31. Bijlage; Kamerbrief Inpassing kernenergie in het energiesysteem
Tekst van het document
> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD DEN HAAG
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk
Datum Betreft: CONCEPT Inpassing kernenergie in het energiesysteem
Geachte Voorzitter, Het kabinet zet vol in op het vergroten van het aandeel schone energie in de energiemix en de energieonafhankelijkheid van Nederland. Hiervoor werkt het kabinet onder andere aan de nieuwbouw van kerncentrales. Met deze brief informeert het kabinet uw Kamer over de laatste inzichten uit de locatiestudies voor de nieuwbouw van twee kerncentrales op één locatie en studies naar inpassing van kernenergie en aanlandingen van windenergie op zee op het elektriciteitsnet.
Behandeld door B. Borst T 070 757 3901 b.borst@minezk.nl Ons kenmerk KGG_DGKE_KERN / 105962803 Uw kenmerk Bijlage(n)
Op 17 oktober 2025 heeft het vorige kabinet u geïnformeerd over de voortgang van de locatiestudies en de uitwerking daarvan in een Integrale Effectenanalyse (IEA) 1. Onderdeel van het proces richting de ontwerp Voorkeursbeslissing (oVKB) voor de locatie is het delen van de uitkomsten van de concept-IEA met betrokkenen en het verwerken van hun reacties. De uitkomsten van de conceptIEA leiden naar verwachting, met name in de provincies Groningen en Zeeland, tot vragen over welke conclusies het kabinet aan deze tussen-uitkomsten verbindt. Met deze brief maakt het kabinet de concept- IEA en concept-planMER openbaar, geeft het duiding bij de afwegingen die hieruit voortkomen uit en wordt het vervolgproces richting oVKB toegelicht. Tevens wordt bij deze brief een overzicht gegeven door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei van de vorderingen die de afgelopen periode zijn gemaakt met de nieuwbouw van de eerste twee kerncentrales. Door parallel aan de projectprocedure door te werken aan de voortgang op alle werksporen geeft het kabinet uitvoering aan moties van uw Kamer. Dit zijn de moties die oproepen tot versnelling bij de realisatie van kernenergie en het nemen van omkeerbare
Kamerstukken 2025/26 32 645 nr. 161 Onderzoeksgebieden in de NRD zijn: Sloegebied (EPZ-noord en Thermphos terrein) Terneuzen (Mosselbanken/Paulinapolder) Maasvlakte II (prinses Amaliahaven-westzijde) Eemshaven (Westereemweg/Emmapolder, Eemshavencentrale, Eemscentrale)
1
Intern gebruik
Pagina 1 van 15
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
maatregelen die bijdragen aan de komst van de kerncentrales (moties De Groot, De Groot en Jumelet, en Keizer en Heutink 2). Parallel aan deze brief publiceert het kabinet een routekaart voor de mogelijke uitbouw tot 7 GW kernenergie in 2050. De bouw van de twee grote kerncentrales is hierin een belangrijke hoeksteen. Voorlopige resultaten locatie-onderzoek In 2022 heeft het toenmalige kabinet de Kamer geïnformeerd over de voorbereidingen voor een formele procedure om tot de bouw van kerncentrales te komen. Ook is toen een voorkeur uitgesproken voor het bouwen van de kerncentrales nabij de huidige kerncentrale in Borssele. Dit gaf de mogelijkheid om versneld van start te gaan met het onderzoeken van de technische haalbaarheid van de beoogde kerncentrales in Nederland en hiervoor de benodigde relaties te leggen en expertise op te bouwen. Daarbij was de inschatting destijds dat er voldoende fysieke ruimte was of te creëren zou zijn. De aanwezige nucleaire kennis en infrastructuur droeg eveneens bij aan deze voorkeur. 3 Vanuit deze basis is destijds voor Borssele en het Sloegebied een intensief participatietraject opgezet, resulterend in onder andere de Borselse en Zeeuwse voorwaarden. Ook is aangegeven dat een Rijksprojectprocedure doorlopen zal moeten worden om tot een zorgvuldige afweging en een houdbaar projectbesluit over de locatie te komen.
Begin 2024 is het toenmalige kabinet gestart met de huidige projectprocedure. Sindsdien zijn studies uitgevoerd naar negen locatiealternatieven. De uitkomsten hiervan zijn samengevat in de concept-IEA (Antea Group 2026a), die bij deze Kamerbrief met onderliggende studies wordt gepubliceerd. Conclusies Het kabinet komt op basis van de concept-IEA tot de conclusie dat vijf locatiealternatieven niet meer in aanmerking komen als voorkeursalternatief. Dit staat uitgebreider toegelicht in de voortgangsrapportage in de bijlage. • Maasvlakte komt niet meer in aanmerking als voorkeursalternatief vanwege een opeenstapeling van complexiteit, waaronder de impact op Natura 2000, bodemgesteldheid, omvang en vorm van het perceel en impact op (uitbreidings)plannen van de Rotterdamse haven. • Twee van de vier locatie-alternatieven in Zeeland (Sloegebied 1 nabij kerncentrale Borssele en Sloegebied 2 op het voormalig Thermphosterrein) komen niet meer in aanmerking door een stapeling van technische complexiteit, waaronder de bodemgesteldheid, benodigde
Kamerstukken II 2025/26 31 239 nr 438 Kamerstukken II 2025/26 36 800 nr. 24 Kamerstukken II 2025/26 23432 nr 704 3 Kamerstukken II 2022/23 32 645 nr. 116 2
Pagina 2 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
•
maatregelen om fysieke ruimte te creëren, impact op milieu en complexiteit bij netinpassing. Twee van de vier locatiealternatieven in Groningen (westlob van de Eemshaven en terrein van de RWE kolencentrale) komen niet meer in aanmerking door een stapeling van complexiteit, waaronder benodigde verplaatsing van een terminal en een dijk (westlob), uitdagende bodemgesteldheid en aanwezigheid van risicobronnen zoals een LNGterminal.
Uit de concept-IEA komt met de huidige kennis ook naar voren dat de inpassing van de beoogde kerncentrales uitdagend is, maar op de resterende vier locatiealternatieven wel mogelijk lijkt. Twee locatie-alternatieven in de Eemshaven (Westereemsweg en de locatie van de Eemshavencentrale) komen op milieu- en technische aspecten als meest geschikt uit de analyse. Hier zijn volgens TenneT geen extra investeringskosten nodig bovenop de projecten die al zijn gepland. Binnen Zeeland blijft de locatie Terneuzen over, waarbij in de concept-IEA en concept-planMER twee varianten in beeld zijn gebracht op de Mosselbanken en op de Paulinapolder. De netinpassing op deze locatie vraagt echter ingrijpende maatregelen. Daarnaast gaan de locaties in de Eemshaven beter samen met inpassing van vier aanlandingen wind op zee dan die in Terneuzen. Dit wordt in de volgende paragraaf verder toegelicht. Zoals later in deze brief nader wordt toegelicht zal het kabinet bij het selecteren van een voorkeurslocatie naast technische aspecten ook (politiek-bestuurlijke) lokale en regionale draagvlak meewegen. De komende periode worden nadere analyses op de overgebleven locaties uitgevoerd en vinden er overleggen met mede-overheden en andere betrokkenen plaats. Op basis van de uitkomsten van de gesprekken en de nadere analyses wordt de IEA gefinaliseerd.
Na de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de voortgang van de bestuurlijke gesprekken met de regio's en de nadere analyses. Het kabinet streeft er daarbij naar om voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven over welke locatie de voorkeur krijgt voor de nieuwbouw van de kerncentrales. Dit wordt vervolgens geformaliseerd in een oVKB, die voorzien is PM. De mede-overheden en betrokkenen in de regio's Sloegebied en Maasvlakte worden geïnformeerd over de uitkomsten van de concept-IEA. Voor het Sloegebied wordt verder gesproken over andere kansen op het gebied van kernenergie. Deze kansen zijn ook onderdeel van het participatietraject dat tot op heden is doorlopen met de regio en betrokkenen. Ook voor de andere energieprojecten wordt de samenwerking tussen rijk en regio doorgezet. De wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven is nader toegelicht in de rapportage over de voortgang van de verschillende werksporen (zie bijlage). Daar vindt u ook een nadere toelichting op de locatiestudies en het vervolgproces in de projectprocedure.
Pagina 3 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Inpassing grootschalige elektriciteitsproductie in elektriciteitsnet is zeer complex Het elektriciteitssysteem is in de basis opgebouwd uit elektriciteitsproductie (het aanbod), de gebruikers van elektriciteit (de vraag) en de verbindingen tussen de vraag en het aanbod (transport). Bij de inpassing van nieuwe grootschalige opwekbronnen moeten er voldoende mogelijkheden zijn om de geproduceerde stroom te transporteren naar gebruikers. Dit is echter niet overal vanzelfsprekend vanwege krapte op het net of concentratie van nieuwe opwekbronnen op locaties met beperkte lokale vraag. Wanneer de stroom niet naar andere delen van het land getransporteerd kan worden, kan het voorkomen dat aanbod moet worden afgeschakeld. TenneT loopt tegen de grenzen aan van de technische mogelijkheden om het landelijke 380 kV elektriciteitsnet verder uit te breiden, zoals wordt aangegeven in het meest recente Investeringsplan 2026 4. Deze grenzen bestaan onder meer uit beschikbare fysieke ruimte, veiligheidseisen in het netwerk en van netcomponenten. Ook aan de mogelijkheden van afgedwongen afschakeling zitten grenzen vanwege hoge maatschappelijke kosten. In de context van bovenstaande overwegingen is TenneT afgelopen jaar om meerdere analyses verzocht door het kabinet. Het uitgangspunt dat is meegegeven voor deze analyses is de inpassing van twee grootschalige kerncentrales op één locatie.
Deze analyses zijn onderdeel van de concept-IEA en als bijlagen bij deze brief opgenomen. Ten eerste is de inpassing in het energiesysteem van twee nieuwe kerncentrales onderzocht (TenneT 2026a). Het Programma Verbindingen Aanlandingen Wind op Zee zoekt locaties voor vier additionele aanlandingen in de kustregio’s aanvullend op de bestaande Routekaart wind op zee. Om de effecten van inpassing van kerncentrales en deze aanlandingen integraal te beschouwen, heeft TenneT een tweede kwalitatieve analyse geschreven. Hierin worden de resultaten van eerdere studies naar kernenergie en wind op zee in samenhang bekeken (TenneT 2026b). Naar aanleiding van vragen heeft TenneT nog kwantitatief de situatie in Zeeland nader geduid in een laatste analyse (TenneT 2026c). Deze laatste analyse geeft het meest accurate beeld van de drie analyses. De belangrijkste conclusies van deze TenneT-analyses, met betrekking tot netinpassing van de twee grootschalige kerncentrales en vier extra aanlandingen wind op zee voor 2040, zijn: • TenneT stelt dat voor de kerncentralelocaties vanuit nettechnisch perspectief het beste voor de Eemshaven gekozen kan worden. 3,2 GW gecombineerd vermogen aan kerncentrales in de Eemshaven kan tegelijk met vier aanlandingen elders aan de kust worden ingepast zonder aanvullende investeringen voor TenneT.
Voor één van de vier aanlandingen is wel aanvullende lokale flexibele vraagontwikkeling nodig.
4
Investeringsplan 2026 Net op land Pagina 4 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
•
•
•
•
TenneT stelt dat inpassing van kerncentrales in het Sloegebied niet mogelijk is. De verbindingen op Zuid-Beveland zijn al te zwaar belast en kunnen niet verder worden uitgebreid. Voor de inpassing op de Maasvlakte geeft TenneT aan dat dit alleen mogelijk is met zeer stevige maatregelen: significante vraagontwikkeling en stevige ingrepen in het elektriciteitsnet. Ook zijn er maar drie additionele WOZ-aanlandingen mogelijk elders aan de kust. Voor de vierde aanlanding moet aan een diepe aanlanding worden gedacht. Diepe aanlandingen zijn zeer complex en kostbaar, vergeleken met aanlandingen aan de kust. TenneT maakt de analyse dat de inpassing in Terneuzen van 3,2 GW kerncentrales ingrijpende maatregelen vergt bovenop de significante verwachte grootschalige vraagontwikkeling in de regio. Onder de mogelijke maatregelen vallen additionele vraagontwikkeling van onder andere industrie, en/of structurele redispatchkosten tot honderden miljoenen euro’s per jaar, en/of het afschalen van bestaande energieprojecten. Dit betekent bijvoorbeeld afschalen of stoppen met bestaande en/of in aanbouw zijnde energiecentrales en wind op zee projecten. Daarmee zouden zeer hoge kosten gepaard gaan en de ambities van wind op zee onder druk komen te staan. Ook de inpassing van kerncentrales met een gecombineerd vermogen van 2,2 GW zou significante maatregelen behoeven.
Er zijn hierbij volgens TenneT twee WOZ-aanlandingen inpasbaar elders aan de kust, en nog twee met significante lokale aanvullende vraagontwikkeling van enkele gigawatten. TenneT geeft mee dat bij dit alternatief ook een diepe aanlanding van wind op zee overwogen kan worden.
De TenneT-analyses geven duidelijk richting in het proces van de locatieselectie. De analyses van TenneT die ingaan op de inpasbaarheid van 3,2 of 2,2 GW kernenergie op locaties zijn daarbij ook van belang voor de inpasbaarheid van verschillende modellen van kernreactoren op een locatie. De implicaties voor de inpasbaarheid van de modellen van EDF (de EPR met een vermogen van 1,6 GW per reactor) en WEC (de AP1000 met een vermogen van 1,1 GW per reactor) worden de komende periode nader beschouwd. Daarnaast worden de komende maanden de vereiste vraagontwikkeling en mogelijke beleidsmaatregelen nader uitgewerkt. Maakbaarheid van het elektriciteitsnet en energiesysteem staat onder druk In breder opzicht brengen de TenneT-analyses enkele belangrijke kwesties aan het licht. De elektriciteitsproductie van kernenergie en wind op zee zijn aan de kust geconcentreerd, terwijl de vraag verspreid is door het hele land. Daarom is er een grote behoefte aan grootschalig transport van elektriciteit. Dit komt duidelijk naar voren in de provincie Zeeland, waar de verwachte elektriciteitsvraag in 2040 volgens TenneT maximaal 5,4 GW bedraagt tegenover 12,7 GW aanbod op piekmomenten (inclusief 3,2 GW van de nieuwe kerncentrales). Dit levert Pagina 5 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
substantiële tekorten aan transportcapaciteit op in het hoogspanningsnet in Zeeland, maar ook op verbindingen verder oostelijk Noord-Brabant in. Gezien de grenzen aan uitbreiding van het elektriciteitsnet betekent dit een grotere behoefte aan lokale grootschalige vraagontwikkeling. In de actualisatie van het NPE die op Prinsjesdag gepubliceerd wordt zal het kabinet in meer detail ingaan op de verwachte vraagontwikkeling richting 2040. Het inpassingsvraagstuk van de twee nieuwe kerncentrales laat daarnaast zien dat het van belang is om locatiekeuzes vanuit het bredere systeemperspectief te maken. In het Programma Energiehoofdstructuur II (PEHII) maakt het kabinet de locatiekeuzes voor o.a. de aanvullende ambitie kernenergie (conventioneel en SMR’s die voornamelijk leveren ten behoeve van het nationale elektriciteitsnet), aanvullende (diepe) aanlandingen, en andere energiecentrales. Na de zomer volgt de eerstvolgende brief waarin het kabinet ingaat op mogelijke zoeklocaties binnen PEHII. Tegelijk heeft dit ook consequenties voor andere duurzame elektriciteitsproductie en vraagontwikkeling. Het kabinet brengt dit de komende tijd verder in kaart. Voorliggende afweging in locatiekeuze tussen Terneuzen en Eemshaven Samenvattend levert dit nu de volgende afweging op in relatie tot de inpassing van twee grootschalige kerncentrales op één locatie.
Het integrale beeld van alle uitgevoerde onderzoeken laat zien dat voor nieuwe kerncentrales twee locatiealternatieven in de Eemshaven ruimtelijk en systeemtechnisch de voorkeur hebben boven Terneuzen. Echter, moties van de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden hebben zich eerder uitgesproken tegen de bouw van kerncentrales op deze locatie 5. In een gesprek op 5 juni tussen de Staatssecretaris van Groene Groei en bestuurders van mede-overheden in Groningen over de concept IEA is bevestigd dat de mede-overheden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales. Politiek-bestuurlijk draagvlak voor de voorkeurslocatie van de kerncentrales is voor het kabinet van belang. Daarbij weegt ook mee dat voorgaande kabinetten hebben uitgesproken om te kiezen voor een locatie in Zeeland als daar een keuzemogelijkheid toe is. De notities van Tennet plaatsen, zoals geschetst, echter belangrijke kanttekeningen bij de maakbaarheid van plaatsing in Zeeland. In de komende periode richt het kabinet zich op het compleet maken van de informatie om een ontwerp-Voorkeursbeslissing te nemen voor de locatie van de eerste twee kerncentrales. Hieronder staan de voorgenomen stappen toegelicht. Vervolgstappen zijn nadere analyses en gesprekken met de omgeving De komende tijd werkt het kabinet de inpassingsafweging verder uit middels gesprekken met de omgeving en inhoudelijke vervolganalyses.
5
Kamerstukken 2024/25 32 645 nr. 145 Provinciale Staten van Groningen, motie “Geen kerncentrale in de provincie Groningen” (5 juni 2024) Gemeente Het Hogeland, motie “Geen kerncentrale in Het Hogeland”, ( 3 april 2024) Gemeente Eemsdelta: motie inzake de vestiging van kerncentrales in de Eemshaven ( 23 april 2024) Pagina 6 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Gesprekken met de omgeving Op basis van de onderzoeksresultaten van de concept-IEA en planMER gaan we met de omgeving (bewoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven, medeoverheden) verder in gesprek. We willen dit zorgvuldig doen en daar de tijd voor nemen. Komende maanden worden in Groningen, Zeeland en Vlaanderen inloopbijeenkomsten georganiseerd voor een breed publiek. Ook worden inhoudelijke gesprekken georganiseerd voor specifieke doelgroepen, zoals maatschappelijke organisaties en bedrijven. Daarnaast worden de gesprekken ter voorbereiding op een mogelijk RijkRegiopakket voor Zeeland gecontinueerd. De voorwaarden die vanuit de regio aan het ministerie zijn aangeboden vormen de basis voor deze gesprekken (zie nadere toelichting in de bijlage). Voordat bij de locaties in de Eemshaven stappen gezet kunnen worden richting een Rijk-Regiopakket voert het kabinet eerst bestuurlijke gesprekken over de uitkomsten van de concept-IEA. Vervolgonderzoek Daarnaast wordt voor Terneuzen in kaart gebracht wat voor type en omvang van de elektriciteitsvraag, beleid, keuzes en middelen nodig zijn voor netinpassing. Hierbij zoekt het kabinet de samenwerking met betrokken partijen. Ook zal de bredere afweging ten opzichte van andere ruimtelijke opgaven in de gebieden rond Terneuzen worden meegenomen. Daarnaast worden de mogelijke maatregelen uit de TenneT-studies beleidsmatig verkend.
Het kabinet verwacht dat deze vervolgstappen duidelijkheid zullen verschaffen over welke voorkeurslocatie het kabinet voor de twee grote kerncentrales kan kiezen. Hiermee wordt de IEA gefinaliseerd en wordt verder toegewerkt naar de ontwerp-Voorkeursbeslissing. Bij de terinzagelegging van de plan-MER, de IEA en de oVKB hoort ook formele inspraak door het indienen van zienswijzen. Het kabinet verwacht dat deze vervolgstappen duidelijkheid zullen verschaffen over welke voorkeurslocatie het kabinet voor de twee grote kerncentrales kan kiezen. Parallel wordt verder gewerkt aan de voorbereidingen voor de inkoopprocedure, het financieringspakket, het voorbereiden van een RijkRegiopakket en het versterken van het nucleaire ecosysteem. Tot slot Kernenergie vergroot de robuustheid van het Nederlandse energiesysteem en vergroot met de inzet van kernenergie in de energiemix de weerbaarheid van het Nederlandse energiesysteem. De nieuwbouw van kerncentrales is daarom essentieel voor voldoende en betrouwbare energie in Nederland. Met deze brief informeren wij uw Kamer over de ontstane afwegingen volgend uit de locatieonderzoeken en de aan ons aangereikte analyses. Deze informatie komt voor betrokkenen in de regio's Groningen en Zeeland mogelijk sneller dan verwacht en wij realiseren ons dat deze boodschap impact heeft op bewoners van de gebieden.
Zo snel mogelijk na deze brief worden in de regio's informatiebijeenkomsten Pagina 7 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
georganiseerd om vragen te beantwoorden en zorgen te bespreken. Na de zomer wordt dit traject voortgezet. Ook met uw Kamer gaan we hier graag over in gesprek. Met de hierboven toegelichte stappen verzamelen we de benodigde beslisinformatie om de vervolgstap naar de keuze van een locatie voor de eerste twee kerncentrales te kunnen maken. Het kabinet streeft ernaar om voor het einde van het jaar één voorkeurslocatie te kiezen. Dit resulteert vervolgens in de publicatie van het oVKB in PM.
Jo-Annes de Bat Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei
Stientje van Veldhoven Minister van Klimaat en Groene Groei
Elanor Boekholt-O'Sullivan Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen in dit document: • Voortgang werksporen nieuwbouw kerncentrales Aparte bijlagen: • Nieuwbouw kerncentrales: Integrale Effectenanalyse (concept, Antea Group, 2026a) • Nieuwbouw kerncentrales: plan-MER (concept, Antea Group, 2026b) en samenvatting • Studie netinpassing kernenergie (TenneT, 2026a) • Notitie netinpassing kerncentrales en wind op zee (TenneT, 2026b) • Notitie met aanvullende analyse (TenneT, 2026c)
Pagina 8 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Pagina 9 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Bijlage: Voortgang werksporen nieuwbouw kerncentrales De volgende secties geven per werkspoor een overzicht van de belangrijkste voortgang van de nieuwbouw van de twee grootschalige kerncentrales. Parallel aan de vervolgstappen voor de locatiekeuze en het Rijk-Regiopakket werkt het kabinet verder aan de werksporen gericht op het versterken van het nucleair ecosysteem en het komen tot een financieringspakket. Daarnaast zet NEO NL de voorbereidingen voor de inkoopprocedure voort. 1. Locatiekeuze nieuwbouw kerncentrales 1.1 Doel Begin 2024 is de projectprocedure voor de realisatie van twee grootschalige kerncentrales gestart. Binnen de projectprocedure wordt gewerkt aan de voorbereidingen van de (ontwerp-)Voorkeursbeslissing voor de locatie en vervolgens het projectbesluit. Voor de Voorkeursbeslissing wordt een plan-MER en een Integrale Effectenanalyse (IEA) opgesteld. Deze (locatie)onderzoeken zijn in afronding en de voorlopige bevindingen zijn beschreven in conceptrapporten. Deze zijn bijgesloten bij deze brief, terug te vinden op de projectpagina van RVO en op www.overkernenergie.nl. 1.2 Stand van zaken In de gebieden Eemshaven, Maasvlakte II, Sloegebied en Terneuzen zijn in totaal zeven locaties, waarvan twee locaties met twee varianten, onderzocht. Dit zijn in totaal negen locatie-alternatieven.
De definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is in januari van dit jaar vastgesteld. Hierbij zijn ook ruim 500 reacties over de concept-NRD beantwoord. De NRD bepaalt de opzet en scope van de milieuonderzoeken. Parallel is aan de milieueffectrapportage (plan-MER) en Integrale Effectenanalyse (IEA) gewerkt. In voorbereiding op de publicatie van de voorlopige onderzoeksresultaten van de plan-MER en de IEA heeft het ministerie het omgevingsbeeld en de raakvlakkenanalyse, die zijn opgenomen in de IEA, getoetst bij de decentrale overheden in Groningen, Zuid-Holland en Zeeland. De overige inhoudelijke bevindingen worden in de komende periode geverifieerd bij stakeholders in de omgeving, waaronder mede-overheden, (haven-)bedrijven en maatschappelijke organisaties. Uit deze gesprekken kunnen op inhoud nog bijstellingen verwacht worden in aanloop naar de publicatie van de ontwerpVoorkeursbeslissing. Voorlopige bevindingen en richting: De voorlopige bevindingen laten nu al zien dat een aantal locatie--alternatieven niet in aanmerking komt als voorkeursalternatief. Met deze kamerbrief wil het kabinet in de lopende de projectprocedure, alvast zoveel mogelijk duidelijkheid geven en komt het kabinet tegemoet aan de wens uit de regio’s en Kamer.
Met betrokken bestuurders uit de regio's is contact geweest over de uitkomsten van de voorlopige onderzoeksresultaten en wat dit betekent voor het vervolgproces.
Pagina 10 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
De locatiealternatieven en de redenen waarom deze locaties niet verder als voorkeursalternatief in aanmerking zullen komen, zijn als volgt; Eemshaven 1A (westlob van Eemshaven)
Eemshaven 2 (RWE centrale)
Maasvlakte II
Sloehaven 1 (nabij EPZ terrein Borssele)
Sloehaven 2 (voormalig Thermphosterrein)
Op deze locatie is sprake van een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit bestaat onder andere uit verplaatsing van de Vopak Terminal (Nationale Oliereserve) en de primaire dijk vergen separate planologische procedures én uitvoering voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden voor de kerncentrales. Dit heeft een hoge impact op de doorlooptijd. Op deze locatie is sprake van een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit bestaat onder andere uit een uitdagende bodemgesteldheid, waardoor zeer uitdagende, diepe ontgraving naast havenbekken nodig wordt. Daarnaast is er sprake van een ongunstige ligging met meerdere risicobronnen op en rond de locatie, waaronder een LNG terminal, gas- en waterstoftransport en -gebruik). Hiervoor zouden omvangrijke maatregelen nodig zijn. Op deze locatie is sprake van een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit bestaat onder andere uit de significante effecten op Natura 2000 (stikstof) in combinatie metde nog niet afgeronde compensatieopgaven n.a.v. havenuitbreiding met Maasvlakte-II. Dit geeft grote risico's in de (milieu-)vergunbaarheid. De bodemgesteldheid vergt zeer uitdagende ontgraving naast havenbekken wat de maakbaarheid erg onzeker maakt. Omvang en vorm van perceel beperken de mogelijkheden voor fysieke inpassing en de bouwlogistiek.
Daarnaast leveren de kerncentrales vanuit veiligheidsoptiek beperkingen in de ruimtelijke ontwikkeling en mogelijke zeewaartse uitbreiding van het havengebied. Op deze locatie is sprake van een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit bestaat onder andere uit significante effecten op Natura 2000 (stikstof). De bodemgesteldheid vergt zeer uitdagende, diepe ontgraving. Verplaatsen en vervolgens slopen van het in aanbouw zijnde converterstation van TenneT én het verplaatsen van primaire waterkering en infrabundel (transportleidingen, weg en spoor) vergen separate planologische procedures voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden voor de kerncentrales. Omvang en vorm van het perceel beperken mogelijkheden voor fysieke inpassing en de bouwlogistiek. Zeer grote impact op doorlooptijd. Op deze locatie is sprake van een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit bestaat onder andere uit significante effecten op Natura 2000 (stikstof). De bodemgesteldheid op deze locatie is uitdagend. De
Pagina 11 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
benodigde koelwatertunnels onder bestaand industriegebied en Sloecentrale vergen complexe inpassing. Diverse bestaande en geplande activiteiten, waaronder waterstofambities, in het havengebied en directe omliggende terreinen zijn als risicobron gekenmerkt. Daarnaast leveren de kerncentrales vanuit veiligheidsoptiek beperkingen op in de ruimtelijke ontwikkeling van het havengebied. De resterende locaties die nader onderzocht worden zijn daarmee; • Eemshaven 1B (Westereemsweg) • Eemshaven 3 (Eemshavencentrale Engie) • Terneuzen (Mosselbanken / Paulinapolder; varianten 1A en 1B) Zoals toegelicht in de eerdere passages in deze brief spreekt het kabinet nog geen voorkeur uit voor één locatiealternatief. 1.3 Planning en risico’s Om deze inhoud te begeleiden worden de komende weken tot aan het zomerreces verschillende informatiebijeenkomsten voor inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven in Groningen, Zeeland en Vlaanderen georganiseerd, waarbij gelegenheid wordt gecreëerd om in gesprek te komen over de voorlopige onderzoeksresultaten, vragen te stellen en aandachtspunten te delen. In Duitsland wordt de behoefte aan deze bijeenkomsten nog verkend. Na het zomerreces zullen er verdiepende gesprekken gevoerd worden met betrokkenen, waarbij we de voorlopige onderzoeksresultaten toetsen.
Uit deze gesprekken volgen mogelijk nog bijstellingen die worden meegenomen in de beslisinformatie richting oVKB. De formele terinzagelegging van de rapporten met de ontwerpVoorkeursbeslissing volgt in PM. Tevens is dan formele inspraak mogelijk door middel van het indienen van een zienswijze. Parallel aan de projectprocedure is het kabinet gestart met de actualisatie van het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II), waarin voorkeursgebieden zullen worden aangewezen voor kerncentrales 3+4. Hierbij wordt zowel gekeken naar conventionele centrales als SMR's. In de brief over de routekaart, die gelijktijdig met deze brief naar de Kamer wordt verstuurd, is het proces rond PEH II nader toegelicht. De uitkomsten van de lopende projectprocedure zullen mogelijk consequenties hebben voor de gebieden die in PEH II worden beschouwd. Indien bij de voorkeursbeslissing blijkt dat gebieden niet geschikt blijken te zijn voor twee grote conventionele centrales, dan zullen deze ook niet nader beschouwd worden binnen PEH II als potentieel geschikte locatie voor de bouw van twee grootschalige kerncentrales. 2. Omgevingsproces en Rijk-Regiopakket 2.1 Doel
Pagina 12 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Om tot een definitief locatiebesluit te komen, hecht het kabinet aan een zorgvuldig en transparant omgevingsproces waarbij belanghebbenden in de relevante regio’s worden betrokken en gevraagd mee te denken over de inhoud en het proces. Daarnaast streeft het kabinet door de grote en langjarige impact van de bouw van kerncentrales gezamenlijk met de provincie en lokale overheden naar een pakket van maatregelen voor de regio waarin de kerncentrales gebouwd worden. Het betreft een pakket maatregelen wat zowel toeziet op het mitigeren van bouwoverlast als op het bieden van sociaal-economisch perspectief aan de regio waar de kerncentrales uiteindelijk gebouwd zullen worden. Zo bereiken we dat de bouw van de kerncentrales niet alleen goed is voor Nederland, maar ook voor de gemeente en regio. 2.2 Stand van zaken Parallel aan de voorbereiding van het locatiebesluit is in september 2024 voor Zeeland al een proces richting een Rijk-Regiopakket in gang gezet door het ondertekenen van een intentieverklaring 6. Onder leiding van gebiedsverbinder Raymond Knops worden gesprekken gevoerd over de voorbereidingen van een maatregelenpakket. In januari 2026 heeft de gebiedsverbinder zijn derde adviesbrief opgeleverd. Deze adviesbrief bevat aanbevelingen die door het kabinet, de gemeenten Borsele, Terneuzen en Vlissingen en provincie Zeeland gezamenlijk uitgewerkt zullen worden.
Die aanbevelingen met reactie van het kabinet op de aanbevelingen zijn: 1. Betrek beleidsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland B.V. (NEO NL) tijdig bij het kernteam Rijk-Regiopakket en regionale partijen, zodat NEO NL tijdig kennis kan nemen van zorgen en kansen en deze, waar nodig, mee kan nemen in eventuele voorbereidende werkzaamheden. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige betrokkenheid van NEO NL bij het kernteam Rijk-Regiopakket en de betrokken regionale partijen. Indien bij de ontwerp Voorkeursbeslissing een locatie in Zeeland wordt aangewezen, zal NEO NL met de regio om tafel gaan om in gesprek te gaan over de totstandkoming van concrete afspraken in relatie tot het Rijk-Regiopakket. Tot die tijd volgt NEO NL het proces dat de gebiedsverbinder in Zeeland doorloopt via het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zo blijft NEO NL op de hoogte van zorgen en kansen die in de omgeving worden gesignaleerd, en kan zij daar waar nodig aandachtspunten meegeven. 2. Het is belangrijk om als overheden op een gelijk tempo in gezamenlijkheid op te blijven trekken.
Blijf op ambtelijk en bestuurlijk niveau elkaars (gedeelde) zorgen en kansen zien, maar ben ook open over mogelijk uiteenlopende ambities, perspectieven en verwachtingen Het kabinet hecht veel waarde aan de constructieve samenwerking tussen alle betrokken overheden in de regio en wil deze samenwerking in de komende fases voortzetten. Daarbij blijven we aandacht houden voor
6
Bijlage bij Kamerstukken II 2023/24 32 645 nr. 131 Pagina 13 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
3.
zowel gedeelde belangen als mogelijke verschillen in ambities, verwachtingen en perspectieven. Werk als overheden samen om stapsgewijs inzichtelijk te maken wanneer welke informatie en studies beschikbaar komen, zodat de communicatie en vervolgacties hierover goed op elkaar afgestemd kunnen worden. Zoals gesteld hecht het kabinet veel waarde aan de samenwerking. Met de mede-overheden wordt gezamenlijk op constructieve en positieve wijze gewerkt aan een tijdslijn met daarin de informatie en studies die op korte termijn beschikbaar komen.
Vanaf 2025 zijn ook de regio's Zuid-Holland en Groningen ondersteund om kennis op te bouwen over de mogelijke komst van kerncentrales en om lokale en regionale kennis in te brengen voor een goed en zorgvuldig participatieproces. Voor gebieden die niet meer in aanmerking komen als locatie voor kerncentrales, kunnen dit proces, de opgedane kennis en de opgebouwde netwerken mogelijk ingezet worden ten bate van participatie over andere energieprojecten en mogelijk voor verdere ruimtelijke uitwerking van de routekaart voor PEHII. Voordat bij de locatie Eemshaven stappen gezet kunnen worden richting een RijkRegiopakket voert het kabinet eerst bestuurlijke gesprekken over de uitkomsten van de Integrale Effectenanalyse. Mocht deze locatie uiteindelijk worden aangewezen, dan zal er vervolgens meer tijd nodig zijn om tot een RijkRegiopakket te komen. Zoals aangegeven in de brief zullen vooruitlopend op een locatiekeuze de gesprekken in Zeeland de komende tijd worden voortgezet. In de lopende gesprekken zal meer focus komen te liggen op een locatie in Terneuzen en perspectief op een meerjarige samenwerking die daarop gericht is. Daarnaast worden in dit stadium mogelijke strategische afspraken voorbereidt op de thema's Huisvesting, Landschapsontwikkeling, Onderwijs en Veiligheid die bij een mogelijke komst van kerncentrales goed zijn voor de gehele regio.
Daarbij wordt ook gekeken voor welke onderwerpen bij de mogelijke komst van kerncentrales al investeringen nodig zullen zijn voordat gestart wordt met de bouw. Ook zullen concrete en werkbare afspraken worden voorbereid over de toekomstige samenwerking tussen het Rijk, de toekomstig initiatiefnemer NEO NL, de regio en andere relevante stakeholders. Een aantal van de mogelijke maatregelen waarover in de afgelopen periode met Zeeland is gesproken zijn ook nuttig en noodzakelijk als de kerncentrales niet in Zeeland gebouwd worden. Zo spant het kabinet zich in om de aandelen in ZEH Energy B.V. (ZEH), houdster van 70% van de aandelen in EPZ (de exploitant van kerncentrale Borssele) over te nemen. Zonder vooruit te lopen op de uitkomsten van deze onderhandelingen, zal EZK - als het tot een overname komt - zich als (indirecte) aandeelhouder van EPZ inzetten voor het creëren van een langetermijnstrategie voor EPZ in het belang van de onderneming en in lijn met publieke belangen. De belangrijkste prioriteit zou dan, mits dit haalbaar is, het realiseren van een bedrijfsduurverlenging na 2033 zijn.
Pagina 14 van 15
Intern gebruik
Directoraat-generaal Klimaat en Energie
KGG_DGKE_KERN / 105962803
Eerder is onderkend dat binnen de gemeente Borsele ook zonder de komst van kerncentrales mogelijk sprake is van een stapeling van grote (toekomstige) energieprojecten met impact op de leefomgeving. EZK blijft hiervoor oog houden in de lopende projectprocedures van andere energieprojecten. Daarnaast gebeurt in de regio momenteel ook al veel dat is gericht op het verder uitbouwen van het nucleaire ecosysteem in Nederland en specifiek in Zeeland en de omgeving Borssele. Zo heeft EPZ recentelijk een Memorandom of Understanding (MoU) ondertekend met de start-up Thorizon, een Nederlandse partij die een gesmoltenzoutreactor ontwikkelt. In deze MoU wordt onder andere aangekondigd dat er zal worden verkend of de eerste reactor van Thorizon mogelijk bij het EPZ-terrein kan worden geplaatst. Ook wordt samen met de Nuclear Academy, HZ University of Applied Sciences en Scalda gewerkt aan het versterken van het nucleaire onderwijs door in gezamenlijkheid de minor nucleaire technologie en het keuzedeel nucleaire technologie te ontwikkelen. De minor en het keuzedeel zijn goede regionale voorbeelden van versterking met landelijke impact. 2.3 Planning en risico's De planning van het Rijk-Regiopakket en de planning van de ontwerpVoorkeursbeslissing lopen gelijk op.
Vertragingen in het proces om te komen tot een ontwerp Voorkeursbeslissing zullen leiden tot vertraging in de oplevering van het voorlopig Rijk-Regiopakket. Zoals ook in de vorige en deze Kamerbrief is toegelicht, zal er voor een eventueel Rijk-Regiopakket in Groningen meer tijd nodig zijn. Indien nodig zullen proces en planning hiervoor samen met Groningen worden uitgewerkt.
Pagina 15 van 15
Intern gebruik