06.Ontwerp NRD voor PlanMER RES 1.0
Tekst van het document
De regio wil deze doelstelling realiseren door de ontwikkeling van zonne-energie in het stedelijk gebied op daken en parkeerplaatsen, in het kassengebied met drijvende panelen op waterbassins, en windturbines op locaties waar draagkracht is in het landschap [lit. 1]. Deze technieken kunnen effecten hebben op de natuur. In deze ecologische verkenning wordt inzichtelijk gemaakt welke natuurbeschermingsregimes in de regio een rol spelen, en hoe de effecten van duurzame energie zich verhouden tot natuurbescherming.
1.2
Plangebied
Het plangebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling voor de realisatie van het voornemen. Afbeelding 1.1 laat de RES-regio en de 23 deelnemende gemeenten zien die samen het plangebied voor het plan-MER vormen. Afbeelding 1.2 en 1.3 tonen de zoeklocaties voor zonne- en windenergie. In dit rapport wordt voornamelijk ingezoomd op effecten van windenergie, dit is de basis van de alternatieven die voor windenergie worden ontwikkeld. Voor zonnevelden worden geen ruimtelijke alternatieven ontwikkelt, in het plan-MER wordt nader ingegaan op de effecten en hoe deze ruimtelijk eruit zien.
5 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 1.1 RES-regio Rotterdam-Den Haag met deelnemende gemeenten [lit. 1]
Afbeelding 1.2 Zoeklocaties windenergie (1 tot en met 8) binnen de RES-regio Rotterdam-Den Haag
6 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 1.3 Zoeklocaties zonne-energie binnen de RES-regio Rotterdam-Den Haag
7 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
2 BESCHERMDE GEBIEDEN 2.1
Natura 2000
2.1.1
Kaders vanuit wetgeving
Natura 2000-gebieden maken deel uit van een Europees netwerk van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die beschermd zijn onder Europese richtlijnen, met als doel de Europese biodiversiteit te waarborgen. In de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming) zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op waarborgen van biologische diversiteit door de natuurlijke habitats van dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. Een Habitatrichtlijngebied heeft geen instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor broed en niet-broedvogels. Elk Natura 2000-gebied wordt aangewezen door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit wordt door het aanwijzen van IHD vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn. IHD betreffen zowel habitattypen als Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden.
Projecten die significante gevolgen kunnen hebben op de IHD van een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 5.1, lid 1, onder e (en Bijlage A) van de Omgevingswet vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden of ontwikkelingen een significant negatief gevolg hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Deze toetsing kan plaatsvinden in een voortoets of Passende Beoordeling. In een voortoets wordt bepaald of significante gevolgen op natuurwaarden in het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, hoeft geen Passende Beoordeling te worden opgesteld. Indien significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. In een Passende Beoordeling wordt nader ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Een Passende Beoordeling kan aangevuld worden met mitigerende maatregelen om significante gevolgen te voorkomen. Op basis van de Passende Beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning voor een Natura 2000-activiteit worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan.
In het geval significante gevolgen van een voornemen inclusief mitigerende maatregelen of cumulatie op Natura 2000-IHD niet uitgesloten kunnen worden, dan zal de vergunningverlener de vergunning, c.q. de instemming, weigeren. Het voornemen kan dan alleen nog doorgang vinden als voldaan wordt aan de ADC-toets: (A) er geen reële alternatieven zijn, (D) er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en dat door (C) compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft.
8 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
2.1.2
Huidige situatie
Afbeelding 2.1 laat de ligging van de verschillende Natura 2000-gebieden in en rondom RES-regio Rotterdam Den Haag zien. Binnen de RES-regio bevinden zich de volgende Natura 2000-gebieden (hierbij wordt aangegeven of het een Vogelrichtlijn- (VR) of Habitatrichtlijngebied (HR) betreft): - Meijendel & Berkheide (HR); - Westduinpark & Wapendal (HR); - Solleveld & Kapittelduinen (HR); - Voornes Duin (VR+HR); - Oude Maas (HR); - Haringvliet (VR+HR); - Voordelta (VR+HR). In bijlage I is voor alle bovengenoemde Natura 2000-gebieden een korte kenschets en een overzicht van de IHD opgenomen. Voor alle habitattypen en soorten wordt tevens aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of een uitbreiding of een verbetering nodig is [lit. 2].
Naast deze Natura 2000-gebieden bevinden zich ook buiten de RES-regio, maar binnen de potentiële verstoringcontour en rekenafstand voor stikstofdepositie (≥ 25 kilometer) van het project Natura 2000-gebieden: - Kennemerland-Zuid (HR); - Coepelduynen (HR); - De Wilck (VR); - Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (VR+HR); - Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (VR); - Boezems Kinderdijk (VR); - Donkse Laagten (VR); - Uiterwaarden Lek (HR); - Zouweboezem (VR+HR); - Lingegebied & Diefdijk-Zuid (HR); - Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem (HR); - Biesbosch (VR+HR); - Hollands Diep (VR+HR); - Oudeland van Strijen (VR); - Krammer-Volkerak (VR+HR); - Oosterschelde (VR+HR); - Grevelingen (VR+HR); - Kop van Schouwen (HR); - Duinen Goeree & Kwade Hoek (VR+HR).
9 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 2.1 Ligging Natura 2000-gebieden binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den-Haag
2.1.3
Effecten zonne- en windenergie op Natura 2000
Stikstofeffecten Werkzaamheden voor de realisatie van zonne- en windenergie kunnen een negatief effect veroorzaken op de kwaliteit van habitattypen/leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden als gevolg van een (tijdelijke) stikstofdepositietoename in de uitvoeringsfase (gebruik van stikstof emitterend materieel). Dit kan ook het geval zijn tijdens de gebruiksfase (bijvoorbeeld door veranderde verkeerssituatie, intensiever gebruik, et cetera. Zo is er binnen de Natura 2000-gebieden: ‘Meijendel & Berkheide’, ‘Westduinpark & Wapendal’ en ‘Solleveld & Kapittelduinen’ sprake van stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof [lit. 3]. Bij een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie kan al snel sprake zijn van significante negatieve effecten op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Gezien stikstofeffecten ver kunnen reiken (≥ 25 km), is dit effect relevant voor alle zoeklocaties voor zonne- en windenergie binnen de RES-regio. Voor alle zoeklocaties geldt daarom dat onderzocht dient te worden of er sprake is van een juridisch relevante stikstofbijdrage en wat de consequenties hiervan zijn. Er wordt aanbevolen om: - een verkennende stikstofberekening met AERIUS uit te voeren (voor zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase).
Op basis van deze rekenresultaten kan worden beoordeeld of en welke vervolgstappen ten aanzien van stikstof nodig zijn. De conclusie van deze stap is een van de volgende adviezen: · advies dat geen vervolgstappen nodig zijn; · advies dat het opstellen van een Voortoets (in plaats van Passende Beoordeling) afdoende is; · advies dat verder gezocht moet worden naar oplossingen: verkennen aanpassing werkwijze/werkplanning/materieel, verkennen intern en extern salderen, Passende beoordeling, ADC-toets, inclusief verwachte kosten en termijn besluitvorming.
10 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Overige effecten Naast stikstofeffecten kan de realisatie van zonne- en windenergie ook leiden tot andere negatieve effecten op Natura 2000-gebieden waaronder vernietiging van leefgebied, doding van individuen en/of verstoring van soorten of habitattypen waarvoor in Natura 2000-gebieden IHD zijn vastgesteld. Uit de Omgevingswet volgt dat deze IHD niet worden aangetast door het voornemen. Bij de realisatie van zonne- en windenergie kunnen de volgende effecten op Natura 2000-IHD optreden [lit. 4]: Tijdens de aanlegfase: - ruimtebeslag met als gevolg oppervlakteverlies/versnippering van het Natura 2000-gebied: · dit heeft mogelijk een effect op habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten; - barrière effecten: · dit heeft mogelijk een effect op Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnsoorten; - verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring: · dit heeft mogelijk een effect op Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten; - sterfte door werkzaamheden: · dit heeft mogelijk een effect op Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten.
En tijdens de gebruiksfase: - sterfte door aanvaring met een windturbine (aanvaringsslachtoffers): · dit heeft mogelijk een effect op Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten; - barrière effecten: · dit heeft mogelijk een effect op Vogelrichtlijnsoorten; - verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring: · dit heeft mogelijk een effect op Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Effecten van zonnepanelen en winturbines binnen een Natura 2000-gebied kunnen vergelijkbare effecten hebben als plaatsing ervan buiten een Natura 2000-gebied. In dit laatste geval is sprake van externe werking. Externe werking is van toepassing als initiatieven gelegen buiten het natuurgebied invloed hebben op IHD of de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied [lit. 4]. Toetsing in het kader van externe werking is vooral van belang voor kwalificerende soorten die zich (ver) buiten het Natura 2000-gebied kunnen begeven, bijvoorbeeld watervogels die dagelijks heen en weer vliegen tussen hun slaapplaatsen en foerageerplaatsen. Vogelsoorten met een IHD in een nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen bijvoorbeeld een slaap- of foerageerplaats hebben elders in of buiten de zoeklocaties.
Er kan dus sprake zijn van connectiviteit tussen een Natura 2000-gebied en omliggende gebieden, waarbij soorten voor hun instandhouding in een Natura 2000-gebied afhankelijk kunnen zijn van gebieden buiten het Natura 2000-gebied. Wanneer zonnepanelen of windturbines worden geplaats in de zoeklocaties kunnen vogelsoorten met IHD in omliggende Natura 2000-gebieden dus eveneens significant negatieve effecten ondervinden. Voor alle mogelijke zoeklocaties vormen overige effecten op Natura 2000-gebieden een aandachtspunt. Wanneer de realisatie van zonne- en windenergie leidt tot effecten als ruimtebeslag, oppervlakteverlies, versnippering, verstoring of doding van (habitattypen of soorten in) een Natura 2000-gebied, is er kans dat significant negatieve effecten op IHD van Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Voor alle zoeklocaties dient daarom te worden bepaald in welke mate de werkzaamheden zorgen voor een aantasting/verstoring van de aangewezen habitattypen of (leefgebieden van) aangewezen soorten binnen een Natura 2000-gebied. Wanneer effecten op de aangewezen habitattypen of soorten kunnen leiden tot het potentieel niet behalen van de IHD’s van het betreffend Natura 2000-gebied is voor het voornemen op deze locaties nader onderzoek in de vorm van een Passende Beoordeling en een vergunning Omgevingswet nodig.
In het geval de Passende Beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een
11 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, moet de vergunning worden geweigerd (tenzij aan de ‘ADC-criteria’1 voldaan wordt).
2.1.4
Advies alternatievenontwikkeling vanuit Natura 2000
Stikstofeffecten De gevolgen van stikstof zijn afhankelijk van het Natura 2000-gebied waar de stikstof neerdaalt. Sommige Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig, terwijl andere Natura 2000-gebieden stikstofgevoelige habitattypen bevatten. De realisatie van zonne- en windenergie kan met een tijdelijke of permanente toename van stikstofdepositie negatieve effecten hebben op IHD van Natura 2000-gebieden binnen én buiten de zoeklocaties. In het algemeen geldt, hoe dichter bij een overbelast habitattype of leefgebied werkzaamheden uitgevoerd worden, hoe hoger de projectdepositie in dat gebied is. Daarom wordt geadviseerd om zoveel mogelijk afstand te houden van Natura 2000-gebieden. Let wel, dat door afstand te houden significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. De afstand zegt niet iets over de ernst van de overbelasting en de gevolgen daarvan voor een Natura 2000-gebied. In tabel 2.1 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde stilstofgevoelige Natura 2000gebied weergegeven. In sommige gevallen is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet gevoelig voor stikstof. Als dat zo is, wordt het eerstvolgende stikstofgevoelige Natura 2000-gebied vermeld, met een rangnummer.
Tabel 2.1 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied (km)
Rangnummer
Naam Natura 2000-gebied
1
6,0
2
Meijendel & Berkheide
2
5,4
1
Meijendel & Berkheide
3
14,3
3
Meijendel & Berkheide
4
7,3
1
Solleveld & Kapittelduinen
5
0,7
1
Solleveld & Kapittelduinen
6
13,0
3
Solleveld & Kapittelduinen
7
6,7
1
Voornes Duin
8
13,9
4
Solleveld & Kapittelduinen
Overige effecten De kans op significant negatieve effecten op IHD door overige effecten (onder andere: ruimtebeslag, verstoring en aanvaringslachtoffers) is hoger bij Natura 2000-gebieden met IHD voor habitattypen en/of soorten die op dit moment niet behaald worden, echter is dit in alle Natura 2000-gebieden binnen de RES-regio het geval. Buiten Natura 2000-gebieden wordt de kans op negatieve effecten op IHD door overige effecten met name bepaald door verstoring van- en aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en vogels. Vleermuizen en vogels kunnen zich ver buiten een Natura 2000-gebied bevinden en kunnen daardoor ook buiten een Natura 2000-gebied verstoord worden of in aanvaring komen met windturbine. In het algemeen geldt, hoe dichter bij een Natura 2000-gebied werkzaamheden uitgevoerd worden, hoe hoger de kans op overige 1
Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd dwingende redenen van groot openbaar belang (D) en dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 gewaarborgd blijft (C).
12 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
effecten. Daarom wordt geadviseerd om zoveel mogelijk afstand te houden van Natura 2000-gebieden. Let wel, dat door afstand te houden significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. De afstand zegt niet iets over de ernst van het effect en de gevolgen daarvan voor een Natura 2000-gebied. In tabel 2.2 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven.
Tabel 2.2 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (km)
Naam Natura 2000-gebied
1
4,5
De Wilck
2
5,4
Meijendel & Berkheide
3
7,7
De Wilck
4
7,3
Solleveld & Kapittelduinen
5
0,7
Solleveld & Kapittelduinen
6
5,4
Oude Maas
7
6,7
Voornes Duin
8
0,7
Oude Maas
2.2
Natuurnetwerk Nederland
2.2.1
Kaders vanuit beleid
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt het rijksbeleid ten aanzien van het NNN uiteengezet. De juridische uitwerking van het beleid in de provincie Zuid-Holland is opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2021 (in werking vanaf 1 januari 2024). Het ruimtelijk beleid van het NNN is gericht op het behoud en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die als NNN zijn aangewezen. Om te voorkomen dat aanwezige en potentiële natuurwaarden worden aangetast, zijn in principe geen ontwikkelingen toegestaan die significante effecten hebben op deze waarden. Er is in ieder geval sprake van een aantasting van aanwezige en potentiële wezenlijke kenmerken en waarden als er sprake is van nettoverlies van areaal, kwaliteit en/of samenhang van een gebied of wanneer barrièrewerking in een natuurverbinding toeneemt. Onder strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De voorwaarden voor dit ‘nee, tenzij-beleid’ zijn: - er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang.
Onder een dwingende reden van groot openbaar belang wordt bijvoorbeeld de openbare veiligheid, drinkwatervoorziening of opslag van gas bedoeld; - er geen reële alternatieven zijn; - voor zover de negatieve effecten ten gevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden; - overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende, maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het NNN in Zuid-Holland kent geen externe werking, wat betekent dat effecten die buiten de begrenzing van het NNN optreden, maar die mogelijk leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de begrenzing van het NNN niet meegenomen worden.
13 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
2.2.2
Huidige situatie
Binnen de Provincie Zuid-Holland liggen verschillende NNN-gebieden [lit. 5]. Ook de Natura 2000-gebieden en natuurverbindingen behoren tot het NNN. Voor elk NNN zijn belangrijke kenmerken en natuurwaarden beschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn omschreven in het natuurbeheerplan van de Provincie Zuid-Holland. Afbeelding 2.2 laat het NNN en de natuurverbindingen in en rondom de RES-regio zien. In bijlage II zijn de beheertypen en ambitiekaart uit het natuurbeerplan van de provincie Zuid-Holland opgenomen.
Afbeelding 2.2 Ligging NNN en natuurverbindingen binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den Haag
2.2.3
Effecten zonne- en windenergie op NNN
De wezenlijke kenmerken en ecologische waarden van het NNN en bijbehorende ecologische verbindingszones kunnen tijdens de aanleg- en gebruiksfase worden aangetast door de realisatie van zonne- en windenergie. Wanneer zonnepanelen of windturbines in het NNN wordt gerealiseerd is er sprake van ruimtebeslag. Dit effect ontstaat in de aanlegfase, maar heeft een permanent effect. Ruimtebeslag kan ook zorgen voor versnippering en barrièrewerking van het NNN. Daarnaast kan er in de aanlegfase aantasting plaatsvinden door verstoring door geluid, licht trillingen en optische verstoring. In de gebruiksfase is er mogelijk sprake van optische verstoring en aanvaringsslachtoffers (bij windturbines). Hoe groot de verstoringscontour is waarbinnen dergelijke effecten kunnen optreden is van verschillende factoren afhankelijk, zoals het beheertype van het NNN, de aanwezige soorten, tussenliggende landschapselementen en barrières. Bij werkzaamheden in/aan onderdelen van dit NNN is nader onderzoek in de vorm van een NNN-toets noodzakelijk. Hierin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant effect
14 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNN. Wanneer aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden niet is uit te sluiten, kunnen de werkzaamheden geen doorgang vinden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.
2.2.4
Advies alternatievenontwikkeling vanuit NNN
Indien alle zoeklocaties voor zonne- en windenergie zich buiten de grenzen en verstoringscontour van het natuurnetwerk bevinden, zijn belemmeringen vanuit het provinciaal natuurbeleid niet aan de orde. Wel dient erop te worden toegezien dat bij werkzaamheden nabij het NNN ook eventuele verstorende effecten van de aanwezigheid van werkterreinen/transportroutes die nodig zijn voor de aanlegfase buiten de grenzen van dit NNN worden getoetst. Mits hieraan wordt voldaan zijn vervolgstappen ten aanzien van het NNN niet nodig. Daarom wordt geadviseerd NNN te vermijden. Hoewel vanuit het beleid geen toetsing aan externe werking noodzakelijk is kan externe werking wel een negatief effect hebben op het NNN. Zo kan er sprake zijn verstoring, verzuring en vermesting, aanvaringsslachtoffers en barrièrewerking. Ook hier geldt hoe dichter bij een NNN-gebied de werkzaamheden worden uitgevoerd, hoe groter de kans op effecten. Daarom wordt geadviseerd om zoveel mogelijk afstand te houden van NNN gebieden. In tabel 2.3 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde NNN gebied weergegeven.
Tabel 2.3 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde NNN-gebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde NNN (km)
1
0,0
2
0,0
3
1,8
4
0,2
5
0,7
6
1,8
7
0,5
8
0,7
2.3
Belangrijk weidevogelgebied
2.3.1
Kaders vanuit beleid
In de provinciale Omgevingsverordening van Zuid-Holland is belangrijk weidevogelgebied opgenomen. In artikel 7.43j (gebiedstype: beschermingscategorie 2 belangrijk weidevogelgebied) wordt het volgende vermeldt [lit. 6]: 1 een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, bedoeld artikel 7.43e, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan; 2 in de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: · a. de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor;
15 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
·
2.3.2
b. de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.
Huidige situatie
Binnen de RES-regio bevinden zich verschillende weidevogelgebieden. Afbeelding 2.3 laat de ligging van deze weidevogelgebieden zien. Uitzonderlijk is het Midden-Delflandgebied dat is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap door de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Midden-Delfland is een grote aaneengesloten polder (bestaande uit veenweide) tussen Vlaardingen, Maassluis, De Lier en Delft met een belangrijke functie voor weidevogels. In de polder worden verschillende maatregelen genomen (onder andere kruidenrijk grasland en aangepast maaibeheer) om weidevogel populaties te behouden en versterken. Naast de aangewezen weidevogelgebieden heeft de provincie Zuid-Holland samen met zeven andere partijen een Actieplan Boerenlandvogels opgezet [lit. 7]. Doel van het actieplan is om verdere afname van weidevogels te voorkomen en 5 % méér gruttoparen in 2027 te hebben vergeleken met de periode 2013 - 2015. Een van de actiepunten om dat te bereiken is het beheer van weidevogelgebieden. Een deel van de boeren in Zuid-Holland beheert het land zo dat het aantrekkelijk wordt voor weidevogels. Dit heet agrarisch natuur en landschapsbeheer (ANLb). In afbeelding 2.4 zijn ook de ANLb beschikkingen van 2023 meegenomen.
Afbeelding 2.3 Ligging belangrijk weidevogelgebied binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den Haag
16 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 2.4 Ligging ANLb binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den Haag
2.3.3
Effecten zonne- en windenergie op weidevogelgebieden
De realisatie van zonne- en windenergie heeft verschillende effecten op weidevogelgebieden, waaronder [lit. 8]: - aanvaringsslachtoffers: sterfte door aanvaring; - habitatverlies: door vermijding en/of verstoring (geluid, licht, trillingen en optische verstoring); - barrièrewerking. Weidevogels kunnen in aanvaring komen met de rotorbladen, met mortaliteit als gevolg. De kans dat een vogel een aanvaring heeft met een rotorblad wordt door verschillende factoren bepaald en hangt onder andere af van de in het gebied aanwezige vogelsoorten in combinatie met gedrags- en omgevingsfactoren [lit. 9] De kans op aanvaringen is het grootst tijdens de voorjaars- en najaarstrek, in de schemering en ’s nachts en/of onder slechte weersomstandigheden. Andere factoren die het aanvaringsrisico beïnvloeden zijn de opstelling van de windturbines en het type windturbines en de bedrijfsvoering (operationeel of stilstaand). Naast aanvaringslachtoffers zijn weidevogels en andere soorten van open land gevoelig voor habitatverlies, omdat ze uitwijken voor hoog opgaande structuren in het open landschap waarin ze broeden. Door geluid, de beweging en/of fysieke aanwezigheid van (draaiende) windturbines of zonnepanelen kunnen weidevogels verstoord worden.
Deze verstoring kan leiden tot verminderde geschiktheid van het leefgebied rondom de windturbines en zonnepanelen, waardoor weidevogels het gebied kunnen verlaten. Het effect van verstoring verschilt per soort. Weidevogels vermijden mogelijk nestplaatsen in de buurt van zonnepanelen en windturbines. Onderzoek suggereert dat verstoringseffecten op broedende weidevogels beperkt kunnen zijn, met habitatkwaliteit als belangrijker factor dan de afstand tot windturbines of zonnepanelen [lit. 10]. Worst case scenario's wijzen op een mogelijke verstoringseffect bij windturbines van maximaal 200 meter, en bij zonnepanelen van maximaal 50 meter [lit. 8].
17 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Barrièrewerking is een vorm van verstoring en leidt tot verlies van vrije vliegruimte en vrije doorgang door de aanwezigheid of het operationeel zijn van de windturbines. Barrièrewerking kan zowel leiden tot een verschuiving van dagelijkse vluchten als tot een verschuiving van de vliegrichting van de seizoenstrek [lit. 9]). De verandering van vliegroutes tussen rust-, foerageer- en broedgebieden kan leiden tot een verhoogd energieverbruik van vogels. Dit kan van wezenlijke invloed zijn op de overlevings- en reproductie van een populatie en daarmee de populatieomvang negatief beïnvloeden [lit. 4].
2.3.4
Advies alternatievenontwikkeling
Om aantasting van weidevogelgebieden te voorkomen wordt geadviseerd weidevogelgebieden te vermijden. Daarbij wordt aangeraden om een verstoringafstand van 200 meter aan te houden rondom weidevogelgebieden. Ook wordt geadviseerd ANlb beschikkingen waar mogelijk te vermijden. In tabel 2.4 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde weidevogelgebied weergegeven.
Tabel 2.4 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde weidevogelgebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde weidevogelgebied (km)
1
0,0
2
0,4
3
4,5
4
0,8
5
11,5
6
1,8
7
2,0
8
2,1
2.4
Ganzenrustgebieden
2.4.1
Kaders vanuit beleid
In 2012 is er een nieuw landelijk ganzenakkoord gesloten waarin er meer aandacht was voor het terugbrengen van de standganzenpopulaties. Dit akkoord is echter in 2013 vervallen waarna er in alle provincies provinciale akkoorden zijn gesloten. In Zuid-Holland is in 2014 een provinciaal ganzenbeleidskader voor zowel standganzen als wintergasten (trekganzen) vastgesteld. Uitgangspunt van dit beleidskader is om dicht bij het vervallen landelijke akkoord uit 2012 te blijven. In het Ganzenbeleidskader Zuid-Holland uit 2014 staat samengevat het volgende: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland willen de inheemse (stand)ganzenpopulaties in Zuid-Holland duurzaam in stand houden, waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen de omvang van de van nature voorkomende populaties ganzen, in relatie tot: - de veiligheid en volksgezondheid; - de schade aan flora en fauna (natuurwaarden); - de schade aan landbouwgewassen; - de beschikbare financiën voor schadetegemoetkomingen. Daarom is afgesproken: - met reductie van de populatie standganzen, de schade veroorzaakt door ganzen terug te brengen naar een acceptabel niveau; - exoten en verwilderde gedomesticeerde soorten te bestrijden. Wintergasten (trekganzen);
18 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
-
-
-
wintergasten (in het beleidsstuk van de provincie worden de wintergasten ‘trekganzen’ genoemd) mogen tijdens de winterrustperiode op alle percelen met gras, oogstresten en groenbemesters en in de natuurgebieden (er zijn in Zuid-Holland veel Natura 2000-gebieden met een doelstelling voor overwinterende ganzen) foerageren en rusten; daarnaast zijn er drie rustgebieden voor ganzen ingesteld. Van de wintergasten worden alleen grauwe gans en kolgans in de winterperiode met afschot van agrarische percelen met kwetsbare gewassen (dus niet van grasland) verjaagd; er vindt tijdens de winter geen afschot plaats van andere overwinterende ganzen, zoals de brandgans en rotgans. Kern van het winterbeleid is dat de overwinterende ganzen zoveel mogelijk met rust worden gelaten.
2.4.2
Huidige situatie
Afbeelding 2.5 laat de ligging van de ganzenrustgebieden ten opzichte van de RES-Regio zien. Door de combinatie van natuurgebieden, landbouwgronden en water is de provincie Zuid-Holland een aantrekkelijk leefgebied voor ganzen. Momenteel zijn er ruim 140.000 ganzen in de provincie. Het betreft met name grauwe gans, brandgans, nijlgans en Canadese gans. Vooral in de wintermaanden (oktober - maart) maken deze en andere wintergasten gebruik van de rustgebieden om uit te rusten en te foerageren [lit. 11].
Afbeelding 2.5 Ligging ganzenrustgebieden binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den Haag
2.4.3
Effecten zonne- en windenergie op ganzenrustgebieden
Net als weidevogels kunnen ganzen in aanvaring komen met windturbines. Tevens kan de kwaliteit van het ganzenrustgebied worden aangetast door verstoring (geluid, licht, trillingen en optische verstoring) door windturbines en zonnepanelen en kan er barrièrewerking optreden. Ganzen worden vaak tot op 800 m
19 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
afstand verstoord door windturbines. De verstoringsafstanden zijn variabel, van 800 m bij de kolgans tot slechts 100 - 200 m bij de kleine rietgans [lit 12/13].
2.4.4
Advies alternatievenontwikkeling
Om aantasting van ganzenrustgebieden te voorkomen wordt geadviseerd ganzenrustgebieden te vermijden. Daarbij wordt aangeraden om een verstoringafstand van 800 meter aan te houden rondom ganzenrustgebieden. In tabel 2.5 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde ganzenrustgebied weergegeven.
Tabel 2.5 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde ganzenrustgebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde ganzenrustgebied (km)
1
30,7
2
30,5
3
20,3
4
23,2
5
15,8
6
13,9
7
8,0
8
6,8
2.5
Stiltegebied
2.5.1
Kaders vanuit beleid
In de Omgevingsverordening van Zuid-Holland zijn stiltegebieden opgenomen. De geometrische begrenzing van de stiltegebieden zijn vastgesteld in bijlage II van de Omgevingsverordening. De grenzen van de stiltegebieden zijn zo vastgesteld dat het geluid in de gebieden het grootste deel van de tijd de 40 decibel niet overstijgt. Dit is geen harde norm. Om stiltegebieden zo stil mogelijk te houden gelden een aantal regels. Deze zijn opgenomen in artikel 3.28 tot en met 3.33. Regels zijn vooral gegeven voor het recreatief gebruik van toestellen en voer- en vaartuigen. Artikel 3.28 kent een zogenaamde zorgplicht in verband met stiltegebieden. Op grond daarvan is het een ieder verboden de rust in een stiltegebied te verstoren. Indien dat niet mogelijk is, moeten maatregelen worden getroffen ter beperking van de overlast. Deze verplichting geldt voor activiteiten verricht buiten inrichtingen en moet als vangnet worden gezien. De zorgplicht is met name van belang voor elders niet afdoende gereguleerde activiteiten.
2.5.2
Huidige situatie
In Zuid-Holland zijn zestien stiltegebieden aangewezen. Daaronder vallen veel gebieden die ook zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Afbeelding 2.6 geeft de ligging van de stiltegebieden binnen de RES regio weer.
20 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 2.6 Ligging stiltegebied binnen en buiten de RES-regio Rotterdam-Den Haag
2.5.3
Effecten van zonne- en windenergie op stiltegebieden
Met name tijdens de aanlegfase van zonne- en windenergie kan stilte door geluid worden aangetast. Ook in de gebruiksfase zorgen draaiende windturbines voor geluid. Dit heeft mogelijk een effect op de aanwezige diersoorten binnen de stiltegebieden. Verstoring door geluid kan mogelijk leiden tot stress en/of vluchtgedrag van soorten. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of een verminderd reproductiesucces [lit. 4].
2.5.4
Advies alternatievenontwikkeling
Om geluidshinder in stiltegebieden te voorkomen wordt geadviseerd deze gebieden te vermijden. Ook hier geldt hoe dichterbij een stiltegebied zonne- en windenergie gerealiseerd word, hoe groter de kans op verstoring. Daarom wordt geadviseerd om zoveel mogelijk afstand te houden van stiltegebieden. In tabel 2.6 wordt de afstand van de zoeklocaties tot het dichtstbijzijnde stiltegebied weergegeven.
Tabel 2.6 Afstand zoeklocaties tot dichtstbijzijnde stiltegebied Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde stiltegebied (km)
1
1,7
2
2,2
3
4,8
4
1,6
5
7,6
21 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Zoeklocatie
Afstand tot dichtstbijzijnde stiltegebied (km)
6
2,3
7
7,1
8
5,2
2.6
Houtopstanden
2.6.1
Kaders vanuit beleid
Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Het begrip ‘houtopstand’ is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout en griend’. Indien men houtopstanden wenst te vellen die buiten de bebouwingscontour houtkap liggen, zijn de rijksregels uit het Bal van toepassing. Het Bal heeft betrekking op houtopstanden, bomen of beplanting met een oppervlakte van meer dan 10 are (1000 m²), of meer dan 20 bomen in rijbeplanting (gerekend over het totaalaantal rijen). Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt dient een kapmelding te worden ingediend bij de Provincie of bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij een activiteit van nationaal belang.
Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 11.111 lid 2 van het Bal: a houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving - geconsolideerde Staatsbladversie 479; b houtopstanden op erven of in tuinen; c bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d houtopstanden die windschermen om boomgaarden voorkomen; e naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f kweekgoed; g uit populieren of wilgen bestaande: · 1°. wegbeplantingen; · 2°. beplantingen langs waterwegen; en · 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: · 1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; · 2°. bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en · 3°.
zijn aangelegd na 1 januari 2013; j houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Het Bal kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit minstens één maand voorafgaand aan de kap melden bij de provincie (art. 11.126 Bal). Dit artikel is niet van toepassing op het periodiek vellen van griend- of hakhout. Daarnaast heeft degene die een houtopstand velt de plicht om hetzelfde areaal te herplanten binnen 3 jaar na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand (art. 11.129 Bal). Provincies kunnen bij verordening bepalen
22 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Ook kunnen provincies een afwijkende termijn voor de melding opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Onder de Omgevingswet stelt de gemeente regels over bomen in het Omgevingsplan. Gemeenten kunnen zonder beperking regels stellen over houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en over de andere houtopstanden die in artikel 11.111, tweede lid van het Bal zijn genoemd (zie vorige paragraaf).
2.6.2
Huidige situatie
Binnen de RES-regio zijn verschillende bomen en bossen aanwezig. Afbeelding 2.7 toont het landgebruik binnen de RES-regio. Onder het landgebruik wordt ook bos weergegeven.
Afbeelding 2.7 Ligging bos binnen de RES-regio Rotterdam-Den Haag
2.6.3
Effecten zonne- en windenergie op houtopstanden
Binnen de RES-regio zijn bossen en bomen aanwezig die in het kader van de realisatie van zonne- en windenergie mogelijk worden gekapt. Bomen en bossen zijn van groot belang door verschillende functies die ze bieden aan mens en milieu. Een aantal belangrijke functies zijn: - klimaatregulatie: Bomen absorberen koolstofdioxide (CO2) uit de atmosfeer, slaan dit op en zetten dit om naar zuurstof. Hierdoor verminderen ze de concentratie van broeikasgassen en vertragen ze klimaatverandering. Ze dragen ook bij aan het koelen van de lucht door waterdamp uit te stoten en schaduw te bieden; - biodiversiteit: bomen en bossen bieden leefgebied voor een breed scala aan plant- en diersoorten; - bodemgezondheid: bomen en bossen helpen bodemerosie te voorkomen en dragen bij aan bodemvruchtbaarheid door het leveren van organisch materiaal;
23 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
-
economisch en sociaal: bomen en bossen bieden een breed scala aan hulpbronnen en diensten die essentieel zijn voor de menselijke samenleving, waaronder hout en niet-houtproducten, voedsel, medicinale planten, recreatieve mogelijkheden en ecotoerisme.
Wanneer bomen of bossen in het kader van zonne- en windenergie gekapt worden kunnen de bovengenoemde functies verloren gaan. Het omgevingsplan regelt de regels rondom bomenbeleid. Indien de zoeklocaties buiten de bebouwingscontour houtkap (Bal) van de gemeente ligt, is op de desbetreffende bomen het Bal van kracht. Indien de zoeklocaties binnen de bebouwingscontour houtkap ligt, is het omgevingsplan van kracht. Of een houtopstand zich binnen de bebouwingscontour houtkap bevindt is terug te vinden in het omgevingsplan. In artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving, lid 2 staat dat een ‘bebouwingscontour houtkap’ wordt aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied. Het begrip ‘stedelijk gebied’ wordt in bijlage I bij artikel 1.1 van het BkI omschreven. Wanneer bekend is of en welke bomen gekapt worden in het kader van de werkzaamheden, wordt aanbevolen een bomenonderzoek uit te voeren bestaande uit een bureaustudie en een inventarisatie in het veld. De bureaustudie is bedoeld om na te gaan welke voorwaarden van kracht zijn op de te kappen bomen. Zo wordt nagegaan of de te kappen bomen zijn opgenomen in het bomenstructuurplan van de gemeente (bv. als structuurbepalende of waardevolle boom) en of de gemeente bijkomende voorwaarden stelt aan het kappen van deze specifieke exemplaren.
Op basis hiervan kunnen de noodzakelijke vervolgstappen in relatie tot de natuurwetgeving betreft houtopstanden worden beschreven. Hieruit kan volgen dat één of meerdere van volgende aanvragen/handelingen nodig zijn (verschilt per gemeente): - omgevingsvergunning - omgevingsplanactiviteit kappen; - melding - vellen houtopstanden. De inventarisatie in het veld is bedoeld om de soort, diameter en locatie van de te kappen bomen te onderzoeken en registreren. Deze informatie is immers nodig voor het in een latere fase aan kunnen vragen van een eventuele omgevingsvergunning.
2.6.4
Advies alternatievenontwikkeling
Uit een recente analyse van Wageningen Universiteit en Research (WUR) blijkt dat het Nederlandse bosareaal sinds 2013 jaarlijks met 1350 hectare afneemt [lit. 14]. Het duurzaam beheren en behouden van bossen is essentieel voor het behoud van biodiversiteit, het verminderen van klimaatverandering en het waarborgen van de veerkracht van ecosystemen en gemeenschappen. Door de waarde van bomen en bossen voor mens en natuur en de afname van bosareaal in Nederland is het van groot belang houtopstanden te behouden. Daarom wordt geadviseerd houtopstanden te vermijden bij de realisatie van zonne- en windenergie binnen de RES-regio.
24 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
3 BESCHERMDE SOORTEN 3.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn plant- en diersoorten beschermd. De Omgevingswet bevat regels voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Deze activiteiten worden ‘flora- en fauna-activiteiten’ genoemd. Degene die zo’n activiteit uitvoert moet voldoen aan de regels uit de Omgevingswet. Ook kan een vergunningplicht gelden. Onder de Omgevingswet bestaat de bescherming van flora en fauna (voorheen soortenbescherming) uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en ‘Andere soorten’. Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de volgende paragrafen worden deze verbodsbepalingen toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen (artikel 11.37 Bal): - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen.
Laatstgenoemde is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is maatwerk per soort en situatie. Het is verboden deze schadelijke handelingen te verrichten zonder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor deze soorten is geen vergunning nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn.
De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is.
25 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
De verbodsbepalingen van de Omgevingswet zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. In de lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden in de provincie Noord-Holland de volgende vier categorieën vogels onderscheiden: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage 4, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage 1 of 2 bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn.
De verbodsbepaling voor flora heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage 4, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage 1 bij het Verdrag van Bern. Voor deze fauna en flora van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen (artikel 11:46 Bal): - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het is verboden deze schadelijke handelingen te verrichten zonder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Soorten van nationaal belang Artikel 11.54 Bal bepaalt dat het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten ook geldt voor soorten die genoemd zijn in bijlage IX onder A en B bij het Bal. In deze bijlage zijn soorten van nationaal belang opgenomen die, naast de Vogel- en Habitatrichtlijn, nationaal beschermd worden.
De soorten zijn van nationaal belang: - omdat ze bedreigd of ernstig bedreigd zijn in Nederland (en ook voorkomen op rode lijsten (zoals beschreven in het onderstaande kader)); - vanwege hun intrinsieke waarde; - vanwege maatschappelijke opvattingen. Hiervoor geldt dat de volgende activiteiten verboden zijn: - a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; - b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en - c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Binnen de soortenlijsten in bijlage IX, onder A en B bij artikel 11.54 Bal onder de Omgevingswet is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd.
26 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Rode Lijst soorten Op de rode lijsten staan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) stelt de lijsten vast. De rode lijsten zijn een invulling van het Verdrag van Bern. In dit verdrag worden deelnemende landen verplicht om bijzondere aandacht te besteden aan soorten die met uitsterven worden bedreigd of kwetsbaar zijn. Dit gebeurd voor een groot deel al met de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor soorten die niet onder die richtlijnen vallen gebeurt dat met de rode lijsten. Rode lijsten hebben geen juridische status. Het kan wel zijn dat een Rode Lijst soort ook bijvoorbeeld een soort van nationaal belang (bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) of een vogel van de Vogelrichtlijn is. Voor die soorten gelden wel specifieke beschermingsregels (zoals hierboven beschreven onder soorten van Nationaal belang). Desondanks zijn de rode lijsten belangrijk voor: - iedereen bij het verrichten van activiteiten. Soms kan het verrichten van activiteiten namelijk nadelig zijn voor een rodelijstsoort. De activiteit is dan een flora- en fauna-activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt; - overheden bij beleidsontwikkeling en besluitvorming over de fysieke leefomgeving; - natuurbeheerders bij de invulling van het beheer; - provincies.
Zij zijn verantwoordelijk voor het nemen van de nodige maatregelen voor het behoud of het herstel van rodelijstsoorten (artikel 3.57, lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Specifieke zorgplicht In artikel 11.27 Bal is de specifieke zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit1 verricht en weet dat die activiteit gevolgen kan hebben voor de belangen genoemd in artikel 11.23 Bal (waaronder natuurbescherming), aan verschillende verplichtingen moet voldoen. Het is verplicht om: 1 alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 2 voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 3 als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Deze zorgplicht geldt in alle gevallen, voor alle dier- en plantensoorten.
3.2
Huidige situatie
Gezien de grote omvang van de RES-regio is het in de verkennende fase nog niet mogelijk om op het niveau van individuele soorten een beoordeling te doen van het potentieel voorkomen. Wel is in voorliggend hoofdstuk een overzicht gegeven van waar er ‘hotspots’ van beschermde soorten aanwezig zijn of worden verwacht. Hiervoor is beroep gedaan op bekende waarnemingsgegevens en verspreidingskaarten (NDFF), gevoeligheidskaarten voor vogels (SOVON) en luchtfoto’s. Bij alle werkzaamheden die nodig zijn voor het realiseren van de opwekking van zonne- en windenergie kunnen zich negatieve effecten voordoen op belangrijke onderdelen van de functionele leefomgeving van beschermde soorten, zoals verblijf- en nestplaatsen of foerageergebieden. Ook kunnen beschermde soorten (opzettelijk) worden verwond of gedood. Omdat dergelijke negatieve effecten een overtreding vormen van de Omgevingswet dienen deze voorkomen te worden. Als het voorkomen van negatieve effecten niet mogelijk is, is voor de werkzaamheden een vergunning Ow noodzakelijk en dienen de negatieve effecten gemitigeerd en/of gecompenseerd te worden.
1
Of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g.
27 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Bijzondere aandacht is besteed aan de (mogelijke) aanwezigheid van vogels en vleermuizen in de RES-regio. Dit in verband met het verhoogd risico op sterfte van deze soorten bij het in werking treden van windturbines.
3.2.1
Vogels
De groep vogels is één van de soortgroepen die het meeste aandacht vereist bij windenergieprojecten. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd onder de Omgevingswet onder het beschermingsregime ‘Vogelrichtlijn’. Er geldt een algemeen verbod op het opzettelijk verstoren/doden van individuen of het vernielen van nestplaatsen (zie ook wettelijk kader 3.1). Bij het plaatsen van windturbines bestaat de kans op een overtreding van één of meer van deze verbodsbepalingen, zowel in de aanlegfase (verstoren broedende vogels, aantasten/vernietigen nesten, et cetera) als in de gebruiksfase (doden individuen door aanvaring, verstoren). De gevoeligheidskaart vogels van SOVON (zie afbeelding 3.1) geeft in kleuren het relatieve verschil weer tussen gebieden van de kans dat windturbines een negatief effect zullen hebben op zowel broed- als niet-broedvogelpopulaties [lit. 15]. In roodtinten zijn de gebieden met de hoogste kans hierop aangegeven, in blauw en wit de gebieden met de laagste kans. De RES-regio bevindt zich globaal in een groen-oranje zone, met lokaal oranje-rood gebied. Dit betekent dat de kans op negatieve effecten op vogels in het gehele gebied gemiddeld is, en op enkele specifieke locaties bovengemiddeld.
De kans op de aanwezigheid van belangrijke trekroutes in dit gebied ligt volgens de kaart onder het Nederlands gemiddelde, met uitzondering van de kustlijn en de Maasvlakte (zie rechtse kaart). De kustlijn, Maasvlakte en de binnenduinrand zijn belangrijk voor trekvogels. Trekvogels navigeren langs de kustlijn en bij storm en hoge waterstanden, kunnen vogels overtijen in de binnenduinrand of op akkers en weilanden. Naast de nationale trekroutes zijn er ook lokaal belangrijke trekroutes van vogels aanwezig. Indien hier voldoende betrouwbare informatie over aanwezig is worden deze lokale trekroutes meegenomen in het milieuonderzoek.
Afbeelding 3.1 Gevoeligheidskaart vogels in het kader van windenergie. Links: gevoeligheidskaart (niet-)broedvogels, rechts: gevoeligheidskaart vogeltrek; met globale aanduiding van het plangebied (zwarte cirkel) [lit. 15]
28 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van vogels en de verdeling hiervan binnen de RES-regio zelf, zijn waarnemingsdata van alle vogels in het afgelopen jaar opgevraagd (NDFF) [lit. 16]. Op basis van deze gegevens is een heatmap gemaakt (afbeelding 3.3). Hieruit blijkt dat de meeste waarnemingen van vogels worden gedaan langs de kust, ten noordwesten van tiengemeenten en tussen Rotterdam en Den Haag (Bijzonder Provinciaal Lanschap Midden-Delfland). Ook bij het Quackjeswater onderdeel van Natura 2000 en NNN gebied Voornes Duin is een hogere concentratie aan waarnemingen. Het Quackjeswater is een belangrijk gebied voor Lepelaars, er broeden meerdere lepelaar kolonies. Let wel, deze kaart is enkel indicatief. Er is hier hoogstwaarschijnlijk sprake van een waarnemerseffect: op locaties waar meer mensen komen worden ook meer waarnemingen gedaan, waardoor de hoeveelheid waarnemingen niet representatief is voor de daadwerkelijke dichtheid van vogels. Het is dan ook niet mogelijk om op voorhand uitspraken te doen over het verwachte aantal en soortensamenstelling van vogels in de omgeving en de verschillen hierin tussen verschillende gedeelten van de RES-regio te kwantificeren. In ieder geval zijn voor alle zonne- en windenergielocaties negatieve effecten op vogels te verwachten.
Dit geldt met name in de gebruiksfase van windturbines, wanneer er de kans bestaat op aanvaringsslachtoffers. Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze zal aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk zijn. Verspreid over de RES-regio zijn verder nest-indicerende waarnemingen bekend van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Ow [lit. 16]. Door de grote hoeveelheid waarnemingen is het niet mogelijk dit op kaart weer te geven. Echter, kunnen verspreid over de gehele RES-regio jaarrond beschermde nesten voorkomen, met name in grotere bomen (bijvoorbeeld buizerd, sperwer, ransuil) en in woonhuizen en boerderijen (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw). Indien hier bomen worden gekapt of in deze omgeving trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd (bijvoorbeeld voor aanbrengen fundering windturbine), is mogelijk een nader soortenonderzoek naar jaarrond beschermde nesten nodig binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. Indien uit het onderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nesten vernietigd of verstoord worden, is een ontheffing nodig.
29 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
Afbeelding 3.2 Waarnemingen in het afgelopen jaar van vogelrichtlijnsoorten binnen de RES-regio Rotterdam-Den Haag [lit. 16] 12
3.2.2
Vleermuizen
Ook vleermuizen vormen een soortgroep waarop windturbines naar verwachting grote negatieve effecten heeft. Naast het verbod op het vernietigen van essentiële onderdelen van het leefgebied, geldt voor deze soorten (vallend onder Ow beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’) ook een verbod op het verstoren (bijvoorbeeld door geluid, licht, trillingen). Waarnemingen van vleermuizen van de afgelopen 5 jaar zijn verzameld en weergeven in een heatmap (afbeelding 3.3). Het betreft voornamelijk waarnemingen van overvliegende of foeragerende individuen van baardvleermuis, Brandts vleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, grote hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis en watervleermuis. Op de heatmap is te zien dat met name binnen de bebouwde kom van Den Haag, Zoetermeer, Delft, Rotterdam, Spijkenisse en Hellevoetsluis veel waarnemingen van vleermuizen bekend zijn. Naar verwachting berust dit grotendeels op een waarnemerseffect (stedelijk gebied/langs wegen). Ook in de rest van de RES-regio zijn vleermuizen te verwachten. Tevens zijn er binnen de RES-regio potentieel belangrijke landschapselementen voor vleermuizen aanwezig, die mogelijk van belang zijn als foerageergebieden en vliegroutes voor vleermuizen.
Het betreft aaneengesloten, lijnvormige bomenrijen en geschikte watergangen. Bij zoeklocaties in de directe omgeving van deze elementen bestaat een hogere kans op het voorkomen van grote aantallen overvliegende vleermuizen. Gebieden die sterk verstoord zijn (bijv. industriegebieden, snelwegen) en gebieden met een zeer open karakter (bijvoorbeeld intensief agrarisch gebruikt gebied) hebben relatief weinig potenties voor vleermuizen, omdat hier weinig voedsel, beschutting en verblijfplaatsen te vinden zijn en/of de verstoring 1
Deze informatie is afkomstig uit NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
2
Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.
andere wijze openbaar gemaakt worden.
30 | 38
Witteveen+Bos | 139608/24-010.314 | Definitief
door licht en geluid relatief hoog. Voor wat betreft vleermuizen verdienen dergelijke locaties dus de voorkeur bij de realisatie van zonne- en windenergie. Ongeacht de uiteindelijke locaties zonne- en windenergie zal aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk zijn.
Afbeelding 3.3 Waarnemingen vleermuizen binnen de RES-regio Rotterdam-Den Haag [lit. 16] 12
3.2.3
Overige soorten
Naast vogels en vleermuizen zijn er nog een heel aantal andere soorten beschermd onder de Omgevingswet. In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van beschermde soorten die zijn waargenomen in (of in de directe omgeving van) het de RES-regio in de afgelopen 5 jaar [lit. 16] en/of waarvan het voorkomen binnen de RES-regio te verwachten is op basis van recente verspreidingsgegevens [lit. 17]. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de soorten beschermd onder de beschermingsregimes Habitatrichtlijnsoorten (vetgedrukt), Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermd nest (schuingedrukt) en ‘Andere soorten’ van de Omgevingswet. Onder Andere soorten worden enkel soorten vermeldt waar binnen de provincie Zuid-Holland géén vrijstelling geldt op de verbodsbepalingen van de Omgevingswet, wanneer de overtreding plaatsvindt in het kader van een ruimtelijke ingreep. In afbeelding 3.4 worden habitatrichtlijnsoorten (anders dan vleermuizen) en in afbeelding 3.5 worden Andere soorten weergegeven in een heatmap. Relatief grote concentraties van Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten bevinden zich langs de kust, bij de Maasvlakte en ten zuiden van Rotterdam. Let wel, ook hier kan sprake zijn van een waarnemerseffect.