoen binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein. Wanneer de bouwveiligheidszone bij een hogere bouwwerkhoogte buiten de fysieke afscheiding van het bouwterrein valt, zullen maatregelen tegen kleine vallende voorwerpen getroffen moeten worden dan wel zal de bouwmethode moeten worden aangepast zodat deze qua benodigde bouwveiligheidszone wel binnen de fysieke afscheiding valt. Het is dus mogelijk dat het bouwproces in meerdere fasen wordt opgedeeld. Voor elke afzonderlijke fase geldt dan een aan de betreffende gebouwhoogte gerelateerde bouwveiligheidszone.
Zolang er een risico is voor vallende voorwerpen dient de bouwveiligheidszone aanwezig te zijn.
Blad 35 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.1
In het bovenstaande figuur is te zien dat de bouwveiligheidszone de contouren volgt van het bouwwerk. Doordat publiek zich bevindt buiten de bouwveiligheidszone, worden zij beschermd tegen uiteenlopende gevaren die zich voordoen in elke uitvoeringsfase. 6.2.4 Hijszone, hijsroute en hijsgebied De hijszone, hijsroute en het hijsgebied dienen te allen tijde binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein te vallen. Het is niet toegestaan dat publiek zich hierbinnen bevindt. Wanneer rotatie van het te hijsen object mogelijk is (bijvoorbeeld door de wind) dan geldt voor de bepaling van de hijszone de grootste afmeting (lengte of breedte of hoogte) van het object. Voor de projectie van dit object is de meest ongunstige situatie maatgevend (zie figuur 6.2).
Blad 36 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.2
Vanaf een te hijsen object kunnen voorwerpen vallen. Dit kunnen zowel kleine- als zware vallende voorwerpen zijn. Daarnaast bestaat het risico dat het te hijsen object zelf valt. Daarom worden de hijszone en de bouwveiligheidszone in relatie tot de hijshoogte bij elkaar opgeteld. De hijszone en de betreffende bouwveiligheidszone vormen samen het hijsgebied. Het valrisico geldt voor het gehele hijsgebied/hijsroute. Als de hijsbeweging hoger is dan het bouwwerk, is de bouwveiligheidszone ter plaatse van het hijsgebied groter. Als bijvoorbeeld een hijsobject met een lengte van 8 meter wordt gehesen tot een hoogte van 40 meter is de hijszone voor dit element 8 meter. De bouwveiligheidszone op een hijshoogte van 40 meter is 6 meter (volgens tabel 1). Het hijsgebied is dan 8 meter + 6 meter = 14 meter. De fysieke bouwplaatsafscheiding staat ten tijde van deze hijswerkzaamheden dus op 14 meter, gemeten vanaf de gevel/buitenzijde van het bouwwerk. In dit gebied mag geen publiek aanwezig zijn. Hier dient eventueel ook aanvullend rekening te worden gehouden met de 1/3 bouwveiligheidszone indien voor een gevel van een gebouw wordt gehesen. In veel gevallen is het mogelijk om de hijszone en het hijsgebied te projecteren aan tenminste één zijde van het bouwwerk. Geef aan welke zijde de voorkeur verdient.
Als de ruimte aan de buitenzijde van het bouwwerk ontbreekt, kan het nodig zijn dat vanaf de binnenzijde van de bouwplaats wordt gelost en gehesen of zelfs binnendoor het gebouw wordt gehesen. Nadat de laad- en losplaats en de verticale hijsbeweging is bepaald, is het nodig om de hijsroute vast te leggen. Het vastleggen van de hijsroute is bijvoorbeeld noodzakelijk wanneer een bouwwerk tijdens werkzaamheden (deels) in gebruik blijft, of wanneer er direct naast belendingen gehesen dient te worden. Inmiddels zijn de technische mogelijkheden van (toren)kranen zover ontwikkeld dat het mogelijk is deze softwarematig te begrenzen voor wat betreft de hijshoogte en het draaibereik zodat men niet buiten de fysieke bouwplaatsafscheiding kan komen. Als in
Blad 37 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
het goedgekeurde bouwveiligheidsplan specifiek benoemde hijszones, zones met een hijshoogte-beperking of zelfs een hijsverbod gelden, dient de kraan gebruik te maken van softwarematig ingeregelde begrenzingen. Deze softwarematige begrenzingen dienen overeenkomstig de uitgangspunten van datzelfde bouwveiligheidsplan te zijn ingeregeld. De maatregelen volgens de Richtlijn Torenkranen zijn verplicht. 6.2.5 Hijsgebied als gevolg van werkzaamheden Het hijsgebied wordt eveneens aangehouden tijdens werkzaamheden waarbij grote hijsobjecten worden verwerkt aan de buitenzijde van het gebouw. Denk hierbij aan het plaatsen van gevelelementen, kozijnen, balkons, wand- of tunnelkisten e.d. Ook voor deze werkzaamheden wordt het hijsgebied bepaald door de omvang van een object (de grootste afmeting: de lengte, breedte of hoogte) plus de bouwveiligheidszone rondom de tijdelijke hijszone. Ook in deze situatie is vooraf niet te bepalen of er kleineof zware voorwerpen kunnen vallen. Daarom geldt ook hier het valrisico voor het gehele hijsgebied. Het hijsgebied ligt binnen de fysieke afscheiding van het bouwterrein en is niet toegankelijk voor publiek.
Figuur 6.3
6.2.6 Benodigde extra bouwveiligheidsruimte, ruimte tussen hijsgebied en bouwwerk en/of steiger. Uit de praktijk is gebleken dat het niet mogelijk en niet gewenst is om een te hijsen object dicht langs een bouwwerk/steiger verticaal te transporteren. Bijvoorbeeld door de wind kan het object onverwacht gaan roteren. Hierdoor ontstaat het risico dat het object tijdens het verticale transport ergens achter blijft haken. Om verticale hijsbewegingen verantwoord uit te voeren, moet er extra ruimte worden gecreëerd tussen het hijsgebied en het bouwwerk/steiger waarlangs het verticale transport plaatsvindt. Deze ruimte is op basis van de resultaten uit het expertpanel bepaald op 1/3 deel van de
Blad 38 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
bouwveiligheidszone, zoals die van toepassing is bij de betreffende hijshoogte conform tabel 1. Als bijvoorbeeld een te hijsen object tot een hoogte van 100 meter wordt gehesen, is de bouwveiligheidszone (volgens tabel 1) 12 meter. 1/3 Deel van deze waarde is 4 meter. De hijszone dient in dit geval minimaal 4 meter van het bouwwerk/steiger af te liggen. Wanneer een object verticaal langs een bouwwerk/steiger wordt getransporteerd, bestaat het totale hijsgebied uit: 1/3 van de benodigde bouwveiligheidszone + de hijszone + de benodigde bouwveiligheidszone.
Figuur 6.4
6.2.7 Bouwen naast belendingen en/of ondergrondse objecten Wanneer een object aan een belending grenst, zijn de bouwveiligheidszone, de hijszone en het hijsgebied zoals hierboven omschreven eveneens van toepassing. Wanneer de benodigde bouwveiligheidszone conform tabel 1 uitkomt boven een belending, dienen onderstaande uitgangspunten te worden gehanteerd: 1. Wanneer het dak of de gevel van een belending binnen de benodigde bouwveiligheidszone valt, dient het gedeelte van dit dak of de gevel als bouwveiligheidszone te worden ingericht. 2. Wanneer bovenstaande het geval is, kan dit aanleiding zijn voor het ontruimen van de belending. Voor het bepalen van het te ontruimen gebied, dient te allen tijde de totale afmeting van de bouwveiligheidszone (geprojecteerd op het maaiveld) te worden aangehouden. Dit geldt over de gehele (gebouw)hoogte, dus alle verdiepingen, van de belending. Zie afbeelding 6.5 en 6.6.
Blad 39 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
3.
4.
5.
20 december 2023 2.14
Een alternatieve oplossing kan zijn dat alleen de bovenste verdiepingen worden ontruimd. Het instellen van deze ‘veiligheidsbuffers’ is mogelijk, maar zal te allen tijde vooraf met een constructieve (dynamische) berekening moeten worden onderbouwd. Deze berekening wordt ter goedkeuring vooraf bij het bevoegd gezag ingediend. Wanneer er sprake is van ondergrondse bouwwerken (denk hierbij aan kelders, tunnels, parkeergarage e.d.) geldt voor het bepalen van de bouwveiligheidszone de totale afmeting van de bouwveiligheidszone op maaiveldniveau. Deze totale afmeting wordt loodrecht doorgetrokken over alle onder het maaiveld gelegen bouwlagen. Bij aanwezigheid van vloervelden wordt de BVZ maat vergroot tot het eerste constructieve afdraagpunt. Wanneer belendingen binnen de bouwveiligheidszone vallen en tijdens de uitvoeringsfase in gebruik blijven, dient te allen tijde middels een constructieve (dynamische) berekening te worden aangetoond dat de constructie waarop een voorwerp terecht kan komen voldoende sterkte heeft om een veilig gebruik mogelijk te maken.
Bovengenoemde uitgangspunten zijn tevens van toepassing wanneer belendingen binnen een hijsgebied vallen.
Figuur 6.5
Blad 40 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.6
6.2.8 Vergroten bouwveiligheidszone in verband met weg kaatsende voorwerpen Bij enkele incidenten op bouwplaatsen zijn binnen de bouwveiligheidszone voorwerpen gevallen. Deze zijn vervolgens afgeketst op in de bouwveiligheidszone aanwezige objecten zoals een hefsteiger en een bouwlift. Daardoor zijn deze voorwerpen buiten de fysieke afscheiding van het bouwterrein terecht gekomen. Om rekening te houden met het risico op wegkaatsen van vallende voorwerpen tot buiten de fysieke afscheiding van het bouwterrein, zijn de volgende aanvullende regels van toepassing. De totale afmeting van de bouwveiligheidszone wordt bepaald door de hoogte van het bouwwerk conform tabel 1. Indien zich binnen de bouwveiligheidszone objecten bevinden waardoor de valrichting van een vallend voorwerp wordt beïnvloed, dient de bouwveiligheidszone in sommige gevallen te worden vergroot. Deze is op tekening 6.7 aangegeven als BVZ+.
Blad 41 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Voor het bepalen van BVZ+ is de hoogte van het object waarop een vallend voorwerp kan afkaatsen van toepassing. Aan de hand van deze hoogte wordt de bouwveiligheidszone bepaald volgens tabel 1. De meest ongunstigste situatie is hiervoor maatgevend. Hierdoor kan het dus voorkomen dat de fysieke afscheiding van het bouwterrein verplaatst dient te worden ten opzichte van de standaard bouwveiligheidszone (BVZ 1). Wanneer BVZ+ binnen BVZ 1 valt, blijft BVZ 1 (standaard bouwveiligheidszone) het uitgangspunt voor het plaatsen van de fysieke afscheiding van het bouwterrein.
Figuur 6.7 (weg kaatsende vallende objecten)
Objecten die de val kunnen beïnvloeden zijn onder meer: hefsteigers; bouwliften; containers; hulpconstructies; rekken / voorraden bouwmateriaal. Indien de bouwveiligheidszone niet kan worden vergroot, dient het object waardoor het risico op wegkaatsen ontstaat uit de bouwveiligheidszone te worden verwijderd. In ieder geval zolang de betreffende (hijs)werkzaamheden voortduren. Hieronder nog enkele tekeningen van specifieke situaties in relatie tot vallende voorwerpen:
Blad 42 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.8 (BVZ bij plaatsen elementen)
In figuur 6.8: BVZ 2 + G i.p.v. BVZ 1 + G Als er aan de rand van een gebouw een object wordt geplaatst dat vanaf een andere zijde wordt gehesen (zie figuur 6.4), dient de bouwveiligheidszone te worden vergroot met de grootste afmeting van het te plaatsen element. De bouwveiligheidszone voor kleine vallende voorwerpen is dan de BVZ 1. BVZ 2 + G vormen samen de bouwveiligheidszone waarvoor het valrisico geldt. Deze extra bouwveiligheidszone komt te vervallen zodra het object standzeker is gemonteerd (zie figuur 6.8).
Blad 43 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.9 (BVZ bij opbouw steiger) De benamingen BVZ 1, BVZ 2 en G in de figuren 6.8 en 6.9 komen niet met elkaar overeen. Tijdens de opbouw van een steiger dient de bouwveiligheidszone tijdelijk te worden vergroot. Het grootste steigeronderdeel dat wordt aangebracht is hiervoor maatgevend. De fysieke afscheiding van het bouwterrein wordt hierdoor (tijdelijk) verplaatst. De tijdelijke bouwveiligheidszone tijdens de opbouw van de steiger is dan BVZ 1 + BVZ 2 + BVZ 3 (zie figuur 6.9). BVZ 3 komt niet terug in figuur 6.9. Wanneer de steiger is opgebouwd, wordt BVZ 1 gemeten vanaf de buitenzijde van de steiger.
6.2.9 Vergroten bouwveiligheidszone bij het hijsen van lange delen Bij het hijsen van lange objecten (denk hierbij aan damwandplanken, prefab heipalen, wapeningskorven en andere lange delen) dient er te allen tijde rekening mee worden gehouden dat deze objecten uit het hijsmiddel kunnen vallen. Dit geldt zowel bij inhijsen als uithijsen. Dit betekent dat de bouwveiligheidszone (tijdelijk) vergroot dient te worden, gelijk aan de lengte van het te hijsen object (zie figuur 6.10). Deze vergroting is van toepassing vanaf de start van het hijsen totdat het object standzeker is. Bij uithijsen gelden de zelfde voorschriften.
Blad 44 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Wanneer een vergroting van de bouwveiligheidszone onmogelijk is, dient een maatwerkoplossing ter beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Figuur 6.10 6.2.10 Maatwerkoplossingen (gelijkwaardigheid) Voor elke bouw- en slooplocatie kunnen (locatie)specifieke-, plaatselijke-, en/of werkgerelateerde omstandigheden van toepassing zijn. In dat geval kan een verzoek tot het toepassen van een maatwerkoplossing (maatwerkvoorschrift) worden ingediend bij het bevoegd gezag (zoals bedoeld in artikel 7.5 Bbl, waar ook artikel 7.15 onder valt). Bij het toepassen van een maatwerkoplossing zal onderbouwd moeten worden dat er geen verhoogd risico voor de omgeving of voor derde-belanghebbende zal ontstaan ten opzichte van de in hoofdstuk 6.2 van deze richtlijn beschreven veiligheidsafstanden. Een algemeen geaccepteerde maatwerkoplossing tegen het vallen van kleine voorwerpen (tot 5kg) buiten de bouwveiligheidszone, is een steigernet dat wordt aangebracht aan de buitenzijde van een steiger. Hierbij is een correcte bevestiging en het toepassen van een gecertificeerd net noodzakelijk. Indien er gewerkt wordt met scherpe objecten die het steigernet kunnen doorsnijden, zal middels een berekening de scheurweerstand van het betreffende net moeten worden aangetoond. Op de dossierpagina bouw- en sloopveiligheid op www.bwtinfo.nl zijn algemeen geaccepteerde maatwerkoplossingen beschreven. Echter blijft het aan het lokaal bevoegd gezag om in te stemmen met een maatwerkoplossing.
Blad 45 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
Figuur 6.11
20 december 2023 2.14
Blad 46 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Figuur 6.12
Als er aan de rand van een bouwwerk een element wordt geplaatst dat vanaf een andere zijde wordt gehesen (zie figuur 6.4), kan een steiger worden gebruikt om vallende voorwerpen te weren. Echter dient door middel van een constructieve (dynamische) berekening te worden aangetoond dat de betreffende steiger een eventueel vallend voorwerp kan tegenhouden (zie figuur 6.12). Tijdens het opbouwen en afbreken van een steiger geldt de bouwveiligheidszone zoals omschreven onder figuur 6.9. Toelichting voor het indienen van een maatwerkoplossing Bij het indienen van een maatwerkoplossing bij het bevoegd gezag, dient te zijn onderbouwd waarom de benodigde veiligheidsafstanden uit deze richtlijn niet gerealiseerd kunnen worden. Hierbij is een vereiste dat er geen verhoogd risico voor derden mag ontstaan, ten opzichte van de reguliere werkwijze.
6.3
Stappenplan en aan te leveren stukken maatwerkoplossingen
Hieronder een stappenplan dat kan worden aangehouden bij het beoordelen van de in paragraaf 6.2.10 genoemde maatwerkoplossing.
Blad 47 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
1. Het begint met de informatie en motivering waarom de benodigde veiligheidsafstanden niet beschikbaar zijn. Dit kunnen onderwerpen zijn als: verkeersveiligheid, bereikbaarheid, beperkte ruimte bouwput, enz. 2. Informatie en motivering aanleveren zodat BG kan beoordelen waarom mogelijke alternatieve technieken, dan wel tijdelijke hulpconstructies en/of het werken buiten reguliere werktijden geen uitkomst kunnen bieden om de veiligheidsafstanden wel te kunnen realiseren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: is de best toepasbare techniek toegepast, keuze ander funderingssysteem, oplassen damplanken, koppelpalen e.d. Enkel financiële redenen voor het toepassen van een gelijkwaardige oplossing en/of het laten vervallen/verkleinen van de veiligheidsafstanden is geen geldig argument voor het toepassen van artikel 6.2.10 voor het BG. 3. Als het naar het oordeel van het BG gemotiveerd aangetoond is dat in de nadere uitwerking van punt 1 en 2 geen oplossingsrichting/mogelijkheid aanwezig is, dan zal beoordeeld worden of het verantwoord is om de veiligheidsafstanden te verkleinen dan wel achterwege te laten t.o.v. de maatvoering zoals die is opgenomen in de tabel uit paragraaf 6.2 van de LRBSV. 4.
Aangegeven moet worden welke aanvullende maatregelen er in de uitvoering van de werkzaamheden denkbaar zijn om deze zo uit te voeren, zodat het weglaten van de veiligheidsafstanden verantwoord zonder risico toename kan plaatsvinden. Deze maatregelen middels een risicoanalyse met de bijbehorende scenario’s, constructieve verantwoording en/of certificaten te onderbouwen/ aan te tonen. Indien van toepassing dient informatie m.b.t. de ondergrond van de toe te passen hulpmiddelen zeer uitputtend te worden onderzocht en constructief te worden verantwoord dan wel beproeft met vooraf vastgestelde en geaccordeerde uitgangspunten. De stukken hiervan moeten ook worden aangeleverd en maken deel uit van de beoordeling door het BG. 5. Indien aan punt 3 invulling kan worden gegeven dient een nadere gedetailleerde en uitputtende beschrijving/werkplan te worden aangeleverd hoe en onder wiens verantwoordelijkheid en toezicht de werkzaamheden worden uitgevoerd. Uit die beschrijving moet duidelijk blijken hoe aanwezige risico’s worden ondervangen. Ook dient de inhoudelijke rol van de veiligheidscoördinator directe omgeving en diens mogelijk vereiste permanente aanwezigheid tijdens de beoogde werkzaamheden in de beschrijving te worden opgenomen en in de praktijk tijdens de werkzaamheden ook zo te worden ingevuld. 6.
Indien de standaard benodigde veiligheidsafstanden voor wat betreft de hijszone en/of valzone projecteert op het eigendom van derden en het voorstel is om deels, of helemaal geen invulling te geven aan deze bouwveiligheidszone, dan dient met deze derden belanghebbenden, middels een privaatrechtelijke overeenkomst te worden vastgelegd dat deze derde-belanghebbenden van het gebied binnen het valbereik instemmen met de risico's die het (deels) verkleinen van de veiligheidsafstanden met zich meebrengen. Deze risico's dienen stuk voor stuk in de overeenkomst te zijn opgenomen. 7 Er is een veiligheidscoördinator directe omgeving aangesteld. Die is in ieder geval aanwezig bij alle hijsmomenten en bewaakt dat de maatwerkoplossing onverkort volgens de door het bevoegd gezag geaccordeerde omschrijving wordt toegepast.
Blad 48 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
8 Indien van toepassing zal middels een draagkrachtberekening aangetoond moeten worden dat de ondergrond voldoende draagkrachtig is om de stabiliteit van het materieel te waarborgen. Tevens dient de frequentie- en wijze van controle van de ondergrond tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te worden bepaald en onderbouwd. * Indien de dynamische belasting niet middels een berekening kan worden aangetoond, kan in specifieke situaties middels een proefopstelling een praktijkproef worden uitgevoerd. Hiervoor is tijdig overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk. ** Het keuren- en registreren van de kraanopstelling alsmede het werken met een kraan en hijsmiddelen die voldoen aan de vigerende wet-, regelgeving en richtlijnen geschiedt onder verantwoordelijkheid van de aannemer. Alleen als aan alle voorgaande punten invulling wordt gegeven (door de normadressaat) kan het BG na zorgvuldige afstemming en beoordeling gemotiveerd instemmen op het voorstel voor een gelijkwaardige oplossing.
6.4
Veiligheid volgens de Arbowet en regelgeving
Het niet naleven van Arbo-richtlijnen en anderszins onveilige werkwijzen binnen de bouwhekken, kunnen van (grote) invloed zijn op de veiligheid van derden buiten de bouwplaats. De opdrachtgever en opdrachtnemer dienen erop toe te zien dat er op een veilige manier gewerkt en gehesen wordt zodat derden buiten de bouwveiligheidszone geen risico lopen. Artikel 7.15 (Veiligheid in de directe omgeving) stelt: ‘Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: a. letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein b. letsel aan personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en c. gevaar voor de veiligheid van belendingen. In het bouwveiligheidsplan dient expliciet te worden verklaard dat: ‐ alleen conform wet- en regelgeving en de Arbo-richtlijnen hijslasten worden verplaatst; ‐ erop wordt toegezien dat lasten niet los kunnen komen van het hijsgereedschap en dat het hijsgereedschap niet van de kraan los kan raken.
Meer specifiek dat er wordt gewerkt met hijsgereedschappen die voldoen aan het Warenwetbesluit machines; ‐ indien dit door de aard van de last niet kan worden voorkomen, een uitvalbeveiliging moet worden toegepast of de bouwveiligheidszone ten tijde van het hijsen van de last wordt vergroot; ‐ de aanvrager in zijn bouwveiligheidsplan verklaart kennis te hebben genomen van het bouwveiligheidsbeleid (deze Landelijke Richtlijn en het bouwveiligheidsbeleid van de betreffende gemeente) en zich hieraan te conformeren. Op basis het Arbobesluit is men verplicht een Coördinator uitvoeringsfase in te stellen. Het is ook aan te bevelen dit te doen voor de bouw- en sloopveiligheid zoals in deze richtlijn is beschreven. Dit kan ook dezelfde persoon zijn die als coördinator uitvoeringsfase is aangesteld.
Blad 49 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
7
20 december 2023 2.14
Omschrijving van gevaren, hinder en maatregelen 7.1
Gevaren (Schade aan belendingen)
Dit hoofdstuk is een uitwerking van Bbl art. 7.15 onderdeel c Bbl Bij het verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: c. gevaar voor de veiligheid van belendingen In het Bouwbesluit 2012 was de veiligheid in de omgeving ruimer geformuleerd en werd ook de relatie gelegd met schade aan belendingen, maar dit is nu specifiek als zorgplichtartikel opgenomen in artikel 7.4 lid 2 van het Bbl. Hiermee ligt de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij degene die de werkzaamheden uitvoert, maar kan nog steeds het bevoegd gezag ingrijpen als deze werkzaamheid tot ‘gevaar’ leidt. Artikel 7.4 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden.
Ten aanzien van beschadiging is dan wel het uitgangspunt in dit beleid dat het bevoegd gezag pas ingrijpt / zal handhaven als dit beschadiging betreft die leidt tot een onveilige situatie (lees ‘gevaar’). Dit betekent dat schade die geen onveilige situatie oplevert via privaatrechtelijke weg moet worden opgelost. Als de gemeente eigenaar/beheerder is van de openbare ruimte, kan zij hier uiteraard wel op grond van deze rol eisen stellen. Het criterium "voor de bruikbaarheid nadelige hinder" (Bouwbesluit 2012, artikel 8.2, sub c) vinden wij in het Bbl ook niet terug. Dit aspect gaat dus van publiekrechtelijk naar privaatrechtelijk. De grondslag van het Bbl kent geen schade in privaatrechtelijk zin. Optreden op grond van het Bbl kan alleen als er gevaar voor de gezondheid of veiligheid is of dreigt te ontstaan. Het is niet zo dat handhavend optreden moet wachten tot het moment dat dit gevaar er daadwerkelijk is. Om dit te verduidelijken zal er een voorbeeld aan de toelichting worden toegevoegd. Indien alleen sprake is van cosmetische schade – waarbij geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestaat of kan gaan ontstaan– is handhavend optreden op grond van het Bbl niet mogelijk. In dit hoofdstuk (7.1) wordt alleen verder ingegaan op het aspect gevaar. Het aspect gezondheid komt in hoofdstuk 7.2 en verder aan de orde.
Blad 50 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
20 december 2023 2.14
Bij schade aan belendingen kan in zijn algemeenheid onderscheid gemaakt worden tussen: A. Lichte of cosmetische schade Dit betreft schade die geen gevaar voor bezwijken of instorting en dus geen gevaar voor de veiligheid in de zin van Bbl artikel 7.15 onderdeel c veroorzaakt. Het betreft bijvoorbeeld lichte scheurvorming of beschadiging van onderdelen van het bouwwerk. Dit soort schade is op relatief eenvoudige wijze te herstellen. B. Schade, waarbij wel ernstige scheurvorming, zettingen of scheefstand optreden, maar waarbij geen sprake is van bezwijken of instorten Bij deze categorie van schade is geen sprake van gevaar voor de veiligheid, zoals bedoeld in Bbl artikel 7.15 onderdeel c. Deze schade is echter wel van dien aard, dat de schadeontvanger is geconfronteerd met niet of slechts tegen zeer hoge kosten te herstellen schade. C. Schade waarbij zeer ernstige vervormingen (scheefstand of zettingen) optreden Deze vervormingen zijn van dien aard, dat bezwijken van onderdelen van het bouwwerk of gehele instorting dreigt. Dit soort schade leidt direct tot een onveilige situatie, zoals bedoeld in Bbl artikel 7.15 onderdeel c.
Het treffen van maatregelen ter voorkoming van: beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen geldt voor de drie hierboven geschetste situaties, maar artikel 7.15 onderdeel c geldt uitsluitend zoals genoemd in situatie c. Alleen schadecategorie C valt direct derhalve onder de publiekrechtelijke bescherming, zoals door het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt geboden (voorkomen van gevaar voor de veiligheid van belendingen). Schade die leidt tot dit gevaar moet dan ook door middel van te treffen maatregelen worden voorkomen. De grens tussen schadecategorie A/B en C dient in het bouwveiligheidsplan duidelijk te zijn omschreven. Schadecategorieën A en B moeten op privaatrechtelijke wijze worden afgehandeld tussen schadeveroorzaker en schadeontvanger. Deze wijze van schadeafhandeling dient, in overleg met het bevoegd gezag en met de schadeontvanger, vastgelegd te worden in het bouwveiligheidsplan. Daarbij dient de grens tussen schadecategorie A/B en C duidelijk te zijn omschreven. Met name de grens tussen categorie B en C moet in het bouwveiligheidsplan duidelijk omschreven worden, bijvoorbeeld met het vastleggen van maximale relatieve rotaties.