02.Schrijven CvM; 2022-08-02 Zienswijze Energiemodule-Stichting Windmolens N57 Nee!
Tekst van het document
Aan Gedeputeerde Staten Postbus 90602 2509 LP Den Haag Hellevoetsluis, 2 augustus 2022
Geachte gedeputeerde, Als voorzitter van de Stichting Windmolens N57 Nee! dien ik onze zienswijze in op het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie in. Ik teken hierbij aan dat ik mij het recht voorbehoud om aanvullingen te doen tot er geen sprake meer is van een redelijke termijn tot het uitkomen van de nota van beantwoording / zienswijzen nota.
Algemeen 1.1 Consequenties uitspraak Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020 SMB-richtlijn De kern van de uitspraak van de Raad van State (RvS) betreft het niet voldoen aan de Strategische Milieu Beoordelings-richtlijn (verder te noemen SMB-richtlijn) en Unierecht, waardoor de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit- en regeling buiten werking zijn gesteld. Al verschillende keren heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitgesproken dat wanneer men beoogt een windturbine te plaatsen of daar zelfs premature planvorming voor heeft, maakt of vaststelt of voornemend is vast te stellen, de SMB-richtlijn gevolgd moet worden. Hoewel in onze taal een richtlijn vrijblijvend lijkt, is dit in de Europese Verdragen een wetgevingsinstrument , dat wordt gebruikt om de bepalingen van deze verdragen vorm te geven. De richtlijn vormt daarbij een bindende opdracht aan de lidstaten om hun wetgeving aan te passen. Omdat deze richtlijn niet hier te lande correct is geïmplementeerd, vormt deze een evidente schending van het Unierecht. En doordat de termijn is verstrekken waarbinnen de SMB richtlijn omgezet had moeten worden in bindende wetgeving heeft deze in Nederland nu thans een directe werking. Hierdoor zijn de windturbinebepalingen in het Activiteiten Besluiten Regeling buitenwerking gesteld. Dit betekent dat er voor het opstellen van vervangende c.q.
nieuwe windturbinebepalingen eerst een planMer moet plaatsvinden. Doel van de planMer is om plannenmakers te dwingen om al in een vroegtijdig stadium van de planvorming na te denken over de milieugevolgen en deze mee te nemen bij het maken van strategische keuzen. Bevoegde nationale autoriteiten inclusief rechterlijke instanties zijn verplicht om in het kader van hun bevoegdheden alle noodzakelijke maatregelen te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen. Daarbij mogen Unieregels niet worden omzeild of buiten toepassing worden gelaten. Dat wil zeggen dat het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie en bijbehorende MER, moet voldoen aan het gestelde in de SMB-richtlijn en hieraan getoetst moet kunnen worden. Op grond van de SMB-richtlijn moet vooraf met wetenschappelijke zekerheid worden vastgesteld dat geen verslechtering in de leefomgeving optreedt. Die bepalingen zijn voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk. Daarbij dient het aspect gezondheid een zelfstandig onderdeel te zijn dat in de breedste zin getoetst moet zijn, voordat de windturbinebepalingen Leefomgeving worden vastgesteld en inwerking zijn.
1
Conclusie ten aanzien van het gehele document De SMB-richtlijn heeft directe werking en kan niet worden omzeild of buiten toepassing worden gelaten. De ter inzage gelegde ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie dient daarom rekening te houden met de voorwaarden die gesteld zijn in deze SMB-richtlijn en deze nader uit te werken. Dit is niet tot onvoldoende gebeurd. Het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie (verder te noemen dit Ontwerp) biedt geen deugdelijk materieel toetsingskader, terwijl er wel degelijk verbanden bestaan tussen windturbines en mogelijke veroorzaking van gezondheidsschade. Maar wordt geheel buiten beschouwing gelaten en niet meegenomen in de MER.
Opmerkingen ten aanzien van dit Ontwerp 1. Voorgestelde wijziging Afdeling 6.2 Bestemmingsplannen, paragraaf 6.2.9 Energie, artikel 6.28, 3de lid: In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.
2. Omgevingsprogramma windenergie op land Ontwerpend onderzoek : - We starten, naar aanleiding van inbreng in het participatieproces rond de RES’en, een onderzoek (onder meer de relatie met ruimtelijke kwaliteit) naar grotere windturbines op boerenerven (tot 35 meter as-hoogte); - Ontwerpend onderzoek naar toekomstige opstellingen van windenergie (hoge en middelhoge turbines) vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit.
Reactie 1 of 2, kleine en middelgrote windturbines - vrijhouden middengebied Voorne-Putten In dit Ontwerp wordt door de wijziging van artikel 6.28, 3de lid gemakshalve ten behoeve van de energietransitie kleine windturbines met een max ashoogte van 15 m en middelgrote windturbines met een max ashoogte van 35-45 meter toegelaten in bestemmingsplannen. Dit betekent een extra belasting van de leefomgeving zonder dat deze wijziging MERgetoetst is conform de SMB-richtlijn. De keuze voor deze ashoogte is bovendien niet onderbouwd. Deze voorgestelde wijziging kan daarom op basis van dit Ontwerp en bijbehorende MER die nu ter inzage ligt niet zonder meer worden doorgevoerd. Daarbij komt dat veel ter beoordeling aan de gemeente wordt overgelaten. Omdat de wijziging niet spreekt over maximaal toegestane aantallen windturbines zal de gemeente voor het bepalen daarvan verantwoordelijk zijn. Hier komt duidelijk het behoud van open landschap in het geding wanneer er geen beperking in aantallen te mogen plaatsen windturbines wordt gegeven door de provincie. Het ontstaan van een windpark met kleine tot middelgrote windturbines behoort opeens daardoor tot de mogelijkheden. Hoe verhoudt dit zich met de zorgvuldig tot stand gekomen locaties windenergie op kaart 16.
Zijn die dan alleen nog geschikt voor de grote tot zeer grote windturbines? In ieder geval leidt deze wijziging tot verandering van het open (agrarisch) landschap naar een industrieel landschap dat voor met name Voorne Putten zeer onwenselijk is. De gemeenten op Voorne Putten doen er alles aan om het midden gebied windturbine vrij te houden en de benodigde windturbines aan de buitenzijde van het eiland te formeren. Deze wijziging haalt dit aspect onderuit. 2
Mocht de uitzondering in de uitspraak van de RvS dat 1-2 windturbines op een boerenerf geen windpark zijn in de zin van de MER-regelgeving aangevoerd worden, dan wil dat niet zeggen dat artikel 3, lid c van dit Verdrag daardoor niet van toepassing is. Immers is het wetenschappelijk uitgesloten dat 1-2 windturbines geen aanzienlijk milieueffect hebben op de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid? Nu steeds meer geluiden van specialisten op het gebied van geluid en die van omwonenden die op minimaal 500 meter van een windturbine wonen duiden op een ernstige verstoring van hun leefomgeving. ”. Uit de SMB richtlijn vloeit tevens de verplichting voort om de mogelijke aanzienlijke milieueffecten voor de bevolking en de gezondheid van de mens in kaart te brengen. (Bijlage I onder c en f).De milieueffecten betreffen bij windturbines niet alleen geluid. Door erosie komen (bewezen) giftige deeltjes vrij. Dit geldt ook voor 1-2 , kleine en middelgrote windturbines. 3. Artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening In het kader van deze herziening is in dit ontwerp een voorstel voor de aanpassing van artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (bij inwerkingtreding van de Omgevingswet) voorgesteld. Met de aanpassing van dit lid wil de provincie duidelijker zijn over de omvang van de mogelijke uitbreiding van bestaande locaties voor windenergie.
Met deze regel in de verordening wordt ruimte geboden om uitbreiding van bestaande locaties mogelijk te maken en daarmee ruimte te bieden om het aandeel opwek van windenergie te kunnen vergroten. In de huidige voorstellen is opgenomen dat de uitbreiding niet meer kan zijn dan een verdubbeling van de huidige vastgestelde windlocaties op kaart 16 behalve windpark Spui. De provinciale criteria en uitgangspunten, voor onder meer landschappelijke inpassing, ruimtelijke kwaliteit, participatie en draagvlak, blijven van kracht. We willen de zienswijze periode gebruiken om input te krijgen op de precieze formulering en omvang van deze uitbreidingsmogelijkheid en vragen daarom nadrukkelijk input hierop.
Reactie De voorgenomen aanpassing van artikel 7.76 met de mogelijke uitbreiding van bestaande locaties voor windenergie, waarbij de uitbreiding niet meer kan zijn dan een verdubbeling van de huidige vastgestelde windlocaties op kaart 16, behalve windpark Spui, is de vraag hoe deze wijziging gelezen kan worden. Kunnen er in aantal eenzelfde aantal locaties nog bijkomen of kunnen de bestaande locaties uitgebreid worden, zodat die locatie tweemaal zo groot kan worden. Door uitsluiting van windpark Spui lijkt met de wijziging het laatste te worden beoogd > Vergroten van de bestaande locaties naar een maximum van een dubbel oppervlakte. Deze voorgestelde wijziging is opmerkelijk te noemen. Waar, bij het vaststellen van de vastgestelde windlocaties op kaart 16 een heel traject middels het ‘Startdocument PLANMER PARTIËLE HERZIENING VRM WINDENERGIE ZUID-HOLLAND Provincie ZuidHolland in 2015 en de Partiele herziening Visie ruimte en mobiliteit Windenergie en planMER Partiele herziening VRM Windenergie Zuid-Holland is doorlopen, lijkt nu een simpele wijziging van artikel 7.76 te leiden tot een verdubbeling van deze locaties. Aan deze voorgenomen wijziging is geen participatie traject vooraf gegaan en evenmin hebben gemeenten de gelegenheid gekregen om akkoord te gaan met de mogelijkheid van verdubbeling van deze locaties.
Sterker nog de in de Partiële herziening opgenomen locaties zijn allen destijdsmet medewerking van de gemeenten (met uitzondering Albrandswaard) tot stand gekomen locaties. 3
Er lijkt hierdoor sprake van het veranderen van de spelregels tijdens het spel en dat kan en mag als overheid niet de bedoeling van haar handelen zijn. De vraag is of de voorgestelde wijziging daarom de juiste procedure is, gelet op het effect dat deze wijziging heeft op zowel ruimtelijke ordeningsgebied als op het gebied van milieu, het gebrek aan participatie en te creëren draagvlak. 4. Aanpassingen Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma Energietransitie Naast de vaststelling van de RES’en vormt het advies van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) over de RES’en “meer dan zon en wind alleen” aanleiding voor aanvulling van het omgevingsbeleid. In het advies geeft de PARK aan dat ruimte en landschap nog geen volwaardig onderdeel zijn van de RES1.0. Ook andere partijen geven dit aan in hun documenten, zoals het advies van het College voor Rijksadviseurs (CRa), de monitor van PBL en het PAL-advies ‘startnotitie module energietransitie. Met het voorstel in deze herziening stimuleert de provincie om landschap en ruimte een stevig onderdeel laten worden van het energiedebat. Niet als tegenhanger van de energievraagstukken, maar samen optrekkend om te werken aan een mooier en schoner Zuid-Holland.
Reactie 1 De provincie heeft een opdracht liggen om ruimte en landschap een volwaardig onderdeel te laten zijn van de RES. In een eerder ingediende zienswijze op de RES 1.0 is hierover de volgende opmerking geplaats, die ook relevant is voor dit Ontwerp en bijbehorende MER: Integrale afweging landschap ontbreekt De omvang van de landschapsschade blijft in de RES 1.0 onduidelijk voor de burgers van de regio, er dreigt nu versnipperd beleid. Daardoor wordt bestuurders de mogelijkheid onthouden om de RES 1.0 te beoordelen op maatschappelijke acceptatie en op concrete milieueffecten. Onderzoek daarom de integrale visie van de Rijksadviseur voor het landschap, (Berno Strootman https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2019/10/17/via-parijs/) zodat plannen met elkaar samenhangen om verrommeling van het landschap te voorkomen. De RES 1.0 besteedt geen aandacht aan het conflict van ruimte-intensieve energie en privaat eigendomsrecht onder dreiging van de Crisis- en Herstelwet. De RES 1.0 gaat ook hier slechts op hoofdlijnen deels op in waardoor de reikwijdte van de gevolgen van dit besluit tot vaststelling niet zijn te overzien en derhalve ook hier niet zijn meegenomen in het besluit. Hierdoor is onbekend of de nadelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden van dit besluit onevenredig in verhouding zijn tot de met het besluit te dienen doelen (art.
3.4, lid 2 AWB).
Reactie 2 In dit Ontwerp en bijbehorende MER wordt eveneens niet ingegaan waarom windturbines op land (nabij kwetsbare) objecten het minst slechtste alternatief is. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de exploitatiefase, maar ook naar de aanleg en sloop, de totale levensfase van in dit geval een opwekker. Zoals eerder aangegeven is er tijdens de levensfase van een windturbine sprake van effect op de leefomgeving door erosie. Doordat dit in het grondwater komt is het effect gebied rondom een windturbine vele malen groter dan het zetten van een cirkel met een straal van 1000 meter. Dat de wet op dit moment aangeeft dat bij een omgevingsvergunning de uitstoot van de aanlegfase niet betrokken hoeft te worden doet hier niets aan af (los van hoe juridisch houdbaar deze wet is). Deze regelgeving inzake stikstof mag niet “verward” worden met de zeer duidelijke voorwaarden die gesteld worden aan een MER /mer. 4
Dit Ontwerp moet er in voorzien dat er een onderbouwing komt waarom er windturbines op land moeten komen en er dient aangetoond te worden dat windturbines op land (nabij kwetsbare objecten) de minste impact heeft op het milieu en de leefomgeving. Met name gelet op het voornemen om de bestaande locaties te verdubbelen. Dit Ontwerp en bijbehorende MER gaan met een te smalle scope van het gegeven uit, dat het plaatsen van windturbines op land de oplossing is, de minst vervuilende en minst het milieu verstorende oplossing om (duurzaam) energie op te wekken. Daarbij is de scope van dit Ontwerp geheel gericht op het kunnen plaatsen van windturbines en zijn alle genoemde alternatieven en milieuaspecten op deze wijze gemotiveerd en beschreven. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat het kenmerk van een milieueffectrapportage is, dat initiatiefnemer en bevoegd gezag zich niet kunnen blindstaren op één specifieke oplossing. Er moeten alternatieven uitgewerkt en onderzocht worden. (bron: Infomil- welke alternatieven). Het plaatsen van zonnepanelen is slechts een stukje van die oplossing. Conclusie Dit Ontwerp staart zich blind op het mogelijk maken windturbines te plaatsen.
Er ontbreekt een strategische afweging vooraf of windturbines in vergelijking met andere vormen van (duurzame) energie-opwekkers de oplossing zijn voor duurzame energie versus de effecten op de leefomgeving en wordt te gemakkelijk uitgegaan van een verdubbeling van de locaties windenergie op kaart 16, middels wijziging artikel 7.76 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Handreiking Reikwijdte en detailniveau Het is niet voor niets dat in de handreiking Reikwijdte en detailniveau: Wat houdt dat in? (bron: Infomil) opgenomen is, dat hierin aan bod moet komen: Onderzoek van alternatieven vanuit het milieuperspectief; Aandacht voor locatiekeuze vanuit het milieuperspectief; Buiten de grenzen van het (wettelijk) plangebied kijken. Nergens in het energieakkoord is opgenomen dat er per definitie windturbines op land moeten worden geplaatst, dat is slechts een niet onderbouwde aanname die gedaan is, zonder gedegen onderzoek naar de effecten. Het is slechts een invulling van Nederland dat windturbines op land nodig zijn voor de energietransitie. Er is nimmer onderzocht welke effecten er lokaal en mondiaal zijn bij de winning van grondstoffen, de productie en bouw, exploitatie en uiteindelijk sloop of vervanging.
Dat de huidige (onhoudbare) stikstofwet de uitstoot van de bouw uitsluit bij omgevingsvergunningen doet niks af aan het feit dat het in het kader van de milieuwetgeving verplicht is dit te onderzoeken en te kijken of dit wel het beste alternatief is. Zeker windturbines op wind luwe landsdelen geven een enorme extra uitstoot, immers door de veel lagere vollasturen zijn er simpelweg meer nodig om het zelfde vermogen op te wekken. Alleen hierom al kan nimmer uit onderzoek blijken dat windturbines op land in de wind luwe gebieden het beste alternatief zijn.
Opmerkingen ten aanzien bijbehorende MER 1. MER onvoldoende In de bij dit Ontwerp behorende MER wordt onder 1.6. de Relatie gelegd tussen de MER en de Monitor Leefomgeving PZH. Daarbij wordt aangegeven dat De Monitor Leefomgeving (MoLo) laat zien hoe de leefomgeving er ‘buiten’ in de provincie voorstaat. Het beoordelingskader wordt als volgt beschreven: De MoLo beschrijft de staat van de leefomgeving aan de hand van een 30-tal effectindicatoren en brengt in beeld welke ontwikkelingen zich in de leefomgeving van de provincie Zuid-Holland voordoen. De MoLo beschrijft de staat van de leefomgeving en de ontwikkelingen gekoppeld aan de thema’s van 5
het Omgevingsbeleid. De MoLo is gebruikt als basis voor het beoordelingskader in dit MER. In de NRD wordt beschreven welke beoordelingsaspecten en -criteria worden gehanteerd. Voor dit MER is het beoordelingskader aangepast en planspecifiek gemaakt. Zo zijn enkele aspecten buiten beschouwing gelaten, omdat het plan niet of nauwelijks invloed heeft op deze aspecten (zoals ondernemersvertrouwen of verkeersslachtoffers). Ook zijn er indicatoren aan het beoordelingskader toegevoegd, zoals de toetsing aan weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebied en stiltegebieden. De staat van de leefomgeving in Zuid-Holland wordt weergegeven aan de hand van een rad. (Daarnaast is ook een lijstweergave beschikbaar.) Het rad bevat verschillende indicatoren waaronder gezondheid. Tot dusver lijkt het huiswerk goed gedaan, totdat gekeken wordt naar de gehanteerde indicatoren voor gezondheid. Voor het aspect gezondheid is als indicatoren alleen sprake van: 1. Levensverwachting in goed ervaren gezondheid Wat is het nu : (veel) knelpunten Welke kant gaat het op : neutraal/geen ontwikkeling Waar komen we op uit : naar verwachting (veel) knelpunten 2. Verkeersslachtoffers Wat is het nu : geen/weinig knelpunten Welke kant gaat het op : negatieve ontwikkeling Waar komen we op uit : naar verwachting wisselende knelpunten
De effecten van windturbines op de gezondheid liggen vele male breder en vooral op een ander vlak dan Levensverwachting en Verkeersslachtoffers. Te denken valt aan geluid, slagschaduw en trillingen (niet zijnde LFg) die windturbines veroorzaken en deeltjes in het milieu door erosie die schadelijk zijn voor de gezondheid. Conclusie De indicatoren voor gezondheid zijn onvolledig, hier moet tevens opgenomen worden dat (ultrasoon)geluid, slagschaduw, trillingen en schadelijke deeltjes als gevolg van erosie van windturbines in een brede context opgenomen en onderzocht moeten worden waar het gezondheid betreft. Waarbij het aspect trillingen niet onder de categorie geluidsoverlast valt en geen laag frequent geluid zijn. Daarnaast zijn er ook zorgen over trillingen in de omgeving en in de ondergrond en is onduidelijk welke gevolgen dit heeft op het milieu. De MoLo geeft daarom onvoldoende garantie dat het aspect gezondheid voldoende wordt onderzocht. Met deze MER is geen effectieve rechtsbescherming van de burger, diens lijf, goed en omgeving geregeld dan wel gewaarborgd, zoals bedoeld vanuit het Unierecht en de SMB richtlijn. Deze MER heeft een verkeerd dan wel een te beperkt gekozen invalshoek om recht te doen aan hetgeen beoogd wordt te bereiken met de uitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021.
Ik verwijs u daarvoor naar het volgende: In de uitspraak van ECLI:EU:C:2020:143-Zaak C-24/19 regel 58 tweede streepje staat: De sleutel tot het probleem ligt in de soort uitlegging van de SMB-richtlijn die wordt gekozen: – Indien daarentegen de voorkeur wordt gegeven aan een systematische en teleologische uitlegging van die bepaling, vallen ook plannen en programma’s die op vrijwillige basis worden vastgesteld, maar waarin door wet- of regelgeving is voorzien, binnen de werkingssfeer van de SMB-richtlijn en vereisen zij een SMB wanneer zij een aanzienlijk milieueffect hebben. Zo moeten volgens Bijlage I van de SMB-richtlijn onder c, de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn worden toegelicht. Het Verdrag van Aarhus geeft in Artikel 3 een duidelijke omschrijving om welke „milieu-informatie" het dan gaat: 6
Onder „milieu-informatie" wordt verstaan alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over: a.de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschappen en natuurgebieden, biologische diversiteit en componenten daarvan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen; b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid en straling, en activiteiten of maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, milieuakkoorden, beleid, wetgeving, plannen en programma's die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten binnen het toepassingsgebied van het voorgaande onderdeel a, en kosten-baten- en andere economische analyses en veronderstellingen gebruikt in milieubesluitvorming; c.de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid, de menselijke levensomstandigheden, cultureel waardevolle gebieden en bouwwerken, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via deze elementen, door de factoren, activiteiten of maatregelen bedoeld in het voorgaande onderdeel b. 2. Erosie Het aspect Erosie dient eveneens in MER en MoLo te worden onderzocht. Erosie van de rotorbladen (of wieken) van windmolens is een onderschat probleem.
Aangezien de rotorbladen van windmolens opgebouwd zijn uit Epoxyharsen en polyurethaanharsen komen bij erosie (door bv. contact met regendruppels en hagel) schadelijke stoffen vrij. Epoxyharsen en polyurethaanharsen ontgassen vrijwel permanent en zijn gevoelig voor vocht. De harders (de tweede component bij de constructie van rotorbladen) bevatten meestal zeer exotische, toxische stoffen, waaronder titaniumdioxide, kobalt enz. Deze stoffen zijn vrijwel nooit opgenomen in de risicoanalyses en de gevarenklassen. Dit vormt een gevaar voor het leefmilieu. Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat erosie leidt tot het vrijkomen van microplastics die isocyanaten en andere stoffen bevatten welke kankerverwekkend en allergeen zijn. Epoxy bevat, in tegenstelling tot polyester, 33% Bisfenol A (BPA) wat als zeer schadelijk voor de gezondheid wordt beschouwd zeker wanneer dit in het grondwater of de voedselketens terecht komt. Windturbines hebben de typische eigenschap dat ze hoog boven akkers, weilanden met vee en waterbronnen staan. Er is dus een groot gebied dat beïnvloed wordt door het vrijkomen van schadelijke stoffen. Er is reeds wetenschappelijk bewijs dat grondwater rondom windmolens verontreinigd is. Doordat slijtage sneller optreedt wanneer erosie optreedt door contact met zout water treedt bij windturbines op zee extremere slijtage op.
Er zijn indicaties dat wieken op zee elke ca. 5-10 jaar compleet vervangen dienen te worden. De huidige wetenschappelijke studies rondom erosie van rotorbladen zijn gebaseerd op windturbines met een rotordiameter van 120 meter. Het is belangrijk te beseffen dat erosiesnelheid exponentieel is aan de impactsnelheid of impactenergie. Bij nieuwere en grotere turbines zullen veel grotere massa verliezen optreden en dus meer schadelijke stoffen vrij komen. Conclusie Aan dit aspect besteedt de MER behorende bij dit Ontwerp ook als het om windparken gaat, onvoldoende dan wel in zijn geheel geen aandacht en is ook niet genoemd als zelfstandig beschreven alternatief of milieueffect dat dient te worden onderzocht. Onderzoeken die de feiten over de risico’s en feiten m.b.t. gezondheidsschade van windturbines daadwerkelijk in beeld brengen. Alles gericht op het voorzorgbeginsel.
7
3. Voorzorgplicht De overheid in Nederland verzaakt stelselmatig haar voorzorgplicht (zie artikel 21 en 22 van de Grondwet) heeft deze ook verzaakt bij de planvorming en bouw van windturbineparken en aanverwante industriële installaties. Bewust worden de EU- beschermingsrichtlijnen door de Nederlandse bestuursorganen en rechterlijke macht ontkend. Wie (in dit geval geïnformeerd en dus willens en wetens) het risico neemt gezondheidsschade te veroorzaken bij zijn medemens, of u als overheid bij uw burgers, maakt zich schadeplichtig. Dit is de stelling van vele juristen. Alle bestuursorganen en rechtscolleges dienen het voorzorgsprincipe voor de gezondheid van de mens te plaatsen in het hart van de besluitvorming. Dit geldt niet alleen met betrekking tot windturbineparken maar ook bij alle andere beslissingen in de energietransitie waarbij volgens de normstelling van de EU sprake is van aanzienlijke milieugevolgen. Op grond van de normstelling van de EU dient vooraf aan de besluitvorming door onderzoek met wetenschappelijke zekerheid vast komen te staan, dat het bestaande beschermingsniveau voor een gebied niet zal worden aangetast door de voorgenomen plannen. Het nalaten van dit onderzoek zet de deur open voor alle regio’s en gemeenten om de blootstelling van bewoners aan gezondheidsrisico’s verder te vergroten.
Het doen van onderzoek dat voldoet aan de EU-normen is noodzakelijk om de gezondheidsrisico’s uit te sluiten en het voorzorgsprincipe in te vullen. De noodzaak hiertoe is ook actueel in de besluitvorming in het kader van het vervolg op dit Ontwerp. Er is onvoldoende getracht gezondheidsrisico’s op voorhand uit te sluiten. Met het serieus toepassen van het voorzorgsprincipe staan we in Nederland aan het begin van een traject. Op dit nieuw ingezette spoor om de gezondheidsschade ten gevolge van windturbines erkend te krijgen bij de overheid zijn meerdere wetenschappelijke publicaties beschikbaar. Het is de plicht van alle bestuursorganen om de invulling van het voorzorgsprincipe en toepassing van de EU richtlijnen te realiseren. Het is de taak vooral van hen die een rol vervullen in besluitvormingsprocessen en de leden van de rechterlijke macht hierin verantwoordelijkheid te nemen. Van dit Ontwerp wordt verlangd, dat zij serieus aandacht geeft aan kader waarin de zorg voor de gezondheid en de handhaving of verbetering van het huidige beschermingsniveau van de leefomgeving voorop staat. Het normen kader van de SMB richtlijn gebiedt dat. Maar ook onze eigen Grondwet.
Dat betekent dat de overheid, ic het gemeentebestuur, zolang twijfel bestaat over het veroorzaken van gezondheidsschade en milieuschade door windturbines en er geen wetenschappelijke garanties kunnen worden gegeven dat het bestaande beschermingsniveau voor de leefomgeving zal worden gehandhaafd dan wel verbeterd, niet een plan vast kan en mag stellen. Dit Ontwerp en bijbehorende MER moet hiervoor kaders scheppen en doet dit op dit moment niet. Slecht het vergroten van de mogelijkheid tot plaatsing van windturbines ten behoeve van de energietransitie wordt beoogd. Er vindt onvoldoende integrale afweging plaats. Conclusie De wijze waarop dit Ontwerp en bijbehorende MER is opgesteld gaat in zijn geheel voorbij aan de voorwaarden die gesteld worden vanuit de SMB richtlijn. Het onderdeel milieueffect voor de bevolking en de gezondheid van de mens in de breedste zin ontbreekt. Kort gezegd: Dit Ontwerp is niet SMB-proef en in strijd met het Unierecht. Dit Ontwerp houdt bovendien geen rekening met het feit dat de overheid een voorzorgplicht voor de gezondheid van de mens heeft. Dit Ontwerp met bijbehorende MER dient u aan te vullen en te vervolmaken met alle zaken die opgenomen zijn in de voorgenoemde richtlijnen en verdragen, alsmede alle geldende wet- en regelgeving welke van toepassing is of kan zijn op dit Ontwerp en bijbehorende MER. 8
Referenties 1) Pugh, K., Stack, M.M. Rain Erosion Maps for Wind Turbines Based on Geographical Locations: A Case Study in Ireland and Britain. J Bio Tribo Corros 7, 34 (2021). https://doi.org/10.1007/s40735-021-00472-0 2) Leading Edge erosion and pollution from wind turbine blades - 5 th. Edition, Asbjørn Solberg, Bård-Einar Rimereit and Jan Erik Weinbach, July 2021 3) Cortés E, Sánchez F, O'Carroll A, Madramany B, Hardiman M, Young TM. On the Material Characterisation of Wind Turbine Blade Coatings: The Effect of Interphase Coating-Laminate Adhesion on Rain Erosion Performance. Materials (Basel). 2017;10(10):1146. Published 2017 Sep 28. doi:10.3390/ma10101146 4) https://norwea.no/norwea-mener/2021/3/26/faktaark-vindkraft-plast-og-bisfenol-a
Opmerkingen ten aanzien van Participatie 1. Verdubbeling locaties 2. Participatie en draagvlak RES 1.0 Het provinciaal omgevingsbeleid is continu in beweging. Voor de energietransitie zijn er nieuwe plannen gemaakt, zoals in de RES1.0 en de CES. Om te zorgen dat deze plannen verder uitgewerkt en uitgevoerd kunnen worden, wijzigen wij de module Energietransitie in ons omgevingsbeleid.
Reactie In een ingediende zienswijze op de RES 1.0 is gesteld dat de RES 1.0 niet voldoet aan het Verdrag van Aarhus waar het vroegtijdige inspraak betreft, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Er heeft onvoldoende, enkel zwaar sturende burgerparticipatie plaatsgevonden naar een gewenst resultaat. Verder is opgemerkt dat de RES 1.0 in strijd is met artikel 3.4 en 3.9 AWB. De bij het besluit rechtstreeks betrokken belangen zijn onvoldoende afgewogen en de nadelige gevolgen van het besluit zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het doorlopen proces om te komen tot de RES 1.0 voldoet niet aan het gestelde in artikel 8 WOB. Er is onvoldoende informatie uit eigen beweging verstrekt op het moment dat dit in het belang is van een goede democratische bestuursvoering. Nu de uit de RES voortvloeiende uitvoeringsplannen meer onder de aandacht komen van de burgers neemt het verzet en de ontgoocheling onder burgers daarover toe. Zij herkennen zich niet in het resultaat. Dit Ontwerp wordt gewijzigd om de RES verder uit te kunnen werken en uit te voeren. De participatie die onderdeel vormt van het proces RES laat sterk te wensen over.
Nu in dit Ontwerp een verschuiving van benodigd lokaal draagvlak naar participatie beschrijft lijkt alles erop gericht om burgers en zelfs overheden buitenspel te zetten ten behoeve van de realisatie van wind- en zon-projecten zonder al te veel weerstand en oponthoud. De onvolkomenheden zoals deze opgemerkt zijn ten aanzien van de participatie bij het proces RES 1.0 zetten zich onverminderd voort. Al dan niet erger gelet op de voorgestelde wijziging van artikel 7.76. van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Met vriendelijke groet, Voorzitter Stichting ‘’Windmolens N57 Nee!’ Cora van Mook MSc Adres Woonplaats Email
: Langeweg 2 : 3222 LD Hellevoetsluis : slik1@planet.nl 9