CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

25.Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland en Energie Samen; Zienswijze RES 1.0 Rotterdam Den Haag

Gemeenteraad 2 juni 2021, gemeente NissewaardBij agendapunt: Aanvullende lijst ingekomen stukken18.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit komt met name doordat het warmtebedrijf eerder andere warmtebronnen gaat aanspreken waarbij het duidelijk is welke kosten bij de warmtebron horen. Restwarmte heeft de kans een ‘last resort’ te worden in plaats van een preferente bron (p. 23, Woodwater Legal 6). Verder zouden de uitkoppelkosten niet door het warmtebedrijf, maar door de warmteproducent gedragen moeten worden om het aanbod van restwarmte inzichtelijker te maken. De Warmtewet 2.0 wordt in 2022 van kracht en zal een belangrijke factor worden in hoeveel restwarmte er beschikbaar wordt gesteld door de industrie. In de RES 1.0 is op dit moment geen analyse van een mogelijk laag of hoog aanbod van restwarmte en wat in dat geval de belangrijkste bron van warmte zal zijn in de regio. Aangezien de restwarmte bij de ‘gratie van de industrie’ beschikbaar is (p. 88 Collectieve warmtevoorziening RES Rotterdam-Den Haag), de Warmtewet 2.0 nog in ontwikkeling is en de industrie grote veranderingen gaat doormaken in de periode 2020-2050 zou een dergelijke analyse inzichtelijk zijn in de RES 1.0.

8 Juridische analyse warmtewet 2.0 in opdracht van RES Regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, juli 2020.

9 Analyse wet- en regelgeving in opdracht van RES regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, december 2020.

14

Een van de uitgangspunten in deze review is om aan te sturen op vroegtijdige CO2-reductie. In de tabel is te zien dat er geen uitspraken worden gedaan over de impact op het resterend CO2-budget en dat de doorlooptijd van projecten niet benoemd wordt in de RES 1.0. In de achtergronddocumenten wordt de CO2-reductie aangestipt ter vergelijking van scenario’s en niet expliciet benoemd als een doel op zich. De RES 1.0 is daardoor niet specifiek over welke oplossingen voor 2030 ingevoerd kunnen worden buiten de voltooiing van de 7 sleutelprogramma’s waarbij warmtenetten worden aangelegd (p. 30 RES 1.0). Daarbij is het voor de sleutelprogramma’s nog niet duidelijk of ze financieel haalbaar zijn (het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van WarmtelinQ wordt bijvoorbeeld nu uitgevoerd), wanneer de eerste huizen aangesloten kunnen worden op het warmtenet en op welke manier de warmtenetten in de binnensteden kunnen worden aangelegd. Al met al zullen deze projecten veel tijd kosten en is het de vraag of ze in 2030 gerealiseerd zijn. Verdere analyse van de tabel maakt duidelijk dat een aantal onderwerpen wel benoemd wordt, maar onderbelicht is gebleven in de RES 1.0. Over het algemeen worden deze onderwerpen in meer detail besproken in een achtergronddocument of wordt er verwezen naar aankomende projecten zoals de gemeentelijke TVW.

De onderwerpen cascadering, risico’s en concrete plannen wat betreft het aanleggen van warmtenetten en aanbrengen van isolatie blijven te vaag. Met name het onderwerp isolatie is van belang. In meerdere achtergronddocumenten wordt de noodzaak van isoleren aangestipt en het doel is om zo snel mogelijk naar label C te gaan. In de RES 1.0 wordt niet ingegaan op een concreet plan of doelstelling van het isoleren van de 1.2 miljoen huishoudens10, terwijl het o.i. nuttig zou zijn om de gemeenten hierin te begeleiden en handvatten te geven in de realisatie. Een voorbeeld zou zijn om aan te geven wat de globale kosten zijn voor het isoleren van een woning (mogelijk voor de verschillende energielabels) en een doel te stellen voor het aantal geïsoleerde woningen in 2030. Er ontbreekt dus een strategie, terwijl er wordt aangegeven dat isoleren een van de snelste manieren is om te besparen. Een ander onderwerp dat niet wordt genoemd in de RES 1.0 is het inzetten van hybride (een combinatie van verschillende temperaturen) warmtenetten. In een recente studie van CE-Delft, CMAG en KBnG komt naar voren dat in Den Haag 85%-90% van de basislast ingevuld kan worden met lokale lagere temperatuurbronnen met vergelijkbare aanleg- en onderhoudskosten als een HT warmtenetwerk11.

Het is opvallend dat er wel doelstellingen worden genoemd voor een zo laag mogelijke temperatuurafgifte in de gebouwde omgeving, maar dat het niet concreet is hoe de afbouw in temperatuur in zijn werk gaat en op welke manier de verschillende temperatuurnetten naast elkaar zullen bestaan. Sterker nog, in de Collectieve warmtevoorziening Rotterdam – Den Haag staat vermeld op p. 19-20 dat LT warmtenetten niet worden meegenomen in het onderzoek omdat de aanpassingen in de woningen te ingrijpend zijn en de kosten navenant hoog. Dit beeld wordt versterkt op p. 121 in de Systeemstudie Zuid-Holland waar de LT-warmtenetten vanwege hoge investeringen nauwelijks uit de kostenoptimalisatie van het model CEGOIA naar voren komen als goede opties. De vraag blijft echter of een hybride variant wel genoeg is onderzocht in de achterliggende studies van de RES 1.0 en door een breed draagvlak een realistische optie is. Tot slot wijzen we erop dat de goedkoopst beschikbare warmtebron (industriële hoge temperatuur restwarmte) er ook toe leidt dat lokale warmtebronnen die warmte leveren op een midden of lage temperatuur veelal niet zullen kunnen concurreren.

Dit komt behalve door de lagere prijs voor deze warmte ook doordat de industriële restwarmte gedurende het gehele jaar de basislast levert (namelijk het goedkoopst) en de andere warmtebronnen alleen ingezet zullen worden tijdens de 10 Isolatie is onderdeel van sleutelprogramma 1, maar hierbij is het niet duidelijk wat de concrete stappen zijn in dit

programma.

11 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.

15

koudere periodes in het jaar (p. 96 RES 1.0, waar te vinden is dat restwarmte bovenaan staat in de warmteladder). Daarmee moeten de kosten voor deze andere warmtebronnen in minder “vollasturen” worden terugverdiend. Het is duidelijk dat de opdrachtgevers van de diverse studies nog niet alle vragen hebben gesteld of hebben kunnen stellen, die noodzakelijk waren om tot een complete en voldoende concrete regionale warmte strategie te komen. De belangrijkste vragen bij een concreet plan namelijk wie, doet wat, wanneer en wat gaat het kosten kunnen maar zeer ten dele worden beantwoord. Hopelijk biedt deze analyse van de 9 rapporten derhalve houvast bij de uitvraag voor nieuwe onderzoeken, zodat de ontbrekende puzzelstukjes kunnen worden gevonden. In het vervolg van deze review zullen we specifiek ingaan op de zeven vragen die de opdrachtgevers van deze studie ons gesteld hebben.

16

E) VRAGEN VAN DE OPDRACHTGEVER 1. Klimaatneutraliteit voor 2050 Vraag van opdrachtgever:

De ambitie van de RES is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. a) De vraag is of dit ambitieus genoeg is om aan het Klimaatakkoord van Parijs en het daaruit volgende resterende CO2-budget te kunnen voldoen, b) ook gelet op de ambitie van het Europees Parlement van 60% CO2-reductie in 2030, de ambitie van de gemeente Den Haag om al in 2030 klimaatneutraal te zijn, en de uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-klimaatzaak, waarin gewezen wordt op het risico van tipping points en van gokken op negatieve emissies.

A) Is de ambitie van de RES voldoende om ‘Parijs’ te halen? De RES 1.0 is een tussenstap. De RES zegt slechts beperkt iets over de haalbaarheid van doelen en dan met name alleen voor het einddoel van klimaatneutraliteit in 2050. De RES gaat uit van de doelen uit het Klimaatakkoord voor 2030 en werkt vanuit een eigen doorkijk naar 2050. Maar de RES is op zich eigenlijk niets meer dan een eerste stap in een variëteit aan transitiepaden, scenario’s en plannen op weg naar 2030, en zegt daarmee niets over de haalbaarheid van doelen in 2050. Toch kunnen we wel iets zeggen over haalbaarheid door te kijken naar de uitgangspunten en de aanpak die de RES kiest. Aan de positieve kant kunnen we constateren dat de RES aangrijpt op de juiste drivers, namelijk de combinatie van het verlagen van het energieverbruik (besparing en isolatie) en het vergroenen van de energie (p. 19). Verder is belangrijk dat de RES kiest voor een verstandige, gefaseerde route met als kenmerken: Stapsgewijs, integraal, in overleg, participatief (p. 65-66). Tenslotte komen relevante aspecten van het energiesysteem in beeld door een focus op betrouwbaarheid, veiligheid en betaalbaarheid (p. 23). Tegelijk zijn er wel enkele aspecten die tot zorg leiden. Er wordt, terecht, veel aandacht gevraagd voor draagvlak en participatie.

Een zorg zou kunnen zijn of de lange tijd die gepaard gaat met het organiseren van draagvlak -vooral ook nodig bij collectieve systemen als warmte met veel nieuwe infrastructuur- niet ten koste gaat van de snelheid die nodig is om de CO2-reductiedoelen te halen. Individuele routes met bijvoorbeeld een hybride warmtepomp kunnen sneller gaan, maar worden niet benoemd in de RES 1.0 . Op dit punt is de haalbaarheid van de beoogde landelijke 49% CO2reductie, met name richting 2030, dus onzeker. Een ander belangrijk aspect is de energie-continuïteit tijdens transitie: Het ontwikkelen en bouwen van het eindbeeld van energietransitie in al haar facetten is al complex genoeg, maar nog complexer wordt het als we ons realiseren dat tijdens verbouwing de winkel open blijft en er dus diverse systemen naast elkaar bestaan (c.q. elkaar in de weg zitten). Dit aspect wordt wel benoemd, maar is niet uitgewerkt en vormt daarmee een risico voor 2030 en later (p. 191). Het geheel overziende concluderen we bij deze vraag:

17

•

• •

Vanuit deze review hebben we op dit moment geen reden om te veronderstellen dat een klimaatneutrale gebouwde omgeving in deze regio in 2050, alhoewel uitdagend, niet mogelijk zal zijn over 30 jaar. De ambitie voor 2030 op weg naar 2050 is voldoende hoog, maar de haalbaarheid van 2030 is niet realistisch op het aspect doorlooptijd. Hogere ambities leiden niet per sé tot versnelling, maar de volgende aandachtspunten kunnen wel snelheid brengen: - advies is om meer aandacht te geven aan individuele routes die sneller CO2-reductie genereren dan collectieve warmtenetwerken, met name op die locaties waar voorlopig geen warmtenetwerk wordt voorzien - verder is het advies om vertraging te voorkomen door meer aandacht te geven aan de continuïteit van het energiesysteem tijdens de verbouwingsfase

B) Geeft deze RES zicht op het eerder halen van klimaatneutraliteit Deze RES 1.0 is niet specifiek over wanneer er iets gaat gebeuren. Er is wel een richting, maar nog geen planning. Wanneer de aanleg van een nieuw warmtenet start, hoe lang de aanleg duurt en wanneer 80% van de huizen aangesloten zijn op het warmtenet staat niet genoemd. Het tempo van besluitvorming en de uitvoerbaarheid van die besluiten en de daarvoor benodigde middelen en mensen maken het o.i. hoogst onwaarschijnlijk dat klimaatneutraliteit in de periode tussen 2030 en 2040 bereikt kan worden voor de gebouwde omgeving. Technisch zou het haalbaar moeten zijn om WarmtelinQ en nieuwe warmtenetten beschikbaar te hebben tussen 2025 en 2030, maar wij vragen ons af of de besluitvorming om over te kunnen gaan tot de aanleg van de warmtenetten in de wijken en het beschikbaar maken van de warmtebronnen in enkele jaren rond kan zijn. Derhalve is het niet ondenkbaar dat tot 2030 het aandeel warmte via warmtenetten in dit gebied slechts langzaam groeit en pas na 2030 sneller gaat groeien. Daarmee lijkt het onwaarschijnlijk dat een snelle of snellere warmtetransitie dan nu wordt nagestreefd mogelijk is gegeven het participatieve proces.

2. Stranded Assets, CO2 vrije restwarmte en verdienmodel industrie Vraag van opdrachtgever:

(a) In dit licht kent een onvoldoende ambitieus klimaatbeleid mogelijk een aanzienlijk risico op stranded assets als dat beleid later alsnog aangescherpt wordt c.q. moet worden. De vraag is of dit risico voldoende onderkend is en hoe daarmee zo nodig omgegaan wordt? (b) In het verlengde hiervan vragen wij ons af in hoeverre het gebruik van fossiele restwarmte als CO2-vrij beschouwd kan worden en/of (c) het verdienmodel van de fossiele industrie verlengt met per saldo extra CO2-uitstoot tot gevolg.

A) De huidige RES 1.0 houdt niet expliciet rekening met stranded assets Bij het kiezen van een warmtestrategie is het belangrijk om zo veel mogelijk opties op te houden omdat niet met zekerheid gezegd kan worden of een keuze op termijn ook de goedkoopste is 18

en/of deze keuze ook de komende 30 jaar of langer beschikbaar is. Dit geldt zowel voor een individuele keuze voor verwarming als voor de collectieve keuze. Bij een individuele keuze is de hybride warmtepomp de techniek die de opties naar de toekomst openhoudt terwijl deze techniek al een aanzienlijke emissiereductie in matig geïsoleerde huizen geeft. Bij verder isoleren van de huizen en eventueel het aanpassen van de warmteafgifte systemen in de loop van de tijd gaat de hybride warmtepomp zich steeds meer als een all-electric oplossing gedragen. Bij het beschikbaar komen van groen gas of waterstof in de wijk is het mogelijk om deze te benutten, bovendien is het een oplossing die ongeveer 15 jaar na investering is afgeschreven en dan kan nog voor 2050 van warmtestrategie worden gewisseld. En deze techniek is in staat om overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen door tijdig over te schakelen op gas. Tevens is het een techniek die meteen vanaf nu kan worden ingezet. Qua infrastructuur dient in dit geval de gasinfrastructuur aanwezig te blijven en de elektriciteitsinfrastructuur in de tijd te worden verzwaard. De kans op stranded assets is dan ook klein bij een “hybride, tenzij….” strategie. Waarbij dat wat volgt op tenzij wordt ingevuld door keuzes van de bewoners die voor hen beter zijn.

Bij de keuze voor een collectieve hoge temperatuur warmtestrategie is de warmte-infrastructuur een gegeven, maar de warmtebronnenstrategie niet. Iedere keer zal moeten worden gekeken naar welke warmtebron het goedkoopst is, in welke mate deze bron bijdraagt aan emissiereductie en welke alternatieven beschikbaar zijn mocht de warmtebron in een van de volgende situaties niet beschikbaar zijn of voldoen: • Bij een piekvraag • Bij het in storing of onderhoud gaan van de warmtebron • Indien de warmtebron op zich verdwijnt doordat bijvoorbeeld een industrie die restwarmte levert op andere productietechnieken overgaat die minder restwarmte leveren of in geval het betrokken bedrijf stopt met zijn activiteiten in het Rotterdamse havengebied Bij een nieuwe collectieve warmtevoorziening dient er een nieuwe infrastructuur te worden aangelegd en omdat het meerdere jaren kost voordat een warmtenet operationeel is, is het onwaarschijnlijk dat er voor 2050 nog een moment is waarop van warmtestrategie kan worden gewisseld zonder stranded assets. Daarmee is gelijk de vraag beantwoord. De keuze voor een collectieve warmtevoorziening verhoogt het risico op stranded assets. Dit risico wordt verder vergroot indien er geen adequate warmtebronnenstrategie is. O.i.

bevat de RES 1.0 nog onvoldoende een concrete warmtebronnen strategie en dus zal deze nog moeten worden ontwikkeld, inclusief de inzet van groen gas, in een volgende fase om het risico op stranded assets zo klein mogelijk te houden. Wat overigens opvalt in de RES 1.0 is dat er geen concrete beschrijving te vinden is, ook niet in de onderliggende documenten, welke industriële site welke hoeveelheid warmte gaat leveren, tegen welke kosten en voor hoe lang. Daarmee kunnen we hetgeen in de RES 1.0 staat beter als een warmtevisie dan een warmtestrategie karakteriseren. Een strategie is tenslotte een (lange termijn) plan waarmee doelstellingen kunnen worden gerealiseerd en een visie een inspirerend toekomstbeeld.

B) Industriële restwarmte per definitie CO2 neutraal ongeacht met welke energiedrager het is gemaakt In het volgende baseren wij ons op de huidige EU ETS en Nederlandse regelgeving op dit gebied. De directe of scope 1 emissies van een industriële site worden gemeten op basis van wat er aan 19

aardgas, steenkool en aardolie op een site binnenkomt en vervolgens op die site wordt verbrand en waarvan verondersteld wordt dat deze emissies via een schoorsteen de site weer verlaten. Daarmee worden alle directe emissies van die site dus al geteld. Indien er industriële restwarmte wordt uitgekoppeld dan is de CO2 al geteld en dus wordt de industriële restwarmte zelf, ongeacht waarmee het is geproduceerd, geadministreerd als CO2 neutraal. Wij hebben momenteel geen reden om te veronderstellen dat dit binnenkort anders gaat worden in het Europese CO2 handelssysteem (ETS). Wel krijgt de industrie vrije allocatie van CO2 rechten door de inzet van restwarmte in de gebouwde omgeving (zie hieronder bij C). In deze zin krijgt de fossiele industrie compensatie vanuit het ETS terwijl het effectief geen besparing levert in de eigen productieprocessen. Men kan zich afvragen of deze compensatie te rechtvaardigen is omdat er op de site niet minder CO2 wordt uitgestoten en deze vorm van fossiele restwarmtelevering niet meer mogelijk is in 2050. Op dit moment zijn de afspraken voor 5 jaar vastgelegd en daarna zullen de huidige allocatieprocessen opnieuw worden ingeschaald. Het kan daarom zijn dat in de nieuwe afspraken deze gealloceerde CO2 rechten voor uitgekoppelde restwarmte t.b.v. stadsverwarming minder zullen worden.

C) De huidige RES 1.0 zegt niets over het verdienmodel m.b.t. industriële restwarmte De RES 1.0 is niet expliciet over de prijs voor of de kosten van de restwarmte uit de industrie. Om een antwoord te geven op deze vraag, maken we een inschatting van de opbrengsten die restwarmte heeft voor de industrie. In de RES 1.0 wordt gesproken op dat er 20 – 28 PJ restwarmte in 2030 zou kunnen worden geleverd vanuit 18 bedrijven/bronnen (p. 99). Uit het onderzoek van Royal Haskoning komt dat deze restwarmte gewaardeerd kan worden op ongeveer 7 – 14 €/GJ12 . Dan vertegenwoordigt dit een waarde van 7 – 14 miljoen €/PJ. En dus voor een hoeveelheid van 20 PJ , 140 – 280 miljoen euro. Omdat volgens de nieuwe warmtewet 2.0 het warmtebedrijf een ophaalrecht heeft maar de uitkoppelkosten moet vergoeden staan er tegenover deze inkomsten voor de industriële site ook grotendeels kosten. De netto inkomsten voor een site zijn dan o.i. ook eerder ook eerder enkele miljoenen dan tientallen miljoenen euro per jaar. Hiernaast krijgt de industrie vanuit de ETS regelingen CO2 rechten voor het inzetten van restwarmte in een warmtenetwerk13. Het aantal CO2 rechten wordt bepaald met de volgende formule Vrije allocatie = benchmark * hoeveelheid geëxporteerde warmte * carbon leakage exposure factor. In het geval van stadverwarming wordt de huidige warmtebenchmark van 62,3 rechten/TJwarmte gebruikt.

Deze formule en bijbehorende factoren worden na 2025 herzien14. Dit betekent met een carbon leakage factor van 0.3 voor stadsverwarming15 dat de 20 PJ restwarmte in 2030 een vrije allocatie van ongeveer 62,3 * 20 *1.000 *0.3 = 374 duizend CO2-rechten oplevert. Met een CO2-prijs van 46 euro/recht16 hebben deze rechten een waarde van 17 miljoen euro. Met een stijging van de 12 Uit Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal

Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.

13 Guidance document n6 on the harmonized free allocation methodology for the EUETS post 2020 – Cross-Boundary Heat

Flows, januari 2019.

14 Inzicht verkregen na contact met Jos Cozijnsen van Climate Neutral Group. Zo wordt de warmtebenchmark binnenkort

bijgesteld naar 47,3 rechten/TJ.

15 Deze CLEF is constant tot 2030: Guidance document n2 on the harmonized free allocation methodology for the EUETS

post 2020 – Guidance on determining the allocation at installation level, februari 2019.

16 Klimaat en energieverkenning 2020, PBL, 2020.

20

CO2-prijs naar 125 euro17 kan dit toenemen naar 47 miljoen euro. Volgens de commissie van Geest heeft een nog hogere CO2-prijs een grote kans op weglek en daarom nemen we geen hogere prijzen mee in deze berekening. Dus ook hier zal het gaan om een netto bijdrage van enkele miljoenen euro per jaar per site. Omzetcijfers van de fabrieken in het Rotterdamse havengebied konden we niet vinden, omdat ze onderdeel zijn van multinationals, die deze cijfers niet per site rapporteren. Maar als we Wikipedia mogen geloven dan verwerkt Shell Pernis ruim 400.000 vaten ruwe olie per dag. Dit komt grofweg neer op een inkoopwaarde van de aardolie van ongeveer 7,5 miljard euro per jaar, houden we rekening met de hogere verkoopwaarde van o.a. benzine en diesel dan is de omzet groter dan 10.000 miljoen euro per jaar. Het is duidelijk dat een netto bijdrage per site van enkele miljoenen voor de restwarmte zelf en de gealloceerde ETS rechten daarmee niet wezenlijk van invloed zal zijn op de strategie van een site. Daarmee kan warmtelevering geen prioriteit zijn voor deze ondernemingen en zal het dus op zich ook geen of nauwelijks een bijdrage leveren aan het langer in stand houden van het verbranden van fossiele brandstoffen op deze sites. Wel is het aannemelijk dat een aantal van deze sites in de toekomst krimpen of verdwijnen (bijv. aardolieraffinaderijen) en er dat er nieuwe activiteiten (bijv.

productie waterstof en andere synthetische moleculen) bijkomen. Die plussen en minnen leiden er volgens het Havenbedrijf toe dat er in 2050 ruim 2x zo veel restwarmte beschikbaar kan zijn dan in 2030. Tegen die tijd zal deze restwarmte ook opgewekt worden met toepassing van CCS of emissieloze energiedragers zoals groene waterstof en daarmee niet of nauwelijks nog een bijdrage leveren aan de industriële broeikasgasemissies. O.i. is de uitkoppeling van industriële restwarmte en de daarbij behorende inkomsten voor een site als deze in de periode tot 2050 nog (deels) opgewekt wordt met fossiele brandstoffen, dan ook geen reden waarom deze verbranding van fossiele brandstoffen langer gecontinueerd zal worden. Wel kan de vraag gesteld worden of restwarmteproducenten beloond moeten worden door middel van CO2 rechten terwijl de uitkoppeling van de restwarmte vergoed wordt.

3. Lokale warmte-initiatieven met lokale warmtebronnen op lage temperatuur Vraag van opdrachtgever:

Lokale warmte-initiatieven, vertegenwoordigd via Energie Samen, vragen zich af a. wat de ontwikkeling van grootschalige restwarmte op relatief hogere temperatuur betekent voor hun kansen op ontwikkeling van lokale warmtebronnen op relatief lagere temperatuur, b. en voor de kansen op deels lokaal eigendom van en/of zeggenschap over deze warmtesystemen. c. Dit ook gelet op de inbreng van de landelijke Warmtecoalitie en van Energie Samen bij de consultatie voor de nieuwe Warmtewet.

17 Bestemming Parijs: Wegwijzer voor klimaatkeuzes 2030, 2050, studiegroep Invulling klimaatopgave Green Deal, januari

2021.

21

A) Kansen op ontwikkeling lokale warmtebronnen door lokale warmteinitiatieven In de RES 1.0 wordt er vooral restwarmte uit de industrie en geothermie gebruikt in het warmtenetwerk. In eerste instantie wordt ingezet op een hoge-temperatuur (HT) warmtenetwerk dat vanaf 2030 in de gebouwde omgeving kan worden gebruikt als midden-temperatuur (MT) warmtenetwerk. Mogelijk kan dit ook met cascadering waarbij eerst wijken met slechte isolatiegraad door een HT warmtenet worden voorzien van warmte, en dat de uitgaande warmte verder kan worden gebruikt als MT of LT warmte voor wijken met een betere isolatiegraad. De technieken zijn allemaal beschikbaar, de vraag is met name welke kosten elke techniek met zich mee zal brengen. Kleine coöperaties qua eigendom laten deelnemen in een HT warmtenetwerk is theoretisch mogelijk, maar zal o.i. in de praktijk niet snel gaan gebeuren. Veel huishoudens in de regio zijn niet geschikt voor MT warmtenetwerken en zullen eerst op een HT warmtenetwerk worden aangesloten. Verder zullen de hoge initiële investering, professionalisering van een lokale coöperatie en de garantie op warmtelevering moeilijk te organiseren zijn voor lokale en kleinschalige warmte initiatieven. Daarnaast zal er een noodzaak zijn voor professionalisering van de lokale initiatieven om contracten af te sluiten met bewoners en de warmtenetbeheerder.

Dit vraagt om een ruime cashflow positie van de lokale initiatieven, zowel voor het aantrekken van gekwalificeerd personeel als de uitbetaling van salarissen in een periode van enkele jaren dat het warmtenet nog aangelegd wordt en de inkomsten er nog niet zijn. Bovendien zijn tot op heden alle business cases van warmtenetten niet of nauwelijks rendabel. Kortom het lijkt ons zeer moeilijk voor een lokaal initiatief om een lokale warmtebron zelfstanding, professioneel, met een goede cashflow positie en voldoende rendement te exploiteren. Tot slot volgt uit de analyse van Woodwater Legal dat er juridische belemmeringen zijn voor lokale initiatieven18. Burgermeesters en wethouders wijzen voor een periode van minimaal 20 jaar en maximaal 30 jaar een warmtebedrijf aan die een exclusief recht op levering van warmte in het bijbehorende warmtekavel heeft. Vervolgens worden deze bedrijven sterk gereguleerd via wettelijke bepalingen en het toezicht op deze bepalingen van de ACM. Doordat het warmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie van het collectief warmtesysteem, is er weinig ruimte voor private en publieke partijen om als warmtebedrijf te kunnen optreden. Een lokaal initiatief kan wel warmte leveren aan het netwerk, maar zal dan eerst een verzoek moeten indienen om toe te treden tot het warmtenetwerk.

Vanuit een monopoliepositie beoordeelt het warmtebedrijf het verzoek en schrijft een gemotiveerde schriftelijke beslissing, waarbij de criteria waaraan de aanvrager moet voldoen niet gespecifieerd zijn. Het warmtebedrijf opereert vanuit een sterke juridische basis en het zal in de praktijk moeten blijken wat de haalbaarheid is van lokale initiatieven in combinatie met de uiteindelijke Warmtewet 2.0. Naast de bovenstaande beschouwing heeft de keuze voor een regionaal HT warmtenetwerk mogelijk nog een ander gevolg, namelijk het in de kiem smoren van lokale initiatieven. De beschikbaarheid van goedkope restwarmte kan ervoor zorgen dat lokale initiatieven niet van de grond komen. De restwarmte wordt namelijk aangeboden tegen de uitkoppelkosten plus de infrastructuurkosten plus een marge en is daarmee naar alle waarschijnlijkheid de goedkoopste warmtebron (de industriële restwarmte zelf is daardoor namelijk min of meer gratis, net als overigens geothermiewarmte zelf). Door de lagere kosten dan geothermie en andere mogelijkheden om warmte op te wekken zal deze restwarmte een groot deel van de basislast (ook in de zomer) leveren waardoor de andere warmtebronnen in minder uren hun geld moeten verdienen en mogelijk in de zomer uitgezet dienen te worden.

Hetgeen met name voor geothermiebronnen 18 Juridische analyse warmtewet 2.0 in opdracht van RES Regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, juli 2020.

22

problematisch kan zijn. In het proces van het HT warmtenetwerk is het daarom nodig om oog te houden voor de ontwikkeling van lokale warmtebronnen en indien men deze zou willen stimuleren dan kan de consequentie daarvan zijn dat de levering via deze backbone niet het gehele jaar kan plaatsvinden. Daarmee wordt dan de business case voor de lokale warmtebronnen beter, maar die voor de industriële restwarmte slechter. Voor de emissiereductie als geheel maak het waarschijnlijk weinig uit19. Bij een hoge temperatuur netwerk kan extra isolatie en een ander warmteafgifte systeem vaak worden vermeden. Lokale initiatieven voor warmtebronnen zullen eerder uitgaan van een midden of een lage temperatuurverwarming. Er is dan een directe relatie tussen de isolatiegraad van huizen en het warmteafgifte systeem in de huizen en de mogelijkheid om over te stappen op een warmtenet met een midden temperatuur of lage temperatuur. Voor het aanpassen van woningen zodat ze geschikt zijn voor een hybride lage en midden temperatuur warmtenet (40-55 °C) komen CE-Delft, CMAG en KBnG tot isolatiekosten per huis tussen de 8.000 en 19.000 euro exclusief btw20. Isolatiekosten om naar een lage temperatuur netwerk te kunnen gaan liggen nog hoger.

Vandaar dat wij denken dat de inzet van lokale lage temperatuur warmtebronnen door lokale coöperaties tot 2030 slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is in de gebieden waar bewoners met hoge temperatuur industriële restwarmte beleverd kunnen worden tegen de laagste integrale kosten.

B) Lokaal eigendom van en/of zeggenschap over deze warmtesystemen Indien een lokaal warmte-initiatief ervoor kan zorgen dat de deelname aan het warmtenet significant groter is dan wanneer de grotere warmtepartijen dit zelf regelen, dan is er ook een onderhandelingspositie voor die lokale warmte-initiatieven om gedeeld eigendom voor te stellen. Voor zover ons bekend kunnen individuele eigenaren van woningen en gebouwen niet gedwongen worden om over te stappen op een warmtenet. De participatiegraad in het warmtenet, ook wel het vollooprisico genoemd, is dan ook een van de belangrijkste redenen dat financieel daadkrachtige private partijen zullen aarzelen om een warmtenet te financieren en exploiteren. Het lokale warmteinitiatief kan daar dus een rol spelen als het de huiseigenaren lokaal weet te enthousiasmeren voor het warmtenet. Dit staat o.i. los van de lokale warmtebronnen en mede-eigendom daarvan. Het financieren, ontwikkelen en exploiteren van lokale warmtebronnen door lokale initiatieven lijkt ons slechts in uitzonderlijke gevallen verstandig vanwege de argumenten hiervoor genoemd onder A.

C) Relatie met inbreng landelijke warmtecoalitie en Energie Samen tijdens consultatie warmtewet Wat met name opvalt in de inbreng van de landelijke warmtecoalitie en Energie Samen in de consultatieronde van de Warmtewet 2.0 is de grote nadruk op het participatieve karakter van de besluitvorming. Hoewel participatie altijd toe te juichen is, moeten we hier toch ook op de keerzijde van deze participatie wijzen. Het kan ertoe leiden, in tegenstelling tot wat hierboven staat onder punt B, dat projecten niet starten of slechts met grote vertraging waardoor realisatie van de CO2 reductie doelen in gevaar komt. Voor grotere partijen is het tempo waarin een project kan worden 19 p. 66 van Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal

Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.

20 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.

23

gerealiseerd van groot belang om een bepaald rendement te kunnen halen. Daarmee lijkt ons de inbreng tijdens de consultatie Warmtewet 2.0 enigszins op gespannen voet te staan met het beoogde doel van lokaal mede-eigenaarschap van een warmtebedrijf.

4. Hybride, open warmtenet met combi van hogere en lagere temperaturen Vraag van opdrachtgever:

Aanvullende vraag hierbij (bij 2) is of bijvoorbeeld een meer hybride en open systeem op hogere en lagere temperaturen met zo nodig tijdelijk nog fossiele piekwarmte, waarnaar de gemeenteraad van Den Haag verwijst in haar wensen en bedenkingen, a) als variant in het RES-proces voldoende onderzocht is, b) en welk effect deze variant op de elektriciteits- en isolatievraag en de CO2-uitstoot zou hebben.

A) Zijn varianten zoals een hybride warmtenetwerk voldoende onderzocht en wat zouden hiervan de kosten en baten zijn? Hybride warmtenetwerken (evenals hybride warmtepompen) en de combinatie van hogere temperaturen naar lagere temperaturen zijn niet concreet onderzocht. Er ontbreekt in de RES 1.0 en de onderliggende documenten een economische analyse van deze alternatieven. Wel is er recent een indicatie van de onrendabele top van een HT warmtenetwerk voor een aantal gebieden binnen de regio op basis van het rapport Collectieve warmtevoorziening21. Een eerste indicatie voor een hybride warmtenetwerk kan gevonden worden in de studie van CE-Delft, CMAG en KBnG22. In tabel 1 is zichtbaar dat er in de RES 1.0 en de onderliggende documenten geen of weinig aandacht is geweest voor onderwerpen als invulling piekwarmte vraag, warmteopslag, hybride warmtenetten, verduurzaming van de fossiele restwarmte en lage temperatuur warmtenetten. Dit is niet noodzakelijk een probleem als er een goedkoop en goed functionerend hoge temperatuur warmtenet kan komen. Maar de vraag of een collectieve warmtevoorziening de beste oplossing is, is slechts gedeeltelijk beantwoord in de RES 1.0.

B) Effect van deze varianten op de elektriciteits- en warmtevraag en de CO2uitstoot? Doordat de alternatieven voor een hoge temperatuur warmtenet niet goed zijn onderzocht, is het niet mogelijk om uitsluitsel te geven over het effect van de verschillende varianten op de elektriciteits- en warmtevraag en de CO2 uitstoot in deze review. Omdat uitgekoppelde industriële restwarmte per definitie CO2 neutraal is en geothermie ook, is onze verwachting dat de warmtevarianten die hybride zijn en eventueel op lagere temperaturen werken geen extra reductie van CO2 emissies meer kunnen geven. 21 Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal Haskoning, in

opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.

22 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.

24

Misschien wel goed om hier te vermelden dat de prijs van elektriciteit (inclusief en exclusief belastingen) de komende jaren tot 2030 gaat dalen (door meer opwek met lage of geen marginale kosten en verlaging energiebelasting), de prijs van aardgas (het energiebelastingdeel) gaat stijgen en de prijs van warmte nog niet bekend is. Daarmee kunnen we momenteel dus hoogstens stellen dat diegenen die kiezen voor een (semi-) elektrische optie de kosten voor het elektriciteitsdeel zullen gaan zien dalen, degenen die blijven doorstoken op aardgas de energiebelasting omhoog zullen zien gaan en diegenen die op warmte overgaan op basis van de RES 1.0 nog niet kunnen bepalen wat hun kosten gaan worden. Indien de huizen die overgaan op een collectieve warmtevoorziening momenteel matig of slecht geïsoleerd zijn dan krijgen deze te maken krijgen met hogere investeringen (isolatie, warmteafgifte systemen), indien er een midden of lage temperatuur warmtenet wordt aangeboden in plaats van een hoge temperatuur warmtenet. Daar staan dan wel weer lagere variabele warmtekosten tegenover maar over het algemeen wegen de lagere variabele uitgaven niet helemaal op tegen de hogere afschrijvingen op de investeringen.

5. Prijsontwikkeling restwarmte indien industrie overschakelt op CCS, andere energiedragers en/of andere productietechnieken Vraag van opdrachtgever:

Ook vragen de lokale initiatieven zich af a) wat versnelde verduurzaming van nu nog fossiele restwarmte betekent voor de toekomstige prijsontwikkeling van deze warmte, b) ook omdat onduidelijk is of er op termijn energiebelasting op warmte geheven gaat worden c) en/of in hoeverre de warmtekosten gesocialiseerd zullen worden.

A) Wat is het toekomstbeeld voor de prijsontwikkeling van (fossiele) restwarmte? Indien de leveranciers van industriële restwarmte maatregelen moeten nemen om hun productieproces te verduurzamen, dan kan het uitkoppelen van restwarmte zowel duurder als goedkoper worden. De restwarmte beïnvloedt het productieproces over het algemeen niet, of dit nu een emissieloos productieproces is of een productieproces met emissies. Derhalve lijkt het waarschijnlijk dat datgene wat in de Warmtewet 2.0 lijkt te gaan komen voor langere tijd de situatie zal beschrijven. In de concept Warmtewet 2.0 staat nu dat bedrijven verplicht zijn om restwarmte uit te koppelen op verzoek van het warmtebedrijf tegen uitkoppelkosten23. In deze uitkoppelkosten zitten ook de kosten voor het zeker stellen van de warmte en opportuniteitskosten waarover van tevoren afspraken gemaakt worden. Er is geen reden te veronderstellen dat die kostprijs van uitkoppeling in de toekomst duurder is. Wellicht eerder goedkoper als de productieprocessen worden aangepast ten behoeve van emissiereductie. Bij een aanpassing van een productieproces kan immers gelijk rekening worden gehouden met de warmte-uitkoppeling, terwijl bij een bestaand proces dit waarschijnlijk extra kosten van aanpassingen gaat geven.

23 Wet collectieve warmtevoorziening, concept Warmtewet 2.0 – EZK, juni 2020/internetconsultatie.

25

Wordt dit principe van wettelijke verplichting tot levering tegen kostprijs losgelaten dan zal de prijs van de restwarmte gaan stijgen tot aan het eerstvolgende alternatief. Daarmee wordt waarschijnlijk de kostprijs van geothermie het maximum waartegen de restwarmte kan worden gewaardeerd indien er voldoende mogelijkheden zijn om extra geothermie warmte op te wekken tegen hoge temperaturen.

B) Wordt er op termijn energiebelasting op warmte geheven In de RES 1.0 wordt geen aandacht besteed aan de prijsontwikkelingen van restwarmte en andere warmtebronnen. Wij verwachten wel dat er binnenkort een pleidooi zal worden gehouden vanuit ambtelijke werkgroepen voor het gelijk beprijzen van energiedragers op basis van CO2 emissies. Daarmee is het mogelijk dat emissieloze warmtebronnen geen of een lage emissiebelasting zullen krijgen en piekketels op aardgas en wellicht ook op biomassa (houtige biomassa) op termijn een hogere emissiebelasting zullen krijgen. De verhouding tussen emissieloze bronnen en bronnen met emissies zal dan de hoogte van de energiebelasting op warmte bepalen.

C) Socialisering In de RES 1.0 wordt niet besproken op welke manier de kosten verdeeld gaan worden voor de warmtetransitie. Bij vraag 6B hierna gaan we verder in op socialisering van de kosten van een collectieve warmte voorziening.

6. Kosten en baten van warmtescenario’s Vraag van opdrachtgever:

a) Vooralsnog is tevens onduidelijk hoe de kosten en baten van diverse warmtescenario’s precies berekend en verdeeld zijn (op diverse schaalniveau’s van nationaal tot individuele bewoners), en welke mate van isolatie daarin optimaal zou zijn, mogelijk mede afhankelijk van aannames over de volloop- en afschrijvingstermijnen en governance- c.q. eigendomsstructuur van de nieuwe warmtesystemen. b) De vraag is in hoeverre die kosten gesocialiseerd kunnen of moeten worden om te voorkomen dat de woonlasten van de laagste inkomens (onevenredig) stijgen.

A) Zijn de kosten en baten van de warmtescenario’s compleet De kostenberekening voor een CWS lijkt compleet in het rapport Collectieve Warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag. We kunnen dit echter niet eenduidig vaststellen. Voor de scenario’s is een uitgebreide Excel spreadsheet beschikbaar en deze lijkt compleet. Echter, wij kunnen op basis van de beschikbare input parameters de ORT vergelijking voor de huidige situatie, het collectieve warmtesysteem, en de all-electric warmtepomp niet reconstrueren. We pleiten er dan ook voor om de opstellers van dit rapport te vragen hun berekening te publiceren en de berekening te laten uitvoeren voor een hybride warmtepomp, zie bijlage A.

26

B) Is duidelijk hoe de kosten verdeeld worden? Om tot besluitvorming en draagvlak te komen moet ook duidelijk zijn hoe de kosten worden verdeeld. Discussie hierover hoort vooral thuis op landelijk niveau en wordt in RES 1.0 beperkt toegelicht als onderdeel van het borgen van publieke belangen op de aspecten betaalbaarheid en rechtvaardigheid (p. 34). Op de raakvlakken tussen RES en landelijke kaders kunnen de volgende aspecten behulpzaam zijn bij het bespreken van dit thema. Bij het ontwerpen van kostenverdelingen en prijsmechanismen zijn o.a. de volgende aspecten van belang: • Zorg voor de juiste prikkels: stimuleer gewenst gedrag en voorkom ongewenst gedrag. Prijs- of kostenprikkels zouden zich dus bijvoorbeeld kunnen richten op het stimuleren van besparing en/of vergroening en op het voorkomen van pieken in het gebruik (capaciteit is meer bepalend voor infra-kosten dan jaarrond volume) • Als je gedrag wilt beïnvloeden, is een inzichtelijke prijsstructuur belangrijk: mensen passen hun gedrag alleen aan als de gevolgen duidelijk en begrijpelijk zijn • Rechtvaardigheid: onder deze noemer kun je kijken naar verschillende verdeelmechanismes: - Kostenveroorzakerprincipe: de huishoudens en bedrijven die de kosten veroorzaken, betalen deze.

- ‘Vervuiler betaalt’-principe: de huishoudens en bedrijven die het meest CO2 uitstoten, betalen het meest (klimaatlasten per ton CO2-uitstoot). - Draagkrachtprincipe: de huishoudens en bedrijven met de hoogste draagkracht, betalen het meest. Dit principe kan ook – vice versa – ten grondslag liggen aan subsidie- en belastingmaatregelen ten behoeve van huishoudens en bedrijven met de laagste draagkracht. - Niet-meer-dan-anders-principe (NMDA-principe): duurzame energie mag niet duurder zijn dan fossiele energie. - Socialiseren via de inkomstenbelasting in plaats van via de aansluitkosten Een bijzondere vorm van kostenverdeling is de socialisering van kosten. Hoewel hiermee bepaalde kostenprikkels verloren kunnen gaan, kan het in de volgende situaties een goede manier zijn om kosten te verdelen: • Weinig individuele keuzevrijheid (bijvoorbeeld bij een collectief warmtenetwerk) • Kosten weinig variëren met het gebruik • Toewijsbaarheid van kosten lastig (kostenveroorzaker niet duidelijk) • Herverdeling van kosten gewenst is (bijvoorbeeld bij lage inkomens of bij het grootschalig uitfaseren van gasnetwerken waarbij de laatste gas-aangeslotenen dan theoretisch alle kosten dragen …).

• Geen marktmechanisme mogelijk is (vanwege bijvoorbeeld een natuurlijk monopolie zoals bij netwerken) Socialiseren van kosten wordt dus niet alleen gedreven door vragen rondom woonlasten bij lage inkomens, maar ook als de verdeelsleutel tot problemen leidt. Bij het vraagstuk van kostenverdeling wordt ook vaak gesproken over de wens van lange-termijn kostenzekerheid. Hoewel begrijpelijk, zit hier ook iets van een dilemma (paradox) in. Burgers willen kostenzekerheid, maar ook nu kunnen energiekosten sterk variëren in de tijd (tenzij je zelf dat risico afkoopt in een meerjarencontract; hetzelfde geldt voor de nog grotere kostenpost ‘hypotheekrente’ 27

die voor 5 of 10 jaar wordt vastgelegd, maar daarna een sprong kan maken). Kostenzekerheid is lastig te geven, en is misschien ook niet nodig als het gevoel van afhankelijkheid en lock-in voorkomen wordt. Advies is om te onderzoeken of, ondanks enige kostenonzekerheid, voldoende draagvlak ontstaat bij een warmtenetwerk op basis van een open concept met keuzemogelijkheid tussen diverse leveranciers en bronnen die met elkaar concurreren. Tenslotte nog enkele opmerkingen over het vollooprisico. De studie Collectieve Warmtevoorziening RES Rotterdam-Den Haag maakt onderscheid tussen volloopgraad en volloopsnelheid. Uit de berekeningen blijkt dat vooral de volloopgraad verschil kan maken voor de onrendabele top van een warmteproject (fig. S5, S6 en S7). Het vollooprisico is een bekend fenomeen in alle soorten energieinfrastructuur. Ook nu dragen netbeheerders in zekere mate een risico als zij uitbreidingen doen voor woningprojecten of zonneparken. De kosten hiervan worden doorberekend in de tarieven, waarbij de netbeheerders voor elektra/gas worden uitgedaagd de risico's zo klein mogelijk te houden doordat de ACM toezicht houdt op de kosten, mede via onderlinge benchmarking. Om te voorkomen dat dit risico onnodig belemmerend is voor warmteprojecten, kan dit op de volgende manier hanteerbaar gemaakt worden: • • •

Werk met kleine, modulaire fases Zorg voor voldoende voorintekening Maak een portfolio van meerdere projecten zodat het risico uitmiddelt over de portfolio (per project het vollooprisico afkopen leidt -opgeteld- tot overprijzing omdat in een portfolio niet alle risico’s per project optreden). In ultieme vorm zou dit een landelijke socialisering van dit risico kunnen inhouden.

De kostenverdeling is dus onvoldoende helder, het advies is om in de volgende fase dit punt op landelijk niveau te adresseren.

7. Betrokkenheid bewoners c.q. burgers Vraag van opdrachtgever: a) Een laatste vraag is of bewoners c.q. burgers in de regio al voldoende betrokken zijn bij het RESproces om zich een oordeel te kunnen vormen over de daarin voorgestelde opties en keuzes. b) De vraag daarbij is ook of de voor dat oordeel benodigde informatie volledig en transparant genoeg met hen gedeeld is. Voor de leden van Energie Samenis dat in ieder geval niet het geval; daarom zoeken we naar een manier om die informatie alsnog publiek inzichtelijk te krijgen

A) Betrokkenheid bewoners c.q. burgers In par. 2.3 en 8.1 gaat de RES uitgebreid in op de wijze waarop participatie is georganiseerd. Het is lastig om -zoals de RES zelf ook aangeeft- te beoordelen of dit voldoende is. In deze paragraaf belichten we enkele aspecten die behulpzaam kunnen zijn bij het inrichten van participatie in het besluitvormingsproces tijdens de volgende fase. Participatie in besluitvorming verschilt per fase en per type proces De RES geeft aan dat het belangrijk is dat iedereen zich vertegenwoordigd voelt. De wijze waarop dat gebeurt is afhankelijk van het soort traject, bijvoorbeeld waar het klimaatakkoord onderscheid maakt tussen collectieve en individuele routes. Collectieve routes zoals een warmtenet worden 28

vooral verwacht in gebieden met een goede business case (iedereen doet graag mee) en in gebieden met veel collectief bezit (relatief eenvoudiger besluitvorming). Uit de participatieladder van Wilcox valt af te leiden dat de mate en soort van betrokkenheid verschilt tussen collectieve en individuele trajecten: • Bij collectieve trajecten is veel betrokkenheid [participatie] in besluitvorming nodig omdat het gaat om een gezamenlijke keuze die min of meer uniform is (bijvoorbeeld een warmtenet), het gewenste participatieniveau is dan niveau 3-5 Figuur 1. De participatieladder van Wilcox • Bij individuele trajecten hebben bewoners meer eigen keuzevrijheid voor maatregelen en planning. Besluitvorming vraagt dan minder gezamenlijke afstemming en daarbij past participatieniveau 1-2. Participatie in de volgende fase Participatie verschilt ook per fase van het proces. In de fase van bewustwording ziet participatie er anders uit dan in de fase van uitvoering. ‘Parijs’ en het Klimaatakkoord hebben het thema grootgemaakt, de urgentie is maatschappijbreed voldoende duidelijk. De fase die nu aanbreekt moet de visie vooral praktisch maken. Zichtbare start en succes zijn nu even belangrijker dan grote volumes of hogere doelen. Uit succes ontstaat eerder vertrouwen en opschaling dan vanuit plannen die zo groot zijn dat burgers het niet meer overzien.

Participatie kan zich er in de volgende fase daarom het beste op richten om met draagvlak zo goed en snel mogelijk concrete maatregelen te starten. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: helderheid op het proces, handelingsperspectief en handelingsvrijheid. Helderheid op het proces geeft inzicht en versterkt daarmee het vertrouwen: • Hoe is het besluit- en planvormingstraject ingericht: De RES geeft een kader mee aan de gemeentes, en daarom is het belangrijk te laten zien hoe het proces van RES en TVW loopt en op elkaar ingrijpt. Beide processen vragen om eigen participatie: de RES geeft meer kaders en hoofdlijnen en daarbij past indirecte of bestuurlijke participatie. De TVW is concreet en praktisch en daarbij past directe participatie.

•

Waar gaan we aan de slag: In de Transitievisie Warmte (TVW) geeft de gemeente onder andere aan waar voor 2030 een collectieve oplossing komt en waar niet. Zo weten bewoners waar ze samen met de gemeente collectief aan de slag gaan en waar ze zelf individueel initiatief kunnen nemen. Het Klimaatakkoord biedt ruimte voor beide sporen. We pleiten er sterk voor om niet alles top-down in een collectieve route te gieten, maar juist ook veel ruimte te bieden voor individueel initiatief.

Met een concreet handelingsperspectief breng je bewoners in beweging (laat opties zien): • In collectieve zones gaat het om meebeslissen en daarna samen handelen. De gemeente moet daarbij het collectieve besluitvormingsproces op het juiste niveau van participatie organiseren. Bij de TVW past directe wijkgerelateerde burgerparticipatie op niveau 3-4. Bij de bovenliggende Regionale Structuur Warmte (RSW) past indirecte (vertegenwoordigende/bestuurlijke) participatie waarbij burgers op niveau 1-2 betrokken zijn 29

•

Bij het individuele spoor gaan burgers zelf aan de slag. Op zelfgekozen momenten nemen ze maatregelen die ze zelf kiezen. Bij individuele routes gaat het daarom vooral om voorlichting en keuze-activatie: voorkom dat bewoners gaan wachten totdat zo ‘over 10 jaar’ aan de beurt zijn en activeer concrete eerste stappen met duidelijke opties. Benut daarbij natuurlijke momenten en denk in life-cycles, zoals: - Isolatie gaat goed samen als er toch al een verbouwing gepland staat - een CV-ketel moet regelmatig vervangen (12-14 jaar), neem dan een hybride warmtepomp (die ook weer ruim 10 jaar meegaat richting 2030, waarna weer een volgende stap volgt met de kennis van dán)

Door ruimte en vrijheid van handelen te geven, stimuleer je de verandermotivatie te bewegen van moeten naar mogen en kunnen te bewegen: Veel burgers zien inmiddels de urgentie en willen best aan de slag gaan, maar men hecht daarbij wel aan enige autonomie en keuzevrijheid. Bij de individuele routes kunnen we dat benutten. Uit onderzoek van Buurkracht (www.buurkracht.nl) blijkt dat onderlinge stimulans daarbij goed werkt, anders gezegd ‘mensen verleiden mensen’. De snelle uitrol van zon-op-dak, bijvoorbeeld, was een combinatie van een goede stimuleringsmaatregel (saldering) en buurt-talk waar mensen bij elkaar zien dat het werkt en elkaar het spreekwoordelijke ‘mannetje’ kunnen aanbevelen die dat zo keurig doet. Hier werd niet veel aan georganiseerd, maar doordat mensen elkaar kennen en zien dat het werkt, komt er als vanzelf beweging. Hetzelfde zie je ontstaan bij elektrisch vervoer, en wellicht kunnen we zo’n mechanisme ook ontwerpen bij de hybride warmtepomp. Als dat lukt, komen er verrassend veel mensen in beweging en kan het individuele spoor een belangrijke bijdrage leveren aan de doelen voor 2030. Investeringsparticipatie Een bijzondere vorm van participatie betreft de deelname van bewoners in eigendom van en investeren in een collectief energiesysteem. In de RES wordt hier nog maar in beperkte mate op ingegaan.

De TVW lijkt hiervoor overigens het betere platform, omdat dat dichter tegen bewoners aanzit. Investeringsparticipatie zal zeker een deel van de bewoners in beweging brengen en draagvlak vergroten. Daarbij spelen echter wel enkele belemmerende factoren een rol: • Het is een bewerkelijke projectvorm die vaak veel doorlooptijd vraagt • In Nederland is nog een beperkte traditie op dit gebied • Onzekerheid over de juiste energieconcepten • Weinig ‘proven concepts’ Op grond hiervan verwachten we wel enig succes in de vorm van gezamenlijk investeren in een bron (zoals nu bijvoorbeeld bij windmolens gebeurt). Daarnaast is een gezamenlijke WKO of geothermiebron op straat- of hooguit buurtniveau denkbaar, maar dit zal tot 2030 nog weinig schaal maken voor grotere CO2-reducties.

B) Is de benodigde informatie volledig en transparant genoeg gedeeld? De RES zelf, maar ook de achterliggende documenten (zie de Inleiding op deze review) geven erg veel informatie. Soms is niet meteen duidelijk hoe een tekst of een conclusie begrepen moet worden. Naar ons gevoelen is de intentie echter om volledig en transparant te zijn voor zo ver dat nu kan. Waar dat niet meteen lukt heeft dat vooral te maken met de complexiteit van het onderwerp en de veelheid aan informatie.

30

Voor de komende fase adviseren we te investeren in vertrouwen in het proces: De energietransitie is complex en kent vele onzekerheden. Het nemen van beslissingen in die context is eigenlijk schieten op een bewegend doel. In een tijd dat iedereen maakbaarheid en zekerheid verwacht, is dat een lastige situatie. We zullen met elkaar moeten leren dat er (te) veel informatie is, dat een blauwdruk niet bestaat en dat we tóch beginnen met de uitvoering van de eerste stappen. Daar hoort bij dat er af en toe leergeld betaald moet worden. Investeren in het vertrouwen in het (leiderschap van het) proces van de energietransitie is daarom een belangrijke randvoorwaarde om samen in beweging te kunnen komen.

Figuur 2. Belang gedrag & leiderschap versus mate van verandering

De RES geeft ruim aandacht aan participatie, toch is dit niet door iedereen zo ervaren. Advies is om in de volgende fase de participatie meer toe te snijden op het soort participatie dat bij de aard van het plan- en beslisproces past.

31

Bijlage A: Inschatting jaarlijkse lasten van hybride warmtepomp Op basis van het WP3 economische analyse rapport van Fakton kunnen we een eerste raming doen van de kosten van een hybride warmtepomp. Dit rapport is een rapport dat onderliggend is aan het rapport “Collectieve Warmtevoorziening” en beschikbaar op de bijbehorende website. De berekening in het rapport bevat een aantal verborgen aannames waardoor het ons niet is gelukt om de berekening exact te reproduceren. Vandaar dat we hieronder een conservatieve eerste delta analyse maken van de kosten voor een hybride warmtepomp overeenkomstig de methodiek die Fakton hanteert. In deze delta analyse rekenen we de hybride warmtepomp door als een gedeelde en geschaalde combinatie van Fakton’s berekeningen voor de referentie situatie (een gasketel) en de all-electric warmtepomp. Op deze manier kunnen we toch een enigszins robuuste inschatting maken van hoe een hybride warmtepomp zich verhoudt tot alternatieve opties binnen de doorrekening van Fakton. We zijn ons ervan bewust dat de echte kosten iets anders zullen uitvallen en daarom is het noodzakelijk voor een goede vergelijking om de volledige berekening te doen zoals Fakton deze heeft uitgevoerd. Het uitgangspunt van deze berekening zijn de volgende aannames: • •

De looptijd van de investeringen is 30 jaar. Er zijn geen investeringen in isolatie of afgiftesystemen nodig, maar we nemen een beperkte investering van 2.500 euro mee voor extra isolatie. Een hybride warmtepomp met CV inclusief installatie kost 6.700 euro inclusief btw24. Na 15 jaar wordt de hybride warmtepomp vervangen door een nieuwe hybride warmtepomp van 6.700 euro. Onderhoud voor de hybride warmtepomp is 100 euro/jaar. In het nieuwe verwarmingssysteem wordt gebruik gemaakt van 40% gasgestookte warmte en 60% warmte via de warmtepomp. Waarbij het grootste deel omgevingswarmte is en een kleiner deel elektriciteit (hieronder is ook een berekening voor 50% gasgestookt en 50% warmtepomp gedaan).

• • • •

Verder zijn de volgende uitgangspunten overgenomen uit de Fakton berekening: • Herinvestering en onderhoud voor de CV is 160 euro/jaar. • De investering voor elektrisch koken is 600 euro. De aannames worden overzichtelijk weergegeven in tabel 3, de bedragen zijn exclusief btw. Tabel 3. Woning gerelateerde investeringskosten in euro exclusief btw uit de analyse van Fakton aangevuld met bovenstaande aannames voor de hybride warmtepomp.

Investeringen Elektrisch koken Isoleren Installaties Warmteafgifte Aansluitkosten Totaal

Collectief warmtesysteem 600 10.000

3.728 14.328

All-electric warmtepomp 600 10.000 15.000 4.000

Hybride warmtepomp

29.600

8.637

600 2.500 5.537

24 Milieucentraal; https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/duurzaam-verwarmen-en-koelen/hybride-

warmtepomp/

32

De totale investering van de hybride warmtepomp komt uit op 600 + 5.537 + 2.500= 8.637 euro in het beginjaar. Samen met de herinvestering na 15 jaar zijn de totale investeringen 14.174 exclusief btw25. Het onderhoud valt in de analyse van Fakton onder energielasten. De totale investeringen komen in de buurt van de investeringen in het collectieve warmtesysteem van 14.328 euro exclusief btw. Daarmee schatten we de financieringslasten op 650 euro/jaar (vergelijk met 654 euro/jaar voor het collectieve warmtesysteem). De energielasten van aardgas in 2025 zijn in totaal 1.937 euro per jaar en voor een all-electric warmtepomp 893 euro per jaar. Een hybride warmtepomp zal hiertussen liggen met de 60/40 verdeling zoals hierboven beschreven. We schatten deze lasten op 0,4*1.937+0,6*893=1.311 euro (1.415 euro voor 50/50 verdeling)26. Aangezien het onderhoud voor de warmtepomp wordt gedekt door de lasten, tellen we conservatief het extra onderhoud van 36 euro/jaar voor de CV erbij op27 waardoor de financieringslasten 1.347 euro bedragen. In de analyse van Fakton worden de lasten van de warmteoplossingen vergeleken met de energielasten van gas om een verschil in lasten te bepalen. Dit levert voor de hybride warmtepomp een verschil in lasten op van 1.937-1.346-650=-60 euro (-164 euro met 50/50 verdeling). Een vergelijking tussen de warmteoplossingen is te zien in tabel 4. Tabel 4.

Inschatting verschil in lasten voor de warmteopties.

Energielasten gas 2025 Energielasten warmte 2025 Financieringslasten Verschil in lasten per jaar (hoeveel duurder dan de gasreferentie)

Collectief warmtesysteem 1.937 1.569 654 286

All-electric warmtepomp 1.937 893 1.994 950

Hybride warmtepomp 1.937 1.347 650 60

Deze delta analyse laat zien dat een hybride warmtepomp per jaar goedkoper is dan de collectieve warmtevoorziening en daarmee een goed alternatief om verder te onderzoeken. Deze raming berust daarnaast op conservatieve aannames (waar aannames noodzakelijk zijn) ten aanzien van de berekening, waardoor de onzekerheid uitvalt richting (nog) lagere kosten. We pleiten er dan ook voor om een exacte berekening te laten doen voor de ORT van een hybride warmtepomp en mogelijke variaties daarvan na de eerste periode van 15 jaar. Dit geeft een betere inschatting van de kosten en laat alternatieve paden zien die eerder tot CO2-reductie kunnen leiden.

25 Aangezien we de berekening niet exact kunnen reproduceren, nemen we aan dat de herinvestering aan het begin

gedaan wordt. Dit zal echter een overschatting van de kosten geven dan wanneer de investering over 15 jaar gedaan wordt. Deze laatste aanname lijkt ons redelijk gegeven de randvoorwaarden van de rente en discontovoeten in de Fakton rapportage, maar kan anders uitpakken in andere scenario’s. 26 Bij de energielasten voor de CV installatie wordt gerekend met 924 kWh/jaar. Dit elektriciteitsverbruik voor de CV installatie is behoorlijk hoog (150-300 kWh/jaar voor een CV) en het wordt niet gespecificeerd welk verbruik hier verder onder zit. Dit elektriciteitsverbruik wordt wel meegenomen in de bovenstaande berekening. Vandaar dat de besparing voor de hybride warmtepomp hoger zou kunnen uitvallen. 27 Het onderhoud bestaat uit 160 euro/jaar onderhoud en herinvestering voor de CV en 100 euro/jaar de hybride warmtepomp. Omdat de investering voor een CV wordt meegenomen in de investering van een hybride warmtepomp, kunnen we de investering van de CV buiten beschouwing laten. We schatten in dat het onderhoud voor de CV 60 euro/jaar is, waardoor de totale onderhoudskosten 160 euro/jaar bedragen. In de schaling wordt 0,6*100+0,4*160=124 euro onderhoudskosten/jaar meegenomen. Er resteert een onderhoudslast van 36 euro/jaar.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10203794/1