Toelichting met bijlagen BP Nieuwveens Jaagpad 12a, Nieuwveen
Tekst van het document
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
30
De hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE)' wordt bevestigd. De resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en geven geen belemmering voor het wijzigen van de bestemming van de locatie. Conclusie deellocatie B Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem ter plaatse van de voormalige sloot mogelijk diffuus verontreinigd is met een heterogeen karakter op schaal van monsterneming en daarom de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' geldt. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende: Zintuiglijk zijn geen kenmerken en bijmenging waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een mogelijke bodemverontreiniging. Met uitzondering van diverse verhogingen aan zware metalen, die behoren tot het onderzoek van deellocatie A (algemene kwaliteit onderzoekslocatie), zijn geen verhogingen aangetoond die kunnen duiden op een verontreiniging of demping die te relateren is van de voormalige sloot. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' kan worden verworpen. De voormalige sloot heeft op basis van onderliggend onderzoek niet geleidt tot bodemverontreiniging. Aanbevelingen De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van de bestemming van de onderzoekslocatie. De bodemkwaliteit is afdoende bekend. 4.2.3
Conclusie
Op basis van vorenstaand blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief. De bodemkwaliteit is geschikt voor de nieuwe functie en levert geen risico's op voor de volksgezondheid en het milieu. 4.3
Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2
Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.3.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Glastuinbouw' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten. Op basis van de dubbelbestemming geldt dat een onderzoek niet noodzakelijk is indien de ondergrondse bouwdiepte van bebouwing niet meer bedraagt dan 50 centimeter of waarvan de totale oppervlakte niet meer bedraagt
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
31
dan 10.000 m². Het plan voorziet niet in een uitbreiding groter dan deze grens. Archeologisch onderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. 4.3.4
Conclusie
Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling plaats in beschermd archeologisch gebied, maar worden de onderzoeksgrenzen voor een archeologisch onderzoek niet overschreden. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.
Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en =200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*brutovloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
32
Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2
Beoordeling
Het initiatief kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtk waliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving. Stof
Jaar 2019
Grensw aarde
Adviesw aarde
NO2
14 µg/m3
40 µg/m3
10 µg/m3
PM 10
16 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
PM 2,5
9 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. 4.4.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor het beoogde gebruik. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5
Parkeren en verkeer
Landelijk geldt voor de parkeernormen en verkeersgeneratie de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De gemeente Nieuwkoop heeft de parkeernormen ook vastgesteld in het 'Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021'. Dit beleid is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 juli 2021. In het parkeerbeleid van de gemeente Nieuwkoop zijn voor verblijfsrecreatie parkeernormen opgenomen voor een bed & breakfast. Deze parkeernorm ligt lager dan de parkeernorm welke het CROW heeft bepaald voor een kampeerterrein. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een worst case scenario en de parkeernormen van het CROW aangehaald. Tevens is voor de verkeersgeneratie eveneens gekeken naar de kencijfers van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De planlocatie kan worden aangeduid als 'buitengebied' in weinig stedelijk gebied.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
33
4.5.1
Parkeren
Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als buitengebied in weinig stedelijk gebied. Voor de tiny houses, trekkershutten en de camperstandplaatsen is voor de parkeerbehoefte gekeken naar de functie 'Camping (kampeerterrein)'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,1 tot 1,3 per standplaats. Voor de zes tiny houses, trekkershutten of camperstandplaatsen komt de parkeerbehoefte dan uit op 6,6 tot 7,8 parkeerplaatsen. Op het perceel worden 12 parkeerplaatsen, waaronder drie elektrische oplaadpunten, gerealiseerd. Hiermee blijven er ook parkeerplaatsen beschikbaar voor gebruikers van de sloepverhuur die niet blijven overnachten op het perceel. Onderstaand figuur toont de positionering van de parkeerplaatsen op de planlocatie. Parkeren wordt daarmee op eigen terrein kan worden opgelost. Daar parkeren op eigen terrein opgelost kan worden, vormt dit geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
34
Figuur: overzicht planlocatie met parkeerplaatsen (bron: Lejosloepverhuur) 4.5.2
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten door het Nieuwveens Jaagpad. Dit is een 60 km/u weg. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie bevindt zich op het perceel een blokhut
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
35
welke als ontvangstruimte dient voor de sloepverhuur. In de CROW-publicatie 381 is geen kengetal bekend voor een dergelijke ontvangstruimte. Daarom is enkel gekeken naar de verkeersgeneratie in de gewenste situatie. Voor de tiny houses, trekkershutten en camperstandplaatsen is voor de verkeersgeneratie opnieuw gekeken naar de functie 'Bungalow (huisjescomplex)'. De verkeersgeneratie voor een 'Camping (kampeerterrein)' liggen een stuk lager. Met het berekenen van de verkeersgeneratie is daarmee uitgegaan van een worst case scenario. Voor de functie 'Bungalow (huisjescomplex) geldt een verkeersgeneratie van 2,6 tot 2,8 mvt/etmaal per bungalow. Voor zes tiny houses, trekkershutten of camperstandplaatsen komt de verkeersgeneratie daarmee neer op 15,6 tot 16,8 mvt per etmaal. De verkeersgeneratie neemt met het realiseren van zes tiny houses, trekkershutten of camperstandplaatsen toe met maximaal 16,8 mvt per etmaal. Dit is een beperkte toename, wat een gering en verantwoord effect zal hebben op de omliggende onsluitingswegen. 4.5.3
Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts beperkt toe. 4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2
Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het Nieuwveens Jaagpad. Recreatieve functies betreffen geen gevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer is niet noodzakelijk. Tevens gelden voor de planlocatie de gebiedsaanduidingen 'Luchtvaartverkeerzone - 20 Ke', 'Luchtvaartverkeerzone - lib'. Binnen deze zones mogen geen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd. Met voorliggend plan is hier geen sprake van, omdat een recreatieve functies geen geluidgevoelige objecten betreffen. 4.6.3
Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
36
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige w oonw ijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
37
4.7.2
Onderzoek / beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied gelet op de afwisseling in de bestemmingen 'Agrarisch', 'Recreatie' en 'Wonen'. Tevens ligt het plangebied binnen de geluidscontour van Schiphol en geldt voor de omgeving van het plangebied de gebiedsaanduidingen 'Luchtvaartverkeerzone - 20 Ke', 'Luchtvaartverkeerzone - lib'. Nieuwveens Jaagpad 12 Op het naastgelegen perceel, Nieuwveens Jaagpad 12, bevindt zich een bedrijfswoning. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van zes tiny houses, trekkershutten of camperstandplaatsen. Deze zijn qua milieuhinder vergelijkbaar met reguliere woningen. Hiermee wordt zorg gedragen dat het woon- en leefklimaat van de betreffende bedrijfswoning minstens gelijk blijft aan de huidige situatie en daarmee aanvaardbaar is. Beperkingen bedrijfsvoering Voor omliggende agrarische bedrijven en recreatieve functies zal het realiseren van de beoogde appartementen geen (extra) belemmering betekenen voor de bedrijfsvoering. Het voorgenomen plan betreft geen milieugevoelige functie. 4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van het recreatieterrein niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
38
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.
Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
39
op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2
Beoordeling
Het te realiseren recreatieterrein betreft een beperkt kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 4.8.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
40
4.9
Luchthavenindelingsbesluit
4.9.1
Wettelijk kader
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daaromheen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn: voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. 4.9.2
Beoordeling
Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het ruimtelijk afwegingskader. Het plangebied is gelegen op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (Lib-S) met nummer 5 (Afwegingsgebied geluid en externe veiligheid) zijn aangewezen. Dit houdt in dat conform artikel 2.2.1d van het Lib-S ingegaan dient te worden op: de realisatie van gebouwen in relatie tot de omgeving; de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Binnen dit gebied zijn er buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van maximaal zes overnachtingsplekken ten behoeve van tiny houses, trekkershutten of standplaatsen voor campers. Op het deel van van het plangebied waar de Lib van toepassing is, worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd. Hier bevindt zich reeds een blokhut. De overige bebouwing valt buiten de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - lib'. Er kunnen echter meerdere slachtofferts vallen ten gevolge van een vliegtuigongeval. In de huidige situatie is er sprake bevindt zich op de planlocatie al een blokhut, maar verder is de kavel onbebouwd. De planlocatie ligt tussen woningen in het lint en andere recreatiegronden. In de nieuwe situatie worden maximaal zes overnachtingsplekken gerealiseerd.
De planlocatie wordt ook in de huidige situatie gebruikt ten behoeve van recreatie, maar zonder overnachting. Onderliggend bestemmingsplan heeft niet direct tot gevolg dat het gebied significant intensiever wordt gebruikt dan in de huidige situatie. Als het gebied al intensiever wordt gebruikt, dan is dit marginaal. Bij een intensiever gebruik kunnen bij een vliegtuigongeval meer slachtoffers vallen. Dit wordt echter om de volgende redenen aanvaardbaar geacht. De kans op een dergelijke ramp binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Het is in ieder geval kleiner dan 1 op de miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten zone 3. Een kans van 1 op de miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) al zo gering gezien dat het risico als aanvaardbaar wordt geacht. De kans op het optreden van dergelijk incident is verwaarloosbaar klein. Er zijn geen gevaarlijke of ontplofbare objecten in de omgeving van het plangebied waardoor vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan. De gemeente kan geen maatregelen treffen om dergelijk ongeluk te voorkomen (bronmaatregel). Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten lopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen.
De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. De mogelijkheden voor het treffen van effectmaatregelen om de gevolgen te beperken, zijn zeer gering. Daarnaast is er in de nieuwe situatie sprake van geen tot een zeer beperkt intensiever gebruik van het perceel dan in de huidige situatie.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
41
De hulpdiensten treden in het geval van een ramp volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd. In het plangebied is de functie recreatie gepland. De recreanten kunnen zichzelf en anderen over het algemeen goed redden. In het plangebied worden geen zeer kwetsbare objecten toegestaan. Dat zijn gebouwen voor minder redzame groepen, zoals kinderen, zieken en andere zorgbehoevenden. Als het gaat om maatregelen om zelfredzaamheid te vergroten is de conclusie dat er geen realistische maatregelen zijn te treffen die de effecten van een vliegtuigongeval beperken. In het geval van calamiteiten worden burgers door de overheid zo snel mogelijk geïnformeerd hoe ze moeten handelen (bv. via NL-Alert). De (rijks)overheid adviseert burgers in geval van een vliegtuigongeval het volgende: 1. Ga niet kijken. 2. Houd afstand bij brand vanwege de hitte en de giftige rook. 3. Houd afstand vanwege gevaarlijke stoffen die kunnen vrijkomen. 4. Bel 112 als dat nog niet gebeurd is. Tenslotte maakt voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelig gebouwen en terrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder mogelijk.
Daarmee is het plan niet in strijd met de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - lib'. 4.9.3
Conclusie
Het plangebied is gelegen in een gebied waarop het Luchthavenindelingbesluit van toepassing is. Het voorgenomen plan voorziet niet in een nieuwe woningbouwlocatie. Er wordt rekening gehouden met de gevolgen van een vliegtuigongeval. Het Lib vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Glastuinbouw' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.11
Water
4.11.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
42
via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.11.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.
Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.11.3
Watertoets
Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 2). Op basis van de watertoets is geadviseerd contact op te nemen met Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Op 15 november 2021 is contact opgenomen met het Waterschap en zijn de geplannen aan hen voorgelegd. Het advies wordt binnenkort verwacht. 4.11.4
Conclusie
Vanuit het aspect water is de verwachting dat het voorgenomen plan geen belemmeringen vormt voor onderhavig initiatief.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
43
4.12
M.e.r.-beoordeling
4.12.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.12.2
Conclusie
Met het voorgenomen plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2 van Lijst D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Het plan is te kleinschalig van aard en de nabije omgeving bestaat uit gronden met de bestemming 'Recreatie' en het plangebied ligt op een open plek in bestaande lintbebouwing. Het Besluit m.e.r. is niet van toepassing voor dit plan.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
44
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Glastuinbouw'. Het bestemmingsplan 'Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2
Inleidende regels
De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1
Begrippen
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
45
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2
Bestemmingen
Enkelbestemming - Recreatie Deze bestemming is gebruikt voor het recreatieterrein inclusief de voorzieningen, zoals de parkeerplaatsen. Voor het recreatieterrein is aangegeven hoeveel stacaravans, tiny houses en trekkershutten op het terrein zijn toegestaan. Permanente bewoning van de stacaravans, tiny houses en trekkershutten is verboden. Enkelbestemming - Water Deze bestemming wordt toegekend aan de het oppervlakte water binnen het plangebied. Dubbelbestemming - Waarde - Archeologie 3 Gronden welke de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' kennen, hebben een archeologische verwachtingswaarde. Alvorens hier grondbewerkingen volgens de onderliggende bestemmingen kunnen plaatsvinden, moet er eerst archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden. Omdat de kosten van het archeologische onderzoek voor rekening van de initiatiefnemer komen is wel een afweging gemaakt tussen de archeologische belangen en de kosten die daarvoor redelijkerwijs bij een initiatiefnemer kunnen worden gelegd. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie’, mag 10.000 m² bebouwing zonder onderzoek worden gebouwd.
Verder is geen archeologisch onderzoek nodig als uit documenten blijkt dat de grond ter plaatse reeds eerder is verstoord op een diepte van meer dan 50 centimeter. Dubbelbestemming - Waterstaat - Waterkering De zones langs de dijken zijn gereserveerd voor de bescherming van de waterkerende functie van deze dijken. In de zone mag niet worden gebouwd of gegraven zonder toestemming van de dijkbeheerder. De dijk moet bereikbaar blijven voor onderhoud, en grondwerkzaamheden in en vlak bij de dijk kunnen gevaar opleveren. In de zones van deze dubbelbestemming gaan de belangen van de waterkering voor. Het gebruik van deze gronden mag geen gevaar opleveren voor de belangen van de dubbelbestemming. Vandaar dat zowel voor bouwen als werken/werkzaamheden in deze zones, eerst getoetst moet worden aan de belangen van de desbetreffende dubbelbestemmingen.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
46
5.4
Algemene regels
5.4.1
Anti-dubbeltelregel
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2
Overige algemene regels
Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5
Overgangs- en slotregels
5.5.1
Overgangsregel
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.5.2
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
47
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1
Overleg met omwonenden
Initiatiefnemers hebben contact gehad met de omwonenden binnen een straal van 300 meter van de planlocatie en hen op de hoogte gebracht van de voorgenomen plannen. De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen plan. Een overzicht van het aantal omwonenden dat geïnformeerd is en geen bezwaar heeft, is bijgevoegd in Bijlage 3. 6.2.2
Overleg met overheidsinstanties
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.
Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek - Vink M ilieutechnisch Adviesbureau b.v.
Nieuwveen, Nieuwveens Jaagpad 12a
48
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Opdrachtgever: Kubiek Ruimtelijke Plannen Contactpersoon: Mevrouw R. Hoekstra Datum: 26 januari 2022 Projectnummer: P21M0131
Colofon Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. Valkseweg 62 - 3771 RG Barneveld Postbus 99
- 3770 AB Barneveld
tel. 088 – 4403 440 e-mail milieu@vink.nl www.vinkmilieu.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ..................................................................................................................................... 1
2.
VOORONDERZOEK ..................................................................................................................... 3 2.1. Algemeen ....................................................................................................................................... 3 2.2. Actuele situatie en toekomstig gebruik .......................................................................................... 3 2.3. Voormalig bodemgebruik ............................................................................................................... 4 2.4. Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 6 2.5. Hypothesestelling .......................................................................................................................... 7
3.
VERKENNEND ONDERZOEK - OPZET EN UITVOERING ......................................................... 9 3.1. Onderzoeksstrategie ...................................................................................................................... 9 3.2. Veldwerkprogramma.................................................................................................................... 10 3.3. Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................... 10
4.
VERKENNEND ONDERZOEK - INTERPRETATIE EN TOETSING .......................................... 13 4.1. Toetsingskader ............................................................................................................................ 13 4.2. Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................. 13 4.3. Analyseresultaten, deellocatie A: overig terrein .......................................................................... 14 4.4. Analyseresultaten, deellocatie B: voormalige sloot ..................................................................... 17
5.
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 19 5.1. Conclusie deellocatie A: overig terrein ........................................................................................ 19 5.2. Conclusie deellocatie B: voormalige sloot ................................................................................... 20 5.3. Aanbevelingen ............................................................................................................................. 20
(KAART) BIJLAGEN: A. Toetsingstoelichting B. Analyseresultaten C. Analysecertificaten D. Profielbeschrijving E. Gegevensselectie vooronderzoek Omgevingskaart Kadastrale kaart Kaart met situering boorpunten
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Projectnummer: P21M0131 Datum: 26 januari 2022
1.
INLEIDING
Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft ons op 21 oktober 2021 opdracht gegeven tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan het Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen. Voor de ligging van de locatie wordt verwezen naar de kaartbijlagen. Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de beoogde bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. Het doel van het onderzoek is:
aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.
het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde worden aangetroffen.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de:
NEN 5725 [Bodem ‐ Landbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017].
NEN 5740 [Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009] en het wijzigingsblad NEN 5740/A1 van februari 2016.
In dit rapport zal achtereenvolgens worden ingegaan op het vooronderzoek, de verrichte werkzaamheden en de resultaten van het onderzoek. Ten slotte worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. is een onafhankelijk adviesbureau dat beschikt over een gecertificeerd kwaliteitssysteem conform NEN-EN-ISO 9001:2015 en is gecertificeerd volgens BRLSIKB 2000 'Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek'. Tussen Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. en de opdrachtgever bestaat geen relatie die strijdig is met de functiescheiding zoals omschreven in de BRL SIKB 2000 (versie 6). Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden, maar blijft een steekproefsgewijze benadering. Het is voor ons daarom onmogelijk garanties ten aanzien van de verontreinigingssituatie af te geven op basis van de resultaten van het bodemonderzoek. Dit betekent dat Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door ons uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
1
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Projectnummer: P21M0131 Datum: 26 januari 2022
Voor het vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn niet altijd zonder fouten en/of volledig. Voor het verkrijgen van informatie zijn wij wel afhankelijk van diverse bronnen, waardoor wij niet kunnen instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde gegevens voor het vooronderzoek. Tot slot is het onderzoek een momentopname. Beïnvloeding van de bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na de uitvoering van dit onderzoek, bijvoorbeeld door bouwrijp maken, aanvoer van grond van elders of door de verspreiding van een verontreiniging van elders via het grondwater. De onderzoeksresultaten hebben daardoor een beperkte geldigheidsduur.
2
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Projectnummer: P21M0131 Datum: 26 januari 2022
2.
VOORONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het vooronderzoek, bestaande uit de inventarisatie van actuele en historische locatiegegevens, het toekomstige gebruik en de bodemopbouw en geohydrologie. Op basis van de geïnventariseerde gegevens vindt hypothesestelling plaats ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. 2.1. Algemeen Het doel van het vooronderzoek conform de NEN 5725:2017 is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Het vooronderzoek heeft zich niet specifiek gericht op aanwezigheid van onder meer niet gesprongen explosieven/ conventionele explosieven, kabels en leidingen en archeologische waarden. De gebruikte informatiebronnen betreffen: voorgaande bodemonderzoeken, Bodemloket, Topotijdreis, Actueel Hoogtebestand Nederland, Dienst voor het kadaster en de openbare registers Nederland, TNO grondwaterkaart van Nederland, huidige gebruiker onderzoekslocatie, opdrachtgever en de Omgevingsdienst West Holland. 2.2.
Actuele situatie en toekomstig gebruik De onderzoekslocatie aan de Nieuwveens Jaagpad te Nieuwveen heeft een oppervlakte van 2135 m² en is kadastraal bekend gemeente Nieuwveen, sectie C, nummer 1971. De onderzoekslocatie dekt het complete perceel. De locatiecoördinaten zijn X = 110493 en Y = 468663. Er zijn geen beperkingen bekend in de Landelijke Voorziening WKPB en de Basisregistratie Kadaster. Op de locatie heeft op 18 november 2021 een terreinverkenning plaatsgevonden. De locatie betreft een grasland met enkele bomen en een parkeerterrein die verhard is met grind. Als bebouwing is een houten blokhut aanwezig en er staat een oude caravan en wat oude (bouw)materialen. Tijdens de visuele terreininspectie zijn geen mogelijk bodembelastende omstandigheden of activiteiten waargenomen op de onderzoekslocatie. Voor een indruk van de locatie wordt verwezen naar de navolgende foto's.
3
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Projectnummer: P21M0131 Datum: 26 januari 2022
Foto 1:
Overzichtsfoto genomen vanaf het midden van het perceel richting de openbare weg.
Foto 2:
Overzichtsfoto genomen vanaf de voorkant van het perceel in de richting van de openbare weg af.
De onderzoekslocatie bevindt zich in een omgeving met voornamelijk agrarisch grondgebruik. Rondom de onderzoekslocatie vinden voor zover bekend geen activiteiten plaats die de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van de onderzoekslocatie mogelijk sterk beïnvloeden. Het voornemen bestaat om de functie van de onderzoekslocatie te wijzigen van agrarisch naar wonen. De locatie is en zal verder worden gebruikt voor de verhuur van sloepen. Er is een blokhut aanwezig (receptie) met een parkeerterrein die verhard is met grind. Het voornemen bestaat om op de locatie ook enkele trekkershutten / Bell tenten te plaatsen bestemt voor verhuur / overnachting. Er zullen enkele speelgelegenheden en/of picknickgelegenheden worden gemaakt. Het verdere gebruik van de onderzoekslocatie en diens omgeving blijft voor zover ons bekend in de nabije toekomst ongewijzigd. 2.3. Voormalig bodemgebruik Uit oude topografische kaarten blijkt dat het perceel ligt in een van oudsher voornamelijk agrarische omgeving. De locatie betrof gras- of akkerland met poldersloten. Hierna zijn twee oude topografische kaarten van de onderzoekslocatie en de omgeving weergegeven.
4
Verkennend bodemonderzoek; Nieuwveens Jaagpad 12(a) te Nieuwveen Projectnummer: P21M0131 Datum: 26 januari 2022
Topografische kaart 1950: Historische kaart met onderzoekslocatie (rode cirkel) en omgeving
Topografische kaart 1981: Historische kaart van onderzoekslocatie (rode cirkel) en omgeving
Door de omgevingsdienst West-Holland is historische informatie van de onderzoekslocatie en de omringende percelen aangeleverd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage E van deze rapportage. In de omgevingsrapportage is ten eerste opgenomen dat er nabij de onderzoekslocatie voormalige sloten en/of dempingen aanwezig zijn. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor meerdere percelen is aangegeven dat deze gebruikt zijn voor glastuinbouw.