CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting (20210901_t_NL.IMRO.0569.bpNKPkoetshuis-on01)

Meningsvormende raad I 10 februari 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Koetshuisplantsoen (gewijzigde vaststelling)12.998 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

26

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van 31 nieuwe sociale huurwoningen en de herinrichting van de planlocatie mogelijk. De voorheen aanwezig bebouwing is reeds gesloopt, waardoor het plangebied momenteel braak ligt. Natura 2000 Op een afstand van circa 100 m ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’. Gezien de werkzaamheden plaatsvinden buiten de contouren van het Natura 2000-gebied, zijn directe effecten zoals oppervlakteverlies als gevolg van het voornemen uitgesloten. Gezien tevens de locatie (in een woonkern), de schaal en het temporeel karakter

27

van de werkzaamheden, is van significante negatieve effecten op populaties van soorten waarvoor binnen het Natura 2000-gebied IHD gelden, geen sprake. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van soorten met een IHD als gevolg van directe effecten is zodoende geen sprake. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gebieden van het NNN-netwerk van de provincie ZuidHolland. Gezien het plangebied zelf echter buiten de contouren van dit NNN-netwerk valt en de provincie Zuid-Holland geen bescherming ten aanleiding van externe werking op het NNN kent, zijn significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Soortenbescherming In het kader van de sloop is een ecologische quickscan uitgevoerd (Witteveen Bos, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Op het gebied van soortenbescherming was in het kader van de sloop aanvullend onderzoek naar de vleermuis, huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Voor de overige beschermde soorten was geen aanvullend onderzoek nodig. In de huidige situatie is er geen bebouwing en beplanting meer aanwezig op de planlocatie en kan gesteld worden dat het geen essentiële betekenis voor beschermde soorten heeft. Wel dient ten alle tijden de algemene zorgplicht nageleefd te worden.

Soortgericht onderzoek Op basis van de quickscan die in het kader van de sloop is uitgevoerd was soortgericht onderzoek naar de vleermuis, huismus en gierzwaluw noodzakelijk (Habitus, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Er zijn geen verblijven van vleermuizen aangetroffen binnen het projectgebied. Daarnaast zijn er geen nestplaatsen van gierzwaluwen of huismussen aangetroffen binnen het projectgebied. De tuin wordt niet gebruikt als functionele leefomgeving door de huismus. De voorgenomen werkzaamheden (sloop) zijn niet in strijd met de Wet natuurbescherming. Er zijn geen vervolgstappen nodig. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’.

Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Op 17 augustus 2020 is door de Omgevingsdienst Haaglanden een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend (Omgevingsdienst Haaglanden, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) voor de sloop van de (voormalige) bebouwing, de bouw van de 31 woningen en het gebruik daarvan. De uitgangspunten van de verleende vergunning zijn gelijk aan het voorgenomen plan en de toekomstige werkzaamheden. Het beoogde plan heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

28

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied beschikken in het geldende bestemmingsplan over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Bij werkzaamheden en het oprichten van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 50 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Om die reden is een archeologische quickscan uitgevoerd (Hazenberg Archeologie, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).

Uit de archeologische quickscan zijn de volgende conclusies naar voren gekomen:

•

Omstreeks 1800 was er beperkte bebouwing in het gebied aanwezig. Wellicht betrof het één woonhuis/boerderij met aanbouw en enkele kleinere bebouwingen direct gelegen aan de Dorpsstraat. Het grootste deel van deze oude bebouwing is één dan wel twee keer overbouwd.

• •

De historische bebouwing is in de loop der jaren verdwenen.

•

Zowel aan de Dorpsstraatzijde als aan de noord- en zuidkant van het gebied heeft in de loop der jaren (veel) bebouwing gestaan, die de bodem heeft verstoord. Deze bebouwing is inmiddels gesloopt. Het plangebied kan in zijn totaliteit als verstoord worden betiteld. Slechts enkele stukken in het plangebied, vooral gelegen aan de ringslootkant van het gebied, kunnen mogelijk nog onverstoord zijn. Hier is echter geen grote bebouwing c.q. verstoring voorzien.

De te verwachten archeologische resten zijn doorgaans zeer oppervlakkig en het is aannemelijk dat deze bij de bouw van de verschillende jongere gebouwen op het terrein verstoord of verdwenen zijn. Er wordt dan ook geadviseerd om geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. De locatie kan op het gebied van archeologie vrijgegeven worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

29

De Onze Lieve Vrouwe Hemelvaart kerk met de bijbehorende pastorie ten westen van het plangebied is aangewezen als rijksmonument. De kerk en pastorie zijn in 1934-1935 gebouwd. De kerk is ontworpen als een pseudo-basiliek met uitgebouwde fronttoren in een traditionalistische bouwtrant. Daarnaast zijn invloeden van diverse middeleeuwse bouwstijlen herkenbaar. De ontwikkeling van het plangebied heeft verder geen invloed op cultuurhistorische waarden van de rijksmonumentale kerk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

30

4.6.2 Hoogheemraadschap van Rijnland Keur en beleidsregels De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

• • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2020. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. 4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Op de planlocatie was voorheen bebouwing aanwezig en bestond voor een deel uit verharding. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe woningen gebouwd en wordt verharding aangebracht ten behoeve van het parkeren en de ontsluiting. In de navolgende tabel staat de verhardingsbalans weergegeven, waarbij een vergelijking is gemaakt met de voorheen aanwezige bebouwing en de nieuwe situatie.

Bebouwing Overige verharding Water Onverhard (groen, tuin) Totaal verharding

Oude situatie 1.868 m² 769m² 0 m² 1.897 m² 2.637 m²

Nieuwe situatie 1.314 m² 1.778 m² 0 m² 1.442 m² 3.092 m²

Toename verharding 455 m²

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de verhardingstoename 455 m² bedraagt. Hiermee wort de norm van 500 m² van het hoogheemraadschap niet overschreden en is watercompensatie in de vorm van oppervlaktewater niet noodzakelijk.

31

Riolering en afkoppeling De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Voor de woningen geldt dat het hemelwater afgekoppeld wordt en het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat het noordelijke gedeelte van het plangebied binnen beschermingszone van een regionale waterkering ligt. Binnen deze zone is het niet toegestaan zonder vergunning van het hoogheemraadschap te bouwen. Met het voorliggende plan wordt langs de ringvaart een zone van 3,5 m aangehouden waar niet gebouwd wordt. Voor de beschermingszone is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen, conform de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Duurzaamheid Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidagenda 'Samenwerken en Verbinden'. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Voor kleinere projecten (minder dan 10 woningen) geldt dat de gemeente initiatiefnemers informeert over duurzaam bouwen via de Infobladen Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. Planspecifiek Op het gebied van duurzaamheid heeft het voorliggende plan als doel een positieve bijdrage te leveren aan de doelstelling van de gemeente om in 2050 een vrijwel energieneutrale gemeente te zijn. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de BENG-normen. Dit houdt in dat er zeer energiezuinige woningen met een geringe warmtebehoefte worden gerealiseerd. Voor de woningen wordt ingezet op maximale energiebesparing door te investeren in een hoge warmteweerstand van de schil, goede kierdichting en luchtdichtheid. Daarnaast wordt ingezet op het terugwinnen van restwarmte uit ventilatielucht en stroomopwekking door zonne-energie. De zonnepanelen op de gestapelde woningen zullen primair ingezet worden voor de algemene voorzieningen, bijvoorbeeld voor een eventuele lift en algemene verlichting.

Bij de laagbouwwoningen wordt de zonne-energie gebruikt om het stroomverbruik van de huishoudens te verminderen. Het verwarmen van de woningen gebeurt door middel van bodemwarmtepompen. Er wordt nader onderzocht of deze individueel per woning of collectief ingezet gaan worden. Het toepassen van duurzame, onderhoudsarme materialen en installaties is het uitgangspunt. De woningen worden toekomstbestendig ontworpen, waardoor deze geschikt zijn voor een brede doelgroep. Hiermee wordt voorkomen dat er bij toekomstige wijziging van de doelgroep de bebouwing aangepast moet worden. Daarnaast is het uitgangspunt om de woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig uit te voeren. Ook wordt ingezet op het informeren van de nieuwe bewoners over het gebruik van de technische installaties en het correct en zuinig omspringen met de benodigde energie.

32

In het kader van klimaatadaptatie krijgt de materialisering in de openbare ruimte de nodige aandacht. Hierbij kan gedacht worden aan halfverharding en het toepassen van waterdoorlatende bestrating en verharding ten behoeve van de parkeerplaatsen.

4.8 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.8.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeersgeneratie die de ontwikkeling van 31 sociale huurwoningen met zich meebrengt is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uiteengezet. Soort woning/functie

Aantal woningen 18

CROWverkeersgeneratie 4,1

Totale verkeersgeneratie 73,8

Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Huur, huis, sociale huur Totaal

13 31

5,6 -

72,8 146,6

De totale verkeersgeneratie van de 31 sociale huurwoningen bedraagt afgerond 147 voertuigbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie kan opgevangen worden met de huidige verkeersstructuur. De woningen worden ontsloten via de Dorpsstraat door middel van de bestaande toegangsweg (De Hoefslag). Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.8.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. In 8 juli 2021 is de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 vastgesteld. De gemeente Nieuwkoop zet met deze nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van parkeernormen door meer doelgroep specifieke normen toe te passen voor zowel de auto als de fiets. Verder is er de mogelijkheid om deelauto’s in te zetten om de parkeernorm te verlagen.

33

Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021. De parkeernorm voor sociale huurwoningen bedraagt 1,4 parkeerplaatsen per woning. Voor de sociale huurwoningen bestemd voor senioren wordt door het lagere autobezit uitgegaan van een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per woning. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte weergegeven. Soort woning/functie Appartement, sociale huur Rijwoning, sociale huur (senioren) Totaal

Aantal woningen 18 13

Parkeernorm 1,4 1,2

Aantal parkeerplaatsen 25,2 15,6

31

-

40,8

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er afgerond 41 parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Tussen de appartementengebouwen en de rijwoningen worden drie parkeerkoffers met in totaal 38 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast blijven de zes langsparkeerplaatsen aan de Dorpsstraat behouden. Van deze parkeerplaatsen zullen er drie gebruikt worden voor de ontwikkeling. Hiermee zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig om te voldoen aan de parkeerbehoefte.

34

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

35

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor het wonen, met de mogelijkheid van de uitoefening van beroepen aan huis. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor wandel- en fietspaden, erven, tuinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Hoofdgebouwen (woningen en/of wooncomplexen) mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn maximaal 31 woningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen gestapelde woningen gebouwd worden. Omdat de gestapelde woningen van een flauwe kap voorzien zullen worden, is voor deze woningen alleen de maximale bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. De maximale goot- en bouwhoogte ter hoogte van de grondgebonden woningen is aangegeven op de verbeelding. Naast de hoofdgebouwen zijn bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Waterstaat - Waterkering Ter plaatse van de waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Op deze gronden mag niet gebouwd worden. Echter kan het bevoegd gezag hier door middel van een omgevingsvergunning van afwijken.

36

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de beoogde woningen zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Nieuwkoop worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

37

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Voor het plan heeft de Initiatiefnemer een participatietraject georganiseerd, waar belanghebbenden aan konden deelnemen. De belangstelling was groot. Van dit participatietraject heeft de Initiatiefnemer een verslag gemaakt waarin de belangrijkste conclusies zijn samengevat. De uitkomsten van het participatieproces hebben gediend als basis voor het inrichtingsplan en het beeldkwaliteitsplan.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.

7.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=e90877e5-1e64-4e41-a07f-c05dacd9eed4