CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

11.Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Themarapport 'Leefbaarometer 2020; verdiepende analyses; Leefbaarometer 2020

Gemeenteraad 28 juni 2023, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken en mededelingen27.711 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Leefbaarometer 2020 Verdiepende analyses

Kees Leidelmeijer Francine Burema

Jornt Mandemakers december 2022

Eindredactie Atlas Research Capital C, 4e etage Weesperplein 4c 1018 XA Amsterdam 020 2371400 info@atlasresearch.nl www.atlasresearch.nl © Atlas Research, Amsterdam, 2022

2

Inhoud Samenvatting

1

5

Hoofdstuk 2: Stijgers en dalers

5

Hoofdstuk 3: Leefbaarheid en sociale ongelijkheid

7

Hoofdstuk 4: Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid

8

Inleiding

10

1.1 De Leefbaarometer

11

2 Stijgers en dalers

13

2.1 Van onvoldoende naar voldoende

13

2.2 Zwak of onvoldoende én dalende leefbaarheid

22

2.3 Vroegsignalering

29

2.4 Samenvatting en conclusies

37

3 Leefbaarheid en sociale ongelijkheid

40

3.1 Hoe ongelijk is de leefbaarheid in Nederland verdeeld?

41

3.2 Sociale ongelijkheid in leefbaarheid op lokaal niveau

50

3.3 Sociaaleconomische verschillen in een buurt en leefbaarheid

56

3.4 Ontwikkeling sociale ongelijkheid in leefbaarheid 2014-2020

60

3.5Samenvatting en conclusies

61

4 Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid

63

4.1 Drugsproblematiek

65

4.2 Potentieel misbruik van vastgoed

75

4.3 Witwasgevoelige branches

82

4.4Algemene indicatie voor ondermijnende criminaliteit

88

4.5Samenvatting en conclusies

92

Bijlage 1: Leefbaarometer 3.0

94

3

Bijlage 2: Buurten met een verbetering van onvoldoende naar voldoende tussen 2014 en 2020

99

Bijlage 3: Buurten met een verslechtering tussen 2014 en 2020 vanuit zwak/onvoldoende

104

Bijlage 4: Extra figuren bij thema leefbaarheid en sociale ongelijkheid

115

Bijlage 5: Gemeenten naar indicaties voor ondermijnende criminaliteit

118

4

Samenvatting In dit rapport worden verdiepende analyses op drie thema’s gepresenteerd op basis van de Leefbaarometer 3.0 en aanvullende bronnen. Eerder verscheen naar aanleiding van de Leefbaarometer 3.0 een analyserapport dat ingaat op de ontwikkeling van de leefbaarheid volgens de Leefbaarometer tussen 2014 en 2020 (www.leefbaarometer.nl). In deze verdiepende analyses komen de volgende thema’s aan bod: •

Stijgers en dalers (hoofdstuk 2); over gebieden in Nederland die verslechterden of juist verbeterden vanuit een onvoldoende of zwakke score in 2014 en over vroegsignalering: gebieden die verslechterden terwijl ze in 2014 nog net (ruim) voldoende scoorden.

•

Leefbaarheid en sociale ongelijkheid (hoofdstuk 3); over de algemene verschillen in leefbaarheid tussen buurten en over de sociale ongelijkheid: de samenhang tussen de sociaaleconomische samenstelling van buurten en de leefbaarheid.

•

Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid (hoofdstuk 4); over de relatie tussen indicatoren voor ondermijnende criminaliteit en de ervaren onveiligheid van bewoners, die onderdeel is van de Leefbaarometer.

De verdiepende analyses in dit rapport zijn verkennend van aard en bedoeld om de kennis van de leefbaarheidsproblematiek te vergroten en om te signaleren welke problemen, waar samengaan. De analyses geven geen inzicht in de oorzakelijkheid van de gevonden relaties. Het rapport biedt wel handvatten om op lokaal niveau nadere invulling te geven aan verdiepend onderzoek en de evaluatie en ontwikkeling van beleid. Hoe de situatie ter plaatse écht is, vraagt altijd nader onderzoek om zaken verder in te kleuren en van mogelijke handelingsperspectieven te voorzien. We hopen dat de analyses die in dit rapport worden gepresenteerd daarvoor als inspiratie kunnen dienen.

Hoofdstuk 2: Stijgers en dalers Stijgers In een relatief groot deel van de gebieden die in 2014 nog onvoldoende scoorden is de leefbaarheid verbeterd. De belangrijkste bijdrage aan deze positieve ontwikkeling is een verbetering van de score op de dimensie Overlast en onveiligheid geweest. Daarin verschillen deze gebieden van hoe de verbetering gemiddeld in Nederland tot stand is gekomen in

5

diezelfde periode. Gemiddeld genomen was de dimensie Voorzieningen namelijk de belangrijkste motor voor verbetering. Er lijken drie verschillende paden te zijn voor verbetering. Allereerst is er een ‘gemiddeld’ pad waarin naast de dimensie Overlast en onveiligheid ook verbeteringen te zien zijn op de dimensies Woningvoorraad, Fysieke omgeving en Voorzieningen. Daarnaast zijn er twee paden die vooral voorkomen in de gebieden die erg laag scoorden in 2014. In beide paden is de dimensie Sociale samenhang relatief sterk verbeterd. Ze onderscheiden zich van elkaar doordat in één de verandering vooral op de dimensie Woningvoorraad te zien is en in de andere op de dimensie Overlast en onveiligheid. De veranderingen – en zelfs de paden van verbeteringen – worden weerspiegeld in de oordelen van bewoners. Zo zijn de oordelen van bewoners in de gebieden die zijn verbeterd langs het pad van de woningvoorraad opvallend positief over het onderhoud van de woningen in de buurt. De bewoners in deze gebieden zijn in meerderheid nieuwe bewoners. Dalers Van een relatief klein deel van de gebieden die in 2014 zwak of onvoldoende scoorden, is de score op de Leefbaarometer in de periode 2014-2020 verder verslechterd. De belangrijkste reden hiervoor is een verslechtering op de dimensie Overlast en onveiligheid geweest.

Naast de overheersende invloed van de dimensie Overlast en onveiligheid zijn er ook paden van verslechtering waarin de nadruk meer ligt op ofwel de woningvoorraad, ofwel een combinatie van voorzieningen en fysieke omgeving. Vooral het pad van een verslechtering via de dimensie Woningvoorraad kwam meer voor in gebieden die al een relatief ongunstige uitgangspositie hadden in 2014. Zowel de verslechtering in deze gebieden als het belang van de dimensie Overlast en onveiligheid heeft zijn weerslag op de oordelen van bewoners. De oordelen zijn negatiever in de gebieden die zijn verslechterd dan in gebieden die al langer op datzelfde lage niveau zaten. Daarbij valt in het bijzonder het relatief grote aandeel bewoners op dat bang is om te worden lastiggevallen of beroofd in de eigen buurt. Vroegsignalering Er zijn veel buurten in Nederland waarvoor vroegsignalering aan de orde is (gebieden die vanuit een score voldoende of net ruim voldoende verslechterden). In absolute zin gaat het om 100 duizend woningen. Voor 300 duizend woningen is er sprake van een relatieve verslechtering (een minder gunstige ontwikkeling dan gemiddeld in Nederland). De meeste van deze gebieden liggen buiten de G4 en G40, in overig Nederland. Deze gebieden worden gekenmerkt door overheersende bouwperiodes tussen 1961-1990. Veel wijken die in deze

6

periode zijn gebouwd, scoren betrekkelijk laag op de Leefbaarometer. Verder valt op dat het aandeel 55-plussers in deze wijken relatief groot is. Een verslechtering op de dimensie Overlast en onveiligheid vormt de belangrijkste reden voor de negatieve ontwikkeling in deze gebieden. Tegelijkertijd lijken er vrij veel, namelijk zes, verschillende paden te zijn waarlangs de verslechtering vorm kan krijgen. In drie van de zes paden speelt de dimensie Overlast en onveiligheid de hoofdrol. Andere paden zijn die langs woningvoorraad, voorzieningen of fysieke omgeving. Voor alle paden geldt dat er een relatief sterke verslechtering is van de score op de dimensie Sociale samenhang.

Hoofdstuk 3: Leefbaarheid en sociale ongelijkheid Hoe groot zijn de verschillen in leefbaarheid tussen buurten? Waar zijn de verschillen tussen buurten het grootst? En in hoeverre hangen verschillen in leefbaarheid samen met de sociaaleconomische status van buurten en sociaaleconomische verschillen in buurten. De samenhang met sociaaleconomische status van een buurt geeft de mate van sociale ongelijkheid in leefbaarheid weer. De sociale ongelijkheid in leefbaarheid is nu voor het eerst goed in beeld gebracht, omdat bewonerskenmerken niet langer onderdeel zijn van de Leefbaarometer 3.0 én omdat het CBS gedetailleerde data over de sociaaleconomische samenstelling van buurten beschikbaar heeft gemaakt. De grootste verschillen tussen buurten in leefbaarheid zijn te vinden in de grote(re) steden. De G4-gemeenten (Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam) staan in de top-5 van gemeenten met de grootste verschillen in leefbaarheid tussen buurten in de gemeente. Er blijken ook sterke positieve verbanden te bestaan tussen de sociaaleconomische status van een buurt en de leefbaarheid van een buurt in 2020; de sociale ongelijkheid in leefbaarheid. We vinden sterke verbanden of we nu kijken met de samengestelde sociaaleconomische status schaal (SES-WOA) of met de onderliggende scores voor het inkomen, vermogen, opleidingsniveau of arbeidsverleden van de bewoners van buurten.

Ter illustratie: Zonder het meewegen van de sociaaleconomische kenmerken van de buurt is de kans 68% dat een buurt een goede of hogere leefbaarheid(score) heeft. Als rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld het opleidingsniveau, dan zien we dat als één op de vijf bewoners in een buurt hoogopgeleid is, de kans dat een buurt een goede leefbaarheid heeft slechts 16% is. Wanneer het aandeel hoogopgeleiden verdubbelt naar twee op vijf bewoners, dan stijgt de kans naar 67% en bij een aandeel hoogopgeleiden van drie op vijf is de kans dat de buurt een goede leefbaarheid heeft al 95%.

7

De sociale ongelijkheid in leefbaarheid verschilt per gemeente en ook regionaal. Zo lijkt het verband tussen sociaaleconomische status en leefbaarheid van buurten sterker te zijn in de grote(re) steden dan in de kleine(re) gemeenten. Verder springt een aantal regio’s met grotere sociale ongelijkheid in leefbaarheid (sterkere correlaties) eruit. De ongelijkheid lijkt groter te zijn in ’t Gooi, in een aantal Veluwse gemeenten, de regio IJsselmonde en in het oosten van Groningen. Hoe homogeen of divers een buurt sociaaleconomisch gezien is, blijkt niet veel uit te maken voor de leefbaarheid van buurten. Alleen het armste kwart van de buurten werd wat minder leefbaar als de sociaaleconomische verschillen in de buurt toenamen in de periode 2014-2020. Echter, dit verband valt in het niet bij het zeer sterke positieve verband tussen (veranderingen in) het gemiddelde sociaaleconomische niveau van de buurt en de leefbaarheid. Verder blijkt dat de sociale ongelijkheid in leefbaarheid tussen 2014 en 2020 nagenoeg gelijk is gebleven. Al krijgt de ongelijkheid wel een iets andere vorm. Zo is de samenhang tussen de leefbaarheid van een buurt en het gemiddelde inkomens- en vermogensniveau licht afgenomen, terwijl het verband met het aandeel hoogopgeleiden juist is toegenomen.

Hoofdstuk 4: Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid Het dashboard Zicht op Ondermijning is een bijzonder interessante bron voor inzicht op gemeente- en wijkniveau voor een groot aantal indicatoren die te maken hebben met ondermijnende criminaliteit. Omdat onthullingsrisico’s een belangrijke rol spelen bij het openbaar maken van de registerdata zitten er wel de nodige lacunes in de data (ontbrekende gemeenten en wijken vanwege te weinig waarnemingen). Daarnaast zijn veel van de indicatoren gevoelig voor (de effectiviteit van) beleid en de uitvoering daarvan. Die effectiviteit kan per gemeente of regio verschillen. Zo zijn aantallen ontruimingen, verdachten en veroordeelden wel indicatief, maar als de ene gemeente of regio succesvoller is in de opsporing en vervolging dan de andere kan dit de uitkomsten vertekenen. Er zijn ook indicatoren die samenhangen met andere omstandigheden dan alleen ondermijnende criminaliteit. Denk hierbij bijvoorbeeld aan of een bedrijf een buitenlandse eigenaar heeft (komt relatief veel voor in gemeenten die nabij de grens liggen), of meervoudig woningbezit (komt meer voor in studentensteden). Ook dat soort samenhangen kunnen het beeld verstoren. Voor ervaren onveiligheid geldt eveneens dat dit ook door andere omstandigheden dan ondermijnende criminaliteit kan worden bepaald.

8

Ondanks de bovengenoemde beperkingen is de samenhang van veel indicatoren voor ondermijnende criminaliteit met de ervaren onveiligheid van bewoners groot. Dat geldt het sterkst voor het aandeel veroordeelden en verdachten in een wijk, voor zowel drugs- als vermogensdelicten. Ook (ontruimingen van) hennepkwekerijen hangen sterk samen met ervaren onveiligheid. Voor potentieel misbruik van vastgoed en de aanwezigheid van witwasgevoelige bedrijven is de samenhang minder sterk. Die activiteiten zijn vermoedelijk ook minder goed waarneembaar, waardoor de invloed ervan op de ervaren onveiligheid van bewoners minder groot is. Door indicatoren samen te nemen ontstaat een meer algemene indicatie van de aanwezige ondermijnende criminaliteit in een gemeente. Ook die algemene indicatie hangt sterk samen met de ervaren onveiligheid van bewoners. Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid gaan vooral samen in de meer stedelijke gemeenten (zie Bijlage 5). De positie van Kerkrade en Heerlen is daarbij opvallend: veel ervaren onveiligheid gaat samen met een hoge score op veel van de indicatoren voor ondermijnende criminaliteit. Het is aannemelijk dat de samenloop in de grotere steden voor een deel ‘toevallig’ is. In de grote steden komen veel problemen samen. Daardoor voelen mensen zich er vaker onveilig.

Waar dat dan precies door komt, is juist door de combinatie van problematiek niet duidelijk. Ondermijnende criminaliteit kan een belangrijke factor zijn, maar hoeft niet allesbepalend te zijn. In een aantal kleinere gemeenten zijn er ook vrij veel indicaties voor ondermijnende criminaliteit, maar werkt dit niet of nauwelijks door in ervaren onveiligheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om gemeenten als Rucphen, Urk of Goes. Het lijkt erop dat in dit type kleinere gemeenten andere mechanismen werken die ervoor zorgen dat ondermijnende criminaliteit hier minder een probleem is voor bewoners. Dat de sociale samenhang in dit type gemeenten groot is, kan hier mogelijk een rol in spelen. Ook is het denkbaar dat de ondermijnende criminaliteit in deze gebieden zich meer in het landelijk gebied concentreert dan in de kernen, waardoor de zichtbaarheid ervan kleiner is dan in de dichtbebouwde steden. Tot slot is er een groep kleinere gemeenten waar vrij veel indicaties zijn voor ondermijnende criminaliteit, terwijl ook de ervaren onveiligheid er relatief groot – dus ongunstig – is, zoals in Vaals, Tiel, Stein of Beverwijk. In dat type gemeenten is de sociale samenhang vaak ook minder sterk, wat lijkt samen te hangen met de ervaren onveiligheid.

Ook kan de ondermijnende criminaliteit er meer zichtbaar zijn of kunnen er andere al dan niet gerelateerde problemen zijn op het gebied van ervaren onveiligheid, zoals overlast door (soft)drugstoerisme. Lokaal onderzoek kan daar meer inzicht in geven.

9

1 Inleiding In dit rapport worden verdiepende analyses gepresenteerd op basis van de Leefbaarometer 3.0 en aanvullende bronnen. Eerder verschenen naar aanleiding van de Leefbaarometer 3.0 een onderzoeksrapport 1 waarin de herijking van de Leefbaarometer uitgebreid wordt toegelicht en een analyserapport 2 dat ingaat op de ontwikkeling van de leefbaarheid volgens de Leefbaarometer tussen 2014 en 2020. In de voorliggende rapportage komen de volgende thema’s aan bod: •

Stijgers en dalers (hoofdstuk 2); over gebieden in Nederland die verslechterden of juist verbeterden vanuit een onvoldoende of zwakke score in 2014. Ook is er aandacht voor gebieden die verslechterden terwijl ze in 2014 nog (net ruim) voldoende scoorden, de zogenoemde vroegsignalering.

•

Leefbaarheid en sociale ongelijkheid (hoofdstuk 3); over de algemene verschillen in leefbaarheid tussen buurten en over de sociale ongelijkheid in leefbaarheid: de samenhang tussen de sociaaleconomische samenstelling van buurten en de leefbaarheid.

•

Ondermijnende criminaliteit en ervaren onveiligheid (hoofdstuk 4); over de relatie tussen indicatoren voor ondermijnende criminaliteit en de ervaren onveiligheid van bewoners, die onderdeel is van de Leefbaarometer.

De drie thema’s zijn onafhankelijk van elkaar opgesteld. De lezer kan dus direct naar het thema gaan waar de interesse naar uitgaat. Er is geen voorkennis nodig, behalve enig inzicht in wat de Leefbaarometer is. Daar gaat de volgende paragraaf op in. De verdiepende analyses in dit rapport zijn verkennend van aard. Er wordt onder meer gezocht naar nadere typeringen van gebieden die opvallen in hun ontwikkeling. Ook gaat de aandacht uit naar relevante samenhangen tussen scores op (onderdelen van) de Leefbaarometer en andere beleidsrelevante kenmerken van de omgeving. De analyses geven geen inzicht in de oorzakelijkheid van de gevonden relaties. Het doel van de analyses is om

------------

1

Mandemakers, J., K. Leidelmeijer, F. Burema, R. Halbersma, M. Middeldorp & J. Veldkamp (2021). Leefbaarometer 3.0. Instrumentontwikkeling. Amsterdam: In Fact Research & Atlas Research.

2

Leidelmeijer, K. en J. Mandemakers (2022). Leefbaarheid in Nederland 2020: een analyse op basis van de Leefbaarometer 3.0. Amsterdam: In Fact Research & Atlas Research.

10

de kennis van de leefbaarheidsproblematiek te vergroten en om te signaleren welke problemen, waar samengaan. De analyses bieden handvatten om op lokaal niveau – al dan niet in meer kwalitatieve zin – nadere invulling te geven aan verdiepend onderzoek en de evaluatie en ontwikkeling van beleid. Aangrijpingspunten daarvoor zijn onder meer de identificatie van specifieke buurten waarin opvallende positieve of negatieve ontwikkelingen zijn gesignaleerd. Door in lokaal onderzoek op die gebieden te focussen en de ontwikkelingen te verbinden met de gepleegde beleidsinzet kunnen lessen worden geleerd van wat daar goed of juist minder goed is gegaan. De website www.leefbaarometer.nl en de via open data beschikbare onderliggende gegevens kunnen daarbij ondersteunen omdat van elk gebied zichtbaar kan worden gemaakt wat de ontwikkelingen zijn geweest en welke dimensies daarin een rol hebben gespeeld. De combinatie met andere bronnen, zoals in dit themarapport is gedaan met het dashboard Zicht op Ondermijning en de sociaaleconomische status van bewoners (SES), biedt de mogelijkheid om tot een meer volledige diagnose en daarbij passend beleid te komen. We hopen dat de analyses in dit rapport daarvoor als inspiratie kunnen dienen.

1.1

De Leefbaarometer

De Leefbaarometer geeft tot op laag schaalniveau (grids van 100 x 100 meter) en voor geheel Nederland een inschatting van hoe prettig mensen het vinden om ergens te wonen en hoeveel ze daarvoor over hebben. Dat doet de Leefbaarometer aan de hand van kenmerken van de woonomgeving die zijn ingedeeld in zogenaamde ‘dimensies’. De uitkomsten van de Leefbaarometer worden op kaartbeeld getoond op www.leefbaarometer.nl. Welke kenmerken van de woonomgeving het best kunnen worden gebruikt, wordt periodiek onderzocht. Dat is recent gedaan en heeft geleid tot een herijkt model: de Leefbaarometer 3.0. Nieuwe kenmerken zijn toegevoegd, zoals ervaren onveiligheid, verkeersongevallen, luchtkwaliteit en sociale cohesie. Kenmerken die mogelijk als stigmatiserend kunnen worden ervaren zijn weggelaten. Het model bevat in totaal 47 typen omgevingskenmerken, verdeeld over 94 afzonderlijke indicatoren en vijf dimensies. De dimensies van de Leefbaarometer 3.0 – die ook op kaartbeeld worden getoond – zijn: Fysieke omgeving, Woningvoorraad, Voorzieningen, Sociale samenhang, Overlast en onveiligheid. De eindscore en de onderscheiden dimensies geven een indruk van hoe het gesteld is met de leefbaarheid in een gebied en hoe deze zich ontwikkelt. Het instrument geeft daarmee

11

handvatten voor de richting waarin maatregelen voor verbetering van de leefbaarheid gezocht kunnen worden. Hoe de situatie ter plekke écht is, vraagt altijd om nader onderzoek omdat er lokaal zaken kunnen spelen die de Leefbaarometer niet (goed) meet.

12

2 Stijgers en dalers Wat kunt u verwachten bij dit thema? Inzicht in welke gebieden sterk verbeterden die eerder onvoldoende scoorden op de Leefbaarometer, waar die gebieden liggen, welke dimensies een rol speelden in de ontwikkeling en wat bewoners van hun buurt vinden. Dezelfde inzichten worden geboden voor gebieden die vanuit een zwakke en onvoldoende score verder verslechterden en voor gebieden waar de leefbaarheid nog niet onvoldoende is, maar waar wel een verslechtering is geweest (vroegsignalering). In de grotere steden zijn gemiddeld genomen meer negatieve en minder positieve ontwikkelingen. De ontwikkeling van onveiligheid lijkt daarin een sleutelrol te spelen. Het analyserapport Leefbaarheid in Nederland 2020 gaat in op de gebieden in Nederland waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Dat zijn de delen van wijken en buurten die al sinds 2014 een score ‘onvoldoende’ of ‘zwak’ hebben op de Leefbaarometer. Die gebieden zijn in het analyserapport op een aantal aspecten vergeleken met gebieden die vanuit een positie van ‘onvoldoende’ of ‘zwak’ in 2014 zijn verbeterd tot minimaal voldoende in 2020. In dit themarapport verbreden en verdiepen we het blikveld naar een drietal aanvullende, beleidsmatig relevante typen gebieden: 1.

Gebieden die verbeterden van een score onvoldoende in 2014 tot een score voldoende in 2020. Dit zijn de ‘succesgebieden’ waar de leefbaarheid aanzienlijk is verbeterd.

2.

Gebieden die verder verslechterden in de periode 2014-2020 terwijl ze in 2014 al een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ hadden. Dit is het meest kwetsbare deel binnen de gebieden die structureel onder druk staan.

3.

Gebieden die vanuit een score ‘voldoende’/onderste helft ‘ruim voldoende’ in 2014 een daling hebben laten zien in de periode 2014-2020. Dit zijn de gebieden waarvoor vroegsignalering aan de orde is: het tijdig onderkennen van een verslechtering van de leefbaarheid voordat er echt grote problemen zijn.

2.1 Van onvoldoende naar voldoende De groep gebieden met een verbetering van een score onvoldoende in 2014 tot een score voldoende in 2020 omvat in totaal 26 duizend woningen. Dit is circa 6% van de woningen die in 2014 een score onvoldoende hadden. Het is daarmee geen grote groep, maar wel een bijzondere. Een dergelijke verbetering betekent namelijk een omslag van rood naar groen op de Leefbaarometer en zal zelden ‘vanzelf’ zijn gegaan. Dit zijn de gebieden die zich

13

hebben weten te onttrekken aan het jojoën tussen en binnen de scores ‘zwak’ en ‘onvoldoende’, wat vrij vaak voorkomt in gebieden met problemen. We gaan van deze gebieden na: •

In welke wijken en buurten ze liggen;

•

Hoe en langs welke dimensies de verbetering vorm heeft gekregen;

•

Of de verbeteringen ook tot uiting komen in de oordelen van bewoners.

Delen van wijken en buurten die van onvoldoende naar voldoende gingen Bijlage 2 geeft een overzicht van alle buurten waarin minimaal vijftig woningen in een gebied liggen dat tussen 2014 en 2020 verbeterde van onvoldoende naar voldoende. Op die manier richten we de aandacht op buurten waar in een substantieel deel van de buurt zo’n verbetering heeft plaatsgevonden. Dit betreft 129 buurten in 54 gemeenten. Van deze buurten wordt in de bijlage ook getoond hoeveel woningen in een deel staan dat wel is verbeterd, maar waar die verbetering kleiner was. Dat wil zeggen: de verbetering leidde niet tot een score voldoende in 2020, maar tot bijvoorbeeld een score ‘zwak’ of minder ‘onvoldoende’. Tevens wordt aangegeven hoeveel woningen er in de betreffende buurt in een deel staan waar de leefbaarheid structureel onder druk staat volgens de definitie zoals die in het analyserapport is gehanteerd. Tot slot wordt het aandeel van een buurt waarin een verbetering was van onvoldoende naar voldoende weergegeven, evenals van kleinere verbeteringen vanuit onvoldoende. Er is geen overlap tussen delen van buurten die structureel onder druk staan en delen die verbeterden van onvoldoende naar voldoende. Dat zijn altijd verschillende delen van een buurt omdat in gebieden die structureel onder druk staan er geen score ‘voldoende’ is.

Er kan wel overlap zijn tussen gebieden met een kleinere verbetering vanuit onvoldoende en gebieden die structureel onder druk staan. Als een gebied ondanks een verbetering nog steeds zwak of onvoldoende scoort, geldt het - mits het ook aan de andere criteria voldoet die in het eerdergenoemde analyserapport zijn gehanteerd - als een gebied waar de leefbaarheid ’structureel onder druk’ staat. De ontwikkelingen binnen buurten en wijken waar verbeteringen zijn geweest van de onvoldoende delen, kunnen zeer verschillend zijn. Het is niet zo dat altijd de gehele buurt verbetert of dat er geen delen meer zijn waar de leefbaarheid onder druk staat. In de meeste gevallen (75% van de buurten) gaat het echter om wijken en buurten waar in 2020

14

geen substantiële delen meer zwak of onvoldoende scoorden (anders waren die als ‘structureel onder druk’ gekwalificeerd). In 25% van de gevallen gaan beide situaties echter samen: in een deel van de gebieden is er een ontwikkeling van onvoldoende naar voldoende, maar in andere delen blijft die ontwikkeling achter en staat de leefbaarheid nog steeds onder druk. Zo is bijvoorbeeld Sterrenkwartier Hoog in Nissewaard een buurt waar de leefbaarheid in een groot deel structureel onder druk staat (dat geldt voor 895 van de 1.010 woningen in die buurt). Voor 7% van de woningen in die buurt is er echter een verbetering geweest van onvoldoende naar voldoende en voor 5% was er een kleinere verbetering vanuit onvoldoende. Er kan ook sprake zijn van een soort tweedeling in een buurt. Zo zijn er in de buurt Boomplaats in Ossenkoppelerhoek in Almelo vergelijkbare aantallen woningen die in een deel liggen met verbeteringen van onvoldoende tot voldoende (180) als en die in delen liggen die structureel onder druk staan (150). Ook het aandeel van de buurt dat een verbetering van onvoldoende tot voldoende laat zien, kan verschillen. Zo gaat het in drie van de vier buurten in Wageningen om meer dan de helft van de woningen terwijl het bijvoorbeeld in Muziekwijk-Noord in Almere maar om 1% van alle woningen in de buurt gaat.

Vaak zijn er bij die kleine aandelen wel grotere delen waar ook een verbetering was, maar waar de verbetering niet reikte tot een score voldoende. Iets dergelijks is bijvoorbeeld te zien in de Kolenkitbuurt Noord in Amsterdam. Zo’n 4% van de woningen ligt in een gebied dat verbeterde van onvoldoende naar voldoende. Voor 52% van de woningen die in 2014 in een gebied stonden met een onvoldoende leefbaarheid was er wel een verbetering, maar een kleinere. Omdat voor een groot deel van de buurt de verbeteringen beperkt waren, is de buurt voor ruim de helft van de woningen nog steeds te kwalificeren als een gebied waar de leefbaarheid voor de meeste huishoudens structureel onder druk staat. Verschillen tussen gemeenten Van alle gebieden met een verbetering van een score onvoldoende naar een score voldoende zijn de meeste (naar aantallen woningen) te vinden in de G40. In absolute zin ligt 40% van alle woningen in een gebied dat een dergelijke positieve ontwikkeling doormaakte in de G40. Zowel in de G4 als in overig Nederland zijn er ongeveer 30% te vinden (zie Tabel 2.1). In relatieve zin hebben de gebieden met een onvoldoende score in 2014 zich het gunstigst ontwikkeld in overig Nederland.

Als daar een gebied was met een onvoldoende in 2014, was de kans groter dat dit in 2020 op een voldoende uitkwam dan in de G4 of de G40: 9% in overig Nederland en 6% en 4% in respectievelijk de G40 en G4 (zie Tabel 2.1). Omdat in de G4

15

en in mindere mate in de G40 grotere delen van de stad in 2014 onvoldoende scoorden, zijn daar in verhouding tot de woningvoorraad wel meer gebieden te vinden die zich van onvoldoende naar voldoende hebben ontwikkeld: 0,6% in de G4 tegenover 0,2% in overig Nederland (zie Tabel 2.1).

Tabel 2.1

Kwalificering van de gebieden met een verbetering van onvoldoende naar voldoende tussen en binnen de G4, G40 en overig Nederland

Gemeente-

tetype

2014 in gemeentetype

% van onvoldoende in

% van de woningvoor-

G4

29%

4%

0,6%

G40

40%

6%

0,4%

overig NL

31%

9%

0,2%

Totaal NL

100%

6%

0,3%

type

Aandeel per gemeen-

raad in gemeentetype

Dimensies van verbetering Gemiddeld genomen wordt de verbetering van de score op de Leefbaarometer in Nederland tussen 2014 en 2020 voor bijna de helft gerealiseerd door een verbetering op de dimensie Voorzieningen. Dat is anders in de gebieden die verbeterden van onvoldoende naar voldoende. In die gebieden levert de dimensie Overlast en onveiligheid de belangrijkste bijdrage aan de verbetering (Figuur 2.1). Een ander belangrijk verschil tussen de gebieden met een verbetering van onvoldoende naar voldoende en de gemiddelde ontwikkeling in Nederland heeft betrekking op de dimensie Sociale samenhang. Gemiddeld genomen was er in Nederland tussen 2014 en 2020 een – beperkte – daling te zien op deze score. In de gebieden die verbeterden van onvoldoende naar voldoende was de ontwikkeling ook op deze dimensie positief. Tot slot valt op dat de bijdrage van de dimensie Woningvoorraad aan de verbetering groot is in gebieden die verbeterden van onvoldoende naar voldoende. De bijdrage van deze dimensie aan de positieve ontwikkeling is zelfs nog wat groter dan die van de dimensie Voorzieningen. Kortom, de gebieden die verbeterden van onvoldoende naar voldoende deden dat volgens een duidelijk ander ‘pad’ dan dat waarlangs de gemiddelde verbetering in Nederland tot stand kwam.

16

Figuur 2.1 Ontwikkeling Leefbaarometer 2014-2020 uitgesplitst naar dimensies, gemiddeld in Nederland en voor gebieden met een verbetering van onvoldoende naar voldoende

Er is onderzocht of er binnen de groep gebieden die verbeterden van onvoldoende naar voldoende nog verschillende ‘paden’ zijn geweest waarlangs de verbetering is gerealiseerd. Daaronder verstaan we bijvoorbeeld dat in een groep gebieden een bepaalde dimensie doorslaggevend was voor de ontwikkeling en in een andere groep gebieden alle dimensies even belangrijk waren. Om daar achter te komen is een clusteranalyse uitgevoerd op de ontwikkelingsscores van de dimensies in de gebieden met een verbetering van onvoldoende naar voldoende. Als alle gebieden zich min of meer vergelijkbaar hebben ontwikkeld, ontstaat er één cluster. Als er verschillende ‘paden’ waren, ontstaan er meerdere clusters. Uit de analyse kwamen drie clusters (groepen gebieden) naar voren waar de ontwikkeling van onvoldoende naar voldoende op een andere manier tot stand is gekomen. Dat komt tot uiting in een andere verdeling van de bijdrage van de dimensies aan de totale ontwikkeling. Dit noemen we ‘paden van ontwikkeling’. De drie paden zijn weergegeven in Figuur 2.2. Het eerste pad noemen we het basispad. Dit basispad geldt in 85% van de gevallen. Het basispad lijkt sterk op het gemiddelde profiel. Alleen de dimensie Woningvoorraad is in het basispad wat minder prominent. De bijdrage van deze dimensie aan de positieve ontwikkeling is in dit pad namelijk kleiner dan die van de dimensie Voorzieningen.

In de groep gebieden waar de verbetering tot stand kwam via het tweede pad heeft de dimensie Woningvoorraad juist een zeer grote invloed op de ontwikkeling gehad. Dit pad is in

17

ongeveer 10% van de gevallen gevolgd. Ook de dimensie Sociale samenhang is in deze groep gebieden van relatief groot belang voor de positieve ontwikkeling. De dimensies Voorzieningen en Overlast en onveiligheid verbeterden betrekkelijk weinig in dit tweede pad. Als derde pad is er een groep gebieden waar de verbetering vooral tot stand is gekomen op de dimensie Overlast en onveiligheid. Net als in het tweede pad was hier ook een relatief grote verbetering te zien op de dimensie Sociale samenhang; de verbetering op de dimensie Voorzieningen was ook hier beperkt. De dimensie Woningvoorraad verbeterde niet in het derde pad.

Figuur 2.2 Paden van verbetering van onvoldoende in 2014 naar voldoende in 2020

In het tweede pad lijkt een deel van de verbetering samen te hangen met nieuwbouw. Waar het aandeel woningen van na 2010 in het basispad 10% is, ligt dat in het pad ’woningvoorraad’ op 20%. Toch is die nieuwbouw geen garantie voor een verbetering op deze dimensie. In de gebieden die vooral zijn verbeterd via een daling van de overlast en onveiligheid is het aandeel woningen dat na 2010 is gebouwd namelijk ook vrij groot met 16%. Dit is mogelijk omdat nieuwbouw zelf geen indicator is in de Leefbaarometer. De effecten van nieuwbouw kunnen wel – zij het indirect - zichtbaar worden in de indicatoren die zijn opgenomen in deze dimensie, bijvoorbeeld als de nieuwe woningen wat ruimer zijn dan de oude woningen of als nieuwbouw leidt tot een afname van het aandeel particuliere huurwoningen met een lage WOZ-waarde. Het is echter ook mogelijk dat deze dimensie verbetert

18

zonder dat er nieuw wordt gebouwd. Dat kan bijvoorbeeld als overbewoning wordt aangepakt, woningen worden samengevoegd waardoor ze ruimer worden, wanneer er minder eigenaren met een laag inkomen in koopwoningen wonen waar een hypotheekschuld op rust, of wanneer particuliere huurwoningen met een lage WOZ-waarde bijvoorbeeld worden verkocht aan een corporatie. Er is een sterke samenhang tussen de score op de Leefbaarometer in 2014 en het pad waarlangs de verbetering tot stand is gekomen (zie Figuur 2.3). Beide meer extreme paden zijn vooral gevolgd in de gebieden die een ‘zeer onvoldoende’ en in mindere mate ‘ruim onvoldoende’ score hadden in 2014. Het basispad is vooral meer gevolgd in de gebieden die ‘gewoon’ onvoldoende scoorden in 2014. De paden langs woningvoorraad en overlast en onveiligheid zijn dus vooral gevolgd in gebieden met meer extreme uitgangssituaties. Het is aannemelijk dat hier uitzonderlijke problematiek was, die zeer gericht (en blijkbaar effectief) is aangepakt.

Figuur 2.3 Paden van verbetering van onvoldoende naar voldoende naar de uitgangspositie in 2014

Oordelen van bewoners Om na te gaan of de positieve ontwikkelingen die de Leefbaarometer constateert ook doorklinken in de oordelen van bewoners kijken we naar de uitkomsten van het WoON 2021. We vergelijken daarbij hoe bewoners in gebieden die ontwikkelden van onvoldoende in 2014 naar voldoende in 2020 oordelen over hun buurt. We vergelijken die oordelen vervolgens met de oordelen van bewoners in de gebieden die in 2014 onvoldoende scoorden en een

19

kleinere verbetering lieten zien (die dus niet verbeterden tot een score voldoende, maar tot een score zwak of nog steeds, maar minder, onvoldoende) en met de gebieden die onvoldoende scoorden en niet zijn verbeterd. Voor het algemene beeld van de oordelen over de buurt kijken we naar de volgende vragen uit het WoON. 3 •

De tevredenheid met de woonomgeving;

•

Oordeel over de stelling “als het mogelijk is ga ik uit deze buurt verhuizen”;

•

Oordeel over de stelling “het is vervelend om in deze buurt te wonen”.

Zoals zou mogen worden verwacht, oordelen bewoners van gebieden die de grootste verbetering hebben doorgemaakt gunstiger over hun buurt dan de bewoners van gebieden die geen of een kleinere verbetering hebben doorgemaakt (zie Figuur 2.4). In de gebieden met een grote verbetering is een groter aandeel huishoudens zeer tevreden met de woonomgeving dan in de gebieden die niet zijn verbeterd of die een kleinere verbetering hebben doorgemaakt. Ook is men minder geneigd te verhuizen als de buurt is verbeterd en is men het minder eens met de stelling dat het “vervelend is om in deze buurt te wonen”.

Figuur 2.4 Bewonersoordelen in gebieden die zijn verbeterd van onvoldoende naar voldoende, onvoldoende gebieden met een kleinere verbetering en onvoldoende gebieden die niet zijn verbeterd

------------

3

Idealiter zouden we een oordeel over de ontwikkeling van de buurt hebben gebruikt, maar dat oordeel is niet (meer) beschikbaar in het WoON.

20

Ook de verschillende paden waarlangs de ontwikkelingen van de gebieden met een verbetering van onvoldoende naar voldoende zijn verlopen, klinken door in de oordelen van bewoners over hun buurt. 4 In gebieden die zijn verbeterd volgens het pad woningvoorraad zijn de bewonersoordelen gemiddeld genomen het gunstigst (zie Figuur 2.5). In het bijzonder bij de vraag over het onderhoud van de woningen in de buurt is het verschil met de gebieden die niet zijn verbeterd én de gebieden die het basispad volgden groot. In iets mindere mate geldt dat ook voor de vraag naar “de gezellige buurt waarin mensen elkaar helpen en samen dingen doen”. Dat komt overeen met het beeld in Figuur 2.2 dat in de gebieden die het pad woningvoorraad volgden ook de sociale samenhang een relatief grote verbetering liet zien.

Figuur 2.5 Bewonersoordelen voor gebieden met verschillende paden naar verbetering en voor gebieden die niet verbeterd zijn

Kortom, de verbeteringen van onvoldoende naar voldoende die in een aantal gebieden zijn gerealiseerd, klinken duidelijk door in de oordelen van de bewoners van die gebieden. Dat geldt voor zowel het algemene oordeel als meer specifieke oordelen over de buurt. In het bijzonder het pad waarlangs verbeteringen op de dimensie Woningvoorraad zijn gerealiseerd hangt samen met relatief positieve oordelen van bewoners van die gebieden. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat dit veelal nieuwe bewoners zijn. Driekwart van de huishoudens in het WoON in gebieden die zijn verbeterd volgens het pad woningvoorraad ------------

4

Het pad overlast en onveiligheid kan niet worden meegenomen omdat er te weinig respondenten in het WoON in die gebieden zijn.

21

zijn daar na 2014 komen wonen. In de gebieden die volgens het basispad zijn verbeterd is dat ongeveer de helft.

2.2 Zwak of onvoldoende én dalende leefbaarheid De tweede groep gebieden waar we nader naar kijken, zijn gebieden die in 2014 al zwak of onvoldoende scoorden en daarna verder verslechterden. Voor die verslechtering hanteren we dezelfde grens die ook op de website van de Leefbaarometer wordt gebruikt als verschil tussen ‘geen ontwikkeling’ en ‘verslechtering’. 5 We gaan dus niet in op gebieden met zeer kleine verslechteringen. In deze verder afglijdende gebieden stonden in Nederland anno 2020 ruim 75 duizend woningen. Het gaat om een relatief klein deel van de gebieden met een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ in 2014, namelijk 5,5%. Voor geheel Nederland is het aandeel gebieden waar de leefbaarheid tussen 2014 en 2020 is gedaald groter, namelijk 9%. Relatief veel gebieden met een onvoldoende of zwakke leefbaarheid hebben zich dus gunstig ontwikkeld. Dat maakt het des te relevanter om de 5,5% waarvoor dat niet opgaat nader te bekijken. Wijken en buurten In Bijlage 3 worden de buurten weergegeven waarin vijftig of meer woningen staan in gebieden met een zwakke of onvoldoende leefbaarheid in 2014 waarvan de score op de Leefbaarometer verder verslechterde tussen 2014 en 2020. Door de selectie te beperken tot buurten met minimaal vijftig woningen waarvoor dit opgaat, wordt ingezoomd op de buurten waarin dit dus in een substantieel deel van de buurt speelt.

In totaal gaat het om 295 buurten in negentig verschillende gemeenten. In circa twee derde van de buurten waar deze gebieden voorkomen, staan deze woningen in delen die in het rapport Leefbaarheid in Nederland 2020 zijn benoemd als gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Een derde van de buurten waar delen vanuit een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ verslechterden, is niet benoemd als een buurt waar (in een deel) de leefbaarheid structureel onder druk staat. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien vreemd. De reden is dat bij de selectie van gebieden die structureel onder druk staan ook selectiecriteria zijn gehanteerd waarin de schaal waarop de problematiek zich in de gemeente of agglomeratie voordoet worden meegewogen. Bijlage 3 laat een grote variëteit aan buurten zien in de mate waarin de verslechtering voorkomt in een buurt en hoe groot dit deel is ten opzichte van het deel van een buurt waar -----------5

Op de schaal van de Leefbaarometer gaat het dan om een verslechtering van minimaal 0,392 punten.

22

de leefbaarheid structureel onder druk staat. Zo zijn er buurten waar in een groot deel de leefbaarheid structureel onder druk staat én waar in een groot deel de leefbaarheid ook verder is verslechterd. Dit is bijvoorbeeld het geval in Zamenhofdreef en omgeving in Utrecht-Overvecht of Hoptille in Amsterdam-Zuidoost. Dat is duidelijk geen positief signaal. In andere buurten gaat het slechts om een klein deel dat verder is verslechterd en waar bovendien geen deel is aangemerkt als gebied waar de leefbaarheid structureel onder druk staat (zoals Hoofddorp-Oost in Haarlemmermeer of Hoek van Holland-Dorp). Er zijn ook buurten waar juist in een zeer groot deel de leefbaarheid structureel onder druk staat, maar slechts een klein deel verder is verslechterd. Dat is bijvoorbeeld het geval in GeinNoordwest in Amsterdam-Zuidoost of in de buurt Zijden, Steden en Zichten in Bouwlust en Vrederust in Den Haag. De meeste buurten nemen echter een tussenpositie in tussen deze extremen. Dan staat in een deel van zo’n buurt de leefbaarheid structureel onder druk en is in een deel daarvan de leefbaarheid substantieel verslechterd. In de andere delen van zo’n buurt kan de leefbaarheid zelfs verbeterd zijn, maar nog niet tot een niveau voldoende (zie paragraaf 2.1).

Verschillen tussen gemeenten De gebieden met een verdere verslechtering van de leefbaarheid bij een onvoldoende of zwakke uitgangspositie in 2014 zijn – gemeten naar het aantal woningen waar het om gaat – ongeveer in gelijke mate te vinden in de G4 en G40, respectievelijk 38% en 39% (zie Tabel 2.2). In overig Nederland komt dit type gebieden minder voor (23%).

Tabel 2.2

Verdeling van de gebieden met een verslechtering vanuit onvoldoende of zwak in 2014 tussen en binnen de G4, G40 en overig Nederland

Gemeentetype

Aandeel per gemeentetype

% van onvol-

% van de woning-

2014 in gemeente-

gemeentetype

7%

2,3%

doende/zwak in type

voorraad in

G4

38%

G40

39%

5%

1,2%

overig NL

23%

4%

0,4%

totaal

100%

6%

0,9%

Vooral in de G4 zijn er relatief veel gebieden waar de leefbaarheid in 2014 zwak of onvoldoende was, verder verslechterd: 7% vergeleken met 4% in overig NL (zie Tabel 2.2). Ook in relatie tot de woningvoorraad zijn er in de G4 relatief veel gebieden waar de leefbaarheid

23

in 2014 zwak of onvoldoende was die zich ongunstig ontwikkelden. Dit beeld is min of meer de contramal van de verhoudingen in Tabel 2.1. Samen leiden deze tabellen tot de constatering dat er in overig Nederland relatief veel gunstige en weinig ongunstige ontwikkelingen waren in de gebieden met een mindere leefbaarheid. In de G4 waren er juist vrij veel ongunstige en weinig gunstige ontwikkelingen in gebieden met een mindere leefbaarheid. De G40 nemen in beide gevallen een middenpositie in. Onder dit algemene beeld gaan grote verschillen tussen gemeenten schuil. Dat laat een vergelijking van Bijlagen 2 en 3 ook zien. Zo behoort Delfzijl noch tot de G4 noch tot G40, maar waren er toch veel gebieden met een ongunstige ontwikkeling. Delfzijl komt immers alleen voor in Bijlage 3 (ongunstige ontwikkelingen) en niet in Bijlage 2 (gunstige ontwikkelingen). Ook binnen gemeenten kunnen de ontwikkelingen verschillen. Zo zijn positieve ontwikkelingen van de gebieden met een mindere leefbaarheid in Utrecht vooral te vinden in Oost en Zuid, terwijl negatieve ontwikkelingen overheersen in Overvecht. Zelfs binnen buurten kunnen de ontwikkelingen verschillen. Als we bijvoorbeeld naar de buurt Osdorpplein e.o. in Amsterdam kijken, is te zien dat die buurt voor ongeveer 85% wordt gekwalificeerd als een buurt waar de leefbaarheid structureel onder druk staat.

Daar staat tegenover dat er in een flink deel van de buurt (34%) een beperkte gunstige ontwikkeling was (Bijlage 2). In 9% van de buurt was die ontwikkeling zo positief dat de score op de Leefbaarometer verbeterde van onvoldoende naar voldoende. Echter, in een klein deel van deze buurt (3%) ontwikkelde de score op de Leefbaarometer zich in een deel dat al zwak of onvoldoende scoorde in 2014 nog verder neerwaarts (zie Bijlage 3). Dimensies van ontwikkeling In Figuur 2.6 wordt de verdeling van de negatieve ontwikkeling over dimensies weergegeven voor de gebieden die tussen 2014 en 2020 verder verslechterden vanuit een score ‘zwak’ of ’onvoldoende’ in 2014. Deze ontwikkeling wordt vergeleken met de verdeling over dimensies van alle gebieden die tussen 2014 en 2020 een substantiële negatieve ontwikkeling doormaakten. 6 De totale negatieve ontwikkeling van de gebieden die al een zwakke of onvoldoende score hadden, is iets kleiner dan voor alle gebieden met een negatieve ontwikkeling. Maar gegeven het feit dat deze gebieden al zo’n lage score hadden, is dat verschil niet erg groot.

-----------6

Dus minimaal een negatieve ontwikkeling van 0,392 op de schaal van de Leefbaarometer.

24

Figuur 2.6 Ontwikkeling dimensies Leefbaarometer 2014-2020, gemiddeld in Nederland, voor de gebieden met een negatieve ontwikkeling en voor de gebieden met een negatieve ontwikkeling die al een zwakke of onvoldoende score hadden in 2014

De dimensie met de grootste impact op de negatieve ontwikkeling tussen 2014 en 2020 is Overlast en onveiligheid. Dat geldt zowel voor het totaal van de gebieden die een negatieve ontwikkeling doormaakten als voor de gebieden die begonnen met een zwakke of onvoldoende score. Voor de laatste groep is de dimensie Overlast en onveiligheid wel veel bepalender: ruim 80% van de negatieve ontwikkeling komt voor rekening van deze dimensie. Gemiddeld in Nederland is dat ruim 40%. In de gebieden met een negatieve ontwikkeling die al een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ hadden in 2014 is er gemiddeld genomen een kleine positieve ontwikkeling geweest op de dimensie Voorzieningen. De ontwikkeling op de dimensies Woningvoorraad, Sociale samenhang en Fysieke omgeving is licht negatief. Het draait in deze groep van gebieden dus vooral om overlast en onveiligheid. Hoewel het vrij duidelijk lijkt te zijn dat de dimensie Overlast en onveiligheid dominant is bij de verslechtering van gebieden die zwak of onvoldoende scoorden in 2014, is dat voor een minderheid van deze gebieden toch niet het geval. Clusteranalyse laat namelijk zien dat er verschillende paden zijn waarlangs de verslechtering heeft plaatsgevonden (zie Figuur 2.7). Voor ongeveer twee derde van de gebieden (gemeten naar het aantal woningen dat er staat) is het profiel vergelijkbaar met het gemiddelde.

Er is daarnaast één pad waarbinnen overlast en onveiligheid nóg meer verslechterden. Dat ging gemiddeld genomen samen met een relatief sterke verbetering op de dimensie Voorzieningen. Dit pad is gevolgd in bijna een op de vijf gevallen (19%). In nog eens 11% van de gevallen is een pad gevolgd

25

waarin er in mindere mate een verslechtering was op overlast en onveiligheid en juist een sterke verslechtering op de dimensies Voorzieningen en Fysieke omgeving. En voor een kleine 5% is in het bijzonder de dimensie Woningvoorraad verantwoordelijk geweest voor de verslechtering. In deze gebieden was er gemiddeld genomen een verbetering op de dimensie Voorzieningen en in mindere mate op de dimensie Sociale samenhang.

Figuur 2.7 Paden van verslechtering vanuit zwak of onvoldoende in 2014

De paden van verslechtering hangen minder sterk samen met de uitgangspositie in 2014 dan de paden van verbetering (vergelijk Figuur 2.8 met Figuur 2.3). Voor zowel het basispad als het pad ‘overlast en onveiligheid’ geldt dat het niet systematisch vaker of minder vaak is voorgekomen in relatie tot de uitgangssituatie in 2014. Dat ligt anders voor de twee minst frequente paden. Een verslechtering die vooral samenhangt met een afname van voorzieningen en fysieke omgeving is meer voorgekomen in gebieden met een relatief gunstige uitgangspositie. Het omgekeerde geldt voor het pad van de woningvoorraad: een (verdere) verslechtering op deze dimensie kwam juist vaak voor in gebieden die al een ongunstigere uitgangspositie hadden.

26

Figuur 2.8 Paden van verslechtering naar de score op de Leefbaarometer in 2014

Oordelen van bewoners Om een indruk te krijgen van de mate waarin de ongunstige ontwikkelingen doorwerken in de oordelen van bewoners, is gekeken naar de uitkomsten van het WoON 2021. We vergelijken de groep gebieden die daalden vanuit een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ in 2014 met: •

Gebieden met dezelfde beginscore in 2014 (maar die niet verslechterden tussen 2014 en 2020);

•

Gebieden met dezelfde eindscore in 2020 (maar die niet verslechterden tussen 2014 en 2020).

In gebieden die daalden vanuit een zwakke of onvoldoende uitgangspositie in 2014 zijn de bewonersoordelen ongunstiger dan in de beide referentiegroepen (zie Figuur 2.9) Dat is voor de gebieden met dezelfde beginscore in 2014 maar die niet daalden begrijpelijk omdat in deze gebieden de leefbaarheid in 2020 gunstiger moet zijn geweest dan in de gebieden die wel verslechterden. Opvallender is dat het ook geldt voor de gebieden met eenzelfde eindscore (maar waar de leefbaarheid niet daalde). In het bijzonder op de stelling “het is vervelend om in deze buurt te wonen” is het oordeel van de bewoners in gebieden waar de leefbaarheid daalde vanuit zwak of onvoldoende ongunstiger dan in de gebieden met eenzelfde score in 2020, maar waar geen daling is geweest. Dat suggereert dat niet alleen het niveau van leefbaarheid, maar ook de ontwikkeling daarvan doorklinkt in bewonersoordelen.

27

Figuur 2.9 Bewonersoordelen in gebieden die zijn verslechterd vanuit zwak of onvoldoende in 2014 vergeleken met gebieden met dezelfde begin- of eindscore die niet verslechterden

De verschillende paden waarlangs gebieden verslechterden, hebben in beperkte mate invloed op de oordelen van bewoners (zie Figuur 2.10). 7 Het belangrijkste onderlinge verschil is te vinden op de vraag naar ervaren onveiligheid. Zowel in gebieden die het basispad volgden als in gebieden die het pad van (verslechtering van) overlast en onveiligheid volgden, is een relatief groot aandeel bewoners bang te worden lastiggevallen of beroofd in de eigen buurt. Dat aandeel is groter dan in de gebieden die verslechterden langs het pad van voorzieningen en de fysieke omgeving, maar ook groter dan in de vergelijkingsgroepen met dezelfde beginscore en met dezelfde eindscore. Dit onderstreept nog eens het belang van de dimensie Overlast en onveiligheid bij de verslechtering van gebieden vanuit een zwakke of onvoldoende positie.

------------

7

Het pad van woningvoorraad kon niet worden onderzocht door het te kleine aantal respondenten in het WoON dat in een dergelijk gebied woont.

28

Figuur 2.10 Bewonersoordelen voor gebieden met verschillende paden naar verslechtering vanuit zwak of onvoldoende in 2014 en voor gebieden met eenzelfde begin- of eindscore die niet zijn verslechterd

2.3 Vroegsignalering De derde groep gebieden die we in dit hoofdstuk uitlichten, zijn de gebieden die in 2014 nog voldoende of in de onderste helft van ruim voldoende scoorden, maar waarvan tussen 2014 en 2020 de score is gedaald. Daarbij onderscheiden we twee gradaties van daling: 1.

Een mindere ontwikkeling dan het landelijke gemiddelde (dus relatieve verslechtering);

2.

Een absolute verslechtering.

Voor die verslechtering hanteren we dezelfde grens die ook op de website van de Leefbaarometer wordt gebruikt als verschil tussen ‘geen ontwikkeling’ en ‘verslechtering’. 8 We richten ons dus niet op alle gebieden die een verslechtering lieten zien maar alleen op de gebieden waar die verslechtering betekenisvol was. Wijken en buurten Anders dan voor de gebieden die in de vorige paragrafen zijn besproken, geven we geen overzicht van de buurten en wijken waarvoor vroegsignalering aan de orde is. Dit om te voorkomen dat in deze gebieden (waar vaak nog niet veel aan de hand is) een selffulfilling -----------8

Op de schaal van de Leefbaarometer gaat het dan om een verslechtering van minimaal 0,392 punten. Bij een relatieve negatieve ontwikkeling rekenen we die ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling in Nederland. Dat komt neer op een ontwikkelingsscore die negatiever is dan –0,005. Bij een absolute negatieve ontwikkeling gaat het om een ontwikkeling ten opzichte van de score 0, dus een ontwikkeling die negatiever is dan –0,392.

29

prophecy ontstaat. We beschrijven de gebieden in meer algemene termen, waarbij we wel uitgaan van gebieden waar minimaal vijftig woningen zijn voor de absolute negatieve ontwikkeling en/of gebieden waar minimaal 250 woningen staan voor de relatieve negatieve ontwikkeling. Bij die laatste selectie hanteren we een strenger criterium dan N=50 omdat een relatieve verslechtering logischerwijs beduidend meer voorkomt. In totaal voldoet een grote groep van 612 buurten in 176 gemeenten aan de genoemde criteria. In 585 buurten is er (in een of meerdere delen van de buurt) een absolute negatieve ontwikkeling. Het aantal buurten met alleen een relatieve verslechtering is dus beperkt (27 van de 612). Er zijn vanzelfsprekend wel meer buurten waar er een relatieve verslechtering is geweest van gebieden die (net ruim) voldoende scoren, maar dan gaat het om gebieden met minder dan 250 woningen. De gebieden die in 2014 nog een score (net ruim) voldoende hadden en daarna verslechterden (absolute vroegsignalering) tellen ruim 100 duizend woningen. Dit is 5,2% van alle woningen die in 2014 dezelfde uitgangspositie hadden (Tabel 2.3). De gebieden met een relatieve verslechtering en dezelfde uitgangspositie (relatieve vroegsignalering) tellen bijna 300 duizend woningen. Dat gaat om 15% van de gebieden met een score voldoende of net ruim voldoende in 2014.

In een kleine 20% van de buurten waarvoor vroegsignalering aan de orde is, zijn ook delen te vinden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Vaak zijn de delen van een buurt waar de leefbaarheid structureel onder druk staat groter dan de delen waar vroegsignalering speelt. Maar er zijn ook gemeenten waar beide elkaar binnen een wijk meer in evenwicht houden of waar de verhouding omgekeerd is. Verschillen tussen gemeenten Verdeeld over het land is meer dan de helft van de gebieden waarvoor vroegsignalering speelt te vinden buiten de G4 en G40: 52% van het totaal met een absolute verslechtering en 57% met een relatieve verslechtering ligt in overig Nederland (zie Tabel 2.3). Dat komt niet doordat de ontwikkeling van deze gebieden in overig Nederland relatief ongunstig was, maar doordat er in overig Nederland meer gebieden waren die in 2014 op voldoende of net ruim voldoende uitkwamen dan in de G4 of G40.

30

Tabel 2.3 Verdeling van de gebieden met een relatieve en absolute verslechtering vanuit een score voldoende of net ruim voldoende tussen en binnen de G4, G40 en overig Nederland % van totaal met verslechtering vanuit

voldoende/net ruim vol-

% van voldoende/net

ruim voldoende in 2014 in gemeentetype

doende per

Gemeentetype

gemeentetype

% van woningvoorraad in gemeentetype

relatief

absoluut

relatief

absoluut

relatief

absoluut

G4

10%

12%

11%

4,8%

2,3%

1,0%

G40

33%

37%

15%

5,7%

4,1%

1,6%

overig NL

57%

52%

16%

4,9%

3,8%

1,2%

totaal

100%

100%

15%

5,2%

3,6%

1,3%

Het gemeentetype waar in verhouding tot het aandeel gebieden met een score (net ruim) voldoende in 2014 veel vroegsignaleringsgebieden te vinden zijn, is de G40. In die gemeenten verslechterde in gemiddeld 5,7% van deze groep de score op de Leefbaarometer in absolute zin (zie Tabel 2.3). In de G4 was dat 4,8% en in overig Nederland 4,9%. De vroegsignaleringsproblematiek speelt landelijk en lijkt in de G40 een bovengemiddelde rol te spelen. Bouwperiodes In gebieden met een score (net ruim) voldoende staan relatief vaak (vergeleken met de totale voorraad) woningen uit de bouwperioden tussen 1961-1990 (zie Figuur 2.11). Het aandeel van die bouwperioden is binnen die gebieden (donkergrijs) groter dan het aandeel van die bouwperiode in de totale voorraad (donkerblauw).

31

Figuur 2.11 Verdeling bouwperiodes (in 2020) over de totale voorraad, gebieden met een score (net ruim) voldoende in 2014 en vroegsignaleringsgebieden

Binnen de periode van 1961-1990 komen gebieden waar vroegsignalering aan de orde is verhoudingsgewijs veel voor in de bouwperiode 1961-’70. Deze bouwperiode komt namelijk ook veel veel voor in de vroegsignaleringsgebieden (lichtgrijs en oranje) vergeleken met alle gebieden die in 2014 (net ruim) voldoende scoorden (donkergrijs). Ook voor gebieden uit de bouwperiode 1945-1960 is vroegsignalering relatief vaak aan de orde. In gebieden met vooroorlogse woningen en woningen van na 1990 speelt vroegsignalering weinig. Er is daarop één uitzondering: in de recente bouw is er relatief vaak sprake van een absolute daling van de score op de Leefbaarometer geweest tussen 2014 en 2020 in de gebieden die in 2014 nog voldoende of net ruim voldoende scoorden. Dimensies van ontwikkeling De dimensie die het meest bijdraagt aan de ongunstige ontwikkeling van gebieden met een score (net ruim) voldoende in 2014 is Overlast en onveiligheid (zie Figuur 2.12).

32

Figuur 2.12 Ontwikkeling dimensies Leefbaarometer 2014-2020, gemiddeld in Nederland, voor de gebieden met een negatieve ontwikkeling en voldoende of net ruim voldoende score in 2014

Zowel in de gebieden waarbij de ontwikkeling achterbleef bij de gemiddelde ontwikkeling in Nederland (relatief) als in de gebieden met een absolute negatieve ontwikkeling draagt de dimensie Overlast en onveiligheid voor meer dan de helft bij aan de negatieve ontwikkeling. Het belangrijkste verschil tussen beide groepen is te vinden op de dimensie Voorzieningen. In de groep met alleen een relatieve verslechtering is er een kleine verbetering op deze dimensie. In de groep met een absolute negatieve ontwikkeling is die verbetering er niet. Aanvullend is er in de groep met een absolute verslechtering ook een grotere negatieve ontwikkeling op de dimensies Woningvoorraad, Fysieke omgeving en Sociale samenhang. De absolute verslechtering van de gebieden die in 2014 nog een score (net ruim) voldoende hadden, kan langs meerdere paden lopen. Clusteranalyse laat zien dat er zeker zes verschillende paden kunnen worden onderscheiden (zie Figuur 2.13). Anders dan bij de gebieden die zich (ofwel positief ofwel negatief) ontwikkelden vanuit zwak of onvoldoende in 2014 is er geen duidelijk dominant basispatroon, maar zijn er twee grote clusters en nog een viertal kleinere clusters van ontwikkelingen.

33

Figuur 2.13 Paden van verslechtering (absoluut) vanuit voldoende of net ruim voldoende

Het eerste basispad lijkt het meest op het gemiddelde patroon bij absolute vroegsignalering (zie Figuur 2.12), maar met een wat minder sterke invloed van overlast en onveiligheid en iets meer invloed van woningvoorraad. Het tweede basispad dat in 31% van de gebieden wordt gevolgd wijkt sterker af van het gemiddelde patroon. Hier komt de verslechtering vooral voort uit twee dimensies: Overlast en onveiligheid en Sociale samenhang. Op het gebied van voorzieningen is er een plus in dit pad, maar dat kan de negatieve ontwikkelingen niet compenseren. De vier meer specifieke paden waarlangs de verslechtering in de (absolute) vroegsignaleringsgebieden tot stand is gekomen zijn: fysieke omgeving, overlast en onveiligheid, woningvoorraad en voorzieningen. Van deze vier wordt het pad van de verslechtering door de fysieke omgeving door de minste gebieden gevolgd (7%) en dat van een verslechtering van voorzieningen door de meeste (11%). In elk van deze vier paden daalt de sociale samenhang. De dimensie Overlast en onveiligheid daarentegen verslechtert niet of nauwelijks in de paden fysieke omgeving en woningvoorraad. De gevolgde paden komen niet meer of minder voor in relatie tot de score op de Leefbaarometer in 2014. Er zijn wel verschillen als naar het gemeentetype wordt gekeken (zie Tabel 2.4).

In het bijzonder het pad van (verslechtering van) overlast en onveiligheid komt veel voor in de G4 en geldt daar bijna als een derde basispad. De paden woningvoorraad en voorzieningen komen relatief veel voor in de G40. In overig Nederland worden de basispaden wat vaker gevolgd.

34

Tabel 2.4 Paden van verslechtering naar gemeentetype G4

G40

overig NL

basis 1 (33%)

34%

24%

39%

basis 2 (31%)

27%

24%

37%

fysiek (7%)

9%

8%

6%

overlast en onveiligheid (9%)

21%

7%

7%

woningvoorraad (8%)

2%

14%

6%

voorzieningen (11%)

2%

23%

5%

Oordelen van bewoners In gebieden waar vroegsignalering speelt zijn de oordelen van bewoners gemiddeld ongunstiger dan in gebieden met eenzelfde beginscore, maar waar geen daling heeft plaatsgevonden (zie Figuur 2.14). En dat is meer het geval voor de groep absolute dalers dan voor de groep relatieve dalers. De oordelen van bewoners gaan dus gelijk op met de ontwikkeling van de gebieden en de resulterende eindscore. In de gebieden waar de score niet verslechterde maar die een vergelijkbare eindscore (2020) hadden, zijn de oordelen wat ongunstiger dan in de vroegsignaleringsgebieden (zie Figuur 2.14). Dat doet vermoeden dat de vroegsignaleringsgebieden op andere punten dan de eindscore op de Leefbaarometer verschillen van de gebieden die wel dezelfde eindscore hebben, maar niet zijn gedaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12889255/1