CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

07.CvM; Zienswijze Energiemodule-Stichting Windmolens N57 Nee

Gemeenteraad 14 september 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken en mededelingen6.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan Gedeputeerde Staten Postbus 90602 2509 LP Den Haag Hellevoetsluis, 2 augustus 2022

Geachte gedeputeerde, Als voorzitter van de Stichting Windmolens N57 Nee! dien ik onze zienswijze in op het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie in. Ik teken hierbij aan dat ik mij het recht voorbehoud om aanvullingen te doen tot er geen sprake meer is van een redelijke termijn tot het uitkomen van de nota van beantwoording / zienswijzen nota.

Algemeen 1.1 Consequenties uitspraak Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020 SMB-richtlijn De kern van de uitspraak van de Raad van State (RvS) betreft het niet voldoen aan de Strategische Milieu Beoordelings-richtlijn (verder te noemen SMB-richtlijn) en Unierecht, waardoor de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit- en regeling buiten werking zijn gesteld. Al verschillende keren heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitgesproken dat wanneer men beoogt een windturbine te plaatsen of daar zelfs premature planvorming voor heeft, maakt of vaststelt of voornemend is vast te stellen, de SMB-richtlijn gevolgd moet worden. Hoewel in onze taal een richtlijn vrijblijvend lijkt, is dit in de Europese Verdragen een wetgevingsinstrument, dat wordt gebruikt om de bepalingen van deze verdragen vorm te geven. De richtlijn vormt daarbij een bindende opdracht aan de lidstaten om hun wetgeving aan te passen. Omdat deze richtlijn niet hier te lande correct is geïmplementeerd, vormt deze een evidente schending van het Unierecht. En doordat de termijn is verstrekken waarbinnen de SMB richtlijn omgezet had moeten worden in bindende wetgeving heeft deze in Nederland nu thans een directe werking. Hierdoor zijn de windturbinebepalingen in het Activiteiten Besluiten Regeling buitenwerking gesteld. Dit betekent dat er voor het opstellen van vervangende c.q.

nieuwe windturbinebepalingen eerst een planMer moet plaatsvinden. Doel van de planMer is om plannenmakers te dwingen om al in een vroegtijdig stadium van de planvorming na te denken over de milieugevolgen en deze mee te nemen bij het maken van strategische keuzen. Bevoegde nationale autoriteiten inclusief rechterlijke instanties zijn verplicht om in het kader van hun bevoegdheden alle noodzakelijke maatregelen te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen. Daarbij mogen Unieregels niet worden omzeild of buiten toepassing worden gelaten. Dat wil zeggen dat het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie en bijbehorende MER, moet voldoen aan het gestelde in de SMB-richtlijn en hieraan getoetst moet kunnen worden. Op grond van de SMB-richtlijn moet vooraf met wetenschappelijke zekerheid worden vastgesteld dat geen verslechtering in de leefomgeving optreedt. Die bepalingen zijn voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk. Daarbij dient het aspect gezondheid een zelfstandig onderdeel te zijn dat in de breedste zin getoetst moet zijn, voordat de windturbinebepalingen Leefomgeving worden vastgesteld en inwerking zijn.

1

Conclusie ten aanzien van het gehele document De SMB-richtlijn heeft directe werking en kan niet worden omzeild of buiten toepassing worden gelaten. De ter inzage gelegde ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie dient daarom rekening te houden met de voorwaarden die gesteld zijn in deze SMB-richtlijn en deze nader uit te werken. Dit is niet tot onvoldoende gebeurd. Het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie (verder te noemen dit Ontwerp) biedt geen deugdelijk materieel toetsingskader, terwijl er wel degelijk verbanden bestaan tussen windturbines en mogelijke veroorzaking van gezondheidsschade. Maar wordt geheel buiten beschouwing gelaten en niet meegenomen in de MER.

Opmerkingen ten aanzien van dit Ontwerp 1. Voorgestelde wijziging Afdeling 6.2 Bestemmingsplannen, paragraaf 6.2.9 Energie, artikel 6.28, 3de lid: In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.

2. Omgevingsprogramma windenergie op land Ontwerpend onderzoek : - We starten, naar aanleiding van inbreng in het participatieproces rond de RES’en, een onderzoek (onder meer de relatie met ruimtelijke kwaliteit) naar grotere windturbines op boerenerven (tot 35 meter as-hoogte); - Ontwerpend onderzoek naar toekomstige opstellingen van windenergie (hoge en middelhoge turbines) vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit.

Reactie 1 of 2, kleine en middelgrote windturbines - vrijhouden middengebied Voorne-Putten In dit Ontwerp wordt door de wijziging van artikel 6.28, 3de lid gemakshalve ten behoeve van de energietransitie kleine windturbines met een max ashoogte van 15 m en middelgrote windturbines met een max ashoogte van 35-45 meter toegelaten in bestemmingsplannen. Dit betekent een extra belasting van de leefomgeving zonder dat deze wijziging MERgetoetst is conform de SMB-richtlijn. De keuze voor deze ashoogte is bovendien niet onderbouwd. Deze voorgestelde wijziging kan daarom op basis van dit Ontwerp en bijbehorende MER die nu ter inzage ligt niet zonder meer worden doorgevoerd. Daarbij komt dat veel ter beoordeling aan de gemeente wordt overgelaten. Omdat de wijziging niet spreekt over maximaal toegestane aantallen windturbines zal de gemeente voor het bepalen daarvan verantwoordelijk zijn. Hier komt duidelijk het behoud van open landschap in het geding wanneer er geen beperking in aantallen te mogen plaatsen windturbines wordt gegeven door de provincie. Het ontstaan van een windpark met kleine tot middelgrote windturbines behoort opeens daardoor tot de mogelijkheden. Hoe verhoudt dit zich met de zorgvuldig tot stand gekomen locaties windenergie op kaart 16.

Zijn die dan alleen nog geschikt voor de grote tot zeer grote windturbines? In ieder geval leidt deze wijziging tot verandering van het open (agrarisch) landschap naar een industrieel landschap dat voor met name Voorne Putten zeer onwenselijk is. De gemeenten op Voorne Putten doen er alles aan om het midden gebied windturbine vrij te houden en de benodigde 2

windturbines aan de buitenzijde van het eiland te formeren. Deze wijziging haalt dit aspect onderuit. Mocht de uitzondering in de uitspraak van de RvS dat 1-2 windturbines op een boerenerf geen windpark zijn in de zin van de MER-regelgeving aangevoerd worden, dan wil dat niet zeggen dat artikel 3, lid c van dit Verdrag daardoor niet van toepassing is. Immers is het wetenschappelijk uitgesloten dat 1-2 windturbines geen aanzienlijk milieueffect hebben op de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid? Nu steeds meer geluiden van specialisten op het gebied van geluid en die van omwonenden die op minimaal 500 meter van een windturbine wonen duiden op een ernstige verstoring van hun leefomgeving. ”. Uit de SMB richtlijn vloeit tevens de verplichting voort om de mogelijk aanzienlijke milieueffecten voor de bevolking en de gezondheid van de mens in kaart te brengen. (Bijlage I onder c en f).De milieueffecten betreffen bij windturbines niet alleen geluid. Door erosie komen (bewezen) giftige deeltjes vrij. Dit geldt ook voor 1-2 , kleine en middelgrote windturbines. 3. Artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening In het kader van deze herziening is in dit ontwerp een voorstel voor de aanpassing van artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (bij inwerkingtreding van de Omgevingswet) voorgesteld.

Met de aanpassing van dit lid wil de provincie duidelijker zijn over de omvang van de mogelijke uitbreiding van bestaande locaties voor windenergie. Met deze regel in de verordening wordt ruimte geboden om uitbreiding van bestaande locaties mogelijk te maken en daarmee ruimte te bieden om het aandeel opwek van windenergie te kunnen vergroten. In de huidige voorstellen is opgenomen dat de uitbreiding niet meer kan zijn dan een verdubbeling van de huidige vastgestelde windlocaties op kaart 16 behalve windpark Spui. De provinciale criteria en uitgangspunten, voor onder meer landschappelijke inpassing, ruimtelijke kwaliteit, participatie en draagvlak, blijven van kracht. We willen de zienswijze periode gebruiken om input te krijgen op de precieze formulering en omvang van deze uitbreidingsmogelijkheid en vragen daarom nadrukkelijk input hierop.

Reactie De voorgenomen aanpassing van artikel 7.76 met de mogelijke uitbreiding van bestaande locaties voor windenergie, waarbij de uitbreiding niet meer kan zijn dan een verdubbeling van de huidige vastgestelde windlocaties op kaart 16, behalve windpark Spui, is de vraag hoe deze wijziging gelezen kan worden. Kunnen er in aantal eenzelfde aantal locaties nog bijkomen of kunnen de bestaande locaties uitgebreid worden, zodat die locatie tweemaal zo groot kan worden. Door uitsluiting van windpark Spui lijkt met de wijziging het laatste te worden beoogd > Vergroten van de bestaande locaties naar een maximum van een dubbel oppervlakte. Deze voorgestelde wijziging is opmerkelijk te noemen. Waar, bij het vaststellen van de vastgestelde windlocaties op kaart 16 een heel traject middels het ‘Startdocument PLANMER PARTIËLE HERZIENING VRM WINDENERGIE ZUID-HOLLAND Provincie ZuidHolland in 2015 en de Partiele herziening Visie ruimte en mobiliteit Windenergie en planMER Partiele herziening VRM Windenergie Zuid-Holland is doorlopen, lijkt nu een simpele wijziging van artikel 7.76 te leiden tot een verdubbeling van deze locaties. Aan deze voorgenomen wijziging is geen participatie traject vooraf gegaan en evenmin hebben gemeenten de gelegenheid gekregen om akkoord te gaan met de mogelijkheid van verdubbeling van deze locaties. Sterker nog de in de Partiële herziening opgenomen locaties 3

zijn allen destijdsmet medewerking van de gemeenten (met uitzondering Albrandswaard) tot stand gekomen locaties. Er lijkt hierdoor sprake van het veranderen van de spelregels tijdens het spel en dat kan en mag als overheid niet de bedoeling van haar handelen zijn. De vraag is of de voorgestelde wijziging daarom de juiste procedure is, gelet op het effect dat deze wijziging heeft op zowel ruimtelijke ordeningsgebied als op het gebied van milieu, het gebrek aan participatie en te creëren draagvlak. 4. Aanpassingen Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma Energietransitie Naast de vaststelling van de RES’en vormt het advies van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) over de RES’en “meer dan zon en wind alleen” aanleiding voor aanvulling van het omgevingsbeleid. In het advies geeft de PARK aan dat ruimte en landschap nog geen volwaardig onderdeel zijn van de RES1.0. Ook andere partijen geven dit aan in hun documenten, zoals het advies van het College voor Rijksadviseurs (CRa), de monitor van PBL en het PAL-advies ‘startnotitie module energietransitie. Met het voorstel in deze herziening stimuleert de provincie om landschap en ruimte een stevig onderdeel laten worden van het energiedebat. Niet als tegenhanger van de energievraagstukken, maar samen optrekkend om te werken aan een mooier en schoner Zuid-Holland.

Reactie 1 De provincie heeft een opdracht liggen om ruimte en landschap een volwaardig onderdeel te laten zijn van de RES. In een eerder ingediende zienswijze op de RES 1.0 is hierover de volgende opmerking geplaats, die ook relevant is voor dit Ontwerp en bijbehorende MER: Integrale afweging landschap ontbreekt De omvang van de landschapsschade blijft in de RES 1.0 onduidelijk voor de burgers van de regio, er dreigt nu versnipperd beleid. Daardoor wordt bestuurders de mogelijkheid onthouden om de RES 1.0 te beoordelen op maatschappelijke acceptatie en op concrete milieueffecten. Onderzoek daarom de integrale visie van de Rijksadviseur voor het landschap, (Berno Strootman https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2019/10/17/via-parijs/) zodat plannen met elkaar samenhangen om verrommeling van het landschap te voorkomen. De RES 1.0 besteedt geen aandacht aan het conflict van ruimte-intensieve energie en privaat eigendomsrecht onder dreiging van de Crisis- en Herstelwet. De RES 1.0 gaat ook hier slechts op hoofdlijnen deels op in waardoor de reikwijdte van de gevolgen van dit besluit tot vaststelling niet zijn te overzien en derhalve ook hier niet zijn meegenomen in het besluit. Hierdoor is onbekend of de nadelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden van dit besluit onevenredig in verhouding zijn tot de met het besluit te dienen doelen (art.

3.4, lid 2 AWB).

Reactie 2 In dit Ontwerp en bijbehorende MER wordt eveneens niet ingegaan waarom windturbines op land (nabij kwetsbare) objecten het minst slechtste alternatief is. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de exploitatiefase, maar ook naar de aanleg en sloop, de totale levensfase van in dit geval een opwekker. Zoals eerder aangegeven is er tijdens de levensfase van een windturbine sprake van effect op de leefomgeving door erosie. Doordat dit in het grondwater komt is het effect gebied rondom een windturbine vele malen groter dan het zetten van een cirkel met een straal van 1000 meter. Dat de wet op dit moment aangeeft dat bij een omgevingsvergunning de uitstoot van de aanlegfase niet betrokken hoeft te worden doet hier niets aan af (los van hoe juridisch 4

houdbaar deze wet is). Deze regelgeving inzake stikstof mag niet “verward” worden met de zeer duidelijke voorwaarden die gesteld worden aan een MER /mer. Dit Ontwerp moet erin voorzien dat er een onderbouwing komt waarom er windturbines op land moeten komen en er dient aangetoond te worden dat windturbines op land (nabij kwetsbare objecten) de minste impact heeft op het milieu en de leefomgeving. Met name gelet op het voornemen om de bestaande locaties te verdubbelen. Dit Ontwerp en bijbehorende MER gaan met een te smalle scope van het gegeven uit, dat het plaatsen van windturbines op land de oplossing is, de minst vervuilende en minst het milieu verstorende oplossing om (duurzaam) energie op te wekken. Daarbij is de scope van dit Ontwerp geheel gericht op het kunnen plaatsen van windturbines en zijn alle genoemde alternatieven en milieuaspecten op deze wijze gemotiveerd en beschreven. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat het kenmerk van een milieueffectrapportage is, dat initiatiefnemer en bevoegd gezag zich niet kunnen blindstaren op één specifieke oplossing. Er moeten alternatieven uitgewerkt en onderzocht worden. (bron: Infomil- welke alternatieven). Het plaatsen van zonnepanelen is slechts een stukje van die oplossing. Reactie 3 Het provinciaal omgevingsbeleid is continu in beweging.

Voor de energietransitie zijn er nieuwe plannen gemaakt, zoals in de RES1.0 en de CES. Om te zorgen dat deze plannen verder uitgewerkt en uitgevoerd kunnen worden, wijzigen wij de module Energietransitie in ons omgevingsbeleid.

“De kwaliteit van de uitvoering bepaalt de geloofwaardigheid van de overheid” * Tjeenk Willink Deze uitspraak is actueel gelet op de toeslagenaffaire. Het betreft niet slechts de uitvoering van operationele processen, maar is primair van belang bij strategische processen waar de RES er één van is en die thans nog in de kinderschoenen staat van de uitvoering. U geeft aan dat u daarom de module Energietransitie in het omgevingsbeleid wijzigt. Ook hier geldt dat de uitvoering van de RES, ondersteunt door de voorgenomen wijzigingen, de geloofwaardigheid van de overheid bepaalt. Echter aan de basis van de RES ontbreekt bij aanvang al democratische legitimiteit en worden niet alle kosten meegenomen in de beeldvorming en belangenafweging. Hoe kan de uitvoering dan realistisch en succesvol zijn? Dat hierover twijfels zijn, blijkt uit de position paper van de VNG in oktober 2018 onder ‘Opmerkingen VNG bij de begroting van EZK’ waarin gewezen wordt op het feit dat het Klimaatakkoord moet zorgen voor haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. De door EZK gereserveerde 12,5 miljoen Euro is door de VNG destijds als niet toereikend beoordeeld, nog los van de hoge uitvoeringskosten die gemeenten zien aankomen. We brengen dit anno 2022 graag nog een keer onder uw aandacht, omdat er niets veranderd lijkt en de kosten eerder lijken toe te nemen.

Berekeningen van het PBL in 2020 lijken niet te kloppen. Die rekende in 2020 voor dat het 22.000 euro kost om een gemiddeld huurhuis allelectric te maken. Een huurhuis op het warmtenet zou 19.000 euro kosten. Woningcorporatie Aedes gaf al snel aan dat PBL fouten had gemaakt in de berekeningen, wat het PBL later ook erkende. Volgens Aedes kost het 50.000 euro om het huurhuis all-electric te maken. Een huis op het warmtenet aansluiten zou op 31.000 euro komen. Bedragen die de gemiddelde burger niet even heeft liggen. Een nieuw debacle gelijk aan de toeslagenaffaire ligt daardoor op de loer. Ook nu verzet slechts een enkeling zich tegen het gezamenlijke; want anders lig je er uit. En als het er op aankomt, dan heeft iedereen gedaan wat hij moest doen, is er niet kritisch nagedacht om zich zelf niet in moeilijkheden te brengen, De gevolgen voortkomend uit de vastgestelde RES 1.0 zijn echter vele malen groter dan de Toeslagenaffaire, omdat de RES de gehele Nederlandse bevolking treft en dan niet alleen op financieel gebied waar energiearmoede op 5

de loer ligt, hun landschap verrommeld wordt, maar bovenal hen raakt ten aanzien van de Volksgezondheid. De voorgestelde wijzigingen in de module Energietransitie versterken deze ontwikkeling in optima forma. Het is daarom noodzakelijk dat de provincie onderbouwt welke maatregelen zij neemt om bij iedereen thuis te kunnen garanderen dat energie inderdaad betaalbaar blijft. Momenteel vindt het tegenovergestelde plaats. Wij verzoeken u deze nadere onderbouwing expliciet te geven naast de voorgestelde wijzigingen. Tevens verzoeken wij de provincie te onderbouwen welke maatregelen zij kan en gaat nemen indien de voorgesteld energietransitie niet haalbaar en betaalbaar is voor iedereen en op te nemen vanaf welke drempel je niet meer bij de categorie “iedereen” hoort. Waar mogelijk voorzien van een passende begroting. Position paper Tweede Kamer van Dr. P.H. Omtzigt We vragen uw aandacht voor de position paper van Kamerlid Pieter Omtzigt d.d. 7 november 2020 die is opgesteld ten behoeve van de onderzoekscommissie Uitvoeringsdiensten. Hoewel deze gaat over de toeslagenaffaire beschrijft dhr. Omtzigt een problematiek die op meer terreinen dan de belastingdienst binnen de overheid van toepassing is.

Hij beschrijft daarin het manco dat wetten worden opgesteld om orde op zaken te stellen en omgangsvormen te bepalen in bepaalde situaties, waarbij onvoldoende wordt gekeken naar de uitvoering en uitvoerbaarheid (en gevolgen) van deze regels. Wanneer we dit doortrekken naar de RES 1.0 e.v. dan is dit specifiek van toepassing op het plannen en gestalte geven van windturbineparken. De RES 1.0 e.v. is zo ingericht, qua wet en regelgeving, dat alles moet wijken om de implementatie van de energietransitie mogelijk te maken. Dit sluit aan op de tendens in de afgelopen jaren in ons politieke systeem om steeds minder aandacht te geven aan de uitvoering en de gevolgen voor de burger en dat is op voorhand al merkbaar. Veel zaken worden net zoals de kinderopvang aan marktpartijen overgelaten en zij zoeken het wel/maar uit met de burger binnen de kaders van de opgestelde wetten. Echter, steeds duidelijker is dat deze wetten en regels niet meer getoetst worden op deugdelijkheid voor de uitvoering. De Raad van State toetst de wetten slechts om te onderzoeken of het bestuursorgaan deze juist heeft toegepast, de burgers staan met de rug tegen de muur. Waar de toeslagenaffaire landelijk gezien over een handvol ouders gaat (zonder de ernstige gevolgen van het beleid voor deze groep te bagatelliseren), raakt de uitvoering van de RES 1.0 alle burgers van Nederland.

De gevolgen zullen daarom vele malen groter en ingrijpender zijn. We doelen hiermee op het terrein van Volksgezondheid en te voorspellen energiearmoede. Hetzelfde geldt nu voor de voorgestelde wijzigingen in dit Ontwerp, dat uit politieke correctheid de verduurzaming doorslaat en er slechts 1, naar nu blijkt duur, spoor wordt ontwikkeld, waar de maatschappij wordt in gefrommeld. Met het indienen van deze zienswijze wordt beoogd te voorkomen dat de maatschappij door een ondeugdelijk besluit een energietransitie wordt in gefrommeld en naast het niet voldoen aan het Verdrag van Aarhus, daarmee in strijd is met de artikelen 3:2, 3.4, 3.46 en 3.9 Algemene wet Bestuursrecht (AWB), waarin is bepaald dat het bestuursorgaan: bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart. Zoals aangegeven is dit op essentiële onderdelen in dit Ontwerp niet gebeurd. rechtstreeks de bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Zoals aangegeven is dit op essentiële onderdelen in dit Ontwerp niet gebeurd. Slechts de plaatsing van windturbines en het mogelijk maken van de uitvoering van de energietransitie zijn afgewogen, de bij het besluit betrokken belangen van omwonenden zijn niet tot onvoldoende afgewogen.

Meer specifiek gaat dit daarbij om de volksgezondheid. 6

-

-

De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; Door slechts de focus te leggen op de energietransitie door kleine windturbines met een max ashoogte van 15 m en middelgrote windturbines met een max ashoogte van 3545 meter toe te laten in bestemmingsplannen en windturbinelocaties te verdubbelen zonder gedegen onderzoek, is met dit Ontwerp sprake van een onevenredige verhouding tussen de nadelige gevolgen voor belanghebbenden en de met het besluit tot vaststelling van dit Ontwerp te dienen doelen. Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Onderliggend onderzoek ontbreekt, zie elders in deze zienswijze.

Handreiking Reikwijdte en detailniveau Het is niet voor niets dat in de handreiking Reikwijdte en detailniveau: Wat houdt dat in? (bron: Infomil) opgenomen is, dat hierin aan bod moet komen: Onderzoek van alternatieven vanuit het milieuperspectief; Aandacht voor locatiekeuze vanuit het milieuperspectief; Buiten de grenzen van het (wettelijk) plangebied kijken. Nergens in het energieakkoord is opgenomen dat er per definitie windturbines op land moeten worden geplaatst, dat is slechts een niet onderbouwde aanname die gedaan is, zonder gedegen onderzoek naar de effecten. Het is slechts een invulling van Nederland dat windturbines op land nodig zijn voor de energietransitie. Er is nimmer onderzocht welke effecten er lokaal en mondiaal zijn bij de winning van grondstoffen, de productie en bouw, exploitatie en uiteindelijk sloop of vervanging. Dat de huidige (onhoudbare) stikstofwet de uitstoot van de bouw uitsluit bij omgevingsvergunningen doet niks af aan het feit dat het in het kader van de milieuwetgeving verplicht is dit te onderzoeken en te kijken of dit wel het beste alternatief is. Zeker windturbines op wind luwe landsdelen geven een enorme extra uitstoot, immers door de veel lagere vollasturen zijn er simpelweg meer nodig om het zelfde vermogen op te wekken.

Alleen hierom al kan nimmer uit onderzoek blijken dat windturbines op land in de windluwe gebieden het beste alternatief zijn. Conclusie Dit Ontwerp staart zich blind op het mogelijk maken windturbines te plaatsen. Er ontbreekt een strategische afweging vooraf of windturbines in vergelijking met andere vormen van (duurzame) energie-opwekkers de oplossing zijn voor duurzame energie versus de effecten op de leefomgeving en wordt te gemakkelijk uitgegaan van een verdubbeling van de locaties windenergie op kaart 16, middels wijziging artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Gedegen onderzoek ontbreekt om deze wijzigingen op te nemen in de module Energietransitie en voldoet dit Ontwerp niet aan het Verdrag van Aarhus en is in strijd met de artikelen 3:2, 3.4, 3.46 en 3.9 Algemene wet Bestuursrecht (AWB). Dit Ontwerp kan daarom zoals het nu ter inzage ligt niet worden vastgesteld, het is onvolledig. Lokaal eigendom De provincie stelt dat zij lokaal eigendom van alternatieve energie systemen wilt bevorderen, u noemt hier zelfs een percentage van 50%. Wij verzoeken de provincie te onderbouwen hoe u dit daadwerkelijk gaat faciliteren aangezien wij de ervaring hebben dat lokaal eigendom bij de verkeerde mensen terecht komt.

Zoals coöperaties die ergens in den lande beginnen en vervolgens uitwaaieren buiten hun lokale setting om hun projecten te kunnen uitbreiden, maar het ook vaak ten gunste komt van buitenlandse investeerders.

7

Zonnevelden Artikel 6.28a lid 2f Hiermee wordt beoogd om bij een bestaand windturbinepark ook een zonneveld in het bestemmingsplan op te kunnen nemen. Wij verzoeken 2f te schrappen omdat dit direct de vergunning voor de geluidsemissie van het bestaande windturbinepark teniet zal doen, daar de geluidoverdracht over zonnepanelen mogelijk een onwenselijk effect hebben m.n. door de weerkaatsing van het geluid op een andere ondergrond dan waarvoor de vergunningen oorspronkelijk bedoeld zijn. Dit dan dus resulteert in een extra geluidsbelasting op gevoelige objecten in de direct omgeving van een dergelijk windturbinepark. Er is in Nederland onvoldoende onderzoek gedaan om die effecten in kaart te brengen. Eerst onderzoek dan pas beleid aanpassen! (Voorzorgsbeginsel) Wij verzoeken u van artikel 6.28a lid 2f te schrappen

Opmerkingen ten aanzien bijbehorende MER 1. MER onvoldoende In de bij dit Ontwerp behorende MER wordt onder 1.6. de Relatie gelegd tussen de MER en de Monitor Leefomgeving PZH. Daarbij wordt aangegeven dat De Monitor Leefomgeving (MoLo) laat zien hoe de leefomgeving er ‘buiten’ in de provincie voorstaat. Het beoordelingskader wordt als volgt beschreven: De MoLo beschrijft de staat van de leefomgeving aan de hand van een 30-tal effectindicatoren en brengt in beeld welke ontwikkelingen zich in de leefomgeving van de provincie Zuid-Holland voordoen. De MoLo beschrijft de staat van de leefomgeving en de ontwikkelingen gekoppeld aan de thema’s van het Omgevingsbeleid. De MoLo is gebruikt als basis voor het beoordelingskader in dit MER. In de NRD wordt beschreven welke beoordelingsaspecten en -criteria worden gehanteerd. Voor dit MER is het beoordelingskader aangepast en planspecifiek gemaakt. Zo zijn enkele aspecten buiten beschouwing gelaten, omdat het plan niet of nauwelijks invloed heeft op deze aspecten (zoals ondernemersvertrouwen of verkeersslachtoffers). Ook zijn er indicatoren aan het beoordelingskader toegevoegd, zoals de toetsing aan weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebied en stiltegebieden. De staat van de leefomgeving in Zuid-Holland wordt weergegeven aan de hand van een rad.

(Daarnaast is ook een lijstweergave beschikbaar.) Het rad bevat verschillende indicatoren waaronder gezondheid. Tot dusver lijkt het huiswerk goed gedaan, totdat gekeken wordt naar de gehanteerde indicatoren voor gezondheid. Voor het aspect gezondheid is als indicatoren alleen sprake van: 1. Levensverwachting in goed ervaren gezondheid Wat is het nu : (veel) knelpunten Welke kant gaat het op : neutraal/geen ontwikkeling Waar komen we op uit : naar verwachting (veel) knelpunten 2. Verkeersslachtoffers Wat is het nu : geen/weinig knelpunten Welke kant gaat het op : negatieve ontwikkeling Waar komen we op uit : naar verwachting wisselende knelpunten

De effecten van windturbines op de gezondheid liggen vele male breder en vooral op een ander vlak dan Levensverwachting en Verkeersslachtoffers. Te denken valt aan geluid, slagschaduw en trillingen (niet zijnde LFg) die windturbines veroorzaken en deeltjes in het milieu door erosie die schadelijk zijn voor de gezondheid. 8

Conclusie De indicatoren voor gezondheid zijn onvolledig, hier moet tevens opgenomen worden dat Infrasoon, laagfrequent en hoorbaar lawaai **, slagschaduw, trillingen en schadelijke deeltjes als gevolg van erosie van windturbines in een brede context opgenomen en onderzocht moeten worden waar het gezondheid betreft. Waarbij het aspect trillingen niet onder de categorie geluidsoverlast valt en geen laag frequent geluid zijn. Daarnaast zijn er ook zorgen over trillingen in de omgeving en in de ondergrond en is onduidelijk welke gevolgen dit heeft op het milieu. Het blijven gebruik maken van de inmiddels buiten werking zijnde lawaainormen in gefilterde dB(A) en jaargemiddelden Lden en L night biedt de omwonenden geen enkele bescherming, zoals o.a. ook is gebleken bij de Windturbines van Het Spui. Aan de vervallen windturbine bepalingen ligt ook erg weinig wetenschappelijke onderbouwing ten grondslag, ze waren bewust opgerekt om zo veel mogelijk windturbines op het land te kunnen plaatsen. En niet om de leefomgeving en het milieu te beschermen. De MoLo geeft daarom onvoldoende garantie dat het aspect gezondheid voldoende wordt onderzocht. Met deze MER is geen effectieve rechtsbescherming van de burger, diens lijf, goed en omgeving geregeld dan wel gewaarborgd, zoals bedoeld vanuit het Unierecht en de SMB richtlijn.

Deze MER heeft een verkeerd dan wel een te beperkt gekozen invalshoek om recht te doen aan hetgeen beoogd wordt te bereiken met de uitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021. Ik verwijs u daarvoor naar het volgende: In de uitspraak van ECLI:EU:C:2020:143-Zaak C-24/19 regel 58 tweede streepje staat: De sleutel tot het probleem ligt in de soort uitlegging van de SMB-richtlijn die wordt gekozen: – Indien daarentegen de voorkeur wordt gegeven aan een systematische en teleologische uitlegging van die bepaling, vallen ook plannen en programma’s die op vrijwillige basis worden vastgesteld, maar waarin door wet- of regelgeving is voorzien, binnen de werkingssfeer van de SMB-richtlijn en vereisen zij een SMB wanneer zij een aanzienlijk milieueffect hebben. Zo moeten volgens Bijlage I van de SMB-richtlijn onder c, de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn worden toegelicht.

Het Verdrag van Aarhus geeft in Artikel 3 een duidelijke omschrijving om welke „milieu-informatie" het dan gaat: Onder „milieu-informatie" wordt verstaan alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over: a.de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschappen en natuurgebieden, biologische diversiteit en componenten daarvan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen; b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid en straling, en activiteiten of maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, milieuakkoorden, beleid, wetgeving, plannen en programma's die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten binnen het toepassingsgebied van het voorgaande onderdeel a, en kosten-baten- en andere economische analyses en veronderstellingen gebruikt in milieubesluitvorming; c.de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid, de menselijke levensomstandigheden, cultureel waardevolle gebieden en bouwwerken, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via deze elementen, door de factoren, activiteiten of maatregelen bedoeld in het voorgaande onderdeel b.

9

** Lawaai Lawaai is de hinderlijke en schadelijke vorm van geluid. Voor windturbines is er in 2008 door TNO een matig onderbouwd onderzoek en rapport uitgevoerd over de hinder van de toenmalige windturbines van ca. 100 meter tiphoogte. Er werd daarbij aangegeven dat ernstige hinder te verwachten was bij de omwonenden 9% binnenshuis en 29% buitenshuis. Verder is de daarvoor geldende norm opgerekt naar een hoog jaargemiddelde Lden en Lnight om meer windturbines op het land te kunnen plaatsen. De bescherming van leefomgeving en milieu kwam daarbij op de tweede plaats. Daarbij zijn de jaargemiddelden ook niet te meten of te handhaven. Er is in Nederland nog nooit onderzoek gedaan naar de volledige lawaai signatuur van een windturbine. RIVM heeft tot nu ook geen veldonderzoek uitgevoerd, maar slechts literatuur onderzoek gedaan van buitenlandse windturbine situaties. Dus ondanks alle klachten bij de huidige grote windturbines van 185 meter en hoger is er nooit goed veldonderzoek uitgevoerd naar de impact op de leefomgeving en het milieu. Het is ook gebleken dat grotere windturbines een proportioneel grotere lawaai energie voortbrengen in het infrasone en laagfrequente gebied. Den dat is nou net het gebied dat in de vervallen windturbine bepalingen buiten beschouwing wordt gelaten door de dB(A) filtering.

NASA heeft in de jaren 1980-90 al vastgesteld dat de windturbines infrasoon en laagfrequent lawaai produceren. Het windturbine laagfrequente lawaai is vaak sub hoorbaar. Het windturbine IS en LF lawaai heeft een impuls signatuur, is pulserend en bevat toppen en dalen. Windturbines produceren infrasoon IS lawaai. De hinder is gerelateerd aan de impuls signatuur. De hinder wordt meer opgemerkt binnenshuis dan buitenshuis. Het windturbine lawaai onderscheid zich van het achtergrond lawaai. Resonanties in het menselijk lichaam zijn gerelateerd aan de hinder. De dB(A) gewogen (= gefilterde) metingen zijn niet geschikt om de IS en LF hinder te meten. Nederlandse meetbedrijven zijn op dit moment niet in staat om de volledige lawaai signatuur van een windturbine te meten, incl. infrasoon, laagfrequent en hoorbaar lawaai en de trillingen door de lucht en de bodem. Een Duits bedrijf kan dat wel. Tegen infrasoon en laagfrequent lawaai kun je ook niet isoleren, vanwege de erge lange golflengte. Er ontstaan binnenshuis ook allerlei interferenties en vervormingen van het signaal. Ook vanuit de arbeidsveiligheid en machinebouw is al sinds de jaren 1930 hierover heel veel bekend. Kortom er zal in Nederland voor de diverse bodemsituaties eerst een goed veldonderzoek moeten worden uitgevoerd waarbij in ieder geval de volledige lawaai signatuur wordt gemeten incl.

de trillingen door de lucht en bodem. Zo niet, dan kan de bescherming van de leefomgeving en het milieu in de praktijk niet aangetoond worden. De vervallen windturbine bepalingen voldeden niet aan de EU SMB richtlijn vanwege de ontbrekende onderbouwing. 2. Erosie Het aspect Erosie dient eveneens in MER en MoLo te worden onderzocht. Erosie van de rotorbladen (of wieken) van windmolens is een onderschat probleem. Aangezien de rotorbladen van windmolens opgebouwd zijn uit Epoxyharsen en polyurethaanharsen komen bij erosie (door bv. contact met regendruppels en hagel) schadelijke stoffen vrij. Epoxyharsen en polyurethaanharsen ontgassen vrijwel permanent en zijn gevoelig voor vocht. De harders (de tweede component bij de constructie van rotorbladen) bevatten meestal zeer exotische, toxische stoffen, waaronder titaniumdioxide, kobalt enz. Deze 10

stoffen zijn vrijwel nooit opgenomen in de risicoanalyses en de gevarenklassen. Dit vormt een gevaar voor het leefmilieu. Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat erosie leidt tot het vrijkomen van microplastics die isocyanaten en andere stoffen bevatten welke kankerverwekkend en allergeen zijn. Epoxy bevat, in tegenstelling tot polyester, 33% Bisfenol A (BPA) wat als zeer schadelijk voor de gezondheid wordt beschouwd zeker wanneer dit in het grondwater of de voedselketens terecht komt. Windturbines hebben de typische eigenschap dat ze hoog boven akkers, weilanden met vee en waterbronnen staan. Er is dus een groot gebied dat beïnvloed wordt door het vrijkomen van schadelijke stoffen. Er is reeds wetenschappelijk bewijs dat grondwater rondom windmolens verontreinigd is. Doordat slijtage sneller optreedt wanneer erosie optreedt door contact met zout water treedt bij windturbines op zee extremere slijtage op. Er zijn indicaties dat wieken op zee elke ca. 5-10 jaar compleet vervangen dienen te worden. De huidige wetenschappelijke studies rondom erosie van rotorbladen zijn gebaseerd op windturbines met een rotordiameter van 120 meter. Het is belangrijk te beseffen dat erosiesnelheid exponentieel is aan de impactsnelheid of impactenergie. Bij nieuwere en grotere turbines zullen veel grotere massa verliezen optreden en dus meer schadelijke stoffen vrij komen.

Conclusie Aan dit aspect besteedt de MER behorende bij dit Ontwerp ook als het om windparken gaat, onvoldoende dan wel in zijn geheel geen aandacht en is ook niet genoemd als zelfstandig beschreven alternatief of milieueffect dat dient te worden onderzocht. Onderzoeken die de feiten over de risico’s en feiten m.b.t. gezondheidsschade van windturbines daadwerkelijk in beeld brengen. Alles gericht op het voorzorgbeginsel. 3. Voorzorgplicht De overheid in Nederland verzaakt stelselmatig haar voorzorgplicht (zie artikel 21 en 22 van de Grondwet) heeft deze ook verzaakt bij de planvorming en bouw van windturbineparken en aanverwante industriële installaties. Bewust worden de EU- beschermingsrichtlijnen door de Nederlandse bestuursorganen en rechterlijke macht ontkend. Wie (in dit geval geïnformeerd en dus willens en wetens) het risico neemt gezondheidsschade te veroorzaken bij zijn medemens, of u als overheid bij uw burgers, maakt zich schadeplichtig. Dit is de stelling van vele juristen. Alle bestuursorganen en rechtscolleges dienen het voorzorgsprincipe voor de gezondheid van de mens te plaatsen in het hart van de besluitvorming. Dit geldt niet alleen met betrekking tot windturbineparken maar ook bij alle andere beslissingen in de energietransitie waarbij volgens de normstelling van de EU sprake is van aanzienlijke milieugevolgen.

Op grond van de normstelling van de EU dient vooraf aan de besluitvorming door onderzoek met wetenschappelijke zekerheid vast komen te staan, dat het bestaande beschermingsniveau voor een gebied niet zal worden aangetast door de voorgenomen plannen. Het nalaten van dit onderzoek zet de deur open voor alle regio’s en gemeenten om de blootstelling van bewoners aan gezondheidsrisico’s verder te vergroten. Het doen van onderzoek dat voldoet aan de EU-normen is noodzakelijk om de gezondheidsrisico’s uit te sluiten en het voorzorgsprincipe in te vullen. De noodzaak hiertoe is ook actueel in de besluitvorming in het kader van het vervolg op dit Ontwerp. Er is onvoldoende getracht gezondheidsrisico’s op voorhand uit te sluiten. Met het serieus toepassen van het voorzorgsprincipe staan we in Nederland aan het begin van een traject. Op dit nieuw ingezette spoor om de gezondheidsschade ten gevolge van windturbines erkend te krijgen bij de overheid zijn meerdere wetenschappelijke publicaties beschikbaar. Het is de plicht van alle bestuursorganen om de invulling van het voorzorgsprincipe en toepassing van de EU richtlijnen te realiseren. Het is de taak vooral van hen die een rol vervullen in besluitvormingsprocessen en de leden van de rechterlijke macht 11

hierin verantwoordelijkheid te nemen. Van dit Ontwerp wordt verlangd, dat zij serieus aandacht geeft aan kader waarin de zorg voor de gezondheid en de handhaving of verbetering van het huidige beschermingsniveau van de leefomgeving voorop staat. Het normen kader van de SMB richtlijn gebiedt dat. Maar ook onze eigen Grondwet. Dat betekent dat de overheid, ic het gemeentebestuur, zolang twijfel bestaat over het veroorzaken van gezondheidsschade en milieuschade door windturbines en er geen wetenschappelijke garanties kunnen worden gegeven dat het bestaande beschermingsniveau voor de leefomgeving zal worden gehandhaafd dan wel verbeterd, niet een plan vast kan en mag stellen. Dit Ontwerp en bijbehorende MER moet hiervoor kaders scheppen en doet dit op dit moment niet. Slecht het vergroten van de mogelijkheid tot plaatsing van windturbines ten behoeve van de energietransitie wordt beoogd. Er vindt onvoldoende integrale afweging plaats. Conclusie De wijze waarop dit Ontwerp en bijbehorende MER is opgesteld gaat in zijn geheel voorbij aan de voorwaarden die gesteld worden vanuit de SMB richtlijn. Het onderdeel milieueffect voor de bevolking en de gezondheid van de mens in de breedste zin ontbreekt. Kort gezegd: Dit Ontwerp is niet SMB conform en in strijd met het Unierecht.

Dit Ontwerp houdt bovendien geen rekening met het feit dat de overheid een voorzorgplicht voor de gezondheid van de mens heeft. Dit Ontwerp met bijbehorende MER dient u aan te vullen en te vervolmaken met alle zaken die opgenomen zijn in de voorgenoemde richtlijnen en verdragen, alsmede alle geldende wet- en regelgeving welke van toepassing is of kan zijn op dit Ontwerp en bijbehorende MER. Referenties 1) Pugh, K., Stack, M.M. Rain Erosion Maps for Wind Turbines Based on Geographical Locations: A Case Study in Ireland and Britain. J Bio Tribo Corros 7, 34 (2021). https://doi.org/10.1007/s40735-021-00472-0 2) Leading Edge erosion and pollution from wind turbine blades - 5 th. Edition, Asbjørn Solberg, Bård-Einar Rimereit and Jan Erik Weinbach, July 2021 3) Cortés E, Sánchez F, O'Carroll A, Madramany B, Hardiman M, Young TM. On the Material Characterisation of Wind Turbine Blade Coatings: The Effect of Interphase Coating-Laminate Adhesion on Rain Erosion Performance. Materials (Basel). 2017;10(10):1146. Published 2017 Sep 28. doi:10.3390/ma10101146 4) https://norwea.no/norwea-mener/2021/3/26/faktaark-vindkraft-plast-og-bisfenol-a

Opmerkingen ten aanzien van Participatie 1. Verdubbeling locaties 2. Participatie en draagvlak RES 1.0 Het provinciaal omgevingsbeleid is continu in beweging. Voor de energietransitie zijn er nieuwe plannen gemaakt, zoals in de RES1.0 en de CES. Om te zorgen dat deze plannen verder uitgewerkt en uitgevoerd kunnen worden, wijzigen wij de module Energietransitie in ons omgevingsbeleid.

Reactie In een ingediende zienswijze op de RES 1.0 is gesteld dat de RES 1.0 niet voldoet aan het Verdrag van Aarhus waar het vroegtijdige inspraak betreft, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Er heeft onvoldoende, enkel zwaar sturende burgerparticipatie plaatsgevonden naar een gewenst resultaat. 12

Verder is opgemerkt dat de RES 1.0 in strijd is met artikel 3.4 en 3.9 AWB. De bij het besluit rechtstreeks betrokken belangen zijn onvoldoende afgewogen en de nadelige gevolgen van het besluit zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het doorlopen proces om te komen tot de RES 1.0 voldoet niet aan het gestelde in artikel 8 WOB. Er is onvoldoende informatie uit eigen beweging verstrekt op het moment dat dit in het belang is van een goede democratische bestuursvoering. Nu de uit de RES voortvloeiende uitvoeringsplannen meer onder de aandacht komen van de burgers neemt het verzet en de ontgoocheling onder burgers daarover toe. Zij herkennen zich niet in het resultaat. Dit Ontwerp wordt gewijzigd om de RES verder uit te kunnen werken en uit te voeren. De participatie die onderdeel vormt van het proces RES laat sterk te wensen over. Nu in dit Ontwerp een verschuiving van benodigd lokaal draagvlak naar participatie beschrijft lijkt alles erop gericht om burgers en zelfs overheden buitenspel te zetten ten behoeve van de realisatie van wind- en zon-projecten zonder al te veel weerstand en oponthoud. De onvolkomenheden zoals deze opgemerkt zijn ten aanzien van de participatie bij het proces RES 1.0 zetten zich onverminderd voort. Al dan niet erger gelet op de voorgestelde wijziging van artikel 7.76. van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Met vriendelijke groet, Voorzitter Stichting ‘’Windmolens N57 Nee!’ C van M MSc Adres Woonplaats Email

:

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11785660/1