CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitspraak RvS 20 maart 2019 geanonimiseerd

Meningsvormende raad I 8 april 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Verzoek tot herziening bestemmingsplan Landelijk gebied Nieuwkoop18.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Uitspraak 201702444/1/R3

18

toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 3 meter." 47.2. Bij brief van 10 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan [appellant sub 11] te kennen gegeven dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" niet strookt met het raadsbesluit en dat deze kennelijke verschrijving inmiddels is hersteld door deze aanduiding toe te kennen aan de plek waar de prefab-unit daadwerkelijk staat. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat het plan in zoverre geen juiste weergave is van hetgeen door de raad is besloten. Tussen partijen is niet in geschil dat de verbeelding inmiddels is aangepast en dat de foutieve versie van het bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl is verwijderd en de versie van het bestemmingsplan zoals de raad die heeft vastgesteld hierop inmiddels wel is gepubliceerd. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop het bestemmingsplan zoals de raad dat heeft vastgesteld alsnog beschikbaar gesteld en ziet de Afdeling geen aanleiding voor gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van het bestreden besluit in zoverre. 47.3.

Waar [appellant sub 11] heeft aangevoerd dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" niet in de planregels staat en rechtsonzeker is, overweegt de Afdeling dat in artikel 3, lid 3.2.4, onder c, van de planregels naar deze aanduiding wordt verwezen. Voorts is in artikel 1, lid 1.70, van de planregels sierteelt gedefinieerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de planregeling ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" rechtsonzeker is. 47.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 11] dat ten onrechte geen volwaardig bouwvlak is toegekend, heeft de raad uiteengezet dat de drie percelen buiten het boom- en sierteeltgebied als bedoeld in de Provinciale Verordening ruimte 2014 liggen. In de toelichting op artikel 2.3.1 van de Verordening ruimte 2014 staat dat vanwege de grote landschappelijke effecten de mogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de concentratiegebieden beperkt zijn. De raad heeft toegelicht dat terughoudendheid in algemene zin met sierteelt in het Groene Hart, buiten de aangewezen gebieden, ook bestendig lokaal beleid is. Niet gebleken is dat [appellant sub 11] een concreet bouwvoornemen met daarbij een ruimtelijke onderbouwing heeft voorgelegd op grond waarvan de raad een ruimtelijke afweging had kunnen en moeten maken.

Hetgeen [appellant sub 11] in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht is in dit opzicht onvoldoende. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid er voor heeft kunnen kiezen de bestaande situatie in zoverre in het plan vast te leggen. 47.5. De betogen falen. 47.6. Omdat [appellant sub 11], gelet op een e-mailbericht van 16 februari 2017, door een medewerker van de gemeente is geadviseerd om tijdig beroep in te stellen om zijn rechten veilig te stellen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb de raad te gelasten dat het door [appellant sub 11] betaalde griffierecht wordt vergoed. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 48. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 12] 49. [appellante sub 12] exploiteert een sierteeltbedrijf op het perceel [locatie 20] te Ter Aar. Op het naastgelegen perceel [locatie 21] is een camping met een wijngaard gelegen. Dit perceel is in eigendom van [belanghebbende E]. [appellante sub 12] kan zich er niet mee verenigen dat op het perceel van [belanghebbende E] in het plan 30 stacaravans worden

Uitspraak 201702444/1/R3

19

toegestaan. 50. [appellante sub 12] richt zich tegen artikel 13, lid 13.2.2, aanhef en onder h, van de planregels. Zij voert aan dat ten onrechte 30 stacaravans op het perceel [locatie 21] mogelijk worden gemaakt. Volgens haar wordt dit zonder verzoek en zonder motivering opeens toegestaan in het plan. Zij vreest dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van haar sierteeltbedrijf in gevaar komt, omdat de gewassen regelmatig met bestrijdingsmiddelen moeten worden bespoten. Bij brief van 2 maart 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop haar te kennen gegeven dat het plan op dit punt geen juiste weergave is van hetgeen door de raad is besloten en dat het plan zal worden aangepast, aldus [appellante sub 12]. In dit verband wijst zij op de brief van 9 mei 2017 van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop waarin staat dat het toestaan van 30 stacaravans niet strookt met het verzoek van de eigenaar en ook niet met het bestreden besluit en dat deze planregel inmiddels is aangepast. 50.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 21], voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatieverblijfsrecreatie 1" toegekend. Artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "De voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 1", een camping met een wijngaard, een dagrecreatieve voorziening met op de wijngaardcamping gerichte horeca en detailhandel ([locatie 21] Ter Aar) zoals nader beschreven in 13.2.2." Lid 13.2.2 van de planregels luidt: "([locatie 21] Ter Aar/[camping]) Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-verblijfsrecreatie 1", gelden de volgende bouwregels: a. maximaal 1 bedrijfswoning; b. maximaal 300 m2 dagrecreatieve voorziening met horeca; c. detailhandel binnen de bestaande bebouwing; d. maximaal 3 trekkershutten; e. maximaal 6 hooiberghutten; f. maximaal 300 m2 aan overige bedrijfsbebouwing; g. maximaal 25 kampeermiddelen; h. maximaal 30 stacaravans; i. maximaal 1 recreatiewoning; één en ander volgens de overige bouwregels hierna." 50.2. Bij brief van 9 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan [appellante sub 12] te kennen gegeven dat de vermelding in de planregels van het plan van 30 stacaravans voor [camping] niet strookt met het verzoek van [belanghebbende E] en ook niet met het raadsbesluit. Het verzoek ging namelijk over

Uitspraak 201702444/1/R3

20

standplaatsen voor toercaravans. In de brief staat ook dat deze kennelijke verschrijving inmiddels is hersteld door in artikel 13, lid 13.2.2, onder g, van de planregels op te nemen maximaal 30 toercaravans/kampeermiddelen. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat het plan in zoverre geen juiste weergave is van hetgeen door de raad is besloten. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 13, lid 13.2.2, onder g, van de planregels inmiddels is aangepast en dat de foutieve versie van het bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl is verwijderd en de versie van het bestemmingsplan zoals de raad die heeft vastgesteld hierop inmiddels wel is gepubliceerd. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop het bestemmingsplan zoals de raad dat heeft vastgesteld alsnog beschikbaar gesteld en ziet de Afdeling geen aanleiding tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. 50.3.

Omdat uit de brief van 9 mei 2017 van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop blijkt dat [appellante sub 12] door een medewerker van de gemeente is geadviseerd om tijdig beroep in te stellen om haar rechten veilig te stellen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb de raad te gelasten dat het door [appellante sub 12] betaalde griffierecht wordt vergoed. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 51. [appellante sub 12] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 12] heeft in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 52. Het beroep van [appellante sub 12] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13] 53. [appellant sub 13] is eigenaar van het perceel [locatie 22] te Nieuwveen. Hij kan zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-wol, stro en hooihandel" die is toegekend aan zijn perceel. 54. [appellant sub 13] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van bedrijfwol, stro en hooihandel" is toegekend aan zijn perceel. Volgens hem is deze aanduiding onredelijk beperkend.

Hij stelt dat uitsluitend de bestemming "Bedrijf" moet worden toegekend waarbij een bedrijf tot categorie 2 wordt toegestaan. Daarover voert [appellant sub 13] aan dat niet is gemotiveerd waarom in dit geval wordt afgeweken van het rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Hij stelt dat sprake is van een groot leegstaand bedrijfsgebouw in het landelijk gebied dat al 30 jaar in gebruik is voor niet agrarische bedrijfsactiviteiten. Belemmerende omgevingsfactoren zijn er niet als een bedrijf tot categorie 2 wordt toegestaan, aldus [appellant sub 13]. Volgens hem handelt de raad ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en wijst hij op het perceel [locatie 23] te Zevenhoven en het perceel [locatie 24] te Leimuiden. [appellant sub 13] wijst ook op de in artikel 5, lid 5.5.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid waaruit volgt dat de raad een bedrijf tot maximaal categorie 2 van de Staat van bedrijfstypen in bijlage 3 van de planregels, op zijn perceel mogelijk acht. 54.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 22], voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-wol, stro en hooihandel"

Uitspraak 201702444/1/R3

21

toegekend. Artikel 5, lid 5.1, van de planregels luidt: "De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tot en met h. […] alsmede voor: i. tot en met n. […] met dien verstande dat: o. […] p. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-wol, stro en hooihandel", uitsluitend opslag en handel in stro, wol en hooi is toegestaan in de bestaande schuur tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m2 en onder een bestaande overkapping met een oppervlakte van maximaal 265 m2." 54.2. In het vorige plan, "Landelijk gebied Nieuwveen", was aan het perceel [locatie 22] te Nieuwveen de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarde" toegekend. Bij besluit van 13 september 2012 heeft de raad op verzoek van [appellant sub 13] een projectbesluit genomen voor het toestaan van de handel in en opslag van wol, stro en hooi in de bedrijfsschuur van 1000 m2 en onder de overkapping van 265 m2 op het perceel [locatie 22] in Nieuwveen. De Afdeling stelt vast dat door het toekennen van de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-wol, stro en hooihandel" aan het perceel van [appellant sub 13] het projectbesluit in dit plan is verwerkt.

[appellant sub 13] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan al een concreet voornemen bestond om de bestaande bedrijfsschuur en de overkapping op het perceel anders te gebruiken dan voor de handel in en opslag van wol, stro en hooi. Ook heeft [appellant sub 13] anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de wens om in de toekomst de bestaande bedrijfsschuur en de overkapping op zijn perceel te gebruiken voor andere niet-agrarische activiteiten zo concreet is dat dit zonder meer in dit plan kon worden opgenomen. In de zienswijze is uitsluitend naar voren gebracht dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijfwol, stro en hooihandel" onredelijk beperkend is en dat de bestemming "Bedrijf" zonder nadere beperking moet worden toegekend. De raad behoefde bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden met dit voornemen. Over de door [appellant sub 13] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 23] te Zevenhoven en het perceel [locatie 24] te Leimuiden overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij het perceel [locatie 23] te Zevenhoven de feitelijk bestaande situatie als zodanig is bestemd en dat het perceel [locatie 24] te Leimuiden in een andere gemeente ligt.

In wat [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 13] genoemde situaties niet overeenkomen met de nu aan de orde zijnde situatie. Gelet op al het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-wol, stro en hooihandel" aan het perceel [locatie 22] te Nieuwveen toe te kennen.

Uitspraak 201702444/1/R3

22

Het betoog faalt. 55. Het beroep van [appellant sub 13] is ongegrond. Het beroep van Free Heart B.V. en andere 56. Free Heart B.V. en andere zijn eigenaar van het perceel Meije 300 te Zegveld. Daar hebben zij een kleinschalige buitenplaats die zich richt op het geven van zakelijke bijeenkomsten, workshops en recreatie. 56.1. Aan de gronden van Free Heart B.V. en andere, voor zover deze op het grondgebied van Nieuwkoop zijn gelegen, zijn, voor zover nu van belang, de bestemmingen "Cultuur en Ontspanning", "Water", "Natuur" en "Tuin - Onbebouwd" en de gebiedsaanduidingen "overige zone - landschapstype oeverwallen", "overige zone - meijegraslanden" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" en "terras" toegekend. 57. Free Heart B.V. en andere betogen dat de omgevingsvergunning niet zo lang op zich heeft laten wachten dat deze niet meer in het plan kon worden meegenomen. Zij stellen dat de vergunning drie weken na de vaststelling van het plan is verleend. 57.1.

Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. 57.2. De raad heeft ter zitting gesteld dat lang geprobeerd is om de omgevingsvergunning in het bestemmingsplan op te nemen. Uiteindelijk is dat niet gelukt, omdat er nog te veel onduidelijk was, terwijl de door de Afdeling gestelde termijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan overschreden dreigde te worden. De raad geeft aan dat het om een omgevingsvergunning tot afwijken van het bestemmingsplan gaat, zodat het feit dat de omgevingsvergunning niet in het plan is opgenomen niet tot gevolg heeft dat de activiteiten na verlening van de omgevingsvergunning planologisch niet zijn toegestaan. Daarom heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de aard en omvang van de ingediende zienswijzen, onvoldoende basis bestond voor het opnemen van de activiteiten in het bestemmingsplan, omdat de ruimtelijke aanvaardbaarheid toen nog niet kon worden beoordeeld. Het betoog faalt. 58. Free Heart B.V.

en andere komen voorts op tegen de bestemming "Wonen Woonschepenligplaats" voor de woonschepen die dicht bij het perceel Meije 300 zijn gelegen. Zij stellen dat deze bestemming een negatieve invloed op hun perceel heeft. Ter zitting hebben zij toegelicht dat bij één woonschip veel is bijgebouwd en, hoewel het bestemmingsplan maximaal één bijgebouw toestaat, niet handhavend wordt opgetreden. Ook kan met een omgevingsvergunning een bedrijf aan huis worden toegestaan, met de milieugevolgen die dat met zich brengt, aldus Free Heart B.V. en andere. 58.1. In de uitgangspuntennotitie bij het bestemmingsplan is vermeld dat elk woonschip wordt beschouwd als een woning, waarin permanent mag worden gewoond. De aanleiding hiervoor is dat op grond van de rechtspraak een woonschip als bouwwerk moet worden aangemerkt. Voorheen was dat niet het geval, waardoor een bestemmingsplan uitsluitend betrekking had op ligplaatsen. Uit de status van bouwwerk vloeit volgens de

Uitspraak 201702444/1/R3

23

uitgangspuntennotitie de verplichting voort maatvoeringscriteria op te nemen voor zowel de ligplaats als het woonschip. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Wonen - Woonschepenligplaats" toe kunnen kennen aan de woonschepen. Free Heart B.V. en andere hebben niet onderbouwd dat deze wijze van bestemmen tot meer overlast leidt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de woonschepen ook in het voorgaande plan als zodanig waren bestemd en dat bij verlening van een omgevingsvergunning ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf zal worden moeten worden voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 19, lid 19.4, van de planregels, waaronder de voorwaarde dat bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk. Het betoog faalt. 59. Free Heart B.V. en andere betogen dat de definitie ( #1) van de term "extensief recreatief medegebruik" in artikel 10.1, onder f, van het bestemmingsplan niet duidelijk is. 59.1. Artikel 1, lid 1.35, van de planregels definieert extensief recreatief medegebruik als: "Vormen van dagrecreatief medegebruik van gronden met een extensief karakter, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen." 59.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze definitie tot rechtsonzekerheid leidt.

De definitie maakt duidelijk dat "extensief recreatief medegebruik" slechts betrekking heeft op dagrecreatief medegebruik. Ook is duidelijk dat het gaat om medegebruik met een extensief karakter. Aan de hand van een aantal voorbeelden verheldert de definitie wat onder extensief gebruik moet worden begrepen. Uit de bewoordingen blijkt verder dat geen sprake is van een uitputtende opsomming. Gelet op het vorenstaande zijn de mogelijkheden ter plaatse voldoende omschreven. Het betoog faalt. 60. Free Heart B.V. en andere betogen dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" met de functieaanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" niet verenigbaar is met de gebiedsaanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen". Gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning" zijn immers, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin", bestemd voor een beeldentuin. Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen" is het beleid echter gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap met onder meer als kernkwaliteit doorzichten vanuit het lint op de omliggende veenweiden. Free Heart B.V. en andere willen de mogelijkheid hebben om bomen of struiken in de beeldentuin te plaatsen en betwijfelen of dat mogelijk is. 60.1.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestemming van gronden voorrang heeft op de gebiedsaanduiding. Op de gronden in het plangebied mogen de activiteiten plaatsvinden die de op deze gronden rustende bestemming mogelijk maakt. Slechts bij gronden met een bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden", "Natuur" of "Groen" is voorzien in toetsing aan de gebiedsaanduiding, zodat daar waar sprake is van openheid, deze behouden kan blijven. 60.2. Artikel 31, lid 31.5.1, onder c, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschapstype oeverwallen' is het beleid gericht op het behoud, het herstel, en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: 1. licht glooiende ruggen in het landschap, kleinschalig en besloten karakter, natuurlijke oude

Uitspraak 201702444/1/R3

24

waterlopen, oude lintbebouwing direct aan het water, onregelmatige strokenverkaveling loodrecht op de oeverwal, doorzichten vanuit lint op omliggende veenweiden; 2. bebouwing volgt natuurlijke patronen, afwisselend oude en nieuwe boerderijen en woningen; 3. beplanting vooral in bebouwingslinten in de vorm van erfbeplanting (solitairen) en kleine boomgaarden, geriefhoutbosjes tussen de erven." 60.3. De Afdeling overweegt dat artikel 31, lid 31.5.1, onder c, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen" het beleid is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap met als kernkwaliteit onder meer doorzichten vanuit het lint. Ter plaatse van gronden met een bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden", "Groen" of "Natuur" is voorzien in toetsing aan het criterium dat de te beschermen landschapstypen niet onevenredig mogen worden aangetast. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning" geen sprake is van onevenredige aantasting van de te beschermen landschapstypen door het plaatsen van afrasteringen of het aanplanten van beplanting. Het betoog faalt. 61. Free Heart B.V.

en andere betogen dat artikel 10, lid 10.1, onder d en f, en artikel 10, lid 10.6.1, onder a, c, f en g, tegenstrijdig zijn. Artikel 10, lid 10.1, onder d en onder f, maken water- en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik mogelijk. Artikel 10, lid 10.6.1, verbiedt het aanplanten van bomen en/of houtgewas, het vergraven, verdiepen en baggeren van sloten en het aanbrengen van dagrecreatieve voorzieningen zonder omgevingsvergunning. Het is dus niet mogelijk de bestemming te onderhouden zonder omgevingsvergunning, aldus Free Heart B.V. en andere. 61.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 10 van de planregels innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij betrekt de Afdeling dat artikel 10, lid 10.6.2, van de planregels bepaalt dat het in lid 10.6.1 opgenomen verbod niet geldt voor werken en/of werkzaamheden die tot het normale onderhoud en beheer kunnen worden gerekend. Het betoog faalt. 62. Het beroep van Free Heart B.V. en andere is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 15] en anderen 63. [appellant sub 15] en anderen wonen allen aan de Meije te Zegveld. Zij kunnen zich niet verenigen met de in het plan opgenomen regeling voor de gronden achter het perceel Meije 300 te Zegveld. Deze gronden zijn in eigendom van Free Heart Vastgoed B.V. Ter plaatse wordt de Buitenplaats De Blauwe Meije geëxploiteerd. 64.

Het beroep van [appellant sub 15] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 15A], is ter zitting ingetrokken. 65. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat de raad niet binnen de in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2016 in zaak nr. 201606356/1/R4 genoemde termijn een besluit heeft genomen over de vaststelling van een bestemmingsplan. Weliswaar heeft de raad voor 1 december 2016 het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" vastgesteld, maar is het bestemmingsplan niet binnen zes weken na de vaststelling bekendgemaakt. Zij stellen dat het besluit pas op 15 februari 2017 is gepubliceerd. Volgens hen treedt het plan zonder

Uitspraak 201702444/1/R3

25

bekendmaking niet in werking en kan daartegen geen beroep worden ingesteld. Bij het kunnen instellen van beroep ligt juist hun belang, aldus [appellant sub 15] en anderen. 65.1. De Afdeling stelt vast dat de raad voor 1 december 2016, de genoemde termijn in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2016, het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" heeft vastgesteld. Dit besluit is niet binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro bekendgemaakt. Wat daarvan ook zij, deze onregelmatigheid dateert van na het nemen van het bestreden besluit en kan om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten. Het betoog faalt in zoverre. 65.2. Voor zover [appellant sub 15] en anderen beogen de Afdeling te verzoeken om de raad te veroordelen tot betaling van de volgens hen door de niet tijdige bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan verbeurde dwangsommen, overweegt zij het volgende. Aan de Afdeling is geen bevoegdheid toegekend om een partij - in dit geval de raad - te veroordelen tot betaling van een door de Afdeling aan haar uitspraak verbonden dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Aan een inhoudelijke behandeling van het daartoe strekkende verzoek van [appellant sub 15] en anderen, waarbij onder meer moet worden beoordeeld of de raad de dwangsom heeft verbeurd, wordt daarom niet toegekomen.

Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kunnen [appellant sub 15] en anderen zich tot de burgerlijke rechter wenden. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. 66. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit niet overeenkomstig artikel 3:43 van de Awb is bekendgemaakt. Volgens hen is het mogelijk dat indieners van zienswijzen hierdoor niet in staat zijn geweest om tijdig beroep in te stellen. 66.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond ook betrekking heeft op een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en alleen om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Blijkbaar hebben [appellant sub 15] en anderen ook geen processueel nadeel hiervan ondervonden aangezien zij wel tijdig beroep hebben ingesteld. Het betoog faalt. 67. [appellant sub 15] en anderen betogen dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" is toegekend aan de gronden aan de overzijde van het water achter het perceel Meije 300. Zij voeren aan dat in 2015 weliswaar een omgevingsvergunning is verleend voor een beeldentuin, maar de tuin is nooit als zodanig gebruikt.

Volgens hen wordt de locatie verhuurd ten behoeve van feestjes en partijen. De voor dat gebruik in de omgevingsvergunning verplichte zes parkeerplaatsen zijn niet bereikbaar en onvoldoende, aldus [appellant sub 15] en anderen. Daarnaast voeren zij aan dat ter plaatse sprake is van een natuur- en cultuurhistorisch waardevol gebied en dat een 'horecatuin' daarmee niet in lijn is. Voorts voeren zij aan dat een 'horecatuin' niet past binnen het provinciale beleid omdat sprake is van een gebied met bijzondere kwaliteit en een Natura 2000-gebied. Ook is sprake van als kroonjuweel bestempelde lintbebouwing en is het gebied aangewezen als oeverwallenlandschap. Verder voeren zij aan dat een 'horecatuin' in strijd is met de Provinciale Verordening ruimte 2014. [appellant sub 15] en anderen stellen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door de toegestane 'horecatuin' in de zin van geluids-, verkeers- en parkeeroverlast.

Uitspraak 201702444/1/R3

26

67.1. Aan de gronden direct achter het perceel Meije 300, voor zover hier van belang, is de bestemming "Tuin - Onbebouwd" toegekend. Aan de achter deze gronden, aan de overzijde van het water gelegen gronden is, voor zover hier van belang, de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de aanduidingen "overige zone - landschapstype oeverwallen" en "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" toegekend. Aan de ten noordoosten daarvan gelegen gronden is, voor zover hier van belang, de bestemming "Natuur" met de aanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen" toegekend. 67.2. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de hiervoor bedoelde gronden waaraan de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de aanduidingen "overige zone - landschapstype oeverwallen" en "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" zijn toegekend, in 2015 een omgevingsvergunning is verleend voor een beeldentuin. De raad heeft de gronden bestemd overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 7, lid 7.3.1, aanhef en onder a, van de planregels als gebruik in strijd met de bestemming "Cultuur en ontspanning" in ieder geval wordt aangemerkt het gebruik van de voor beeldentuin aangeduide gronden voor een terras. De Afdeling stelt dan ook vast dat een 'horecatuin' op grond van het plan ter plaatse niet is toegestaan.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid de bestemming "Cultuur en ontspanning" met de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" heeft kunnen toekennen aan de bedoelde gronden. Het betoog faalt in zoverre. 67.3. Waar [appellant sub 15] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat de planregels meer mogelijk maken dan de verleende omgevingsvergunning, omdat ter plaatse bouwwerken zijn toegestaan, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 15] en anderen vrezen voor erfafscheidingen van 2 m hoog. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ter plaatse inderdaad erfafscheidingen van 2 m hoog zijn toegestaan en dat het hier gaat om een generieke regeling die geldt voor bijna alle in het plan opgenomen bestemmingen. In hetgeen [appellant sub 15] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om deze generieke regeling op te nemen voor de gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning beeldentuin". Het betoog faalt. 68.

[appellant sub 15] en anderen betogen dat de planregels bij de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - beeldentuin" en de bestemming "Natuur" in strijd zijn met de planregels bij de gebiedsaanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen". Zij stellen dat voor de aanduiding "overige zone landschapstype oeverwallen" in artikel 31, lid 31.5.1, onder c, van de planregels is bepaald dat de doorzichten vanuit het lint op de omliggende veenweiden behouden moeten blijven. Volgens hen zijn artikel 7, lid 7.1, onder g, van de planregels en artikel 7, lid 7.2.1, van de planregels hiermee in strijd. De in deze bepalingen genoemde voorzieningen zijn in strijd met het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap, in het bijzonder het behouden van het zicht op het open landschap, aldus [appellant sub 15] en anderen. In dit verband wijzen zij op de aangelegde takkenhaag en schuttingen op de gronden aan de overzijde van het water achter het perceel Meije 300. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat deze bepalingen omdat al tot rechtsonzekerheid leiden gelet op het verzoek tot handhaving.

Uitspraak 201702444/1/R3

27

68.1. Artikel 31, lid 31.5.1, onder c, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen" is het beleid gericht op het behoud, het herstel, en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: 1. licht glooiende ruggen in het landschap, kleinschalig en besloten karakter, natuurlijke oude waterlopen, oude lintbebouwing direct aan het water, onregelmatige strokenverkaveling loodrecht op de oeverwal, doorzichten vanuit lint op omliggende veenweiden; 2. bebouwing volgt natuurlijke patronen, afwisselend oude en nieuwe boerderijen en woningen; 3. beplanting vooral in bebouwingslinten in de vorm van erfbeplanting (solitairen) en kleine boomgaarden, geriefhoutbosjes tussen de erven." 68.2. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 31, lid 31.5.1, onder c, van de planregels ter plaatse van de gronden met de aanduiding "overige zone - landschapstype oeverwallen" het beleid is gericht op het behoud, het herstel, en de ontwikkeling van het kleinschalig oeverwallenlandschap met als kernkwaliteit onder meer de doorzichten vanuit het lint op omliggende veenweiden.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke- en cultuurhistorische waarden van de in artikel 31.5 aangeduide landschapstypen. In de planregels voor de bestemming "Cultuur en ontspanning" ontbreekt een dergelijke regeling. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de enkelbestemming leidend is en dan ook voorrang heeft op de gebiedsaanduiding. Volgens de raad is bij de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden", "Groen" en "Natuur" voorzien in toetsing aan het beleid ter plaatse van de gebiedsaanduiding zodat de te beschermen landschapstypen niet onevenredig worden aangetast. Dit brengt de Afdeling tot het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning" geen sprake is van onevenredige aantasting van de te beschermen landschapstypen door het plaatsen van erfafscheidingen van 2 m hoog. Het betoog faalt. 69. [appellant sub 15] en anderen betogen dat de horecatuin ten onrechte niet in het plan wordt beperkt qua geluidbelasting gelet op het stiltegebied 'Nieuwkoop en omstreken'. 69.1. Zoals hiervoor onder 67.2 is overwogen is een horecatuin op grond van het plan ter plaatse niet toegestaan.

De Afdeling stelt vast dat de beeldentuin is gelegen in het zogenoemde stiltegebied 'Nieuwkoop en omstreken' dat is aangewezen op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. Binnen het stiltegebied gelden op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland regels voor het voorkomen en beperken van geluidhinder. Niet aannemelijk is dat de regels in de Provinciale milieuverordening ZuidHolland over het stiltegebied 'Nieuwkoop en omstreken' worden geschonden door wat is mogelijk gemaakt in de planregels. Het betoog faalt. 70. [appellant sub 15] en anderen betogen dat ter plaatse van de weg de Meije de maximale stikstofuitstoot op het Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse plassen en de Haeck' wordt overschreden door de toename van verkeersbewegingen door het toestaan van kamperen bij de boer. In dit verband wijzen zij op de overgelegde Aerius berekening waaruit blijkt dat ter

Uitspraak 201702444/1/R3

28

plaatse van de weg de Meije de maximale stikstofuitstoot wordt overschreden bij een geringe toename van verkeersbewegingen. Volgens hen wordt niet voldaan aan het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. 70.1. In het rapport 'Bestemmingsplan landelijk gebied Nieuwkoop; Toetsingsadvies over het milieueffectrapport' van 2 maart 2016 van de Commissie voor de milieueffectrapportage staat dat de Commissie adviseert om in aanvulling op het MER de milieugevolgen te onderzoeken van nevenactiviteiten bij de agrarische bestemmingen omdat een aantal van de mogelijke nevenactiviteiten uit bijlage 1 van de planregels kan leiden tot verkeer gerelateerde milieueffecten en effecten op de natuur. Naar aanleiding van dit toetsingsadvies is in juni 2016 een aanvulling op de plan-MER gemaakt door Tauw bv. In het rapport 'Aanvulling op het plan-MER landelijk gebied gemeente Nieuwkoop; Een reactie op het advies van de commissie-m.e.r.' van 12 juni 2016 van Tauw bv staat dat het bestemmingsplan kleinschalig recreatief nevengebruik van agrarische bouwvlakken mogelijk maakt en dat in het plan-MER aandacht is besteed aan de landschappelijke effecten. In de paragraaf over het verkeer is in het plan-MER aangegeven dat de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteiten beperkt zal zijn zonder dit nader te kwantificeren, aldus dit rapport.

In de gebiedsgerichte modelleringen is volgens het rapport in het plan-MER per abuis geen aandacht besteed aan de verkeersaantrekkende werking die het agrarisch nevengebruik zou kunnen hebben met de daaruit volgende effecten op de emissie van verzurende en eutrofiërende stoffen. In het rapport is vervolgens meer inzicht gegeven in de mogelijke toename van de gebiedsemissies door het extra recreatief verkeer in het landelijk gebied. In het rapport staat dat op basis van een emissie van een auto op een weg in het buitengebied van 0,27 gram NOx/km de maximaal mogelijke extra gebiedsemissie neerkomt op 4065 kg/jaar en dat dit minder is dan 1,5% van de maximale landbouw emissie vanuit het gebied van 308.000 kg/jaar. Volgens het rapport valt een dergelijke geringe bijdrage weg binnen de onnauwkeurigheidsmarge van de gebiedsmodelleringen die in het plan-MER zijn uitgevoerd. De raad heeft toegelicht dat in het plan-MER de huidige situatie binnen het plangebied als uitgangspunt is genomen, zodat de bestaande agrarische bedrijfsvoering met nevenactiviteiten hierin is meegenomen. Volgens de raad kunnen nieuwe nevenactiviteiten uitsluitend door middel van een omgevingsvergunning worden toegestaan met inachtneming van de vereisten in de planregels ten aanzien van onder meer stikstofemissie en het blijven voldoen aan de natuurwetgeving.

Van het zonder meer toestaan van nieuwe nevenactiviteiten die in combinatie met de bestaande functies overschrijding van de maximale stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben, is dan ook geen sprake, aldus de raad. Over wat [appellant sub 15] en anderen hebben aangevoerd oordeelt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt. 71. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat de in de toelichting gegeven uitleg van enkele planregels niet overeenkomt met de tekst van de planregels zelf. In dit verband wijzen zij voor het aspect parkeren op artikel 7 van de planregels en voor bij woningen behorende tuinen op artikel 15 van de planregels. 71.1. De Afdeling overweegt hierover dat de plantoelichting, anders dan de regels en de verbeelding, niet bindend is. Het betoog faalt. 72. [appellant sub 15] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat door de toekenning van de aanduiding "terras" ter plaatse van een tuin bij een woning een commercieel terras kan

Uitspraak 201702444/1/R3

29

worden geëxploiteerd. Zij voeren aan dat aan de gronden achter het perceel Meije 300 ten onrechte de bestemming "Horeca" met de aanduiding "terras" is toegekend. Volgens hen blijkt uit de zienswijzennota dat alle nieuwe verzoeken met betrekking tot dit perceel niet zouden worden opgenomen in dit plan. De op 30 november 2016 verleende omgevingsvergunning doet daar niet aan af, aldus [appellant sub 15] en anderen. 72.1. Aan de gronden meteen achter het perceel Meije 300 is, voor zover hier van belang, de bestemming "Tuin - Onbebouwd" toegekend. Het betoog van [appellant sub 15] en anderen dat de bestemming "Horeca" is toegekend, mist dan ook feitelijke grondslag. 72.2. Wat betreft de toegekende aanduiding "terras" aan de gronden meteen achter het perceel Meije 300, staat in de Zienswijzennota bestemmingsplan Landelijk gebied Nieuwkoop dat de terrasaanduiding zal worden geschrapt bij de vaststelling van het plan. De raad heeft te kennen gegeven dat deze aanduiding ten onrechte op de verbeelding is blijven staan. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat het plan in zoverre geen juiste weergave is van hetgeen door de raad is besloten.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verbeelding inmiddels is aangepast en dat de foutieve versie van het bestemmingsplan op de website www.ruimtelijkeplannen.nl is verwijderd en de versie van het bestemmingsplan zoals de raad die heeft vastgesteld hierop is gepubliceerd. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop het bestemmingsplan zoals de raad dat heeft vastgesteld alsnog beschikbaar gesteld en ziet de Afdeling dus geen aanleiding het besluit onrechtmatig te achten. Het betoog faalt. 73. Het beroep van [appellant sub 15] en anderen is ongegrond. Het beroep van [bedrijf A] en anderen 74. [bedrijf A] en anderen exploiteren op het perceel [locatie 25] te Nieuwveen een paardenmelkerij met diverse nevenactiviteiten. Zij kunnen zich niet verenigen met de op dit perceel toegestane nevenactiviteiten. 75. Ter zitting hebben [bedrijf A] en anderen hun beroepsgrond over de juistheid van de omvang van het bouwvlak, ingetrokken. 76. [bedrijf A] en anderen betogen dat in artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels niet zijn opgenomen de op hun perceel bestaande nevenactiviteiten zoals de chocolaterie en de winkel. Volgens hen zijn deze nevenactiviteiten ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

Zij voeren aan dat de raad hiermee handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de [landwinkel] op het perceel [locatie 26] te Nieuwveen ([bedrijf B]) wel specifiek in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels is genoemd. 76.1. Aan het perceel [locatie 25] is, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatie A" toegekend. Ook is een bouwvlak toegekend. Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder ag, van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn mede bestemd voor ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatie A", een kampeerboerderij zoals nader beschreven in 3.4.3." Lid 3.4.3 luidt:

Uitspraak 201702444/1/R3

30

"ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatie A" gelden de volgende bouwregels: a. dagrecreatie en restaurant/zalenverhuur in de bestaande gebouwen; b. maximaal 1 bedrijfswoning ten behoeve van het agrarische bedrijf en de recreatieve nevenactiviteiten volgens de bouwregels van 3.2.2; c. recreatie-appartementen in de bestaande gebouwen tot een maximum oppervlakte van 600m² aan recreatieve appartementen; d. beheersfuncties in de bestaande gebouwen; e. maximaal 0 recreatiewoningen; f. kampeermiddelen, niet zijnde toercaravans, binnen het bestemmingsvlak." 76.2. De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan ter plaatse van het perceel [locatie 25] te Nieuwveen geen chocolaterie en winkel zijn toegestaan. In het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied Liemeer" was aan het perceel de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder c, van de voorschriften van dat vorige bestemmingsplan waren de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemd voor semi-agrarische en niet-agrarische nevenactiviteiten, mits deze ondersteunend en ondergeschikt zijn aan de agrarische hoofdactiviteit en geen detailhandelsactiviteiten en groothandelsactiviteiten betreffen. De exploitatie van een winkel en een chocolaterie waren dus niet toegestaan onder het vorige plan.

Het gebruik van het perceel voor het maken van chocola was onder het vorige plan overigens wel toegestaan. Niet gebleken is dat voor de winkel en chocolaterie een omgevingsvergunning is verleend. Dit betekent dat het in planologisch opzicht gaat om nieuwe activiteiten. In de inspraakreactie en de zienswijze hebben [bedrijf A] en anderen niet te kennen gegeven dat op hun perceel naast de agrarische activiteiten ook een winkel en chocolaterie zijn gevestigd. Niet gebleken is dat de raad eerder wist van deze nevenactiviteiten dan na de uiteenzetting van [bedrijf A] en anderen in hun beroepschrift. Gelet op het vorengaande heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het als zodanig bestemmen van deze nevenactiviteiten in het plan. De raad heeft met initiatieven voor nevenactiviteiten rekening gehouden door in het plan hiervoor een afwijkingsbevoegdheid op te nemen. Over de door [bedrijf A] en anderen gemaakte vergelijking met de landwinkel Jan Nieuwenhuizen op het perceel [locatie 26] te Nieuwveen overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat voor het perceel [locatie 26] een concreet plan is ingediend. Ook heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat deze landwinkel beschikt over een vergunning.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [bedrijf A] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de nu aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 77. Het beroep van [bedrijf A] en anderen is ongegrond. Het beroep van Pocahondas Holding B.V. en anderen 78. Pocahondas Holding B.V. en anderen zijn eigenaar van het perceel Blokland 52 te

Uitspraak 201702444/1/R3

31

Nieuwveen. Zij exploiteren daar pensionstalling "Blokland Stables". Daarnaast willen zij hier een dierenpension exploiteren. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover dit geen dierenpension mogelijk maakt. 78.1. Aan het perceel is onder meer de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "paardenhouderij" en "bouwvlak" toegekend. 78.2. Artikel 1, lid 1.61, van de planregels definieert paardenhouderij als: "Een bedrijf dat is gericht op het houden, africhten en trainen van paarden." Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. een bestaande intensieve neventak bij een grondgebonden agrarisch bedrijf, met een maximale oppervlakte van 40% van de oppervlakte van de agrarische bedrijfsgebouwen, tot een maximum van 2.000 m²; c, het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsuitoefening, tenzij een bedrijfswoning ter plaatse is uitgesloten volgens deze regels; d. al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 30% van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijbehorende bouwwerken bedraagt, met een maximum van 100 m²; e. […] alsmede voor: […] n.

ter plaatse van de aanduiding "dierenpension", een hondenkennel zoals nader beschreven in 3.4.7; […] t. ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij", een paardenhouderij, met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen; […]" 79. Pocahandas Holding B.V. en anderen voeren aan dat bij de vaststelling van het plan de termijn van artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro is overschreden. Het plan is op 4 januari 2016 ter inzage gelegd en op 3 november 2016 vastgesteld. 79.1. Artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro luidt: "Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan." 79.2. Pocahondas Holding B.V. en anderen voeren terecht aan dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro gestelde termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling of uit enige andere bepaling kan echter niet worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door Pocahondas Holding B.V. en anderen op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het

Uitspraak 201702444/1/R3

32

oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het betoog faalt. 80. Pocahondas Holding B.V. en anderen voeren aan dat in het ontwerpplan de definitie van paardenhouderij ruimer was. Zij stellen dat het ontwerpplan bovendien ook een definitie van pensionstalling bevatte. Omdat de definitie van paardenhouderij is aangepast en het plan geen definitie van pensionstalling meer bevat, is het stallen van paarden van derden, wat deel uitmaakt van haar activiteiten, volgens hen niet meer toegestaan. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig genomen en de belangen van Pocahondas Holding B.V. en anderen zijn onvoldoende bij het besluit betrokken, aldus Pocahondas Holding B.V. en anderen. 80.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het houden van paarden voor derden onder paardenhouderij kan worden begrepen. 80.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.61, van de planregels wordt onder een paardenhouderij een bedrijf verstaan dat gericht is op het houden van paarden. Naar het oordeel van de Afdeling kan het stallen van paarden van derden worden begrepen onder de activiteiten van een paardenhouderij, zoals omschreven in de planregels. Omdat aan de gronden van Pocahondas Holding B.V. en anderen de aanduiding "paardenhouderij" is toegekend, kunnen zij dus ook paarden van derden stallen. Het betoog faalt. 81. Pocahondas Holding B.V.

en anderen willen op het perceel een dierenpension exploiteren. Zij betogen dat het plan dit ten onrechte niet mogelijk maakt. Daarover voeren zij aan dat het niet nodig is dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend. De raad had volgens hen moeten motiveren welke bepalingen van de provinciale Verordening ruimte 2014 aan het initiatief in de weg staan. Ook had de raad moeten motiveren waarom de ontwikkeling ongewenst is, aldus Pocahondas Holding B.V. en anderen. 81.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. 81.2. De Afdeling overweegt dat uit de ruimtelijke onderbouwing bij het verzoek om een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan blijkt dat het beoogde dierenpension ruimte zal bieden aan maximaal 180 honden, 100 katten en 60 overige huisdieren. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat vermeld dat de provincie terughoudend is met de ontwikkeling van nieuwe niet-agrarische bebouwing en bijbehorende functies in het landelijk gebied.

De raad acht nieuwvestiging van een dergelijk, niet-agrarisch, bedrijf op deze locatie in het buitengebied ook onwenselijk. Daarbij komt dat het bedrijf in een hogere milieucategorie valt dan in het algemeen is toegestaan binnen de bestemming "Bedrijf" in het buitengebied. Bovendien heeft de raad er terecht op gewezen dat de omgeving op de oude locatie van het bedrijf overlast ondervond. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid ervan af kunnen zien een dierenpension mogelijk te maken op het in het geding zijnde perceel. Het betoog faalt. 82. Pocahondas Holding B.V. en anderen betogen dat zich ongelijke behandeling van gelijke

Uitspraak 201702444/1/R3

33

gevallen voordoet, omdat aan de Ringdijk 12 wel een dierenpension wordt toegestaan. Pocahondas Holding B.V. en anderen vragen zich af hoe dit mogelijk is, terwijl nieuwvestiging volgens de raad niet kan worden toegestaan en een dierenpension niet past in het agrarisch gebied. Het gaat volgens hen weliswaar feitelijk wel om een bestaande situatie, maar om planologische nieuwvestiging, waarvan de ruimtelijke gevolgen niet zijn beoordeeld. 82.1. Over de door Pocahondas Holding B.V. en anderen gemaakte vergelijking met het dierenpension aan de Ringdijk 12 overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat in dat geval sprake is van een bestaande kleinschalige nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch bedrijf. Over wat Pocahondas Holding B.V. en anderen hebben aangevoerd oordeelt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door Pocahondas Holding B.V. en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de nu aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 83. Het beroep van Pocahondas Holding B.V. is ongegrond. Proceskosten 84. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 8] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 13], Free Heart B.V. en anderen, [appellant sub 15] en anderen, [bedrijf A] en anderen en Pocahondas Holding B.V. en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 11] en [appellante sub 12] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart zich onbevoegd om van het beroep van [appellant sub 15] en anderen kennis te nemen voor zover daarbij is verzocht de raad te veroordelen tot betaling van de door de Afdeling aan haar uitspraak van 7 oktober 2016 verbonden dwangsom; II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk; III. verklaart het beroep van [appellant sub 8] en anderen gegrond; IV.

vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nieuwkoop van 3 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" voor zover daarin is voorzien in één bestemmingsvlak voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 14], een aanduiding 'relatie' tussen het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 13] te Ter Aar ontbreekt en voor zover daarin een planregel ontbreekt die ziet op de aanduiding 'relatie' voor de percelen met de bestemming "Wonen"; V. bepaalt dat: - een apart bestemmingsvlak voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, wordt toegekend zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

Uitspraak 201702444/1/R3

34

- de aanduiding 'relatie' wordt toegekend tussen het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 13] te Ter Aar zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1; - artikel 18, lid 18.2.1, van de planregels wordt aangevuld met een sub d, dat als volgt komt te luiden: "ter plaatse van de aanduiding 'relatie', dienen de aangeduide bestemmingsvlakken te worden beschouwd als één bestemmingsvlak."; VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd; VII. draagt de raad van de gemeente Nieuwkoop op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onderdelen IV tot en met VI worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl; VIII. verklaart de overige beroepen ongegrond; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellant sub 8] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.052,57 (zegge: duizendtweeënvijftig euro en zevenenvijftig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; X.

gelast dat de raad van de gemeente Nieuwkoop aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 8] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 11] en € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) voor [appellant sub 11] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lodeweges voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019 625.

Uitspraak 201702444/1/R3

35

#1definitie: voor het verklaren van definities

Uitspraak 201702444/1/R3

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=652cb9c0-0d4a-4a1a-be9a-399d056a32d2