32.Raad voor de leefomgeving en infrastructuur; Publicatie Goed gefundeerd; advies om te komen tot een nationale aanpak van funderingsproblematiek.
Tekst van het document
Aantasting van houten funderingen
In beide processen hangt de snelheid van de aantasting af van vele factoren,
Het (effectieve) draagvermogen van houten palen kan afnemen als
waardoor we hierover geen algemene conclusie kunnen geven.
gevolg van aantasting van de houten paal door schimmels of door bacteriën (dit laatste is voornamelijk bij grenenhouten palen een probleem).
Schimmelaantasting komt vooral in Zuid- en Noord-Holland voor. Bekende
Schimmelvorming in houten palen ontstaat als het funderingshout (tijdelijk
probleemgebieden zijn Rotterdam, Gouda, Dordrecht, Haarlem, Schiedam,
of permanent) droog komt te staan, bijvoorbeeld door verlaging van de
Amsterdam en Zaanstad. Grenenhouten palen, die gevoelig zijn voor
grondwaterstand of door droogte.
bacterieaantasting, zijn met name gebruikt in Noord- en Zuid-Holland
Schimmelaantasting begint vaak aan de bovenzijde van de houtconstructie.
(bijvoorbeeld in de Zaanstreek, Haarlem en Gouda) en rond het IJsselmeer
Dit betekent dat eerst de kespen en het langshout worden aangetast en
en Fryslân.
daarna de palen. Dit proces kan vrij snel verlopen; bij een optellende
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
82
Negatieve kleef
materiaaleigenschappen, kan de fundering een bepaalde mate van ongelijk-
Overbelasting van funderingspalen (zowel bij houten als betonnen palen)
matige vervorming opvangen. Een moderne gewapende betonnen funde-
kan optreden als tijdens bodemdaling de grond meer wil vervormen dan
ringsstrook kan deze vervormingen beter opnemen dan een gemetselde
de funderingspalen. Doordat de grond aan de paal kleeft en als het ware
fundering. Deze laatste zal eerder beschadigen, waardoor ook het gebouw
aan de paal gaat hangen, ontstaat een extra belasting op de funderings-
kan beschadigen.
palen. Dit proces noemen we ‘negatieve kleef’. Het ontstaat vaak bij het
Verschilvervormingen kunnen ook ontstaan (of verergeren) door verzwa-
aanbrengen van een extra belasting op het maaiveld, bijvoorbeeld door een
ringen of verbouwingen van het gebouw die (ongelijkmatige) belastingen
zandpakket/ophoging van de straat naast de fundering.
veroorzaken op (delen van) de fundering.
Tot ongeveer 1970 werd met dit effect niet of nauwelijks rekening gehouden.
In bijzondere gevallen ontstaan verschilvervormingen doordat er een
Na die datum zijn constructies erop ontworpen in de zin dat de fundering
verschil is in funderingstypen onder hetzelfde gebouw: deels een ondiepe
bij voorbaat al sterker wordt gemaakt om ook de extra belasting door
fundering en deels een paalfundering. Dit eerste funderingstype vervormt
negatieve kleef te kunnen opnemen. Hierdoor zal de schade in principe niet
mee met de grond, terwijl het tweede type niet vervormt. Dit kan leiden
meer ontstaan. De snelheid waarmee negatieve kleef optreedt, hangt af van
tot grote verschillen in vervormingen die zich in de loop van jaren ontwik-
de snelheid van de bodemdaling. Zie ook § 3.2.
kelen. In de praktijk komt combinatie van funderingstypen onder eenzelfde gebouw weinig voor. Wel kunnen bijvoorbeeld houten paalfunderingen op
Verschilvervorming (bodemdaling)
verschillende wijze zijn aangetast, wat verschilvervormingen kan veroor-
Vervormingen van de grond zijn vaak het gevolg van wisselingen in de
zaken bij gebouwen die in een rij staan, bijvoorbeeld rijtjeshuizen.
grondwaterstand; hierbij kan het gaan om zowel zakking (bij een afname van de grondwaterstand) als stijging (bij een toename van de grondwater-
Kenmerken van verschilvervorming zijn:
stand); zie § 3.2.
• De snelheid hangt af van het proces in de bodem (zie § 3.2).
Ondiepe funderingen zijn gevoelig voor vervormingen van de onder-
• De vervorming en bijbehorende scheuren verergeren met de tijd.
grond. Omdat een ondiepe fundering het gewicht van het gebouw direct
• Moderne funderingen, ontworpen volgens recente normen, zijn er
op de grond afdraagt, vervormt dit type fundering (gedeeltelijk) mee
meestal goed tegen bestand, uitgezonderd krimp/zwel-gedrag.
met de grond. Als er in de ondergrond ongelijkmatige vervormingen optreden, moet dit door de fundering worden opgevangen. Afhankelijk van de sterkte en stijfheid van de fundering, die weer afhangt van de
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
83
Verlies van draagkracht ondiepe fundering
variëren van licht tot zeer ernstig en van esthetisch tot constructief. Ernstige
Bij ondiepe funderingen kan ook een verhoging van de grondwaterstand
constructieve gevolgen kunnen een gebouw onbewoonbaar maken.
tot schade leiden, doordat fundering op een natte ondergrond draagkracht
Daarnaast kunnen door verandering van de grondwaterstand ten opzichte
verliest. Door dit verlies in draagkracht zullen er (verschil)vervormingen
van de fundering natte kelders of natte muren ontstaan (natschade, optrek-
ontstaan, die weer tot schade kunnen leiden in het gebouw. Deze vervor-
kend vocht) met eventueel gezondheidsschade als gevolg.
mingen treden vrij direct op bij verhoging van de grondwaterstand. Moderne ondiepe funderingen zijn hiertegen bestand.
Figuur 13: Het ontstaan van schade aan gebouwen als gevolg van schade aan de fundering veroorzaakt door processen in de bodem na
Schade door werkzaamheden
veranderingen in de omgeving
Door bouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld de aanleg van een bouwput voor een parkeergarage, kunnen verticale of horizontale vervormingen optreden in de bodem, die direct tot schade kunnen leiden aan de fundering van nabijgelegen gebouwen. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden kan ook op een indirecte manier schade optreden, bijvoorbeeld door beïnvloeding (verlaging of verhoging) van de grondwaterstand.
Veranderingen in omgeving: - Grondwaterstandsverlaging/verhoging - Aanleg/aanpassing infrastructuur - Trillingen - Mijnbouw/ delfstoffenwinning
Processen in bodem: Bodemdaling door: - Consolidatie en kruip - Oxidatie (veenafbraak) - Krimp / zwel (bodemdaling en stijging)
Schadeprocessen in funderingen:
Gevolgen in gebouwen:
- Aantasting van houten funderingen - Negatieve kleef
- Scheefstand en scheurvorming
- Verschilvervorming - Verlies van draagkracht
- Vochtproblematiek - In het ergste geval kan een gebouw onveilig worden
- Schade door werkzaamheden
Door bouwwerkzaamheden, zwaar verkeer, maar ook door mijnbouw (zoals in Groningen) of natuurlijke aardbevingen (zoals in Limburg), kunnen trillingen optreden in de bodem die direct (via de constructie) tot scheurvorming leiden. De bodem kan ook zakken door deze trillingen. Dan is het schademechanisme gelijk aan dat van verschilzetting.
3.4 Gevolgen voor gebouwen Gevolgen van de schadeprocessen voor funderingen van gebouwen zijn te herkennen als scheurvorming en/of scheefstanden. Deze gevolgen kunnen
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
84
Scheefstand en scheurvorming
Figuur 14: Beweging van gebouwen bij vervormingen van bodem en
Schades aan gebouwen als gevolg van vervormingen van de fundering
fundering
manifesteren zich in de vorm van scheefstanden of het ontstaan van scheuren. Door funderingsschade vervormt de fundering. De bovenbouw (het deel van het gebouw dat zich boven de fundering bevindt) moet deze vervormingen kunnen opnemen en zal daarom óók vervormen. Hierdoor ontstaan scheefstanden (rotaties) van de bovenbouw en spanningen in het materiaal van de bouwconstructie. Als deze spanningen groter worden dan de sterkte van het bouwmateriaal, zal het materiaal gaan scheuren.
Figuur 2.11 Beweging van gebouwen bij vervormingen van bodem en fundering
Funderingsschades zijn in Nederland doorgaans het gevolg van een gelei-
Als de fundering in zijn geheel kantelt, is er sprake van scheefstand. Er
delijk proces; ze manifesteren zich pas na verloop van tijd. De schade wordt
treedt dan geen vervorming op van de bouwconstructie zelf. Pas als de
doorgaans opgemerkt als er sprake is van zichtbare scheuren. Vaak betekent
scheefstand groter wordt, zal dit vaak als hinderlijk worden ervaren. Bij
dit dat de onderliggende oorzaak al enige tijd aanwezig is geweest en dat
grotere scheefstanden kunnen spanningen ontstaan in de gebouwcon-
het proces dat de schade veroorzaakt, al langer actief is.
structie en mogelijk scheurvorming. Schade ontstaat vooral wanneer de fundering ongelijkmatig zakt. De twee
Bepalend voor het ontstaan van schades aan de bovenbouw is de mate
rechter plaatjes in figuur 14 illustreren dat. Het gebouw vervormt om deze
waarin de opgelegde vervorming ongelijkmatig is. Als een fundering gelijk-
zakking te volgen. Vaak zijn deze gebouwvervormingen een eerste indicatie
matig zakt en verder niet vervormt, ontstaan er geen spanningen in de
dat er iets met de fundering aan de hand is. Bij metselwerkgevels kan de
bovenliggende constructie en daarmee ook geen schade. Het linker plaatje
vervorming via lintvoegmetingen worden gevolgd.
in figuur 14 illustreert dit.
Als de vervormingen te groot worden, kunnen er scheuren optreden. De scheurpatronen verschillen, afhankelijk van de vraag of er sprake is van opbuiging dan wel neerbuiging. Alle typen funderingsschade (zoals besproken in § 3.3) kunnen leiden tot dergelijke verschilvervormingen. In geval van alleen daling van bodem neemt de schade continu toe met de
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
85
daling, bij krimp/zwel-cycli ontstaan scheuren die met de seizoenen openen
Ontwerp en bouw van zowel het gebouw als de fundering zijn mede geba-
en weer (deels) sluiten.
seerd op gegevens over de ondergrond en de ontwerpnormen zoals die bij de bouw bekend waren.
De mate waarin een gebouw gevoelig of kwetsbaar is voor funderingsschade, wordt bepaald door zowel eigenschappen van de fundering als van
Classificatie van schades
de bovenbouw. Schematisch is dit weergegeven in figuur 15.
Burland et al. (1975) hebben een schadeclassificatie ontwikkeld die ook in Nederland veel wordt gebruikt om de relatie tussen vervormingen in de
Figuur 15: Kenmerken van fundering (onderbouw) en bovenbouw die een
bodem en mogelijke schades aan gebouwen te beschrijven. Deze schade
rol spelen bij de gevoeligheid voor funderingsschade
categorieën hebben betrekking op schade in het algemeen. Hierbij maakt het dus niet uit hoe de schade ontstaan is. Burland et al. verdelen de schade over zes categorieën: categorie D0 tot en met D5. Deze schadeclassificatie hanteert de mate waarin reparaties nodig zijn (‘ease of repair’) als uitgangspunt en koppelt daaraan (a) een beoordeling van de aard van de schade (in termen van esthetisch, functioneel of constructief) en (b) per klasse een omschrijving van de kenmerken. Een veelgebruikte (initiële) input hiervoor is de grootte van scheuren in de muren. Deze schadeclassificatie is ontwikkeld voor metselwerkgebouwen, die
Figuur 2.12 Kenmerken van fundering (onderbouw) en bovenbouw die een rol spelen bij de gevoeligheid voor funderingsschade
het meest kwetsbaar blijken voor schades. De classificatie kan dus niet worden gebruikt voor bijvoorbeeld gebouwen met betonnen muren. De
Belangrijke gebouwkenmerken die invloed hebben op de aard en ernst van
classificatie is in de afgelopen decennia in diverse rapporten en richtlijnen
mogelijke schades zijn de gebouwgeometrie (afmetingen, massaverdeling),
overgenomen, soms in licht gewijzigde vorm, waarbij de beschrijvingen van
eigenschappen van de constructie (constructiemateriaal, type constructie),
de klasses in de basis niet zijn veranderd. Tabel 2 geeft een Nederlandse
materiaaleigenschappen (materiaalsoort, sterkte, stijfheid), de aanwezigheid
vertaling van de schadeklasses.
van kelders en aanbouwen en eventuele verbouwingen.
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
86
Tabel 2: Schadeklasses van Burland et al. (1975), vertaald op basis van
De classificatie in tabel 2 zegt niets over de oorzaak van de schade of hoe
Driscoll (1995)
snel de schade zich ontwikkelt. Het ontstaan van schade aan funderingen is,
Esthetisch 1
2
Functioneel
3
4
Construc- 5 tief
Karakterisering schadebeeld
Scheurwijdte (metselwerk)
Verwaarloos- < 0,1 mm baar Zeer licht 0,1 tot 1 mm
Licht
Matig
Ernstig
Zeer ernstig
Haarscheurtjes, nauwelijks zichtbaar met het blote oog Enige scheurvorming in metselwerk. Kleine scheuren, meestal beperkt tot pleisterwerk, die eenvoudig kunnen worden weggewerkt. tot 5 mm Scheuren aan buitenzijde mogelijk zichtbaar, met mogelijk vochtdoorslag als gevolg. Licht klemmende deuren en ramen. Geringe scheurvorming die eenvoudig kan worden hersteld. 5 tot 15 mm Klemmende deuren en ramen. Mogeof diverse lijke schade aan nutsaansluitingen. scheuren > 3 Mogelijk vochtdoorslag. Dusdanige mm scheuren dat metselwerk dient te worden hersteld 15-25 mm, Bruikbaarheid en toegankelijkheid ook afhanke- ernstig aangetast. Voelbare scheeflijk van aantal stand. Bij herstel vervanging van scheuren muurdelen en andere constructieve elementen nodig. > 25 mm, Instortingsgevaar. Volledige renovatie afhankelijk noodzakelijk. van aantal scheuren
Relatieve Hoekverdraaiing (indicatief)
0
Omschrijving
Schade-klasse
Schadecategorie
normaal gesproken, een langzaam proces. Ook verschilt de oorzaak van de schade per type fundering. Bij een houten paalfundering is een (effectieve)
< 1:1600 – 1:500
zich vanwege de lage snelheid van de onderliggende processen geleidelijk
1:1600 – 1:300
ontwikkelen van klasse D0 via klasse D1 naar hogere klassen. Er is daarbij
afname in draagvermogen van de palen vaak het probleem, terwijl bij een ondiepe fundering vaak vervorming van de grond het probleem is. Schade aan een gebouw die te maken heeft met funderingsschade zal
niet direct sprake van een veiligheidsprobleem en er is tijd om tot adequate maatregelen te komen. 1:1600 – 1:300
Vochtproblematiek Een ander aspect van schade betreft het effect van vocht op de funderingen 1:1600 – 1:100
en het gebouw. Ook andere bouwdelen naast de fundering kunnen daardoor worden aangetast. Als het grondwater stijgt tot een niveau waarop het in aanraking komt met
1:1600 – 1: 100
de onderkant van de bovenbouw (opgaand werk), of als het gebouw zakt richting het grondwater, dan is er kans op vochtschade. De effecten hangen af van hoelang de situatie duurt. Als de grondwaterstijging kort duurt en de
> 1:300
fundering voldoende tijd heeft om te drogen, zijn er geen nadelige gevolgen voor fundering en gebouw te verwachten. Als de situatie regelmatig terugkeert, kan aantasting ontstaan aan het gebouw door optrekkend vocht. Dit laatste is echter opnieuw sterk afhankelijk van de duur van de hoge en de lage grondwaterstand. Als het grondwater lange tijd op hetzelfde hoge
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
87
niveau blijft, worden funderingen en mogelijk ook het opgaand werk lang-
Water en vocht beïnvloeden materialen negatief. Hoe dit gebeurt, op welke
durig blootgesteld aan water.
termijn, in welke mate en met welke gevolgen, verschilt per materiaal:
De mate van schade en nadelige effecten is daarnaast sterk afhankelijk
• Hout
van de uitvoering van de fundering en van het opgaand werk (materialen,
Hout gaat onder invloed van water rotten, waardoor schimmels kunnen
detailleringen, aanwezigheid kruipruimte, aanwezigheid ventilatie, status
ontstaan. De constructieve sterkte neemt af. Bij houten vloeren zullen
van bouwkundig onderhoud, leeftijd constructie enzovoort). De problemen
doorgaans de opleggingen van de dragende balken het eerste worden
kunnen zowel bij metselwerk als bij betonnen funderingen optreden.
aangetast en mogelijk bezwijken. Deze staan in direct contact met de
Indien grondwater in contact komt met de funderingsbalk/-strook, zal de
natte fundering. Schimmels beïnvloeden de lucht in de kruipruimte en
fundering het water opnemen. Als er voldoende tijd is, zal de fundering
mogelijk de rest van het gebouw.
volledig verzadigd raken met water. Dit geldt voor zowel voor uitvoeringen
• Metselwerk (baksteen)
in metselwerk als voor uitvoeringen in beton. Bij beton kan het proces van
Er kan onder invloed van water degradatie van het metselwerk optreden,
verzadiging wat langer duren, afhankelijk van de kwaliteit van het beton.
waardoor de constructieve sterkte afneemt. Dit is een zeer langzaam
Via de fundering zal de stroom van het water verder trekken naar de boven-
proces, dat sterk afhankelijk is van de kwaliteit van het metselwerk
bouw (metselwerk, kalkzandsteen of beton). Ook deze bovenbouw zal water
(metselspecie). De thermische eigenschappen van het metselwerk nemen
absorberen en dit water verder omhoog brengen in de constructie.
af. Er zal vanuit de grond koude in het gebouw worden gebracht. Wanden van metselwerk zijn doorgaans afgewerkt met een stuclaag. Deze zal
Een belangrijke factor bij vochtschade is een eventuele kruipruimte. Dit
afbladderen en mogelijk schimmels opnemen. Door de aanwezigheid van
hoort een open droge ruimte te zijn die goed is geventileerd, waardoor
water kan er ook zoutuitslag in de wanden ontstaan; dit veroorzaakt witte
de lucht relatief fris is (ook bij betonnen vloeren). In de praktijk kunnen er
vlekken op het metselwerk. Dit laatste heeft alleen een esthetisch effect.
echter verschillende omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat dit niet het
• Beton
geval is:
De vochtopname van het beton is sterk afhankelijk van de kwaliteit van
1. Er ligt bouwafval of andere materialen in de kruipruimte, waardoor de
de beton en de toegepaste toeslagmaterialen. In het verleden zijn voor
ventilatie nadelig wordt beïnvloed. 2. Er is onvoldoende of geen ventilatie, waardoor de lucht muf en vochtig is (condensatie). 3. Er is lekkage vanuit oude leidingen (water/riolering).
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
strokenfunderingen doorgaans lage kwaliteit betonsoorten (stampbeton) toegepast. Door de aanwezigheid van water kan er corrosie van de wapening ontstaan. Dit is ook weer sterk afhankelijk van de uitvoering en toegepaste beton. Door corrosie van wapening wordt de sterkte van de
88
betonconstructie aangetast. Ook bij beton worden de thermische eigen-
3.5 Gevolgen voor infrastructuur en openbare ruimte
schappen verlaagd door water. • Staal
Infrastructuur
Stalen elementen in de constructie zullen door het vocht corroderen
Alle infrastructuur die gefundeerd is op palen (brughoofden, viaducten,
en hun sterkte verliezen. De stalen onderdelen kunnen bezwijken. Denk
kademuren en dergelijke) kent in principe dezelfde problematiek en schade-
hierbij aan ankers voor de ophanging van leidingen, wapening, spouwan-
soorten als gebouwen. Het Nederlandse spoorwegennet bevat bijvoorbeeld
kers, stalen mantelpijpen in de gevels enzovoort.
een groot aantal oude bruggen met een fundering op houten palen. Deze
• Isolatiematerialen
funderingen kunnen worden aangetast of overbelast door negatieve kleef.
Sinds het begin van de jaren zeventig wordt er isolatiemateriaal in
Bij veel infrastructuur speelt mee dat de belastingen in de loop der tijd (door
spouwmuren toegepast. Dit wordt ook aangetast door vocht. De isole-
toename van verkeer en door zwaardere voertuigen) hoger zijn geworden.
rende kwaliteit neemt dan sterk af. Mogelijk is het isolatiemateriaal zelf
Een fundering die oorspronkelijk voldoende sterkte had, kan daardoor op
niet bestand tegen vocht. Dit geldt evenzeer voor isolatiemateriaal onder
een later moment te weinig draagvermogen hebben.
de begane grondvloer. Ook hier heeft vocht een negatieve invloed op de
Bij (spoor)wegen gefundeerd op een verdichte zandlaag (cunet) kan schade
thermische eigenschappen.
optreden door verschilzetting, met als gevolg een ongelijkmatige ligging. Ook kan bijvoorbeeld extreme neerslag de sterkte van de fundering vermin-
Een vermindering van de thermische eigenschappen leidt tot meer ener-
deren, waardoor aanvullende vervormingen kunnen ontstaan. Door vervor-
gieverbruik en de vermindering van de sterkte-eigenschappen noopt tot
mingen van de (spoor)weg wordt, in extremere situaties, de rijveiligheid
meer onderhoud. Vocht in de constructie verhoogt de kans op vorstschade
beïnvloed en moet het verkeer langzamer rijden. Als gevolg is ook meer
als gevolg van het bevriezen van water. Bevroren water expandeert en dit
onderhoud nodig met vaker (gedeeltelijke) afsluitingen van spoor of weg.
gaat gepaard met grote krachten, waardoor constructies kunnen bezwijken.
Bij (spoor)wegen treedt de schade vaak als eerste op bij de overgangen van
Deze worden dan letterlijk kapot gedrukt. Vocht leidt vaak ook tot schimmel-
aardebanen (‘zachte’ fundatie) naar bruggen en tunnels (‘harde’ fundatie).
vorming. Schimmels verlagen de luchtkwaliteit in het gebouw en kunnen
De problematiek van verschilzetting doet zich ook voor bij (nuts)kabels
vergaande gevolgen hebben voor de gezondheid van de bewoners.
en leidingen. Bij dit soort ondiep gefundeerde infrastructuur treden vaker breuken op; soms moeten ze een diepere fundering krijgen. De problematiek is ook zeer relevant voor rioleringen. Waar normaal gesproken rioleringen in zestig jaar worden afgeschreven, is die levensduur in gemeenten
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
89
met slappe bodems significant korter. Dit leidt tot hoge extra kosten voor de
3.6 Multicausaliteit
betreffende gemeenten.
In dit hoofdstuk hebben we diverse factoren beschreven die van invloed zijn op het ontstaan van funderingsproblematiek. We hebben toegelicht dat
Openbare ruimte
er sprake is van een opeenvolging van oorzaken en gevolgen. Menselijk
Onder openbare ruimte verstaan we alle publieke ruimtes in bebouwd
handelen is daarbij relevant, in combinatie met de eigenschappen van de
gebied die geen weg zijn: parken, sportvelden, pleinen, groenstroken enzo-
ondergrond.
voort. Op slappe grond heeft de openbare ruimte vaak een fundering in de
Gezien de lange geschiedenis van de vorming van Nederland en de leeftijd
vorm van een ophooglaag. Bij nieuwbouw wordt ook wel gewerkt met een
en bouwwijze van de gebouwen is er bijna altijd een lange historie van
integrale ophoging, waarbij het hele terrein wordt opgehoogd – dus zowel
oorzaken en gevolgen. Deze historie zorgt ervoor dat de meeste oudere
onder de gebouwen als onder de openbare ruimte en wegen.
gebouwen al wel enige vorm van (lichte) schade hebben. De beschreven
Schade aan de openbare ruimte kan bestaan uit ongelijkmatige zakkingen
oorzaken en gevolgen treden vaak gelijktijdig en in combinatie met elkaar
van pleinen of verharding, die daardoor bijvoorbeeld een barrière kunnen
op en kunnen elkaar versterken. Dat betekent dat de oorzaken en gevolgen
vormen voor minder valide inwoners. Parken kunnen laag te komen te
meestal niet meer exact van elkaar zijn te onderscheiden.
liggen, waardoor er waterschade optreedt. Een algemeen beeld is dat de
Bij nieuwere gebouwen zijn de problemen veel minder groot en soms
openbare ruimte door zakkingsschade verloedert. In veel gemeenten op
verwaarloosbaar, tenzij er sprake is van duidelijke externe oorzaken zoals
slappe bodem zijn de standaarden voor ruimtelijke kwaliteit vanwege de
schade door werkzaamheden. De effecten van mijnbouw bijvoorbeeld,
problematiek lager dan in gemeenten op stevige bodems. Voor gemeenten
kunnen groot zijn (zie kader).
is de (her)inrichting van openbare ruimte een belangrijke schadepost. Particuliere gronden (stoepen, tuinen) kunnen vergelijkbare schade krijgen
Effecten van mijnbouw op grote diepte
door bodemdaling. Waterschade is in dit verband een belangrijke schade-
De funderingsproblematiek in Nederland is voornamelijk gerelateerd aan
post. Particulieren met op palen gefundeerde huizen in een gebied met een
veranderingen in bodem en grondwater waarvan de oorzaken dicht tegen
slappe bovengrond (ook bij nieuwbouw!) moeten vaak hun tuin herhaalde-
het aardoppervlak liggen (grofweg in de bovenste dertig meter).
lijk ophogen en opnieuw aanleggen – een grote schadepost.
Daarnaast is er echter ook funderingsproblematiek gerelateerd aan mijnbouwactiviteiten. Die vinden in Nederland voornamelijk plaats op dieptes tot 3.000 meter. Het gaat daarbij onder meer om de winning van zout, olie en gas, opslag van gas (en mogelijk in de toekomst van CO2
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
90
en waterstof), om de toepassing van geothermie en om warmte-koude
Groningen (IMG), de Commissie Mijnbouwschade (CMS) en het
opslag. Deze activiteiten kunnen leiden tot bewegingen van de bodem:
Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg.
aardbevingen, bodemdaling en bodemstijging. Deze bewegingen kunnen
Uit gegevens van de TCBB, het Calamiteitenfonds Mijn(water)schade
op hun beurt leiden tot schades aan gebouwen en infrastructuur. Verder
Limburg en de CMS over erkende schademeldingen komt het beeld naar
zijn er specifieke funderingsproblemen in Limburg, die zijn ontstaan door
voren dat maximaal enkele tientallen schadegevallen per jaar mogelijk
het stijgen van het grondwater na het sluiten van de mijnen.
een relatie hebben met bodembeweging. Over deze schades is niet vast-
Vanuit verschillende gebieden in Nederland worden de laatste jaren
gelegd of er ook sprake was van funderingsschade.
meldingen gedaan van schades aan gebouwen die zijn toe te schrijven
In het gebied rond het Groningenveld is voor schadeafhandeling de
aan mijnbouwactiviteiten, meer in bijzonder aan bodemdaling en tril-
Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen van toepassing. Op basis
lingen. De aard van de gemelde schades varieert van heel licht (nauwe-
daarvan worden alle schademeldingen bij het IMG toegeschreven aan
lijks zichtbare scheurvorming) tot zwaar.
de mijnbouw, tenzij er een eenduidige en uitsluitende andere oorzaak
In de gebieden met mijnbouwactiviteiten kunnen diverse direct en indi-
is gevonden. In de praktijk betekent dit dat veel schades worden
recte oorzaken tegelijkertijd een rol spelen. Zo kan schade aan gebouwen
toegeschreven aan mijnbouwactiviteiten (gaswinning en gasopslag). In
ontstaan door bodembewegingen die het gevolg zijn van mijnbouwactivi-
Groningen is bekend dat oppervlaktewaterpeilaanpassingen en ook de
teiten. Deze activiteiten veroorzaken diepe bodemdaling, die aanpassing
droge zomers vanaf 2018 een rol kunnen hebben gespeeld in funderings-
van het oppervlaktewaterpeil nodig maakt. Zo’n aanpassing kan op haar
schade. In dit gebied zijn geen problemen bekend met houten funderings-
beurt leiden tot ondiepe bodemdaling en tot schades aan funderingen.
palen. De funderingsproblematiek lijkt vooral ondiepe funderingen te
Dit zijn dan indirecte effecten van diepe bodemdaling.
betreffen.
In gebieden met mijnbouwactiviteiten kunnen ook funderingsproblemen aan de orde zijn met ándere oorzaken, zoals in de vorige paragrafen beschreven. Dit geldt bijvoorbeeld voor klei- of veengebieden in de provincie Groningen. In gebieden met mijnbouwactiviteiten worden schademeldingen afgehandeld door daartoe speciaal ingerichte organisaties zoals de Technische Commissie Bodembewegingen (TCBB), het Instituut Mijnbouwschade
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
91
4 HUIDIGE OMVANG FUNDERINGSPROBLEMATIEK EN TOEKOMSTVERWACHTINGEN Op nationaal niveau is niet bekend hoeveel funderingen van bestaande gebouwen gevoelig zijn voor problemen, hoeveel er in het verleden al hersteld zijn, wat de huidige kwaliteit van funderingen is en hoe de problematiek zich zou kunnen ontwikkelen. Enkele gemeenten, zoals Rotterdam, Dordrecht, Zaanstad, Gouda en Schiedam, werken aan het in kaart brengen van de huidige problematiek – bijvoorbeeld door zettingen van gebouwen te monitoren met satellietgegevens – maar in het algemeen is er op nationaal niveau geen beeld van de kwaliteit van funderingen. Bekende gevallen van funderingsproblemen worden ook niet structureel op gemeentelijk of landelijk niveau bijgehouden. Wel beheert het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF) het landelijk loket funderingsproblematiek, waar problemen of klachten vrijwillig kunnen worden gemeld.18 Deltares heeft in 2019 een funderingsrisicomodel ontwikkeld dat inzicht biedt in de spreiding van (een deel van de) funderingsproblematiek over
18 Zie https://www.kcaf.nl/landelijk-loket-funderingsproblematiek
92
Nederland (Deltares et al., 2019).19 Het model combineert kennis van bodem-
4.1 Schatting verspreiding funderingsproblematiek bij
daling en grondwaterstanden met klimaatgerelateerde schade die kan
gebouwen in Nederland
ontstaan bij ondiep gefundeerde gebouwen en gebouwen met een houten
Uit het funderingsrisicomodel van Deltares blijkt dat een groot deel van de
paalfundering (Costa et al., 2020; Korff et al., 2023). Een van de meest
gemeenten in Nederland een bepaalde mate van risico loopt. De spreiding
onzekere factoren in het model is het type fundering. In Nederland worden
hiervan blijkt redelijk overeen te komen met meldingen bij het KCAF; zie
kenmerken van gebouwen opgeslagen in de Basisregistratie Adressen en
figuur 16 voor een overzicht van het resultaat van de risicoanalyse voor
Gebouwen (BAG). De BAG bevat echter geen eigenschappen van de funde-
verschilzetting voor ondiepe funderingen en aantasting van houten palen
ring. Op basis van ouderdom van het gebouw en type ondergrond kan wel
(‘paalrot’) in vergelijking met de meldingenkaart funderingsschade van het
een eerste inschatting gemaakt worden van het type fundering.
KCAF.
De schattingen in het funderingsrisicomodel van Deltares gaan over gebouwen van minimaal 30 m2 en nemen de invloed mee van bodemdaling en grondwaterstandsveranderingen (op kortere en langere termijn). Niet alle bodem- en schadeprocessen zijn in het model gekwantificeerd. Alleen verschilzetting20 (bij ondiepe funderingen) en aantasting (bij houten palen) zijn meegenomen. Effecten van krimp/zwel zijn zeer beperkt meegenomen
Figuur 16: Ruimtelijke spreiding funderingsproblematiek over het land Resultaat risicoanalyse: indicatie verwachte schade in 2050 (www.klimaateffectatlas.nl/nl/ risicokaarten-funderingen)
Meldingen funderingsschade bij KCAF (2016-2023)
Zettingschade
Schademeldingen
Paalrot
en negatieve kleef of andere effecten die zijn besproken in hoofdstuk 3, zijn niet opgenomen in het model. In dit hoofdstuk geven we voor zowel gebouwen, infrastructuur als de openbare ruimte schattingen van de verspreiding en omvang van de problematiek in Nederland. We kijken in dit hoofdstuk ook vooruit: in de slotparagraaf bespreken we fysieke effecten die in de toekomst de funderingsschade zouden kunnen doen toe- of afnemen.
19 Zie https://www.klimaatschadeschatter.nl en https://www.klimaateffectatlas.nl 20 Verschilzetting: verschillen in zakking tussen twee of meer onderdelen van een fundering.
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
93
Het linkerdeel van figuur 16 toont het resultaat van de risicoanalyse in 2021
Deltares-funderingsrisicomodel
voor paalrot en verschilzetting van gebouwen met ondiepe fundering. Het
Deltares heeft in 2023 door middel van een nieuwe uitlezing van het funde-
rechterdeel van de figuur toont de meldingenkaart van het KCAF (uit maart
ringsrisicomodel een specifieke schatting gemaakt van het aantal kwetsbare
2023).
gebouwen. In dit model zijn onder andere gegevens gebruikt over aantallen gebouwen en bouwjaar uit de BAG 2018. Ook is informatie gebruikt over ondergrond en grondwater. In deze laatste informatie zijn de gegevens over
4.2 Schatting aantal kwetsbare gebouwen
verwachte bodemdaling en veranderingen in grondwaterstanden verwerkt
In deze paragraaf lichten we toe hoe we tot schattingen van het aantal
uit de KNMI-klimaatscenario’s van 2014.
kwetsbare gebouwen in Nederland zijn gekomen aan de hand van het
In de BAG 2018 staan in totaal 7 miljoen gebouwen met een oppervlakte
Deltares-funderingsrisicomodel. De resultaten van deze schattingen kunnen
van minimaal 30 m2. Hiervan zijn 3,5 miljoen gebouwen gebouwd voor 1975
als volgt worden samengevat:
en 3,5 miljoen gebouwen na 1975. Dit betreft gebouwen met en zonder
• Uitgaande van gebouwen groter dan 30 m2 zijn er op korte termijn
woonfunctie.
tussen de 375.000 en 425.000 gebouwen met een verwachte technische
Uit expertschattingen in combinatie met gegevens over de bodemopbouw
levensduur korter dan vijftien jaar. Een klein kwart hiervan is gefundeerd
volgt dat 70% van alle gebouwen ondiep gefundeerd is, 5-6% op houten
op houten palen; de overige gebouwen hebben een ondiepe fundering.
palen en de rest op (moderne) betonnen palen. Dit zijn naar schatting dus
Gebouwen met betonnen funderingen zijn meestal niet kwetsbaar.
400.000 gebouwen op houten palen en 5 miljoen ondiep gefundeerde
• Op langere termijn (in de komende 25 jaar) kan dit aantal verdubbelen
gebouwen.
tot ongeveer 730.000 à 780.000 gebouwen, vooral door een toename
Niet alle gebouwen op een ondiepe of houten paalfundering lopen een
van gebouwen met ondiepe fundering die kwetsbaar worden door
hoog risico. Kwetsbaar noemen we gebouwen met een restlevensduur van
klimaatverandering.
minder dan vijftien jaar, wat we voor deze schatting hebben gelijkgesteld
• De onzekerheid in deze schattingen is groot. Onder andere door het
aan een reeds aanwezig schadeniveau van matige schade volgens Burland
ontbreken van inzicht in krimp/zwel, negatieve kleef en de nieuwste
et al. (1975) (zie ook § 3.4), met daarbij de aanname dat het schadeproces
klimaatscenario-consequenties is een toename van de aantallen met een
zich zal voortzetten. Voor ondiepe funderingen zijn alle gebouwen meege-
factor 2 niet ondenkbaar.
nomen met een zakkingsnelheid (na modelcorrecties) van meer dan 2 mm/ jaar. (Zie ook hoofdstuk 6 over het beoordelen van restlevensduur).
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
94
Op dit moment (referentiejaar 2020) schatten we dat tot 75.000 gebouwen
Onzekerheden
met een fundering van houten palen nu al te maken hebben met een hoog
Er zijn veel onzekerheden bij de bepaling van de hiervoor genoemde
risico, oftewel een levensduur korter dan vijftien jaar. De overige gebouwen
aantallen. Relevante onzekerheden zijn:
zullen op termijn ook moeten worden hersteld, maar het aantastingsproces
• De expertschattingen voor het type fundering per gebouw zijn gemaakt
(droogstand) gaat langzaam.
op basis van gemiddelde percentages funderingstype per regio en per
Bij de gebouwen met ondiepe funderingen valt circa 6% in de categorie
bouwjaar en ondergrondtype. Veranderingen in deze schattingen bete-
risicovol. Dit zijn in totaal 300.000 tot 350.000 gebouwen.
kenen veranderingen in aantallen schadegevallen per klasse en type
Als we dezelfde inschatting maken voor 2050, nemen de aantallen
fundering. Naar verwachting is het percentage gebouwen met ondiepe
gebouwen op houten palen die een hoog risico hebben relatief weinig toe
funderingen wat te hoog ingeschat en is een deel hiervan op palen
(tot 80.000), maar de gebouwen op ondiepe funderingen met een hoog
gefundeerd.
risico verdubbelen in aantal tot 650.000 à 700.000. Dit komt vooral door
• Een belangrijk uitgangspunt is verder dat ten aanzien van droogte is
effecten van lagere grondwaterstanden als gevolg van droogte. Belangrijk
gerekend met het KNMI-scenario ‘sterke opwarming’ uit 2014. Bekend
uitgangspunt is dat hier voor de mate van droogte is gerekend met het
is inmiddels dat in de KNMI-scenario’s voor 2023 de voorziene droogte
KNMI-scenario ‘sterke opwarming’ uit 2014.
in de zomer aanzienlijk is toegenomen. Hierdoor zullen de berekende schadegevallen toenemen; hoeveel is nu nog onduidelijk.
De hiervoor genoemde getallen zijn samengevat in tabel 3 Let op: er zijn
• Ook toepassing van de meest recente BAG 2023 in plaats van de nu
veel onzekerheden bij de bepaling van de getallen; zie ook de tekst hierna
gehanteerde 2018-versie zal invloed hebben op de aantallen, al zullen
onder het kopje ‘Onzekerheden’.
de nieuwste gebouwen vooral op betonnen palen zijn gefundeerd of (in geval van een ondiepe fundering) van betere kwaliteit zijn dan oude
Tabel 3: Geschatte aantallen hoogrisicogebouwen in 2020 en 2050 op basis
funderingen. • Niet alle relevante schademechanismen zijn opgenomen in het funde-
van funderingsrisicomodel Deltares Ondiepe fundering (totaal 4.900.000)
Op houten palen (totaal 400.000)
Op betonnen palen (totaal 1.700.000)
Alle gebouwen (totaal 7.000.000)
2020
300.000 à 350.000
tot 75.000
nihil
375.000 tot 425.000
2050
650.000 à 700.000
tot 80.000
nihil
730.000 tot 780.000
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
ringsrisicomodel (krimp/zwel beperkt, bacteriële aantasting van houten palen niet, negatieve kleef niet en vochtschade niet).
95
Al deze aannames en uitgangspunten hebben impact op de aantallen. Hoe
4.3 Schatting verwachte kosten funderingsschade aan
groot de impact is, kunnen we nog niet zeggen; een factor 2 op de aantallen
gebouwen
hoogrisicogebouwen is zeker niet ondenkbaar.
De meest recente beschikbare (globale) schattingen van de schadekosten aan gebouwen en de ruimtelijke spreiding van deze schattingen worden
Het proces om tot een geactualiseerde versie van het funderingsrisico-
behandeld in Kok et al. (2021); zie figuur 17.
model te komen is al in gang gezet, maar dit vergt tijd en het zal ook niet
De kaart links geeft de geschatte schadekosten weer voor gebouwen met
alle effecten in detail mee kunnen nemen. Pas in de loop van 2024 komen
ondiepe funderingen, de kaart rechts geeft de geschatte schadekosten weer
updates van deze aantallen beschikbaar.
voor gebouwen met houten palen.
De hier gepresenteerde aantallen komen qua ordegrootte redelijk overeen
Figuur 17: Ruimtelijke spreiding schadeverwachting tot 2050 zonder
met in het verleden gemaakte schattingen, zeker als rekening wordt
(verdere) klimaatverandering
gehouden met verschillen in definitie van woningen/gebouwen en mate van kwetsbaarheid: • AFM Trendzicht 2022: mogelijk 800.000 tot 1 miljoen woningen; • Deltares en TNO 2021: 500.000 à 750.000 gebouwen tot 2050 (inschatting door experts); waarvan 80.000 met een complete herstelopgave. Deltares & TNO (2021) noemen een aantal verklaringen voor de uiteenlopende schattingen van de beschikbare studies: schademechanismen en de ernst ervan zijn verschillend meegenomen, een beeld van de ontwikkeling van de schade over de tijd ontbreekt (klimaatverandering), terminologie wordt niet altijd eenduidig toegepast (‘woningen’ versus ‘gebouwen’), er is variatie in risicobenadering en de gehanteerde herstelkosten zijn niet eenduidig. Bron: Kok et al. 2021
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
96
De schattingen van Kok et al. (2021) zijn mede gebaseerd op het bovenge-
4.4 Schade aan infrastructuur en openbare ruimte
noemde funderingsrisicomodel van Deltares en kennen derhalve dezelfde
Bodemprocessen zorgen in verschillende gebieden in Nederland voor
onzekerheden. Daarnaast geldt dat het hier gaat om kosten voor het herstel
schade aan openbare ruimte en infrastructuur (wegen, riolering, parken,
van gebouwen. Er zijn geen kosten meegeteld voor het vernieuwen van de
kades, waterkeringen enzovoort). De totale omvang en precieze locatie van
fundering. In de figuur staat het totaal per deelgebied vermeld.
deze schades is niet goed bekend, maar ze zullen veelal optreden in de
Verder dient te worden afgewogen dat het blijvend repareren en herstellen
gebieden die in figuur 17 zijn weergegeven.
mogelijk niet duurzaam is. In plaats daarvan kan vernieuwing worden over-
Behalve dergelijke directe effecten zijn er ook indirecte effecten. Gedacht
wogen, waarna de problematiek verdwijnt.
kan worden aan schade en extra kosten voor beheer en onderhoud aan systemen voor waterbeheer: bijvoorbeeld voor het ophogen van kades en
De schattingen van de in totaal te verwachten kosten door funderings-
keringen en voor het beheer en onderhoud van sluizen en gemalen. Hierna
schade zijn gebaseerd op de geschatte aantallen hoogrisicogebouwen zoals
is een kort overzicht opgenomen van relevante recente studies naar schade-
vermeld in § 4.2, maar daarbij komt de onzekerheid over de herstelkosten.
kosten bij infrastructuur.
Uit de rapporten van Kok et al. (2020) en Kok et al. (2021) in opdracht van het Verbond van Verzekeraars volgt een bandbreedte van de totale schade-
PBL-studie (2016)
kosten van € 5 tot € 39 miljard voor de mechanismen paalrot en zettingsver-
Uit een studie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (2016) volgt
schillen bij ondiep gefundeerde gebouwen, in een situatie zonder verdere
dat in een aantal veenweidegebieden in Nederland (dus niet nationaal) de
klimaatverandering. De totale schadekosten nemen met € 3 tot € 15 miljard
extra kosten en schade aan infrastructuur door bodemzetting tot 2050 € 1,7
toe in een situatie met toenemende droogte door klimaatverandering. De
miljard tot € 5,2 miljard zullen bedragen. De funderingsherstelkosten in het
mate waarin mitigerende maatregelen worden genomen heeft een groot
onderzochte stedelijk gebied als gevolg van slappe bodems en onvoldoende
effect op de totale schadekosten.
adequate fundering zullen minimaal € 16 miljard bedragen (prijspeil 2016). Naar schatting worden de kosten voor zowel infrastructuur als bebouwing
Het is op dit moment niet mogelijk om een nauwkeuriger schatting te
in het landelijk gebied maximaal € 1 miljard (prijspeil 2016).
maken. In 2024 zal de Deltares-schatting worden vernieuwd met nieuwe
Het PBL stelt ook dat bij nieuwbouw kosten door bodemdaling kunnen
klimaatscenario’s en kostenramingen voor schadeherstel. Hieruit zal geen
worden beperkt of vermeden door goed te bekijken welke locaties het best
alomvattend beeld ontstaan, omdat wederom niet alle mechanismen
kunnen worden ontwikkeld, dat wil zeggen tegen de laagste investerings- en
kunnen worden meegenomen vanwege een gebrek aan informatie.
onderhoudskosten op de langere termijn.
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
97
De PBL-studie schat de kosten van kades en keringen en van het beheer en
Stichting RIONED & STOWA-studie (2023)
onderhoud van sluizen en gemalen op € 200 miljoen tot 2050 (prijspeil 2016).
De problematiek voor leidingen en nutsinfrastructuur en openbare ruimte is
Wij hebben al eerder geconstateerd (Rli, 2020) dat dit een relatief voorzich-
vooral zichtbaar in stedelijk gebied door grote druk op ruimte in de onder-
tige schatting is. Ophogingen van de kades en keringen wordt met 30 cm
grond. Uit een studie van Stichting RIONED & STOWA (2023) blijkt dat bij
gedaan en moet bij 1 cm bodemdaling per jaar dus ongeveer elke dertig jaar
persleidingen ongeveer 20% van de gemelde schades wordt veroorzaakt
plaatsvinden. Dit zou neerkomen op minimaal € 1 miljard in de komende
door verschilzettingen. Verder zijn hiervan op dit moment geen inschat-
dertig jaar.
tingen bekend.
Sweco-studie (2018) In 2018 heeft Sweco onderzoek gedaan naar de kosten van gemeentelijke
4.5 Toekomstverwachtingen
infrastructuur op slappe bodem (Van Woerden, 2018). Uit het onderzoek blijkt dat de levenscycluskosten van een weg met een traditionele fundering
Effecten van klimaatverandering
(zandlaag) in zeer zettingsgevoelig gebied twee keer zo hoog zijn als levens-
Het KNMI (2023) schetst in zijn recente klimaatscenario’s een toekomst
cycluskosten van een weg in een niet-zettingsgevoelig gebied. Dit is het
waarin het mogelijk 15% tot 35% droger wordt in de zomer en juist natter in
gevolg van de optredende schade door bodembeweging. Hierdoor zou het
de winter. In de drogere zomers neemt het neerslagtekort toe. Dit leidt tot
onderhoudsbudget voor wegen in zeer zettingsgevoelig gebied twee keer zo
een verlaging van de gemiddelde lage grondwaterstand en nieuwe records
hoog moeten zijn als een weg op vaste bodem. Ook bleek dat investeren in
voor laagste grondwaterstand bij een extreem droge zomer. De toename
levensduurverlengende technieken leidt tot significante besparingen in de
van droge perioden in deze scenario’s zal leiden tot een versnelling van
toekomstige aanleg, beheer en onderhoud.
bodemdaling en tot hogere risico’s op droogstand van houten paalfunde-
Voor spoorwegen ontbreekt een overkoepelende schatting. De lengte van
ringen. Dit zal het geval zijn in gebieden die nu al te maken hebben met de
het Nederlandse spoornetwerk bedraagt circa 3.200 km. Ongeveer de helft
funderingsproblematiek. Daarnaast komen er gebieden bij waar nu geen tot
van het netwerk is gevoelig voor de effecten van extreme neerslag en lange
weinig bodemdaling is, maar door toenemende droogte, afgewisseld met
natte en droge perioden.
natte periodes, vaker een sterke krimp en zwel kan optreden. Het is dus te verwachten dat klimaatverandering de funderingsproblematiek verder gaat versterken en dat deze problematiek vaker zal voorkomen in gebieden waar dit nu nog niet of beperkt het geval is: in Oost-Nederland
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
98
bijvoorbeeld, waar veel gebouwen ondiep zijn gefundeerd en waar regel-
Veroudering en vernieuwing gebouwen en gebieden
matig klei in de ondergrond voorkomt die door afwisseling van droog en nat
Er zullen in de toekomst naar verwachting twee tegengestelde effecten
krimp en zwel kunnen vertonen. De problematiek wordt dus meer omvat-
merkbaar zijn als het gaat om de funderingen zelf. Enerzijds zullen
tend en urgenter.
bestaande constructies en funderingen verder verouderen, waardoor het
Een tweede invloed van klimaatopwarming is dat de bodemtemperatuur
probleem wordt versterkt. Anderzijds zijn nieuwe funderingen beter bestand
toeneemt. Bij hogere temperaturen is er meer microbiële afbraak van orga-
tegen funderingsproblemen en zal het probleem hierdoor in de toekomst
nische stof (oxidatie) en via bodemdaling of afbraak van houten funderings-
juist afnemen (als er bestaande constructies worden vervangen door
palen kan dit leiden tot aanvullende funderingsschade.
nieuwbouw). Nieuwe funderingen van gebouwen hebben minder of geen last van funde-
Vernattingsopgave
ringsproblematiek. Dit geldt niet voor de infrastructuur, kabels en leidingen
Om broeikasgasuitstoot uit veengebieden te verminderen zijn er plannen
en de openbare ruimte. Door het aanleggen van nieuwe woongebieden in
om delen van het veenweidegebied te vernatten. De gemiddelde grond-
gebieden met slappe bodem worden in die gebieden door klimaatveran-
waterstand gaat dan omhoog ten opzichte van het maaiveld. Deze vernat-
dering de risico’s voor infrastructuur, kabels, leidingen en openbare ruimte
ting heeft een gunstig effect op de funderingsproblematiek, omdat het de
groter.
bodemdaling vermindert en daarmee ook het ontstaan van funderings-
In gebieden waar risico’s door krimp en zwel van klei toenemen, worden
schade afremt bij ondiepe funderingen. Een hogere grondwaterstand is
ook nu nog ondiepe funderingen toegepast. Als er meer duidelijkheid is
ook gunstig voor funderingen op houten palen, omdat het droogstand van
over de vraag waar dit speelt, kunnen hier gericht maatregelen worden
de houten palen vermindert. Het kabinet zet met het beleidsvoornemen
genomen.
‘Water en bodem sturend’ (IenW, 2022) ook in op vernatting van slappe grond om zo de bodemdaling te beperken. Ook dit zal leiden tot hogere
Effecten van kennisontwikkeling
grondwaterstanden.
De in dit hoofdstuk geschatte huidige en toekomstige omvang van de funde-
Een nadeel van een hogere grondwaterstand is dat dit in bepaalde gevallen
ringsproblematiek is gebaseerd op de meest actuele rapportages. In die
kan leiden tot een afname van de draagkracht van ondiepe funderingen en
rapportages is gerekend met enkele inmiddels verouderde gegevens; onder
tot vochtschade.
andere klimaatscenario’s uit 2014. Daarnaast zijn in de rapportages niet alle schadeveroorzakende effecten meegenomen. Bij meenemen van de meest
GOED GEFUNDEERD | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
99