CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

36.Bestemmingsplan Heijwegenlaan; Bijlage 5 Aanmeldnotitie MER

Gemeenteraad 23 februari 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Aanvullende lijst ingekomen stukken3.973 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldingsnotitie Scholen C. Villeriuslaan en woningen J.A. Heijwegenlaan en J.Witteveenlaan te Spijkenisse Gemeente Nissewaard

Aanmeldingsnotitie Scholen C. Villeriuslaan en woningen J.A. Heijwegenlaan en J.Witteveenlaan te Spijkenisse Gemeente Nissewaard

Rapportnummer:

P03764

Datum:

6 januari 2022/31 januari 2022

Opdrachtgevers:

Gemeente Nissewaard/Stevast

Projectteam BRO / R3Advies:

WdR / DvH

Trefwoorden:

--

Bron foto kaft:

HEVO BV

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Inleiding 1.2 Toetsing Besluit m.e.r. 1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.4 Leeswijzer

2 2 2 3 4

2. EFFECTEN OP HET MILIEU 2.1 Inleiding 2.2 Kenmerken van het project 2.3 Plaats van het project 2.4 Kenmerk van het potentiële effect

5 5 6 9 11

3. VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

12

Inhoudsopgave

1

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding Ten westen van het centrum van Spijkenisse, tussen de Baljuwlaan en Hekelingseweg, ligt een cluster van verschillende scholencomplexen, waaronder de scholen MY College en Penta. Deze twee scholen hebben het voornemen om te verplaatsen naar een noordoostelijk gelegen terrein. De wens is om hier twee nieuwe complexen te realiseren en de oude schoolgebouwen aansluitend te slopen. De nieuwbouw vindt plaats net ten zuiden van de Groene Kruisweg. Op dit moment is dit gebied onbebouwd. De nieuwbouw maakt onderdeel uit van een grotere herontwikkeling/gebiedsontwikkeling van het zogenaamde gebied ‘Heijwegenlaan’. Die ontwikkeling betreft met name de bouw van 273 woningen. Voorliggende aanmeldnotitie ziet toe op de totale herontwikkeling van het gebied.

1.2 Toetsing Besluit m.e.r. Toetsingskader Het Besluit m.e.r. geeft in Bijlage C aan in welke categorieën van gevallen en in het kader van welke besluiten een m.e.r.-plicht geldt. In bijlage D zijn de categorieën van gevallen en de besluiten opgesomd in het kader waarvan in ieder geval een m.e.r.-beoordeling dient te worden opgesteld. Daarnaast moet het bevoegd gezag ook bij (relatief) kleinschalige bouw- en ontwikkelingsprojecten, waarbij de in Bijlage D genoemde drempelwaarden niet worden overschreden, beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden: dan is het opstellen van een MER nodig. Analyse Het planvoornemen maakt geen activiteiten mogelijk, die zijn opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Daarom is er geen sprake van een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat.

De activiteiten zijn wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden (zie tabel op de volgende pagina).

D.11.2

Hoofdstuk 1

Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening -> het bestemmingsplan

2

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling MY College en Penta zijn twee scholen in Spijkenisse. Bij MY College wordt les gegeven in vmbo en mavo onderwijs en bij Penta in het mavo, havo en vwo (atheneum en gymnasium) onderwijs. Beide scholen liggen dicht bij elkaar in een “onderwijscluster” in de wijk Vierambachten. De twee scholen hebben het voornemen om te verplaatsen naar een terrein elders in deze wijk. Hierbij zal sprake zijn van sloop van de huidige schoolgebouwen en nieuwbouw van twee schoolgebouwen op een nu onbebouwd terrein. De bebouwingsvelden van de twee schoolgebouwen zijn tussen de 3.440 (MY college) en 4.800 m2 (Penta Mavo) groot. De twee scholen kennen gezamenlijk circa 1.030 leerlingen. Op de plaats waar de bestaande schoolgebouwen in het plangebied staan, worden 273 woningen gerealiseerd: 103 eengezinswoningen en 170 appartementen. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Bijlage bij het Besluit m.e.r. De ontwikkeling van de scholen valt onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2): de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van het gebied met het beoogde programma ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Daarom is enkel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht aan de orde. Dit betekent dat voordat het plan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.

1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aan de hand van een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Procedure De initiatiefnemer dient de aanmeldingsnotitie in bij de gemeente. De gemeente (het bevoegd gezag) neemt binnen 6 weken na ontvangst van de aanmeldingsnotitie (mededeling) een beslissing of een MER gemaakt moet worden.

Hoofdstuk 1

3

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 vormt de aanmeldingsnotitie, hoofdstuk 3 vormt de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de plaats waar de activiteit plaatsvindt, o.a. in relatie tot gevoelige gebieden; b. de kenmerken van de activiteit; c. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben; d. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie).

Hoofdstuk 1

4

2.

EFFECTEN OP HET MILIEU

2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het ruimtelijke plan. In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Hoofdstuk 2

5

2.2 Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Er is sprake van een verplaatsing van twee scholen. De scholen kennen gezamenlijk een maximaal vloeroppervlak van 8.240 m2. De scholen bieden ruimte voor 1.030 leerlingen. De bebouwing krijgt een maximale bouwhoogte van 17 tot 20 meter. Daarnaast worden 273 woningen gerealiseerd, 103 grondgebonden woningen en 170 appartementen. De grondgebonden woningen hebben een maximale bouwhoogte van 10 m, de appartementen 19 m (westelijk deel plangebied) en 25 tot 40 m in het oostelijke deel van het plangebied.

Cumulatie met andere pro-

De nieuwbouw voor de twee scholen en de woningen maakt onderdeel uit van een gro-

jecten

tere gebiedsopgave waarbij het de bedoeling is de brede uitvalsweg van Spijkenisse: van ‘snelweg’ naar stadsboulevard te transformeren in een actieve plint met maatschappelijke en/of werkfuncties met achter de nieuwbouw een wijk met grondgebonden en gestapelde woningen.

Gebruik van natuurlijke hulp-

N.v.t.

bronnen

Bij de ontwikkeling wordt geen permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied.

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van sloop- en bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. Gelet op de omvang van het project, alsmede de op de locatie beschikbare ruimte, is onevenredige en langdurige hinder ten gevolge van deze werkzaamheden niet aan de orde.

Geluid Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de bouwplannen uitvoerbaar zijn. De geluidsbelasting bij de woningen en scholen is op sommige weliswaar hoger dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, maar ze vallen binnen het bereik van de maximaal toegestane geluidsbelasting. Daarbij zijn zowel het geluid ten gevolge van wegverkeerslawaai en industrielawaai onderzocht. Onderdeel van het onderzoek is geweest de berekening van de cumulatie van beide geluidsbronnen, te weten de omliggende wegen en het industrieterrein ‘Botlek/Pernis’. Uit die berekeningen blijkt, dat er uit oogpunt van het aspect ‘geluid’, ook al is er een hogere geluidsgrenswaarde nodig, sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.

Luchtkwaliteit Uit verkeersonderzoek blijkt, dat de totale toename van het aantal verkeersbewegingen in het plangebied 1.600 per etmaal bedraagt.. Er is daarnaast gekeken naar de achtergrondwaarden ten aanzien van luchtkwaliteit. De achtergrondwaarden met betrekking tot fijnstof en stikstof zijn achterhaald middels de NSL monitoringstool. Geconcludeerd kan worden dat de heersende luchtkwaliteit zodanig goed is, dat de toename van de verkeersintensiteit met 1.600 vervoersbewegingen per etmaal niet leidt tot het overschrijden van kwaliteitsnormen. Hiermee kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat.

Hoofdstuk 2

6

Kenmerken van het project Criteria

Toets Milieuzonering Scholen kunnen zowel worden gezien als milieugevoelige functies als milieubelastende functies. Bij de school moet enerzijds sprake zijn van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat en anderzijds mag de school geen negatieve invloed hebben op het leef- en verblijfsklimaat bij andere functies (zoals woningen) in de omgeving. In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven of andere milieubelastende functies die invloed hebben op de twee scholen. In de omgeving liggen wel nog andere maatschappelijke bestemmingen. Gezorgd wordt dat deze op minimaal 10 meter van de toekomstige bebouwing ligt, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand voor deze functies in dit gemengde gebied. Andere functies in de omgeving hebben dus geen invloed op het leef- en verblijfsklimaat bij de scholen. Door de toekomstige bebouwing op minimaal 10 meter van omliggende maatschappelijke bestemmingen te realiseren, wordt daarnaast ook gezorgd dat de scholen geen invloed hebben op het leef- en verblijfsklimaat bij die functies (omgekeerde werking). Daarnaast liggen andere milieugevoelige functies (zoals woningen) op verdere afstand en allen buiten de aan te houden richtafstand van 10 meter. Hiermee zorgt de school dus niet voor negatieve invloed op het leef- en verblijfsklimaat bij omliggende milieugevoelige functies.

Woningen zijn milieugevoelige functies. Uit onderzoek blijkt, dat de milieuzones van de in de omgeving aanwezige milieubelastende functies zich niet uitstrekken tot de woningen. Dit is alleen anders bij de aanwezige sporthal Den Oert. De feitelijk aanwezige gebruikssituatie aldaar, maakt dat er zich uit oogpunt van milieuzonering toch geen fricties voordoen. In de toelichting van het bestemmingsplan J. Witteveenlaan is met een maatmotivering aangegeven, dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de te bouwen woningen.

Ecologie gebiedsbescherming Voor dit plan is geen berekening van de depositie van stikstofverbindingen uitgevoerd. Bij invoering van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is bepaald dat slechts de gebruiksfase van een bouwproject hoeft te worden beschouwd. De emissie is in de gebruiksfase vaak zeer beperkt. Alleen de verkeersbewegingen van woningen kunnen een (kleine) rol spelen. De DCMR Milieudienst Rijnmond stelt dat een woningbouwproject in Nissewaard van 500 of minder woningen beschouwd kan worden als een kleiner project waarvoor geen AERIUS berekening meer nodig is omdat dit niet leidt tot relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Daarnaast is er voor de school sprake van verplaatsing en er is daarom geen extra depositie te verwachten. Er kan van uit worden gegaan, dat er in de gebruiksfase de depositie ten gevolge van dit plan niet groter zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

Ecologie soortbescherming Ten aanzien van vleermuizen en de sperwer is vervolgonderzoek uitgevoerd. Voor de overige soorten, zoals vaatplanten, grondgebonden zoogdieren en amfibieën is geen vervolgonderzoek nodig. Daarnaast worden werkzaamheden aan de groenstructuren buiten het broedseizoen verricht, waardoor verstoring van broedende vogels wordt voorkomen en wordt gewerkt conform de zorgplicht. Uit het vervolgonderzoek van de sperwer en

Hoofdstuk 2

7

Kenmerken van het project Criteria

Toets vleermuis volgen verschillende aanbevelingen. Hierbij zal worden aangesloten. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming is niet nodig.

Bodem Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd voor deellocatie A (voormalige trambaan) en deellocatie D (voormalige huisvuilstort).. Op deellocatie A gaat het slechts om een lichte verontreiniging met zware metalen, PAK en deels ook minerale olie van de bovengrond tot 0,5 m-mv. Bij toetsing aan de Bbk normen voldoen alle bovengrondmonsters aan klasse industrie. De ondergrond is niet verontreinigd. Op deellocatie D zijn sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK aangetoond in de sterk puin- en huisvuilhoudende bovengrond. Bovendien is asbest aangetroffen in een gehalte boven de norm voor nader onderzoek. Tot ver buiten de stortlocatie zijn in de bovengrond huisvuilresten aangetroffen aan weerszijden van het fietspad op fase A en B, tot circa 20 m van het pad. De grond met zwakke huisvuilbijmengingen is licht verontreinigd met zware metalen en PAK (klasse industrie). In de ondergrond op ruime afstand van de stort is een sterke zinkverontreiniging aangetoond, gerelateerd aan puin. Deellocatie D maakt deel uit van een geregistreerd geval van bodemverontreiniging.

De aangetoonde sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de bovengrond en de gemeten asbestgehalten boven het nader onderzoekscriterium op de stortlocatie (gelegen op fase B) en hieraan gerelateerd tevens de sterke zinkverontreiniging in de puinhoudende ondergrond op fase A geven op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) in principe aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen.

Afhankelijk van het herinrichtingsplan kan bij het saneren worden gekozen voor isolatie (met verharding of leeflaag), verwijdering of een combinatie van beide. De lichte verontreiniging in de bovengrond met zwakke huisvuilbijmengingen langs het fietspad op fase A en B maakt deel uit van hetzelfde geval van bodemverontreiniging. Er is nader karterend onderzoek uitgevoerd om de begrenzing van de verontreiniging nauwkeuriger vast te stellen

De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen belemmering voor de beoogde bestemming (wonen). De locatie wordt onder voorbehoud geschikt geacht voor de beoogde bestemming. De verontreinigingen in verband met de stortplaats (deellocatie D) geven aanleiding tot het nemen van saneringsmaatregelen. Na uitvoering van de sanering van het deel van de voormalige stortplaats welke binnen het plangebied ligt is de bodem geschikt voor het gebruik voor onderwijs- en woondoeleinden. Risico van ongevallen

Er is geen sprake van een nieuwe risicobron.

Externe veiligheid Conform de risicokaart liggen de risicovolle inrichtingen allen op ruime afstand. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van een van de inrichtingen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Ten westen van het plangebied op circa 1.750 meter loopt een buisleiding van Petrochemical Pipeline Service BV. Het plangebied ligt buiten de risicocontour van deze leiding. In het noorden van het plangebied lopen twee aardgasleidingen.

Hoofdstuk 2

8

Kenmerken van het project Criteria

Toets Het gaat om leidingen A-536 en A-537. Buisleiding A-536 kent een maximale werkdruk van 66 bar en heeft een uitwendige diameter van 36 inch. Er geldt een 1%-letaliteitsafstand van 430 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 180 meter. Het plangebied ligt op 1.000 meter en daarmee buiten deze afstanden. Buisleiding A-537 kent een maximale werkdruk van 66 bar en heeft een uitwendige diameter van 18 inch. Er geldt een 1%-letaliteitsafstand van 240 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 110 meter. Het plangebied ligt op 1.000 meter en daarmee buiten deze afstanden. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied buiten alle risicoafstanden/invloedsgebieden ligt van risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.

Explosieven Er is een vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Heijwegenlaan Nissewaard. Aanleiding voor dit vooronderzoek vormen toekomstige bouwwerkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Het doel van dit vooronderzoek is het verkrijgen van een bruikbare waarschijnlijkheidsuitspraak over de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten tijdens de voorgenomen werkzaamheden waardoor er een veiligheidsrisico kan ontstaan. Hierbij ligt de onderzoeksfocus op verschillende gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). De gebeurtenissen die mogelijk ná de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden zijn niet onderzocht. Een uitzondering daarop vormen naoorlogse meldingen van CE-vondsten en ruimingsrapporten van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op basis van de beoordeling van alle op het moment van opstellen van dit rapport beschikbare bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er geen aanleiding is om binnen het onderzoeksgebied verdachte gebieden aan te merken. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

2.3 Plaats van het project Plaats van het project Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

Het plangebied waar de nieuwe scholen worden gebouwd is thans voor het overgrote deel in gebruik als groen. Op een deel van het gebied waar de woningen worden gebouwd zijn de twee bestaande schoolgebouwen aanwezig. Daarnaast is het deels verhard ten behoeve van de aanwezige maatschappelijke voorzieningen. In de geldende beheersverordening is voor het plangebied de bestemmingen Groen, Maatschappelijk, Verkeer en Water opgenomen.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit

Het plangebied heeft geen (bijzondere) rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.

en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:

Hoofdstuk 2

9

Plaats van het project Criteria

Toets

gevoelige gebieden (wet-

Er kan van uit worden gegaan, dat er in de gebruiksfase de depositie ten gevolge van dit

lands, kustgebieden, berg-

plan niet groter zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) 

gebieden waarin bij com-

Nee

munautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden  

gebieden met een hoge

Niet aan de orde. Het plangebied ligt in een bebouwde omgeving met verschillende maat-

bevolkingsdichtheid

schappelijke functies.

landschappen van histo-

Archeologie

risch, cultureel of archeo-

Er heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is opgenomen in de

logisch belang

bijlagen. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in mei 2007, waarbij het gebied ‘Heijwegenlaan’ op meerdere plekken is onderzocht. Het volgende wordt geconcludeerd.

Met betrekking tot de aanwezigheid van archeologische waarden kan worden vastgesteld dat ter plaatse van de nieuwe scholen de kans zeer klein is dat bij de inrichting van het plangebied archeologische waarden worden aangetast. Gedurende de inventarisatie zijn in de boringen namelijk geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er zijn verder geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Op basis van deze conclusie kan de locatie voor de scholen worden vrijgegeven ten aanzien van archeologie. Voor het gebied waar de woningen komen is ook het oostelijk deel vrijgegeven. Er hoeven geen voorzieningen getroffen te worden. Voor het westelijke deel wordt nog nader onderzoek uitgevoerd. Deze woningen kunnen pas worden gebouwd, als in voldoende mate is vastgesteld of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en daarvoor vereiste vervolgmaatregelen zijn uitgevoerd. Cultuurhistorie Ter plaatse van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen op de gemeentelijke en provinciale cultuurhistorische waardenkaarten. Er zijn met de voorgestane ontwikkeling dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee

Habitat- en vogelrichtlijngebieden

Nee

Watergebied van internationale beteke-

Nee

nis

Hoofdstuk 2

10

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS). Er is

(voormalige EHS)

geen sprake van negatieve effecten op het NNN.

Landschappelijk waardevol gebied

Er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties, waterwingebieden,

Nee

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Nee

Belvedère-gebied

Nee

2.4 Kenmerk van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

De (potentiële) effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer beperkt van

zone en grootte van de getroffen bevol-

omvang en treden niet tot hooguit lokaal op. Effecten op het woon- en leefklimaat in

king)

de omgeving, op gevoelige gebieden en natuurgebieden zijn niet aan de orde.

Grensoverschrijdende karakter van het

Er zijn geen grensoverschrijdende effecten aan de orde.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is een tijdelijk effect gedurende de aanlegfase mogelijk. Tijdens de aanlegfase

van het effect

zijn enige effecten merkbaar zoals bouwverkeer en -geluid. Deze effecten zijn zoals aangegeven tijdelijk en relatief beperkt en lokaal van aard. De effecten van de uiteindelijke bebouwing zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Hoofdstuk 2

11

3.

VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

Gezien de ligging van het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied op een bestaand bouwperceel, de vorenstaande overwegingen en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Wij bevelen u aan - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het project Scholen C. Villeriuslaan en woningen J.A. Heijwegenlaan/ J. Witteveenlaan te Spijkenisse geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Hoofdstuk 3

12

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 3

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11225628/1