CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 20230314_t_NL.IMRO.0569.bpTARikclangeraar-on01

Meningsvormende raad I 14 september 2023, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Kindcentrum De Poel17.655 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat op de locatie geen verontreinigingen met asbest zijn vastgesteld en het plangebied voor asbest kan worden vrij gegeven. Wat betreft de overige onderzochte verontreinigingen zijn er licht verhoogde gehalten in d grond en in het grondwater aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen’. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat

28

lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling van een IKC en maximaal 20 woningen is een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 15,9 µg/m³, 8,5 µg/m³ en 12,3 µg/m³.

Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5.

29

Het voorliggende plan maakt gevoelige bestemmingen mogelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 300 m van een rijksweg en ook niet binnen een afstand van 50 m van een provinciale weg. Tevens worden de grenswaarden PM10 en NO2 niet overschreden, zoals bovenstaand is weergegeven. Het plan is uitvoerbaar in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen en onderwijsvoorzieningen zijn geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is vereist wanneer woningen binnen de wettelijke onderzoekszone van een weg, spoorweg en/of geluidgezoneerd industrieterrein liggen. Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van de Langeraarseweg. Echter is de geluidsbelasting op de nieuwe woningen en onderwijsvoorzieningen in het kader van een goed woon- en leefklimaat wel van belang. Derhalve is er een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, 22-233r1, d.d. 1 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Onderzoek wegverkeerlawaai Het onderzoek naar de geluidbelasting wordt uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Langeraar aan de Langeraarseweg op 30 m uit de as van de weg en op 45 m uit de as van de Van Wassenaerstraat. Alle wegen in de omgeving zijn niet gezoneerde 30 km wegen. Er liggen geen gezoneerde wegen in de omgeving van de locatie.

Er hoeven voor de wegen in de omgeving daarom geen hogere waarden te worden aangevraagd voor de wet geluidhinder. De geluidbelasting door wegverkeer op alle 30 km wegen samen bedraagt ten hoogste 45 dB na aftrek van 5 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt derhalve door geen van de 30 km wegen overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op elk van de overige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. De geluidbelasting op het IKC en de woningen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh in geen van de rekenpunten. Alle gevels van alle geluidgevoelige bestemmingen zijn geluidluw. Voor het aspect geluid zal daarom sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Voor de geluidluwe gevels van de woningen, met een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor geluidluwe gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. In toelichting paragraaf 4.2.4 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot milieubelastende activiteiten.

30

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.

De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Wonen en het integraal kindcentrum worden gezien als een gevoelige bestemming. De planlocatie ligt aan het dorpslint van de Langeraarseweg met verschillende functies, zoals wonen, maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan het de omgeving van het plangebied daarmee aangemerkt worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap. De volgende bedrijven en milieubelastende activiteiten zijn gevestigd rondom het plangebied. Bedrijven en milieubelastende activiteiten in de omgeving Direct aan de westzijde van het plangebied is de Heilige Adrianuskerk gelegen. Kerken vallen in categorie 2 met een richtafstand in gemengd gebied van 10 m. De afstand van de kerk tot de nieuwe bebouwing is minimaal 15 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Ondanks dat aan de richtafstand wordt voldaan, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een nadere beschouwing benodigd. Een kerkgebouw veroorzaakt geluid vanwege de kerkklokken, de kerkdienst, de voertuigbewegingen en het parkeren. De kerkdiensten vinden hoofdzakelijk in het weekend plaats. Op de momenten van de kerkdiensten zal er mogelijk sprake zijn van een lichte geluidhinder, met name als gevolg van de voertuigbewegingen en het parkeren. De bijeenkomsten zijn relatief kleinschalig en van korte duur.

Het geluid van de kerkklokken ten behoeve van de kerkdiensten is op basis van artikel 2.18 lid 1 onder c van het Activiteitenbesluit milieubeheer uitgesloten van toetsing. Voor het geluid van de kerklokken voor niet-religieuze doeleinden zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wel van toepassing. Echter wordt het nieuwe IKC niet dichter bij de kerk gebouwd ten opzichte van het huidige schoolgebouw, die beide geluidgevoelige gebouwen zijn. Er kan dan ook gesteld worden dat er in de huidige situatie ook al voldaan

31

moet worden aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Daarvan uitgaande is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens kan gesteld worden dat er slechts sprake zal zijn van minimale geluidhinder. Deze minimale geluidhinder wordt als passend beschouwd in een dorpse omgeving in een dorpscentrum. Een goed woonen leefklimaat is hierbij niet het geding. Aan de Langeraarseweg 86a is peuterspeelzaal 't Rakkertje gevestigd. Dergelijke activiteiten behoren tot milieucategorie 2, waarvoor in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m geldt. De afstand van de peuterspeelzaal tot de nieuwe bebouwing is minimaal 15 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de Langeraarseweg 37 is een partycentrum gevestigd. Volgens het bestemmingsplan mag hier horeca tot en met categorie 3 gevestigd zijn. Dit staat gelijk aan discotheken waarvoor categorie 2 uit de VNGpublicatie geldt, met een richtafstand van 10 m. De afstand van het plangebied tot aan deze locatie is minimaal 35 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. De overige bedrijven en milieubelastende activiteiten in de omgeving behoren tot milieucategorie 1 of 2 en bevinden zich op een afstand van minimaal 50 m. Daarmee wordt er ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Integraal kindcentrum Met het voorliggende plan worden zowel woningen toegevoegd als een integraal kindcentrum.

Om de effecten hiervan op de gevoelige bestemmingen (woningen) in het plangebied en in de omgeving inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Een onderwijsvoorziening is daarnaast een inrichting die geluid produceert, door buitenspelende kinderen. Het is daarom belangrijk om aan te tonen dat er geen overlast optreedt door deze voorziening. Hiertoe is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, 22-234r2, d.d. 1 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). De afstand van de rand van het gebouw/schoolplein van de school tot de meest nabijgelegen nieuwe woning bedraagt 15 m. Er wordt daarmee wel voldaan aan de richtafstand van 10 meter voor een gemengd gebied. Desondanks is onderzocht welke geluidbelasting te verwachten is op de omgeving. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999, methode II.2, II.3, II.7 en II.8). Om de geluidbelasting op de omgeving te bepalen is een rekenmodel opgesteld waarin de activiteiten bij het IKC zijn opgenomen. - Resultaten en toetsing Volgens stap 2 van het toetsingskader voor geluid is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode.

Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten in de punten 3- 7 bij bestaande en nieuwe woningen overschreden. De richtwaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) wordt in geen enkel punt overschreden. De geluidbelasting door spelende kinderen en verkeer op het terrein op de woningen is onvoldoende laag om voor de meeste woningen een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat te garanderen. Het IKC zal niet worden belemmerd in haar bedrijfsvoering aangezien stemgeluid bij toetsing aan het Activiteitenbesluit is uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. In stap 3 kan een 5 dB(A) hogere richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden gehanteerd (dus tot 55 dB(A) overdag). In dat geval kan in alle punten aan de richtwaarden worden voldaan. Bij toetsing dient dan wel de gecumuleerde geluidbelasting te worden beschouwd. - Maatregelen en binnenniveaus Bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) gemiddelde geluidniveaus binnen overdag niet hoger zijn dan 35 dB(A) overdag; dat vergt dus een geluidwering van de hoogst belaste gevel (punt 6) van minimaal 54 – 35 = 19 dB(A), hetgeen zonder bijzondere voorzieningen haalbaar is (goede

32

beglazing en kierdichting). Uitgaande van een goede geluidwering zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. In de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding begin 2024) zullen (ook voor piekgeluiden) nieuwe grenswaarden gelden. Voor piekgeluiden ‘veroorzaakt door aanrijgeluid van transportmiddelen’ gelden dan grenswaarden in de avond en nacht van 70 dB(A). Voor ‘andere geluiden’ gelden 5 dB(A) lagere grenswaarden (65 dB(A)). Er geldt geen standaardwaarde meer voor piekgeluiden in de dagperiode. - Verkeersaantrekkende werking De 50-dB(A)-contour ligt dan op minder dan 2 m van de wegas. Daarmee ligt de geluidbelasting t.g.v. de verkeersaantrekkende werking op de woningen langs de route lager dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en kan (dus) aan het vereiste binnenniveau worden voldaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving.

Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

33

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Tevens zijn er in de omgeving in een straal van 1,3 km geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Gezien deze ruime afstand en aard van de risicovolle inrichtingen zijn er geen beperkingen voor het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

34

Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van een nieuw Integraal Kindcentrum (IKC) en nieuwe woningen en de herinrichting van de planlocatie mogelijk. De in de huidige situatie aanwezige bebouwing wordt gesloopt ten behoeven van de ontwikkeling. Het is mogelijk dat er met het voorliggende plan gevolgen zijn voor beschermde flora en fauna en beschermde natuurgebieden. Om deze reden is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, 2022-0926, d.d. 15 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en gebouwbewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli).

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (Buro SRO, SR220176, d.d. 17 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS-Calculator versie 2022. Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase. Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 906 voertuigbewegingen in licht verkeer en 0,4 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal. Het nieuwe kindcentrum en de nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx-emissie van 53,2 kg/j

35

en een NH3emissie van 346 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx-emissie van 200,2 kg/j en een NH3-emissie van 7,2 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de bouwfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie en uitvoerbaarheid De beoogde sloop en realisatie van een nieuw integraal kindcentrum en appartementencomplex aan de Langeraarseweg 86 te Ter Aar is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen en gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Dit onderzoek zal gereed zijn voordat het bestemmingsplan wordt. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied beschikken in het geldende bestemmingsplan over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen voor het behoud en bescherming van archeologische waarden. Bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, waarvoor bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

36

In het kader van het voorliggende plan wordt de oppervlakte mogelijk overschreden en wordt er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 22080037, d.d. 24 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied deel uitmaakt van een getijdegebied. Door de alsmaar toenemende zeespiegelstijging is het plangebied begroeid geraakt met veen en heeft het tot in de Middeleeuwen onderdeel uitgemaakt van een omvangrijk veengebied. In het plangebied geldt een lage verwachting op het aantreffen van oeverwallen die zich langs getijdekreken gevormd hebben. Deze oeverwallen vormden vanaf het Neolithicum bewoonbare plekken in het anders natte landschap. Op basis van geraadpleegd kaartmateriaal worden dergelijke oeverwalafzettingen echter niet binnen het plangebied verwacht, waardoor een lage verwachting op resten uit de periodes Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen is vastgesteld. Tegen het einde van de 11e eeuw werd het veen systematisch ontgonnen en vanaf de 12e eeuw vormden zich in dergelijke gebieden (agrarische) nederzettingen die tot dorpen uitgroeiden. Op basis van de ligging van het plangebied op een bovenlandstrook is door de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland een hoge archeologische verwachting toegekend aan het terrein.

Met name resten uit de periode waarin het veengebied ontgonnen is (Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd) kunnen aanwezig zijn in de top van het veen. Op historisch kaartmateriaal blijkt daarnaast dat in of nabij het plangebied omstreeks 1615 bebouwing gestaan heeft. Deze bebouwing heeft in ieder geval sinds 1811 in het zuiden van het plangebied gestaan. Derhalve geldt in het plangebied een hoge verwachting op resten en sporen uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. In het zuiden geldt deze verwachting voor resten van bewoning. In het overige deel worden voornamelijk grondsporen en sporen van terreininrichting verwacht. Resten van oudere periodes, het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, worden op circa 9 m -Mv verwacht en zijn vanwege deze grote diepte buiten beschouwing gelaten. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond bestaat uit zandige kleiafzettingen die geïnterpreteerd zijn als wadafzettingen. Deze afzettingen behoren toe aan het Wormer Laagpakket. In het westen en zuiden van het plangebied, waar het maaiveld circa 60-100 cm hoger dan in het oosten van het plangebied ligt, is op de wadafzettingen een laag rietveen waargenomen. De top van dit veen is samengedrukt en bevat zandbrokken, wat duidt op een verstoorde top. Bovenop het veen is een laag ophoogmateriaal aangebracht.

Op grond van deze resultaten valt de archeologische verwachting, zoals deze is gespecifieerd in het bureauonderzoek, aan te scherpen. Door het ontbreken van oeverwallen, de verstoorde top van het veen en de aanwezigheid van vervuilde grond is de archeologische periode voor de periodes Neolithicum - Nieuwe Tijd vast te stellen op laag. Eventuele resten van de vroegere bebouwing en van de parochiale school St. Johan Baptist de la Salle worden niet meer intact in het plangebied verwacht. Het huidige schoolgebouw en de ten zuiden gelegen parkeerplaatsen overlappen met de locatie van de parochiale school, waardoor resten en sporen tijdens de sloop en bouw van het huidige schoolgebouw verstoord zullen zijn geraakt. Advies In het plangebied is op basis van het archeologisch vooronderzoek een lage verwachting op archeologische resten en sporen vastgesteld. Eventuele resten van de parochieschool St. Johan Baptist de la Salle worden in het plangebied niet verwacht, doordat het bouwvlak van het huidige schoolgebouw overlapt met het bouwvlak van het voormalige schoolgebouw en in het overige deel van het plangebied een verstoorde bodem is aangetroffen. In het kader van de toekomstige ontwikkeling in het plangebied wordt derhalve geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied qua archeologie vrij te geven.

Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Nieuwkoop). Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3', zoals die toegekend zijn met het geldende bestemmingsplan, komen te vervallen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

37

4.5 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied, aan de westzijde, is wel een rijksmonument gesitueerd, de Heilige Adrianuskerk. Het voorliggende plan voorziet niet in wijzigingen die van invloed zijn op de kerk of anderszins de cultuurhistorische waarden van dit rijksmonument aantasten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Water Programma en de Wet gemeentelijke watertaken. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via

38

de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.6.2 Hoogheemraadschap van Rijnland Keur en beleidsregels De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebods- en verbodsbepalingen) voor:

• • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2020. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. 4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Op de planlocatie is in de huidige situatie bebouwing aanwezig en bestaat een deel van het plangebied uit verharding. Met de beoogde ontwikkeling worden een nieuw IKC en nieuwe woningen gebouwd. Ook wordt verharding aangebracht ten behoeve van het parkeren en de ontsluiting. In de navolgende tabel is de verhardingsbalans weergegeven, die tevens gevisualiseerd is met tekeningen (zie bijlagen bij toelichting bijlage 8).

39

Oude situatie 2.986 m² 3.782 m² 6.768 m² 0 m² 5.184 m² 11.952 m²

Bebouwing Verharding Halfverharding (grasbetonstenen, 50% verhard) Totaal verhard Water/wadi Groen Halfverharding (grasbetonstenen, 50% onverhard Totaal

Nieuwe situatie 2.436 m² 2.028 m² 610 m² 5.074 72 m² 6.197 m² 610 m² 11.953 m²

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de verhardingsafname 5.074 - 6.768 = 1.694 m² bedraagt. Hiermee is watercompensatie in de vorm van oppervlaktewater niet noodzakelijk. Riolering en afkoppeling De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Voor de nieuwbouw van het IKC en de woningen geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt. De afvoer van het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat het plangebied deels gelegen is binnen een regionale waterkering. Het voorliggende plan voorziet echter niet in de realisatie van nieuwe gebouwen binnen de beschermingszone van de waterkering. Wel wordt voor het deel van het plangebied waar de beschermingszone van de waterkering gelegen is de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' opgenomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Duurzaamheid Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidagenda 'Samenwerken en Verbinden'. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Voor kleinere projecten (minder dan 10 woningen) geldt dat de gemeente initiatiefnemers informeert over duurzaam bouwen via de Infobladen Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. Planspecifiek Op het gebied van duurzaamheid heeft het voorliggende plan als doel een positieve bijdrage te leveren aan de doelstelling van de gemeente om in 2050 een vrijwel energieneutrale gemeente te zijn. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de BENG-normen. Dit houdt in dat er zeer energiezuinige woningen met een geringe warmtebehoefte worden gerealiseerd.

40

Qua duurzaamheid van het gebouw waarin het IKC wordt gehuisvest wordt aansluiting gezocht bij de ambities uit het geactualiseerde strategisch plan onderwijs en huisvesting. Dit betekent dat gestreefd wordt naar een duurzaam gebouw volgens de norm ‘BREEAM very good’, dat minimaal ‘BENG’ (bijna energieneutraal) is en goed scoort op gezondheid/binnenklimaat en duurzaam onderhoud. Waar mogelijk wordt circulair gesloopt en gebouwd. Ten aanzien van de buitenruimte wordt gedacht aan een groen schoolplein met in het bijzonder aandacht voor klimaatadaptie en biodiversiteit.

4.8 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.8.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeersgeneratie die de ontwikkeling van de nieuwe woningen met zich meebrengt in kaart te brengen is CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'centrum'.

In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uiteengezet. Soort woning Huur, appartement, midden/ goedkoop Totaal

Aantal woningen 20

CROW-verkeersgeneratie 4,5

Totale verkeersgeneratie 90

-

90

De totale verkeersgeneratie van de nieuwe woningen bedraagt circa 90 voertuigbewegingen per etmaal. Het nieuwe kindcentrum vervangt de bestaande school en wordt slecht beperkt uitgebreid. Het is de verwachting dat de verkeersgeneratie niet toeneemt. De totale verkeersgeneratie van het plan is gering. Het is de verwachting dat de huidige wegen dit extra verkeer goed kunnen verwerken. Het plangebied wordt voor auto's ontsloten via de Langeraarseweg. De Langeraarseweg is van oorsprong een weg te midden van lintbebouwing. Er is een zuidelijke ontsluiting richting Ter Aar en Alphen aan den Rijn en een noordelijke ontsluiting richting Bilderdam, Nieuwveen en Leimuiden (N207). De verkeersintensiteit richting het zuiden ligt rond 3.500 motorvoertuigen per dag en richting het noorden rond 2.900 motorvoertuigen per dag. De capaciteit van de Langeraarseweg ligt rond de 4.500 motorvoertuigen per dag. Dit zou theoretisch moeten passen zonder rekening te houden met andere bouwontwikkelingen. De Langeraarseweg ter hoogte van de huidige school is nu een woonerf met een maximumsnelheid van 15 km/uur. Ter hoogte van De Strooplikker is een voetgangersoversteek (zebrapad). Het is relatief veilig om van en naar school te komen. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.

41

4.8.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Op 8 juli 2021 is de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 vastgesteld. De gemeente Nieuwkoop zet met deze nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van parkeernormen door meer doelgroep specifieke normen toe te passen voor zowel de auto als de fiets. Verder is er de mogelijkheid om deelauto’s in te zetten om de parkeernorm te verlagen. Planspecifiek Parkeerbehoefte Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte weergegeven. Soort woning / functie Gestapelde woning, 50 - 80 m² Basisonderwijs (per lokaal) Kinderdagverblijf (100 m²) Gymzaal (100 m²) Totaal

Aantal woningen / eenheden / oppervlakte m² bvo 20

Parkeernorm per woning / lokaal / 100 m² bvo 1,8

Aantal parkeerplaatsen 36,0

13

0,9

11,7

490 m²

1,5

7,4

538 m²

16,1 71,2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er 72 parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de ongewogen parkeerbehoefte. Op het parkeerterrein aan de Langeraarseweg zijn 50 parkeerplaatsen voorzien. In de basis is het parkeerterrein binnen het plangebied bedoeld voor het parkeren bij de nieuwe woningen. Kiss & Ride Bij scholen is er sprake van het brengen en halen van kinderen. Op basis van de locatie van de school in het dorp en de bereikbaarheid van de school per fiets en voet kan een lager percentage kinderen dat gebracht wordt per auto worden gehanteerd. Dit wordt gedaan aan de hand van de onderstaande tabel.

Doelgroep

Aantal leerlingen

Berekening

Aantal parkeerplaatsen

groep 1-3 (onderbouw) groep 4-8 (bovenbouw)

124 186

124 * 0,3 * 0,5 * 0,75 186 * 0,2 * 0,25 * 0,85

13,95 7,11

kinderdagverblijf

67

67 * 0,65 * 0,25 * 0,75

8,17

Totaal

29,23

Op het drukste moment, tijdens het brengen van de kinderen, is de parkeervraag 30 parkeerplaatsen.

42

Parkeervraag auto's Voor een goede berekening van de totale parkeervraag kan er gekeken te worden naar de mogelijkheid van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Daarvoor zijn de aanwezigheidspercentages aangehouden van het CROW. Er wordt ervan uitgegaan dat sportfuncties alleen beschikbaar zijn buiten schooltijden. Door het dorpse karakter van de kern Langeraar wordt ervan uitgegaan dat 75% van de bezoekers van de buurt-, sport-, en andere verenigingen die gebruik gaan maken van de gymzaal lopend of met de fiets komen. De andere 25% komt met de auto omdat deze van buiten de kern Langeraar komen. Onderstaande tabel toont de aanwezigheidspercentages per dagmoment.

Onderstaande tabel geeft het aanwezigheidspercentages weer.

benodigde

aantal

parkeerplaatsen

op

basis

van

de

Het drukste moment is de werkdagmiddag. Er zijn dan 19,05 parkeerplaatsen benodigd voor personeel (100% aanwezig). Daarnaast zijn er 16,2 parkeerplaatsen benodigd voor bewoners en bezoekers (50% aanwezig). Voor de Kiss & Ride zijn 29,23 parkeerplaatsen benodigd (piek voor het in- en uitgaan van de school). Op basis van dubbelgebruik van parkeerplaatsen tussen de verschillende functies op de planlocatie voldoen de getekende openbare parkeerplaatsen die nu zijn ingetekend niet aan de parkeervraag. Echter wordt er in de praktijk geparkeerd door ouders op het plein voor de kerk. Dit terrein is openbaar toegankelijk, maar niet in eigendom van de gemeente. Toch wordt het plein al decennia lang gebruikt als openbaar parkeerterrein. In overleg met de kerk is besproken dat het plein voor de kerk in beginsel ook in de toekomst beschikbaar zal zijn voor halen en brengen. In het meest ongunstigste geval zou de kerk een hek kunnen neerzetten voor het plein, zodat het terrein niet meer toegankelijk vanaf de Langeraarseweg voor ouders van de school. Deze zullen dan toch ergens moeten parkeren. Als het kerkplein in de toekomst wel wijzigt waardoor parkeercapaciteit verplaatst of verdwijnt, dan moet dit opgevangen worden. Een optie is om haakse parkeervakken te maken ter hoogte van het kerkplein aan de Langeraarseweg.

43

Fietsparkeren Tevens dient ook naar de parkeervraag voor fietsen gekeken te worden. Onderstaande tabel geeft de parkeernorm voor fietsen weer. De parkeernorm voor het kinderdagverblijf is indicatief, hier is geen officiële norm voor. Functie

Parkeernorm

Programma

Aantal parkeerplaatsen

basisonderwijs leerlingen

5 per 10 leerlingen

310 leerlingen

155

basisonderwijs medewerkers

0,4 per 10 leerlingen

310 leerlingen

7,4

kinderdagverblijf

1,5 per 100 m² bvo

490 m² bvo

7,35

Totaal

169,75

De benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen voor fietsen kan in de buitenruimte bij het nieuwe schoolgebouw worden gerealiseerd. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan er geconcludeerd worden dat er voldoende mogelijkheden zijn om te voorzien in het benodigde aantal (fiets)parkeerplaatsen. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

44

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

45

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn primair aangewezen voor de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen. Op deze manier wordt de groene ruimte en de daarbij behorende ruimtelijke kwaliteit rondom het woongebouw geborgd. Het is binnen deze bestemming niet toegestaan om bouwwerken op te richten anders dan voorzieningen ten behoeven van het algemeen nut. Maatschappelijk De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn primair aangewezen voor educatieve voorzieningen met bijbehorende onderwijs en opvoeding gerelateerde voorzieningen (inclusief voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang), zorggerelateerde voorzieningen, een bibliotheek, alsmede ondergeschikt sociale en verenigingsactiviteiten. Voorts zijn de gronden aangewezen voor bijkomende voorzieningen ten behoeve van de ontsluiting, de inpassing, het parkeren, het spelen, etc. Binnen deze bestemming is een bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw moet worden gerealiseerd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd (deels twee bouwlagen en deels één bouwlaag). De maximale bouw- en goothoogtes zijn (gedifferentieerd door middel van maatvoeringsvlakken) aangegeven op de verbeelding.

Buiten het bouwvlak mogen tevens overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale hoogte van 3 m (behalve voor vlaggenmasten en lichtmasten die 8 meter hoog mogen zijn en terreinafscheidingen die niet hoger mogen zijn dan 1 of 2 m). Ook is bepaald dat moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing onder meer ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken, ter waarborging van de verkeersveiligheid en de parkeergelegenheid en ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding. Verkeer - Verblijfsgebied Het parkeerterrein en de centrale ontsluitingsweg zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De gronden zijn bestemd ten behoeve van parkeren voor het IKC en de woningen en voor de ontsluiting van het plangebied. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor voet- en fietspaden en groenvoorzieningen. Water Het in het reeds aanwezig plangebied oppervlaktewater is als zodanig bestemd. Binnen de bestemming 'Water' is het niet toegestaan om te bouwen, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor het wonen, met de mogelijkheid van de uitoefening van beroepen aan huis. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor wandel- en fietspaden, erven, tuinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Hoofdgebouwen (woningen)mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale bouwhoogten (respectievelijk 8 en 13 m) en het maximum aantal woningen (20) zijn aangegeven op de verbeelding. Naast de hoofdgebouwen zijn bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

46

Waterstaat - Waterkering Ter plaatse van waterstaatkundige werken die een functie als waterkering hebben is de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft tot doel de waterkering te beschermen. De dubbelbestemming heeft voorrang boven de andere geldende bestemmingen en legt beperkingen op aan deze onderliggende bestemmingen. Ten eerste mag binnen de dubbelbestemming niet worden gebouwd. Onder voorwaarden kan van het bouwverbod afgeweken worden. Daarnaast is het niet mogelijk om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren.

47

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek In het onderhavige geval zijn de gronden waarvoor de bestemmingswijziging plaatsvindt in eigendom van de gemeente Nieuwkoop. De gemeentelijke kosten worden verdisconteerd in de verkoopprijs van een deel van de gronden dan wel vanuit de gemeentelijke begroting gedragen. Het verhaal van kosten is daarmee ‘anderszins verzekerd’. Er kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

48

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Bro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekendgemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=fbcec593-7c38-4df4-9cd0-fe8c6bba450a