Toelichting bij artikelen Verordening SD 2022
Tekst van het document
Toelichting van de artikelen in de Verordening Oud Toelichting Hoofdstuk 2 Integrale benadering
Nieuw
Toelichting Hoofdstuk 2 Aanvraag- en beoordelingsprocedure
De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) en
het/de betrokken team(s) te komen tot het verhelderen van de hulpvraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein. Toelichting artikel 2 In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan op verschillende manieren binnenkomen bij: het Wmo loket het CJG het serviceplein in Alphen aan den Rijn.
Wmo loket vervangen door het nieuwe begrip: het team
Toelichting artikel 3. Het gesprek, verslag en integraal plan
Toelichting artikel 3 Het gesprek, verslag en integraal plan
bij de inwoner thuis, in een buurthuis of op het gemeentehuis. In dit artikel
de inwoner thuis, in een buurthuis of op het gemeentehuis. In dit artikel staat
Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen
komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk
van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Van het gesprek tussen de inwoner en een medewerker over de hulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt. Dit verslag kan ook meteen dienen als
integraal plan, volgens het principe één gezin, één plan. De medewerker van het team maakt dit verslag en/of plan en spreekt met de inwoner af wat een redelijke termijn is waarbinnen de inwoner dit ontvangt. Het verslag en/of
plan wordt opgenomen in het dossier van de inwoner waar hij toegang toe heeft. De inwoner heeft ook de mogelijkheid om, indien gewenst,
Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de
hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Van het gesprek
tussen de inwoner en een medewerker over de hulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt. Dit verslag kan ook meteen dienen als integraal plan,
volgens het principe één gezin, één plan. De medewerker van het team maakt
dit verslag en/of plan en spreekt met de inwoner af wat een redelijke termijn is waarbinnen de inwoner dit ontvangt. Het verslag en/of plan wordt opgenomen
in het dossier van de inwoner waar hij toegang toe heeft. De inwoner heeft ook de mogelijkheid om, indien gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan
opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag en/of plan te laten
het verslag en/of plan te laten toevoegen. Deze clausule is opgenomen zodat de
hebben over de eigen hulpvraag en dus zeggenschap heeft over de inhoud
heeft over de inhoud van het verslag en/of plan. Zo wordt ook recht gedaan aan
toevoegen. Deze clausule is opgenomen zodat de inwoner regie heeft en kan van het verslag en/of plan. Zo wordt ook recht gedaan aan het principe van ‘eigen kracht’.
Toelichting artikel 4 Aanvraag van een maatwerkvoorziening
Een aanvraag kan rechtstreeks ingediend worden bij het college. Een
inwoner regie heeft en kan hebben over de eigen hulpvraag en dus zeggenschap het principe van ‘eigen kracht’.
Stappenplan bij hulpvraag of aanvraag Het proces om te komen tot een zorgvuldige beoordeling van een hulpvraag wordt aan de hand van de stappenplannen van de Centrale Raad van Beroep van 2017 en 2018 beschreven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanvragen in het kader van de Jeugdwet en in het kader van de Wmo. Dit omdat deze aanvragen een ander karakter hebben die om een specifieke accenten vraagt in de beoordelingsprocedure.
Zo laten.
aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook via het team ingediend worden bij het college. Uitzondering hierop is de aanvraag voor een
uitkering. Deze moet gericht worden aan het college en ingediend worden bij het UWV.
Toelichting Artikel 5 Verstrekken van een maatwerkvoorziening
Toelichting Artikel 5 Verstrekken van een maatwerkvoorziening
(artikel 3) gekeken welke maatwerkvoorziening het beste bijdraagt aan het
(artikel 3) gekeken welke maatwerkvoorziening het beste bijdraagt aan het
Samen met de inwoner wordt op basis van het verslag en/of integraal plan
verbeteren van de zelfredzaamheid van de inwoner. Hierbij worden de in lid 1 en 2 omschreven criteria gebruikt. Op basis daarvan neemt het college een beslissing welke maatwerkvoorziening ingezet wordt.
Lid 2 betreft een ‘kan’-bepaling. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet
Samen met de inwoner wordt op basis van het verslag en/of integraal plan
verbeteren van de zelfredzaamheid van de inwoner. Hierbij worden de in lid 1 en 2 omschreven criteria gebruikt. Op basis daarvan neemt het college een beslissing welke maatwerkvoorziening ingezet wordt.
Lid 2 betreft een ‘kan’-bepaling. De grondslag voor deze bepaling is artikel
2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke
maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015), waarin is
ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015), waarin is bepaald dat de raad in de
wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking
voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
bepaald dat de raad in de verordening bepaalt op basis van welke criteria komt.
In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de
maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is. Alleen wanneer
iemand echt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp
van andere personen uit het sociale netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten,
hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige
rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het
geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen
voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure
aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Er kan dan sprake zijn van verhuizing naar een inadequate woning.
Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip
‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de
afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in
de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere
memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit
verordening bepaalt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de
maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is. Alleen wanneer iemand echt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp van
andere personen uit het sociale netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of
participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten,
hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard
gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan
aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als
de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is
aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen
moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Er kan dan sprake zijn van verhuizing naar een inadequate woning.
Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip
‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de
parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen
sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18).
volgt verder dat met dit artikel nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33841, nr. 34, p. 24).
Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de
Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet,
Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als
een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een
daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere
de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige rechtspraak is het van belang maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Dit lid voorziet in een dergelijke grondslag.
Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en
wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Met het oog op de duidelijkheid en de noodzaak tot een individuele belangenafweging is een tweede zin aan dit artikellid toegevoegd.
Belangrijke rechterlijke uitspraken, waarin de “voorzienbaarheid” en
belangenafweging van een Wmo-voorziening een rol spelen zijn: Rechtbank
genoemde wetsgeschiedenis en de huidige rechtspraak is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening
waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Dit lid voorziet in een dergelijke grondslag.
‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is
individuele aanvraag. Met het oog op de duidelijkheid en de noodzaak tot een individuele belangenafweging is een tweede zin aan dit artikellid toegevoegd. Belangrijke rechterlijke uitspraken, waarin de “voorzienbaarheid” en
belangenafweging van een Wmo-voorziening een rol spelen zijn: Rechtbank
Roermond 22-8-2008, ECLI:NL:RBROE: 2008: BE9440, Rechtbank Leeuwarden 8-10-2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BK1051, Rechtbank Zutphen 1-12-2010,
ECLI:NL:RBZUT:2010:BO5844, CRVB 15-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010: B08856,
CRVB 9-5-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6548, CRVB 21-5-2014, ECLI:NL: CRVB: 2014:1864 en Rechtbank Noord-Nederland 16-12-2014, zaaknummer AWB 14/2898.
Roermond 22-8-2008, ECLI:NL:RBROE: 2008: BE9440, Rechtbank
De grote lijnen, die uit de voornoemde uitspraken naar voren komen, zijn dat in
12-2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO5844, CRVB 15-12-2010,
“algemeen gebruikelijk” mag worden gehanteerd. Het college dient bij de
Leeuwarden 8-10-2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BK1051, Rechtbank Zutphen 1ECLI:NL:CRVB:2010: B08856, CRVB 9-5-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6548,
CRVB 21-5-2014, ECLI:NL: CRVB: 2014:1864 en Rechtbank Noord-Nederland 16-12-2014, zaaknummer AWB 14/2898.
De grote lijnen, die uit de voornoemde uitspraken naar voren komen, zijn dat in een verordening met het oog op de “voorzienbaarheid” niet als
een verordening met het oog op de “voorzienbaarheid” niet als afwijzingsgrond beoordeling van de “voorzienbaarheid” van een aanvraag rekening te houden met alle van belang zijnde individuele feiten en/of omstandigheden van de aanvrager.
Hieronder vallen volgens rechtspraak in ieder geval: de persoonskenmerken van de aanvrager, zoals leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en/of
gezondheidssituatie, de behoeften van de aanvrager van de voorzieningen,
afwijzingsgrond “algemeen gebruikelijk” mag worden gehanteerd. Het college
waaronder verandering van woning in verband met de wijziging van leefsituatie,
rekening te houden met alle van belang zijnde individuele feiten en/of
te voorzien, en tenslotte ook de onverwachtheid van een optredende (medische)
dient bij de beoordeling van de “voorzienbaarheid” van een aanvraag omstandigheden van de aanvrager.
Hieronder vallen volgens rechtspraak in ieder geval: de persoonskenmerken
de capaciteit van aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen noodzaak tot een maatwerkvoorziening.
van de aanvrager, zoals leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en/of
Lid 5 en 7 gaan over advisering. Afdeling 3:3 van de Algemene wet
waaronder verandering van woning in verband met de wijziging van
over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze
gezondheidssituatie, de behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, leefsituatie, de capaciteit van aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, en tenslotte ook de onverwachtheid van een optredende (medische) noodzaak tot een maatwerkvoorziening.
Lid 6 en 7 gaan over advisering. Afdeling 3:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt een persoon of college bij of
bestuursrecht (Awb) geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen afdeling onder adviseur verstaan wordt een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren over door een bestuursorgaan te nemen beslissingen en niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Awb is niet geregeld dat een adviseur benoemd moet worden en in deze verordening is ook niet opgenomen wie de adviseur is.
Omdat er wisselende situaties zijn, kunnen er ook verschillende adviseurs aangewezen worden.
krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren over door een bestuursorgaan te nemen beslissingen en niet werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Awb is niet geregeld dat een adviseur benoemd moet worden en in deze verordening is ook niet
opgenomen wie de adviseur is. Omdat er wisselende situaties zijn, kunnen er ook verschillende adviseurs aangewezen worden.
Toelichting bij Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet Na de beslissing (artikel 5) ontvangt de inwoner een beschikking. In dit
artikel is vastgelegd wat er in ieder geval in deze beschikking moet staan. Op
Toelichting bij Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet
Beschreven wordt in welke gevallen de inwoner na een beslissing (artikel 5) een beschikking ontvangt. Voorts is vastgelegd wat er in ieder geval in deze beschikking moet staan. Op basis van de Awb kan een inwoner altijd bezwaar
basis van de Awb kan een inwoner altijd bezwaar aantekenen tegen de
beslissing. Een bezwaarclausule maakt standaard deel uit van de beschikking. Toelichting artikel 7 Maatwerkvoorziening via een pgb
In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de
aantekenen tegen de beslissing. Een bezwaarclausule maakt standaard deel uit van de beschikking. Zo laten
Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb kan verstrekken. Zowel in
de Jeugdwet als in de Wmo wordt een compleet beeld gegeven van de rechten en plichten van de inwoner.
In beide wetten is bepaald dat een pgb pas verstrekt wordt als: -
de inwoner op eigen kracht of met hulp uit het sociaal netwerk of met hulp
van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, voldoende in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; -
de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat de maatwerkvoorziening die
door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder geleverd wordt, niet passend is; -
gewaarborgd is dat de ondersteuning die tot de maatwerkvoorziening
behoort en die de inwoner met het budget wil inkopen, van goede kwaliteit is.
Het door de gemeente geregelde collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV)
heeft in beginsel voorrang op de vaak duurdere verstrekking van een pgb.
Toelichting artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, intrekking of
Toelichting artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, intrekking of
In dit artikel worden regels gesteld voor het bestrijden van een ten onrechte
In dit artikel worden regels gesteld voor het bestrijden van een ten onrechte
terugvordering voor Jeugdwet en Wmo
ontvangen (maatwerk)voorziening of pgb alsmede voor het oneigenlijk gebruik of misbruik hiervan.
terugvordering voor Jeugdwet en Wmo
ontvangen (maatwerk)voorziening of pgb alsmede voor het oneigenlijk gebruik of misbruik hiervan.
Het eerste lid benadrukt dat volgens de wet een inwoner verplicht is aan te
Het eerste lid benadrukt dat volgens de wet een inwoner verplicht is aan te
men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de
redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de (maatwerk)voorziening
geven wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan (maatwerk)voorziening of het pgb kunnen zijn. Het tweede lid stelt dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een
beslissing over de (maatwerk)voorziening of het pgb te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen.
Het derde lid geeft aan dat als een pgb na zes maanden nog niet gebruikt is voor het doel waarvoor het uitgegeven is, de beslissing ingetrokken kan
worden. Het vierde lid regelt dat als door de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt zijn die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere
beslissing geleid hadden, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) teruggevorderd kunnen worden. Het vijfde lid regelt de terugvordering van een (maatwerk)voorziening in
eigendom of een pgb als het recht hierop ingetrokken is/wordt. Tenslotte
geeft het zesde lid het college de mogelijkheid om naast de beoordeling van de kwaliteit, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte
maatwerkvoorzieningen (in natura of pgb) op een rechtmatige en doelmatige manier worden ingezet/gebruikt).
geven wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men of het pgb kunnen zijn. Het tweede lid stelt dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over de (maatwerk)voorziening of het pgb te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen.
Het derde lid geeft aan dat als een pgb na zes maanden nog niet gebruikt is
voor het doel waarvoor het uitgegeven is, de beslissing ingetrokken kan worden. Het vierde lid regelt dat als door de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens
verstrekt zijn die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing geleid hadden, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) teruggevorderd kunnen worden.
Het vijfde lid regelt de terugvordering van een (maatwerk)voorziening in
eigendom of een pgb als het recht hierop ingetrokken is/wordt. Tenslotte geeft het zesde lid het college de mogelijkheid om naast de beoordeling van de kwaliteit, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte
maatwerkvoorzieningen (in natura of pgb) op een rechtmatige en doelmatige manier worden ingezet/gebruikt).
Tenslotte geeft het zesde lid het college de mogelijkheid om naast de beoordeling van de kwaliteit, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de cliënt, ouders van de cliënt of een pgb-houder, als op de
ondersteuningsverlening door een aanbieder. Voor het onderzoek naar de rechtmatigheid kan het college een toezichthouder aanwijzen.
Toelichting artikel 28 Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning
Dit artikel betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo. Daarin is
opgenomen dat bij verordening bepaald kan worden dat door het college aan
Toelichting artikel 28 Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning
Vervallen
personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekt wordt ter ondersteuning van
zelfredzaamheid en participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag
verstrekt worden. De beslissing op een dergelijke aanvraag wordt vastgelegd in een beschikking.
Toelichting artikel 40
Toelichting artikel 40
artikel 40 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
Hierin is de gemeentelijke taak om te ‘ontzorgen’ neergelegd. ´Ontzorgen’
De artikelen 40 en 42 moeten in onderlinge samenhang gelezen worden. In geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die genoemd zijn in artikel 40 zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 42 een
gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.
Vanaf 1 januari 2022 treedt het nieuwe artikel 56a van de P-wet in werking. betekent dat de gemeente betalingen verricht uit de bijstandsuitkering van de statushouder: de huur, de premie voor de verplichte zorgverzekering en de
voorschotten voor de rekeningen van gas, water en licht worden voor de duur
van zes maanden direct betaald uit de bijstandsuitkering. Het artikel heeft alleen betrekking op inburgeringsplichtigen met recht op bijstand die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben.
Als de inburgeringsplichtige niet meewerkt aan het verplichte ‘ontzorgen’ en
bijvoorbeeld weigert een machtiging te ondertekenen, dan moet het college de
bijstandsuitkering verlagen op grond van artikel 18 van de Participatiewet en de afstemmingsverordening. Dit kan alleen als deze voorziet in een verlaging wegens het niet nakomen van de ‘ontzorgingsplicht’. Geen
Toelichting artikel 61 (nieuw) Inburgering
Artikel 61. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
Artikel 62. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
(…)
(…)
kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Voor de Wet Inburgering heeft de gemeenteraad geen bepalingen in deze, of een andere, Verordening opgenomen aangezien de uitvoeringsbevoegdheden van het college aangaande de inburgering, in de Wet Inburgering 2021 zijn opgenomen. De nadere uitwerking van de wettelijk vastgelegde uitvoeringsbevoegdheden worden, conform artikel 1:3 lid 4 Awb, opgenomen in de Nadere Regels.”
kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Artikel 61a. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden op
Artikel 62a. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden op grond
(…)
(…)
grond van de Wmo
van de Wmo
Toelichting Artikel 62 t/m 67, 84 en 86
Toelichting artikel 62 t/m 86: vernummeren tot artikel 64 t/m 69, 86 en 88
Geen
Toelichting 62b (nieuw) Opvragen gegevens voor het besluit tot het verlenen van schuldhulp
Het college kan alleen bij andere gemeenten en andere, in het Besluit Wgs genoemde, instanties, gegevens opvragen over eerder gebruik van
schuldhulpverlening of over opgelegde boetes wegens fraude, als de gemeente
dit in het beleid heeft opgenomen dat deze bevoegdheid toegepast kan worden. Geen
Toelichting 63 (nieuw) Beschikkingstermijn schuldhulpverlening
Vanaf 1 januari 2022 moet door de gemeenteraad zijn vastgelegd binnen welke termijn een beschikking voor schuldhulp wordt afgegeven. Geen
Toelichting 63a. Vroegsignalering schulden
Sinds 1 januari 2021 is vroeg-signalering een wettelijke taak. Met dit artikel
wordt deze wettelijke taak verankerd in de gemeentelijke regelgeving. Met de vaste lasten partners zijn afspraken gemaakt d.m.v. overeenkomsten. Om vroeg- signalering verder te versterken worden er steeds meer afspraken
gemaakt met ook andere schuldeisers. De in de wet genoemde partners zijn dan ook niet limitatief.