38.Bestemmingsplan C. Villeriuslaan; Bijlagenboek BP Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse
Tekst van het document
Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2.
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Linksboven bosperceel ten oosten van de Hekelingseweg met op de voorgrond het grasveld. Rechtsboven aanzicht bosperceel ten noorden van scholencomplex Penta College en sporthal Den Oert. Linksmidden aanzicht Penta College met schoolplein en fietsenstalling. Rechtsmidden impressie van het groen rond het Penta College. Linksonder aanzicht scholencomplex MY college met schoolplein. Rechtsonder aanzicht Praktijkcollege Spijkenisse en Praktijkschool de Sluis.
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
9
3.3
Beoogde situatie en activiteiten De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. Het gaat in dit geval om een grote herindeling van het plangebied. De gemeente Nissewaard is voornemens de bospercelen te kappen en de schoolgebouwen van Penta college en MY college te slopen. Hiervoor in de plaats zullen de scholen op de percelen met fase A en B herbouwd worden (zie figuur 3.3). Op het grasveld ten oosten van Den Oert zullen appartementencomplexen gebouwd worden (Fase D) en op de locatie van de voormalige scholen zal een mix van appartementen en grondgebonden woningen gerealiseerd worden (Fase C, E, F, G en H). Het bosperceel ten oosten van de Hekelingseweg zal plaats maken voor een mix van bedrijven en wonen (Fase 1 t/m 4).
Figuur 3.3. Fasering herinrichting gebied Heijwegenlaan e.o.
De werkzaamheden zullen een aantal jaren in beslag nemen. Hierbij zullen als eerste de scholen verplaatst worden, waarna de nieuwbouw van de appartementen en woningen kan aanvangen op de vrijgekomen percelen. De ontwikkeling van Fase 1 t/m 4 staat los van de andere fasen. Het is nog niet duidelijk wanneer dit uitgevoerd zal worden. Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Wet natuurbescherming.
3.4
Veldbezoek Het plangebied is bezocht in de ochtend van 25 november 2020. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, onbewolkt met een temperatuur van 5°C, windkracht 3 Bft uit het zuiden. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
10
4
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is/zijn.
4.1
Natura 2000-gebieden
Het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ bevindt zich op circa 1,8 km afstand ten noordoosten/oosten van het plangebied, zie figuur 4.1. Het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ is gelegen op circa 5,7 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.
Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ is onderdeel van de delta van de grote rivieren Rijn en Maas. Het staat onder invloed van de getijden is het enige nog resterende zoetwatergetijdengebied in Nederland. Het gebied is van internationaal belang vanwege de uitgestrekte wilgenbossen, droogvallende slikken en riet- en biezenvelden. Het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ vormt nu een groot zoetwaterbekken, dat alleen via Spui, Oude Maas en Nieuwe Waterweg nog in verbinding staat met de Noordzee. Aan de oevers van VoornePutten, de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee bestaat het landschap uit grasgorzen, riet- en biezenvelden, begroeide en onbegroeide zand- en slikplaten grenzend aan het open water. Een deel van de rietlanden en zilte gorzen is door begrazing omgevormd in grasland van brakke bodem (zilverschoonverbond), terwijl onbegraasde delen zich ontwikkeld hebben tot riet, brakke ruigte en struweel. Negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende infrastructuur uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk.
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
11
Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NOX (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot. In Nederland is in 118 van de 161 Natura 2000-gebieden, de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning1. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’ bevat stikstofgevoelige habitatten en ligt op ongeveer 15,5 kilometer afstand. Bij de bouw van bijvoorbeeld 100 - 250 woningen is er op een afstand van 10 kilometer een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar te verwachten2,3. In vergelijking met de bouwplannen van de gemeente Nissewaard is in de bouwfase en de gebruiksfase op een afstand van 15,5 kilometer geen stikstofdepositie te verwachten door het project. Hierbij wordt tevens aangenomen dat het project over een periode van drie tot vier jaar gerealiseerd zal worden in fasen. Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden is volgens Aqua-Terra Nova niet noodzakelijk.
4.2
Ecologische verbindingszones
Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)4, zie figuur 4.2. Het plangebied bevindt zich op circa 250 meter van een natuurgebied het Mallebos dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier een bosgebied met waterpartijen ten zuidwesten van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
12
5
RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn. In onderstaande resultatenoverzicht is een onderscheid gemaakt tussen de bospercelen en de delen van het plangebied waarin gebouwen staan.
5.1
Vaatplanten
Alle strikt beschermde vaatplanten en hun standplaats zijn beschermd. Veel beschermde vaatplanten zijn te vinden in specifieke habitats in natuurgebieden, maar sommige soorten kunnen in een stedelijke omgeving voorkomen. Hierbij gaat het vaak over muur- en kadeplanten.
Bospercelen
De bospercelen zijn tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. De volgende soorten zijn wel aangetroffen in de bospercelen: knotwilg, els, populier, vlier, brandnetel, braam spec., klimop, esdoorn, es, zomereik, iep, meidoorn, rode kornoelje, wilde liguster, sleedoorn, rijsbes, gele kornoelje, rozenbottel, kruipende boterbloem, fluitenkruid en hondsdraf. In de bospercelen kunnen orchideeën voorkomen zoals brede wespenorchis. Deze soort is sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als ook de stedelijke ligging van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht5. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.
Gebouwde omgeving
De schoolgebouwen en hun terrein zijn tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. De volgende soorten zijn wel aangetroffen: knotwilg, treurwilg, berk, paardenkastanje, tamme kastanje, hazelaar en meidoorn. Rond het Penta College Rietvelden was veel ruimte voor groen en stonden er veel gecultiveerde plantensoorten. Ten tijde van het veldbezoek was groenbeheer bladeren aan het wegblazen met een bladblazer. Rond de schoolgebouwen van My college was weinig groen aanwezig. Enkel langs de gymzaal waren diverse gecultiveerde bomen en struiken aangeplant. Praktijk College Spijkenisse en Praktijkschool de Sluis beschikken over een moestuin en een kas op hun terrein. Ten tijde van het veldbezoek waren leerlingen hier aan het werk. De muren van de gebouwen zijn niet geschikt als ondergrond voor beschermde muurplanten. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als ook de stedelijke ligging van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht5. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.2
5.2.1
Vogels
Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele leefomgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel jaarrond beschermde vogels, vogelsoorten uit de categorie 5 en algemeen voorkomende vogels.
Jaarrond beschermde vogels Op voorhand kon niet uitgesloten worden dat de bomen in de bospercelen geschikt zijn voor verblijfplaatsen van uilen en/of roofvogels. Tijdens het veldbezoek is er in de bomen gezocht naar oude nesten. Er zijn op verschillende plaatsen nesten in de bospercelen en omliggende groenstructuren aangetroffen. Er zijn geen grote zichtbare nesten aangetroffen in grote hoge bomen. Het ging voornamelijk om kleinere nesten in lager gelegen bosschages of in elzen of treurwilgen. Buizerd heeft vaak een groot nest in de vork van een grote boom. Dit noemen we een horst. Het buizerdpaar heeft vaak meerdere horsten in een territorium. Daarnaast verkiest een buizerd de nestlocatie op een plaats waar er weinig verstoring is en deze nabij geschikt jachtgebied ligt. Voor de buizerd is dat open polderlandschap, waar hij voornamelijk jaagt op woelmuizen en ware muizen. Tijdens het veldbezoek is een overvliegende buizerd waargenomen, die achternagezeten werd door kauwen en eksters. Het plangebied is niet geschikt als territorium voor buizerd, omdat er geen geschikte nestlocaties gevonden zijn en het niet gunstig gelegen is ten opzichte van jachtgebied. Deze aanwezigheid van deze soort en zijn nestplaats binnen het plangebied kan redelijkerwijs uitgesloten worden.
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
13
Havik is tevens een vogel die grote nesten in stevige bomen verkiest/bouwt. Daarnaast is deze soort schuw en verkiest grote bospercelen om tot broeden te komen. Het is bekend dat zich een territorium van een havikpaar in het nabijgelegen Mallebos bevindt. Het kan op voorhand redelijkerwijs uitgesloten worden dat het plangebied onderdeel is van het territorium van een havikpaar. Het plangebied is te stedelijk gelegen en er zijn geen grote nesten waargenomen.
Figuur 5.1. Geïdentificeerde/waargenomen nesten binnen het plangebied.
Van boomvalk is bekend dat ze een nest van een andere vogelsoort (zoals zwarte kraaien) in gebruik nemen. In de omgeving is de aanwezigheid van een boomvalknest bekend. Deze bevindt zich op 800 meter afstand van het plangebied in een es aan de Molendijk naast sporthal Olympia. Aangenomen mag worden dat zich geen tweede broedpaar in het bestaande territorium van dit broedpaar boomvalk bevindt. De afstanden tot het bekende nest zijn hiervoor te klein. De aanwezigheid van boomvalk binnen het plangebied is redelijkerwijs uit te sluiten. Uit de verspreidingsbronnen komt naar voren dat de sperwer op diverse plaatsen in tuinen en boven huizen is waargenomen rond het plangebied. Een territorium van een sperwerpaar bevat meerdere nesten. In figuur 5.1 zijn meerdere aangetroffen nesten ingestipt die geschikt zijn voor sperwer. Tijdens het broedseizoen zijn de bospercelen dicht begroeid en bieden ze veel beschutting voor deze soort. De sperwer verkiest steeds vaker een broedplaats in de stad, omdat de havik een belangrijke predator is van de sperwer. Sperwers kiezen hierdoor steeds vaker stedelijke omgevingen als broedplaats om de havik te ontlopen. Jaarlijks maakt de sperwer een nieuw nest in zijn/haar territorium, dit nest kan in struiken gemaakt worden en vanaf vier meter hoog zitten.
De sperwer jaagt op kleine zangvogels en de wijken rond het plangebied bieden voldoende jachtgebied voor de soort. Het is redelijkerwijs niet op voorhand uit te sluiten dat een sperwer broedt in de bospercelen in het plangebied. Nader onderzoek naar sperwer is noodzakelijk. De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. In groot, aaneengesloten bos ontbreekt hij veelal. De ransuil jaagt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op plekken met kaalslag in bos op veldmuizen. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. Daarnaast gebruikt hij tevens houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen. De ransuil maakt net als de boomvalk gebruik van oude nesten van zwarte kraai, ekster of kauw. Er zijn voldoende nesten in het plangebied waargenomen die geschikt zijn
20136/AQT301FF/EvD Definitieve rapportage 8 januari 2021
14