CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

38.Bestemmingsplan C. Villeriuslaan; BP Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse

Gemeenteraad 23 februari 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Aanvullende lijst ingekomen stukken18.980 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse Gemeente Nissewaard Voorontwerp

Bestemmingsplan Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse Gemeente Nissewaard Voorontwerp

Rapportnummer:

P03764

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1930.BPCVilleriuslaan-1001

Datum:

9 februari 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Nissewaard

Projectteam BRO:

WdR, TAu, TSc

Concept:

september 2021, januari 2022

Voorontwerp:

februari 2022

Ontwerp:

-

Vaststelling:

-

Bron foto kaft:

Hevo BV

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

Hoofdstuk 6

48

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 6

2. PLANBESCHRIJVING

7

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

13 13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

13 14 14 17

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3 Gemeentelijk beleid

17 18 19

3.3.1 Structuurvisie Spijkenisse 2010-2020 3.3.2 Visiedocument Nissewaard naar 2040

19 19

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid

21 21 22

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

22 23 23 24

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

24 24 25 25

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch 4.6 Externe veiligheid

25 26 27 27 27

4.6.1 Toetsingskader

27

Inhoudsopgave

1

4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Ecologie

28 30 30

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Bodem

30 31 34 34

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Water

34 34 36 36

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Archeologie

36 36 38 38

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Cultuurhistorie

38 38 39 39

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Explosieven 4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

39 39 40 40 40

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

42 42 42 44

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45 45 45

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Participatie en inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

45 46 46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Samenvatting stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Ladderonderbouwing

Inhoudsopgave

2

Bijlage 3: Verkeersonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Vervolgonderzoek ecologie Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Beoordeling bodem milieudienst Bijlage 9: Aanvullend verkennend bodemonderzoek Bijlage 10: Onderzoek watersysteem Bijlage 11: Waterparagraaf Bijlage 12: Archeologisch onderzoek Bijlage 13: Vooronderzoek explosieven Bijlage 14: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 15: Verslag inloopbijeenkomst 5 juli 2021

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Ten westen van het centrum van Spijkenisse, tussen de Baljuwlaan en Hekelingseweg, ligt een cluster van verschillende scholencomplexen, waaronder de scholen MY College en Penta. Deze twee scholen hebben het voornemen om te verplaatsen naar een noordoostelijk gelegen terrein. De wens is om hier twee nieuwe complexen te realiseren en de oude schoolgebouwen aansluitend te slopen. De nieuwbouw vindt plaats net ten zuiden van de Groene Kruisweg. Op dit moment is dit gebied onbebouwd. De nieuwbouw maakt onderdeel uit van een grotere herontwikkeling/gebiedsontwikkeling van het zogenaamde gebied ‘Heijwegenlaan’. Die ontwikkeling betreft met name woningbouw, waarvoor gelijktijdig met onderhavig bestemmingsplan twee bestemmingsplannen worden opgesteld. Voor de gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling van de onderwijsgebouwen moet gaan plaatsvinden geldt de beheersverordening “Voorzieningen Groene Kruisweg” (d.d. 12 juni 2013). De voorgenomen ontwikkelingen zijn in strijd met de bouw- en gebruiksregels van de genoemde verordening. Het toekomstige gebruik en de toekomstige bebouwing wijkt af van het huidige gebruik. Een nieuw bestemmingsplan is daarom nodig om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Plangebied De gewenste ontwikkeling vindt plaats op een terrein aan de C. Villeriuslaan. Deze weg sluit aan op de drukkere uitvalswegen, zoals de Groene Kruisweg, Baljuwlaan en Hekelingseweg. Het plangebied is gelegen ten westen van het centrum van Spijkenisse in de wijk Vierambachten. Het plangebied ligt over meerdere kadastrale percelen. Het gaat hierbij in ieder geval (al dan niet gedeeltelijk) over de percelen E6889, E6726, E6891, E6935, E4377 en E6936. In figuur 1.1 is de ligging en globale begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de plankaart/verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1: Ligging en globale begrenzing plangebied (bron: pdok.nl)

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling van de onderwijsgebouwen moet gaan plaatsvinden geldt de beheersverordening “Voorzieningen Groene Kruisweg” (d.d. 12 juni 2013). De nieuwbouw is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van de genoemde verordening. De beheersverordening maakt alleen het gebruik van gronden mogelijk die overeenstemmen met het huidige gebruik. Dit huidige gebruik is afgebeeld in figuur 1.2. Deze is opgenomen als bijlage bij de regels van de geldende beheersverordening. Het toekomstige gebruik en de toekomstige bebouwing wijkt af van het huidige gebruik. Een nieuw bestemmingsplan is daarom nodig om de ontwikkeling mogelijk te maken. In dit nieuwe bestemmingsplan worden naast de twee nieuwe hoofdgebouwen ook een nieuwe ontsluitingsweg en sport- en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt.

Figuur 1.2: Uitsnede kaart ‘huidig gebruik’ uit beheersverordening “Voorzieningen Groene Kruisweg” (plangebied met rood kader weergegeven)

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING MY College en Penta zijn twee scholen in Spijkenisse. Bij MY College wordt les gegeven in vmbo en mavo onderwijs en bij Penta in het mavo, havo en vwo (atheneum en gymnasium) onderwijs. Beide scholen liggen dicht bij elkaar in een “onderwijscluster” in de wijk Vierambachten. De twee scholen hebben het voornemen om te verplaatsen naar een terrein elders in deze wijk. Hierbij zal sprake zijn van sloop van de huidige schoolgebouwen en nieuwbouw van twee schoolgebouwen op een nu onbebouwd terrein. Ter plaatse van de oude scholen komen woningen. Structuur De Groene Kruisweg kan de ruggengraat van Spijkenisse worden die de stad verbindt met haar omgeving maar ook goed verbonden is met haar eigen stedelijk weefsel. Aan de zuidzijde komt meer bebouwing aan de weg te staan met ingangen aan de Groene Kruisweg waarbij hier een aantrekkelijk verblijfsgebied ontstaat, waar ook fietsers en voetgangers prettig kunnen verblijven. Langs de ooststrook is de ambitie een ventweg te maken die wordt gekoppeld aan de bestaande afslag naar een kantoorgebouw (Veldsink Driekleur Verzekeringen). Vanaf de ventweg komen ingangen naar inpandige parkeergarages. Op die manier ontstaat meer levendigheid, reuring en aantrekkelijkheid. De nieuwbouw voor de twee scholen MY College en Penta kan hier een sterke rol in spelen.

Zij kunnen langs de weg een buffer vormen naar het rustiger achtergelegen woongebied, terwijl ze zelf profiteren van een goede uitstraling naar de omgeving en goede bereikbaarheid. Voor meer informatie over de gekozen stedenbouwkundige structuur wordt verwezen naar een samenvatting van het stedenbouwkundig plan dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Ingezoomd betekent dit dat er een serie bouwblokken langs de Groene Kruisweg komt met een oplopende schaal (hoogte en breedte) vanaf de bestaande kantorenstrook. Op de hoek van de Hekelingseweg loopt deze op tot 6 lagen aan de oostzijde en tot max 13 lagen aan de westzijde. Daarna loopt deze weer af tot de schaal van de Nieuwe bebouwing aan de Groene Kruisweg Dome (ca 3-4 lagen). Langs de Groene Kruisweg en Hekelingseweg is het van belang dat er actieve plinten komen met maatschappelijke of werkfuncties. Dit zorgt voor een open en aantrekkelijke uitstraling, zie referentiebeelden hieronder. Ook dienen de voorkanten met entrees zoveel mogelijk aan de hoofdwegen te liggen. In deze verkaveling is er voor gekozen om de C. Villeriuslaan iets te verleggen zodat de bouwblokken aan de Groene Kruisweg wat meer diepte krijgen. Het is van belang dat een goede continuïteit van het fietsnetwerk wordt gewaarborgd.

Om die reden blijft de Villeriuslaan goed aangesloten op het kruispunt van de Groene Kruisweg – Hekelingseweg zodat fietsers soepel door kunnen fietsen richting centrum. De Villeriuslaan is onderdeel van het historische trambaanpad. Ter hoogte van de Hekelingseweg wordt deze route onderbroken. Er is destijds voor gekozen om de route door te zetten langs de Groene Kruisweg via het Baljuwplein. Binnen het plangebied speelt de Villeriuslaan nog een belangrijke rol als fietsroute om de scholen te bereiken. Om de historische betekenis te benadrukken is het aan te bevelen om dit zichtbaar te maken in het profiel. In figuur 2.1 is een afbeelding weergegeven uit het concept stedenbouwkundig plan VO van de Heijwegenlaan. Hierin is de bebouwing en de positionering van de scholen ook weergegeven.

Hoofdstuk 2

7

Voor meer informatie over de gekozen stedenbouwkundige structuur wordt verwezen naar een samenvatting van het stedenbouwkundig plan dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

Figuur 2.1: Weergave ontwikkeling Heijwegenlaan (bron: concept stedenbouwkundig plan Heijwegenlaan)

Bebouwing en positionering Het plangebied behelst het gebied tussen de Heijwegenlaan, Baljuwlaan, Groene Kruisweg en Hekelingseweg. De ruimtelijke opzet van de nieuwe wijk is een stevige schil langs de drukke wegen aan de buitenzijde en daarbinnen een beschut milieu met grondgebonden woningen. De nieuwe schoolgebouwen voor MY college en Penta Mavo worden langs de Groene Kruisweg gepositioneerd ten westen van de Hekelingseweg. Aan de westzijde van he terrein komt Penta en aan de oostzijde MY College. De scholen krijgen ieder een eigen nieuwe inpandige gymzaal. Parkeren ten behoeve van de scholen kan middels dubbelgebruik plaatsvinden op de parkeerterreinen van Den Oert en de Levende Steen. Deze functies maken vooral in respectievelijk de avonduren en het weekend gebruik van de parkeerterreinen. Het bestaande groen komt aan de andere kant van sporthal Den Oert terug in de vorm van een openbaar middengebied met kwalitatief en duurzaam groen en waar ook ruimte is voor buitensport.

Hoofdstuk 2

8

De bebouwingsvelden van de twee schoolgebouwen zijn tussen de 4.500 (MY college) en 5.750 m2 (Penta Mavo) groot. Het parkeren wordt via dubbelgebruik in de omgeving opgelost. Het overige programma kan volgens de geldende normen op deze kavels gerealiseerd worden, inclusief buitenplein en fietsenberging. In figuur 2.2 is een schetsverkaveling weergegeven van de twee nieuwe schoolgebouwen van MY College en Penta.

Doorsnede A

Figuur 2.2: Schetsverkaveling toekomstige situatie

De scholen krijgen een minimale bouwhoogte van 8 meter. Dit heeft mede te maken met de akoestische afscherming van de scholen ten opzichte van het achterliggende terrein. Daarnaast kan de minimale bouwhoogte variëren tot 13 meter, om zo een stedenbouwkundig meer aantrekkelijke gevel te realiseren. De maximale bouwhoogte van de twee gebouwen bedraagt 17 meter (Penta) en 20 meter (My College). Figuur 2.3 laten twee sfeerimpressies zien van het gebouw van My College.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.3: Sfeerimpressie bebouwing

Hoofdstuk 2

10

Programma Het programma van de gezamenlijke plannen rond de Heijwegenlaan is in onderstaande tabel weergegeven. Deze plannen voorzien in het verhuizen van een aantal scholen en het bouwen van woningen. Het aantal leerlingen zal niet toenemen voor My college en Penta Mavo.

Groen Ten behoeve van de realisatie van de twee scholen en bijbehorende verharding zal groen verloren gaan. Er wordt gekeken naar de mogelijkheden om zo veel mogelijk groen te behouden en/of te verplanten. Daarnaast wordt voldoende kwalitatief en kwantitatief groen terug geplant in het openbare middenterrein. Er wordt aanbevolen om inheems en ouder plantmateriaal te gebruiken met voldoende variatie in soortensamenstelling en structuur. Samen met de andere (woningbouw)ontwikkelingen in de wijk wordt gekeken naar een passende invulling voor het groen. In figuur 2.4 is een impressie weergegeven van het groen in de ontwikkeling Heijwegenlaan.

Figuur 2.4: Impressie met groenstructuren Heijwegenlaan in beeld

Hoofdstuk 2

11

De kap van de bomen zal daarnaast buiten het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli worden uitgevoerd. De meeste vogels broeden in genoemde periode, echter vogels welke buiten deze periode broeden, zijn ook te allen tijde beschermd. Broedende vogels (en hun nesten) mogen niet verstoord of verwijderd worden. De meeste gunstige periode om het groen te rooien is in de periode september tot en met oktober (buiten de kwetsbare periode van voortplantingsperiode van de meeste diersoorten en buiten de winterrust). Een laatste controle voorafgaande de werkzaamheden zal uitsluitsel geven over de aanwezigheid van onverwachte broedvogels. Hieronder zijn de uitgangspunten van de gemeente ten aanzien van groencompensatie in het project Heijwegenlaan beschreven: Bomen Indien een boom middels een vergunning gekapt wordt, dient er in de directie omgeving van waar hij heeft gestaan een nieuwe boom geplant te worden. Type te planten boom is vrij. Belangrijk is dat dat indien een boom gekapt is en elders een nieuwe boom geplant is, moet vast gelegd worden dat gekapte boom en nieuwe boom bij elkaar horen. Het moet herleidbaar zijn. Bosplantsoen Indien een perceel bosplantsoen gekapt moet worden, moet er een inventarisatie gemaakt worden voor welke bomen een kapvergunning nodig is. Ook voor bosplantsoen moet er gecompenseerd worden.

Voor elke 50 m2 bosplantsoen moet 1 nieuwe boom in de directe omgeving gepland worden. Het type boom is vrij. Voor elke boom in het bosplantsoen waarvoor een kapvergunning nodig is moet in de directe omgeving een nieuwe boom geplant worden. Het type boom is vrij. Ook hier geld dat de gekapte boom en de nieuw geplante boom aan elkaar gekoppeld worden. De te compenseren bomen mogen in het groenplan van deze ontwikkeling opgenomen worden. Een landschapsarchitect zal een groenontwerp maken waarin de nieuwe bomen zijn opgenomen. In deze tekening ook de herleidbaarheid van gekapte- en compensatie boom opnemen.

Hoofdstuk 2

12

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

Figuur 3.1: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

Hoofdstuk 3

13

De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3.

Afwentelen voorkomen Doorwerken plangebied In dit geval is sprake van een verplaatsing van twee scholen. De oude locatie van de scholen kan daarna direct voor een andere functie worden ingevuld. De ontwikkeling heeft verder geen nationale belangen. Het plan is dan ook niet in strijd met enkele uitgangspunten of ambities zoals beschreven in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijkeordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking binnen dit uitwerkingsplan 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvul-

Hoofdstuk 3

14

dige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Doorwerking plangebied De realisatie van de onderwijsfaciliteit geldt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling: 1. Op basis van de beheersverordening is onderwijs op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om twee schoolgebouwen met max. 3.800 en max. 4.230 m 2 BVO te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien het hier gaat om de wijziging naar de bestemming ‘Maatschappelijk’ bedoeld voor onderwijs . 3. Aangezien het om de toevoeging gaat van twee schoolgebouwen met max. 4.500 en max.5.750 m2 BVO, kan het initiatief gekwalificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. De Ladderonderbouwing is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste resultaten beschreven.

Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de behoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Voor onderwijsvoorzieningen is het verzorgingsgebied het gebied waarbinnen de school zijn (voornaamste) gebruikers vindt. In het geval van het nieuwe scholencomplex MY College & Penta is het verzorgingsgebied gemeente Nissewaard en leerlingen buiten de regio zoals Albrandswaard, Hoogvliet Rotterdam en Rozenburg2. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting. De volledige onderbouwing is opgenomen in een bijlage bij deze toelichting.

1 2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). Rapport Transitieatlas 2017 regio Voorne Putten

Hoofdstuk 3

15

Met het planinitiatief om twee nieuwe schoolgebouwen voor My College en Penta scholen Rietvelden/Charles de Foucauld van circa max. 4.500 en max. 5.750 m2 bvo te realiseren voor mavo en vmbo, wordt voorzien in een behoefte:  Op nationaal en lokaal niveau wordt een leerlingendaling geconstateerd in het Voortgezet Onderwijs. Een leerlingendaling leidt op de scholen My College en Scala Rietvelden tot een overcapaciteit wat vervolgens leidt tot een normatieve leegstand. Met een normatieve leegstand ontvangen scholen geen instandhoudingsvergoeding voor de vierkante meters leegstand.  Met het krimpende leerlingen aantal lopen de kosten voor de scholen My College en Scala Rietvelden op. In combinatie met het renoveren van schoolgebouwen is dit een flinke kostenpost voor de scholen. Een samenwerking tussen schoolbesturen wordt daarom als urgent en noodzakelijke gezien om kwaliteit van goed onderwijsaanbod in stand te houden. Dit varieert van het delen van ondersteunde diensten, huisvesting of personeel, het uitbesteden van leerlingen en het uitruilen van onderwijsaanbod, tot het aangaan van een fusie (bestuurlijk of institutioneel).

 Vanuit het Bestuurlijk Akkoord Voortgezet Onderwijs wordt nadrukkelijk de mogelijkheden die synergie van (gebruik van) ruimten en (sport- en ondersteunende) faciliteiten biedt en een ruimtelijk plan waarbinnen de drie genoemde onderwijsinstellingen, met behoud van eigen identiteit, onderdak vinden. De beoogde ontwikkeling voor het nieuwe scholencomplex voorziet hier in. Door de samenwerking van de scholen creëren zij een efficiëntere onderwijshuisvesting waardoor problemen zoals minder bekostiging per leerling, daardoor ook minder personeel, duurdere kosten voor huisvestiging en minder onderwijsaanbod verlaagd worden. Hierdoor komen er meer financiële middelen beschikbaar voor de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.  Daarnaast voorziet de ontwikkelingen in het benadrukken van de synergie, doordat beide scholen (My College en Scala Rietvelden/Charles de Foucauld) gebruik maken van dezelfde buitenruimte en faciliteiten.  Tot slot, is het wenselijk geacht dat er nieuwe, duurzame schoolgebouwen gerealiseerd worden die zorgen voor een goede huisvesting in het onderwijs, het verbeteren van het binnenklimaat en het transformeren naar een duurzaam schoolgebouw. Met de verhuizing van de scholen naar een nieuw duurzaam scholencomplex wordt hierin voorzien.

De beoogde ontwikkeling van twee nieuwe schoolgebouwen My College & Penta college past ook binnen de vigerende beleidskaders:  De nieuwbouw voor de twee scholen maakt onderdeel uit van een grotere gebiedsopgave waarbij het de brede uitvalsweg van Spijkenisse: van ‘snelweg’ naar stadsboulevard wilt transformeren in een actieve plint van met maatschappelijke en/of werkfuncties met achter de nieuwbouw een wijk met grondgebonden woningen. Daarnaast wordt de gebiedsuitwerking gezien als kans om de stad te verbinden met de omgeving en het eigen stedelijk weefsel. Dit strookt met de ambities vanuit de provincie, regio en gemeente om een vitale samenleving te creëren door middel van het versterken van leef- en vestigingsklimaat met een mix aan functies zoals bedrijven en maatschappelijke voorzieningen, maar ook om het stedelijk weefsel met de stad en de omgeving te verbinden. De waarborging van de goede continuïteit van het fietsennetwerk en het bouwen binnen het netwerk van stedelijke centra en knooppunten met hoogwaardige openbaar vervoer (metro) en het versterken van langzaam vervoersrelaties (fietsnetwerk) moet bijdragen aan de goede bereikbaarheid van het gebied.

 Daarnaast wordt er conform de omgevingsverordening van Provincie gebouwd naar behoefte en is het initiatief toekomstbestendig omdat scholen energiezuinig worden gerealiseerd met ruimte voor water en groene schoolpleinen.  Tot slot, voldoet het initiatief aan de twee beoordelingscriteria uit de verordening onderwijshuisvesting. (1) De noodzaak van aangevraagde voorzieningen. De scholen zijn namelijk verouderd

Hoofdstuk 3

16

(conditie 3). (2) Vervangende bouw omdat de leerlingendaling blijft toenemen en past het bij de ontwikkeling van de nieuwe ruimtelijke ordening als gevolg van stadsvernieuwing en het ontwikkelen van een nieuwe wijk. Geen onaanvaardbare effecten Het planinitiatief is onderdeel van de gebiedsuitwerking Groene Kruisweg e.o.. En, zoals vermeld kan de Groene Kruisstraat de ruggengraat van Spijkenisse worden die de stad verbindt met haar omgeving maar ook goed verbonden is met haar eigen stedelijk weefsel. De ruimtelijke opzet van de nieuwe wijk is een stevige schil langs de drukke wegen aan de buitenzijde en daarbinnen een beschut milieu met grondgebonden woningen. De verouderde scholen My College en Scala Rietvelden zijn gevestigd binnen deze beoogde ontwikkeling en worden gesloopt. In plaats van de verouderde scholen komen woningen. Daarnaast is in het Bestuurlijk Akkoord Voortgezet Onderwijs de afspraak gemaakt dat toekomstige leegstand van de schoolgebouwen gebruikt worden voor andere ‘doeleinden’. Aangenomen wordt dat hierdoor panden gesloopt gaan worden ten doeleinden van grondgebonden woningen of ten doeleinden van transformatie voor bijvoorbeeld meergezinswoningen.

Hieruit wordt geconstateerd dat de effecten van de ontwikkeling per saldo volledig positief zijn en er géén sprake is van onaanvaardbare, structurele leegstand met negatieve effecten op het woon, leefen ondernemersklimaat. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied De locatie is binnen bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. In de jurisprudentie is dit begrip nader ingevuld . Wanneer er op gronden een niet-agrarische bestemming rust (waaronder niet alleen 'rode' stedelijke functies, maar bijvoorbeeld ook functies voor sport, recreatie of stedelijk groen), dan is er sprake van bestaand stedelijk gebied, ook al is de locatie nog onbebouwd, mits de locatie onderdeel is van het bestaand stedelijk samenstel van bebouwing. Bovenstaand is het geval op de planlocatie. De huidige bestemming betreft stedelijk groen en maatschappelijk, wat gezien moet worden als een niet-agrarische, dus ‘stedelijke’ bestemming.

Tevens vormt de bestaande groenstrook en de bebouwing, samen met de omliggende bebouwing, een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing met de daarbij behorende stedelijk groen. De planlocatie kan vanwege deze bestaande stedelijke bestemming als bestaand stedelijk gebied worden aangemerkt.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie (geconsolideerd op 1 augustus 2020) bevat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Samen met de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormt de Omgevingsvisie één van de twee kaderstellende instrumenten voor het beleid omtrent de fysieke leefomgeving.

Hoofdstuk 3

17

Een aantal thema’s uit de Omgevingsvisie zijn relevant met betrekking tot onderhavig planvoornemen: - Kaart 11: Bestaand stads- en dorpsgebied 2018: binnenstedelijk groen De provincie wil een binnenstedelijk fijnmazig groenblauw recreatief netwerk realiseren van groenblauwe schoolpleinen, groenblauwe daken, groenblauwe winkelcentra, groenblauwe bedrijfsterreinen en parken. Voor het ontwikkelen van een groenblauwe leefomgeving in en om de stad werken wij samen met de steden aan een scorekaart. Dit betreft een kwalitatieve en kwantitatieve scorekaart voor verschillende te onderscheiden gebieden. De scorekaart geeft richting aan natuurinclusieve nieuwbouw, renovatie en het klimaatbestendig maken van woningen; de basiskwaliteit aan groen van woonen werkgebieden en de toegankelijkheid van groen. - Kaart 59: Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving.

Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling worden twee scholen verplaatst binnen de bebouwde kom van Spijkenisse. De provincie zet juist in op het beter benutten van het bestaande stads- en dorpsgebied door het benutten van de bebouwde ruimte door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Het plan sluit hierop aan. In de provinciale visie worden geen andere ambities beschreven waarmee dit plan in strijd is. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt breed op de fysieke leefomgeving in de Provincie Zuid-Holland.

Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. Doorwerking plangebied Zowel in de geconsolideerde Omgevingsverordening Zuid-Holland (vastgesteld 1 augustus 2020) of het ontwerp Omgevingsverordening Zuid-Holland Koers 2020 zijn geen regels opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig projectgebied, en van belang zijn voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

18

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Spijkenisse 2010-2020 In de Structuurvisie formuleert het gemeentebestuur een samenhangende visie op de ruimtelijke en functionele ontwikkeling van Spijkenisse, met aandacht voor het maatschappelijk functioneren van de stad. Bouwprojecten in de stad zijn over het algemeen complexer dan bouwprojecten in het onbebouwde buitengebied. Ze zijn zeer arbeidsintensief, hebben meer risico's en hangen samen met diverse maatschappelijk functies in de stad. Vaak spelen er verschillende belangen. Herstructurering binnen het stedelijk gebied vraagt daarom om een brede benadering. Een structuurvisie is daarbij gewenst. Daarnaast verplicht de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) gemeenten een structuurvisie op te stellen. De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Nissewaard op hoofdlijnen weer. De visie is het uitgangspunt voor de politieke agenda. Geen dichtgetimmerd eindplan, maar het vertrekpunt van de gemeente voor gesprekken met hogere overheden, marktpartijen en partners om ontwikkelingen en investeringen in de stad te initiëren. Uiteraard kunnen verschillende accenten en prioriteiten in deze visie worden aangebracht bij toekomstige wijzigingen in inzichten. Kernmerken en kernkwaliteiten In de structuurvisie zijn een zestal kenmerken en kernkwaliteiten voor Spijkenisse opgenomen: 1.

Ligging aan de rand van de Randstad tussen stad en strand 2. Stadsranden en stadsentrees 3. Verbindende elementen 4. Wonen in Spijkenisse 5. Kwalitatief hoogwaardig stadscentrum 6. Sociaal-culturele kwaliteiten De kernkwaliteit ‘verbindende elementen’ is relevant voor onderhavig plan. Een pijler binnen deze kernkwaliteit is de groenstructuur van Spijkenisse. Er wordt gesteld dat de groene elementen aan de randen een onderlinge samenhang en verbinding missen en dat de ambitie bestaat om de kwaliteit van het omringende groen te versterken. Daarbij moet het groen in de wijken beter benut worden, mogelijk in combinatie met sociaal-maatschappelijke programma’s. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen worden twee scholen verplaatst. De oude schoolgebouwen zullen worden gesloopt. De bebouwing zal geïntegreerd wordt in nieuw te ontwikkelen groenvoorzieningen en waterlopen. Op de structuurvisiekaart is het plangebied daarnaast niet specifiek aangeduid. De ontwikkeling is niet in strijd met gemeentelijke visies voor dit deel van Spijkenisse. 3.3.2 Visiedocument Nissewaard naar 2040 De gemeenteraad heeft op 6 december 2017 het visiedocument (ontwikkelperspectief voormalige groeikern Spijkenisse) vastgesteld. In het visiedocument zijn de kansen geduid die kunnen bijdragen aan de toekomstbestendigheid van Nissewaard.

Hierin zijn principes opgenomen welke de basis vormen voor een verrassend, veelzijdig, veerkrachtig, vitaal en verbindend Nissewaard in 2040. Eén van deze principes spitst zich toe op de groenbenutting- en ontwikkeling binnen de gemeente. Er wordt onder andere gesteld dat er meer gebruik moet worden gemaakt van de groene kwaliteiten in en om

Hoofdstuk 3

19

Spijkenisse en dat opgaven als waterberging en natuurontwikkeling met economische kansen en een aantrekkelijke leefomgeving dienen te worden gecombineerd. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan het benutten en versterken van de bebouwde kom in de gemeente. Nieuw groen en water zal geïntegreerd worden in structurering van de wijk. Het plan is in lijn met het visiedocument.

Hoofdstuk 3

20

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren Verkeer Met dit bestemmingsplan is sprake van een verplaatsing van twee scholen. De oude locaties/bebouwing van de scholen zullen worden gesloopt en zal een andere invulling krijgen. Het project zal per saldo daarom niet zo zeer voor extra verkeer leiden. Daarnaast zal de ontsluiting van de wijk op basis van de nieuwe verkaveling geoptimaliseerd worden. Aangezien de verplaatsing van de scholen plaatsvindt binnen een grotere gebiedsontwikkeling van deze wijk (het gebied “Heijwegenlaan”) is gekeken naar de gezamenlijke verkeerseffecten. Er is door Goudappel een onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. In het onderzoek is de huidige situatie van de wijk vergeleken met de toekomstige situatie. In de huidige situatie genereert het gebied Heijwegenlaan gemiddeld 3.900 autoritten per werkdagetmaal. Het overgrote deel van het verkeer in het gebied wordt afgewikkeld via de Heijwegenlaan (87%) en de rest via de C. Villeriuslaan (500 mvt/etm). Met realisatie van de plannen gaat dit naar 3.600 en 1.900 mvt/etmaal voor de Heijwegenlaan en de C. Villeriuslaan. Dit betekent een beperkte groei voor Heijwegenlaan (6%), maar een forse groei voor de C. Villeriuslaan (bijna een verviervoudiging). In absolute aantallen blijven de aantallen beperkt.

In de plansituatie genereert het gebied gemiddeld 5.500 autoritten per werkdagetmaal: een groei van 40%. Door de C. Villeriuslaan te verbinden met het de rest van het gebied blijven de verkeers-effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de Heijwegenlaan en andere wegen beperkt. Nergens overschrijden de intensiteiten waarden, die worden aangehouden voor erftoegangswegen (4.000 tot 6.000 mvt/etm): dat betekent dat de intensiteiten prima passen op wegen in woonwijken. De plannen voor Heijwegenlaan hebben consequenties voor de kruispunten:  De rotonde Heijwegenlaan – Hekelingseweg;  Het kruispunt C. Villeriuslaan – Groene Kruisweg (met verkeerslichten) en  Het kruispunt Hekelingseweg – Groene Kruisweg (met verkeerslichten). In het rapport ‘Verkeerseffecten Nissewaard naar 2040’ is nagegaan wat de verkeerseffecten van alle bouwplannen tezamen zijn op het wegennet. In deze studie is rekening gehouden met de extra realisatie van bijna 300 woningen en 2.000 m 2 bvo aan bedrijventerrein: dat is meer dan waar nu actueel in deze studie sprake van is. Toetsing van de verkeerseffecten in deze studie leert dat de eerste twee kruispunten de toekomstige verkeersintensiteiten goed kunnen verwerken en dat hier geen aanleiding is om maatregelen te nemen.

Het derde kruispunt (Hekelingseweg – Groene Kruisweg) is echter kritischer:  Volgens de berekeningen nemen de verkeersintensiteiten op dit kruispunt toe met 12% en 4% in de ochtend- respectievelijk avondspits door de ruimtelijke ontwikkeling.  In de situatie met de ruimtelijke ontwikkelingen overschrijdt dit kruispunt de maximale cyclustijd: deze gaat van 110 sec (zonder de RO) naar 129 (met RO). De grenswaarde voor de cyclustijd ligt

Hoofdstuk 4

21

op 120 sec en dat betekent dat het kruispunt overbelast raakt. Een oplossing is om richting 7 (Groene Kruisweg west rechtsaf naar de Hekelingseweg) twee opstelstroken te geven. Parkeren Als bijlage bij de regels is een berekening opgenomen van de behoefte aan parkeerplaatsen voor het gehele te ontwikkelen gebied Heijwegenlaan. Voor de scholen wordt uitgegaan van 96 parkeerplaatsen. Bij deze behoefte berekening is rekening gehouden met de mogelijke komst van extra schoolvoorzieningen binnen het plangebied met een extra parkeerbehoefte. Het is de bedoeling dat het parkeren gaat plaatsvinden op het al bestaande parkeerterrein ten westen van de nieuwe scholen. Dat terrein heeft meer dan 96 parkeerplaatsen en wordt nu al gebruikt door de bezoekers van de naastgelegen kerk. Met dubbelgebruik is rekening gehouden. Voor de nu geplande twee scholen is er een parkeerbehoefte van circa 50 pp. Daarvoor is dus meer dan voldoende ruimte op het bestaande parkeerterrein.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

22

Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Baljuwlaan, Groene Kruisweg en Hekelingsweg/Winston Churchilllaan. Een akoestisch onderzoek vanwege wegverkeerslawaai is verplicht. Industrielawaai De beoogde ontwikkeling ligt ook binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein BotlekPernis. Onderzoek vanwege industrielawaai is ook noodzakelijk. 4.2.2 Onderzoek Peutz heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidsbelasting vanwege wegverkeer- en industrielawaai. Dit onderzoek is als een bijlage bij deze toelichting gevoegd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de resultaten. Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer ter plaatse van de scholen ten gevolge van wegverkeerslawaai wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Er treden ten gevolge van wegverkeer over de Groene Kruisweg ter plaatse van de gevels van de scholen geluidbelastingen op tot ten hoogste 63 dB (inclusief aftrek conform artikel 110 g Wgh). Ten gevolge van de Hekelingsweg/Winston Churchilllaan bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 52 dB. Industrielawaai De geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Botlek-Pernis bedraagt 51 dB(A) (52 dB(A) indien hoger gebouwd wordt dan 3 bouwlagen) en ligt hiermee boven de gestelde voorkeursgrenswaarde.

Deze geluidbelasting treedt op ter plaatse van de noordgevels van beide schoolgebouwen. 4.2.3 Conclusie De geluidbelasting ter plaatse van de beoogde scholen ten gevolge van wegverkeer- en industrielawaai voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB respectievelijk 50 dB(A), derhalve dienen er hogere waarden aangevraagd te worden.

Hoofdstuk 4

23

Hiertoe dient eerst onderzocht te worden of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. In de voorliggende situatie zijn de mogelijkheden voor stedenbouwkundige, bron- en overdrachtsmaatregelen beperkt, maar bij de ontvanger zijn maatregelen (geluidluwe zuidgevel, waarborgen binnenniveau) getroffen. Een toets aan het gemeentelijk geluidbeleid leert dat aan de voorwaarden voor vaststelling van een hogere waarden kan worden voldaan. Het ontwerpbesluit voor hogere waarden zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Het onderdeel geluid zorgt niet voor belemmeringen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Om aan te tonen dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hiervoor is de verkeersgeneratie van de scholen van belang. Ten eerste kan gezegd worden dat met dit plan sprake is van een verplaatsing van twee scholen. De verkeersgeneratie zal per saldo dus niet toenemen. Wel zal de verkeersgeneratie in de wijk, door de realisatie van andere functies, toenemen. Hiervan wordt echter niet uitgegaan in de NIBM-tool. De verkeersgeneratie van de twee scholen is van belang, ondanks dat geen sprake zal zijn van een verkeerstoename vanwege de scholen. De verkeersgeneratie is afhankelijk van het aantal leerlingen. Zowel voor My college als voor Penta Mavo kunnen de kencijfers van een middelbare school aangehouden worden. In dit geval bedraagt dit een verkeersgeneratie van maximaal 17,6 mvt per etmaal per 100 leerlingen. Gezamenlijk hebben de scholen 1.030 leerlingen. De verkeersgeneratie van de twee scholen komt daarom

Hoofdstuk 4

24

gezamenlijk neer op maximaal 182 mvt/etmaal. Dit kengetal is gebruik in de NIBM-tool. Het resultaat is hieronder weergegeven. Geconcludeerd wordt dat het plan NIBM is. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

182

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,12

PM10 in μg/m3

0,03

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Er is daarnaast gekeken naar de achtergrondwaarden ten aanzien van luchtkwaliteit. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden met betrekking tot fijnstof en stikstof weergegeven ter plaatse van de dichtstbijzijnde toetspunten. Geconcludeerd kan worden dat de waarden allen onder de gestelde norm liggen. Hiermee kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat. PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

15965916 23.0

18.8

6.7

10.9

2020

15965781 21.4

18.5

6.5

10.8

2020

15965784 21.2

18.4

6.5

10.8

2020

15965960 22.7

18.7

6.7

10.9

2020

15965961 21.2

18.4

6.5

10.8

2020

Norm

40

35

25

Id

NO2 μg/m3

40

4.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 4

25

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Scholen kunnen zowel worden gezien als milieugevoelige functies als milieubelastende functies. Bij de school moet enerzijds sprake zijn van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat en anderzijds mag de school geen negatieve invloed hebben op het leef- en verblijfsklimaat bij andere functies (zoals woningen) in de omgeving. In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven of andere milieubelastende functies die invloed hebben op de twee scholen. In de omgeving liggen wel nog andere maatschappelijke bestemmingen. Gezorgd wordt dat deze op minimaal 10 meter van de toekomstige bebouwing ligt, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand voor deze functies in dit gemengde gebied. Andere functies in de omgeving hebben dus geen invloed op het leef- en verblijfsklimaat bij de scholen. Door de toekomstige bebouwing op minimaal 10 meter van omliggende maatschappelijke bestemmingen te realiseren, wordt daarnaast ook gezorgd dat de scholen geen invloed hebben op het leef- en verblijfsklimaat bij die functies (omgekeerde werking).

Daarnaast liggen andere milieugevoelige functies (zoals woningen) op verdere afstand en allen buiten de aan te houden richtafstand van 10 meter. Hiermee zorgt de school dus niet voor negatieve invloed op het leef- en verblijfsklimaat bij omliggende milieugevoelige functies.

Wat betreft het industrielawaai vanwege het industrieterrein ‘Botlek/Pernis’ wordt verwezen naar paragraaf 4.2.

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

26

4.4.3 Conclusie Het onderdeel ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. In de omgeving liggen geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een bepaalde geuruitstraling. Er is daarom sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat ten aanzien van het onderdeel geur.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen

Hoofdstuk 4

27

grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.6.2 Onderzoek Om aan te tonen wat de eventuele externe veiligheidsrisico’s zijn ter plaatse van het plangebied is gekeken naar de risicokaart. In figuur 4.1 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Op de kaart is te zien dat in de omgeving van het plangebied verschillende risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Daarnaast lopen er in de omgeving meerdere leidingen.

Hoofdstuk 4

28

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart (plangebied omcirkeld)

De inrichtingen liggen allen op ruime afstand. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van een van de inrichtingen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Ten westen van het plangebied op circa 1.750 meter loopt een buisleiding van Petrochemical Pipeline Service BV. Het plangebied ligt buiten de risicocontour van deze leiding. In het noorden van het plangebied lopen twee aardgasleidingen. Het gaat om leidingen A-536 en A537. Buisleiding A-536 kent een maximale werkdruk van 66 bar en heeft een uitwendige diameter van 36 inch. Er geldt een 1%-letaliteitsafstand van 430 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 180 meter. Het plangebied ligt op 1.000 meter en daarmee buiten deze afstanden. Buisleiding A-537 kent een maximale werkdruk van 66 bar en heeft een uitwendige diameter van 18 inch. Er geldt een 1%-letaliteitsafstand van 240 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 110 meter. Het plangebied ligt op 1.000 meter en daarmee buiten deze afstanden. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied buiten alle risicoafstanden/invloedsgebieden ligt van risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.

Hoofdstuk 4

29

4.6.3 Conclusie Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.

4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11225673/1