Set bijlagen-geanonimiseerd LET OP GROOT BESTAND
Tekst van het document
4.2.3
Vogels Vogels met jaarrond beschermd nest In de bomenrij direct ten noorden van het sportpark Noordense Sportvereniging '46 en ten zuiden van het plangebied zijn twee nesten aanwezig welke geschikt zijn voor broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Beiden nesten bevinden zich op circa 40m ten zuiden van het plangebied (ter hoogte van de Molenweg). Dit betreft één eksternest en één kraaiennest. De aanwezige nesten zijn geschikt als nestlocatie van de boomvalk en de ransuil. Wegens het gebrek aan dekking, worden soorten als de buizerd en de sperwer niet verwacht op de aanwezige nesten. De aanwezigheid van nestlocaties van de boomvalk en de ransuil kan niet op voorhand worden uitgesloten. Aangezien beide potentiële nestlocaties zich buiten het plangebied en de directe invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, is er geen sprake van mogelijk beschadiging of vernieling van nestlocaties van broedvogels met een jaarrond beschermd nest. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden binnen een verstoringsafstand van 75meter en in de broedperiode van de boomvalk ( 1 mei – 15 september) en de ransuil (20 februari – 20 juni), kan tijdelijke verstoring van mogelijke aanwezige broedgevallen plaatsvinden. In Hoofdstuk 5 worden de effecten ten aanzien de boomvalk en de ransuil nader beschreven. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig.
De woningen aan de Hogedijk bevinden zich buiten het plangebied en er worden geen potentieel aanwezige nestlocaties beschadigd of vernield van de huismus, gierzwaluw, steenuil en de slechtvalk. De territoria van deze soorten kunnen wellicht wel worden beïnvloed. Echter, de nieuwe inrichting is gericht op een kwaliteitsverbetering voor natuur waardoor de omliggende territoria een verbeterd of vergelijkbaar foerageergebied gaan vormen voor eerder benoemde soorten. Effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Algemene broedvogels Algemene broedvogels (artikel 3.1 en 3.5) vinden in de hoge vegetatie en op / langs het water een mogelijk broedbiotoop. In het landschap zijn vele vogelsoorten aanwezig en soorten als ganzen, eenden, weidevogels (zoals kievit) worden als broedvogel verwacht. Tijdens het veldbezoek zijn aalscholver, grauwe gans, wilde eend, oeverpieper, knobbelzwaan, krakeend, kievit, goudplevier, boerenzwaluw, blauwe reiger, buizerd en torenvalk waargenomen. In Hoofdstuk 5 zullen de gevolgen van het voorgenomen inrichtingsplan in het plangebied op eventueel aanwezige broedvogels en de vervolgstappen uiteen gezet worden.
Blad 14 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
4.2.4
Zoogdieren Noordse woelmuis en de waterspitsmuis De Noordse woelmuis en de waterspitsmuis zijn bekend in de omgeving van het projectgebied voor te komen. In het projectgebied is weinig geschikt biotoop aanwezige voor de Noordse woelmuis wegens het gebrek aan voldoende ontwikkelde en geschikte oever- en watervegetatie. Plaatselijk is in het projectgebied rietvegetatie aanwezig welke geschikt habitat biedt voor de waterspitsmuis. Op een aantal locaties in het plangebied is suboptimaal leefgebied voor de Noordse woelmuis en de waterspitsmuis aanwezig door de aanwezigheid van voldoende ontwikkelde oever- en watervegetatie (figuur 4.2). Aangezien beide soorten op relatief korte afstand voorkomen en suboptimaal leefgebied aanwezig is, is in 2019 nader onderzoek uitgevoerd in het plangebied naar de aanwezigheid van de Noordse Woelmuis en de waterspitsmuis. Op basis van desbetreffend onderzoek is de aanwezigheid van de Noordse woelmuis en de waterspitsmuis uitgesloten in het plangebied (Antea Group, 2019b). Na uitvoering van de geplande werkzaamheden, wordt vernatting en de aanwezigheid van ontwikkelde wateren oevervegetatie gerealiseerd in het plangebied. Hierdoor kan het plangebied in de toekomst mogelijk deel uitmaken van het natuurlijke verspreidingsgebied van de Noordse woelmuis en de waterspitsmuis.
Figuur 4.2. Impressie (sub optimaal) leefgebied Noordse woelmuis en waterspitsmuis. Links: Rietvegetatie en bosschage langs de Molenweg. Rechts: Ontwikkelde oevervegetatie watergang ten zuiden van de Hoge Dijk. Vleermuizen In het projectgebied zijn geen bouwwerken aanwezig welke potentieel geschikt zijn als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuissoorten. In de bomen in het projectgebied zijn geen boomholten aangetroffen welke potentieel geschikt zijn voor verblijfplaatsen van de boombewonende vleermuissoorten. Derhalve wordt de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het projectgebied op voorhand uitgesloten. Mogelijk maken lijnvormige structuren in het landschap zoals de bosschage langs de Kousweg en watergangen met opgaande vegetatie, onderdeel uit van vliegroutes van vleermuizen. Desbetreffende structuren in het projectgebied liggen geïsoleerd en in de omgeving zijn voldoende vergelijkbare of geschikte alternatieve vliegroutes aanwezig. Derhalve worden essentiële vliegroutes van vleermuizen niet verwacht in het projectgebied.
Blad 15 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Amfibieën Voor de heikikker en rugstreeppad zijn grote gedeelten van het plangebied geschikt en individuen van de heikikker en de rugstreeppad zijn in de omgeving van het projectgebied voor te komen. Op diverse plaatsen in het projectgebied zijn ondiepe wateren met watervegetatie aanwezig welke geschikt zijn als voortplantingswater van de heikikker en de rugstreeppad. In de watergang ten noorden van de Molenweg zijn tijdens het terreinbezoek (25 april) larven (kikkervisjes) waargenomen. Mogelijk betreft dit larven van de bruine kikker, gewone pad of de heikikker. In tijdelijke plassen en ondiepe wateren met watervegetatie is geschikt voortplantingsbiotoop van de rugstreeppad aanwezig. Het talud langs de Kousweg, Molenweg, Hoge dijk en Noordenseweg kunnen mogelijk in gebruik zijn als overwinteringsplaats van amfibieën. De aanwezigheid van de heikikker en de rugstreeppad kan niet op voorhand worden uitgesloten. In 2019 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de heikikker met behulp van eDNA (Antea Group, 2019b). Naar aanleiding van desbetreffend onderzoek is in 2022 nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de heikikker en de rugstreeppad (Antea Group 2022a). Op basis van beide onderzoeken is de aanwezigheid van individuen en voortplantingsplaatsen van de heikikker en de rugstreeppad aangetoond in het plangebied.
In Hoofdstuk 5 zullen de gevolgen van het voorgenomen inrichtingsplan in het plangebied op eventueel aanwezige amfibieën en de vervolgstappen uiteen gezet worden. Reptielen (ringslang) Het grootste deel van het projectgebied betreft graspercelen welke periodiek gemaaid/begraasd worden. Op desbetreffende percelen is weinig/ tot geen geschikte vegetatie aanwezig welke dekking kan bieden voor de ringslang. Het gebrek aan dekking in het plangebied, maakt de omliggende wateren zeer marginaal geschikt als foerageergebied van de ringslang. Individuen van de ringslang op de te omvormen graspercelen zijn zeer kwetsbaar voor predatie door diverse vogelsoorten waaronder de reiger. Gezien de kwetsbaarheid op en onderweg naar de diverse graspercelen, worden individuen van de ringslang niet verwacht in de te omvormen percelen in het plangebied. In de aangrenzende watergangen is weinig tot geen watervegetatie aanwezig welke geschikt is voor amfibieën of jonge vis. Derhalve is geschikt foerageergebied in en rondom de graspercelen ten zuiden van de Molenweg niet aanwezig. Voldoende droog, warm en beschut habitat voor voortplanting en overwintering van de ringslang is niet aanwezig op de graspercelen. Gezien de afwezigheid van voldoende geschikt habitat, in combinatie met de kwetsbaarheid, wordt de aanwezigheid van de ringslang op de om te vormen percelen niet verwacht.
De ringslang is in 2019 in de Groene Jonker waargenomen ten noordoosten van het projectgebied. In vegetatierijke wateren langs de bosschage bij de Kousweg in het projectgebied kan geschikt leefgebied van de ringslang aanwezig zijn. In de bosschage tussen de Kousweg en de Molenweg is suboptimaal habitat aanwezig voor overwinteringsplaatsen van de ringslang. Het dijktalud langs de Kousweg, Noordenseweg en de Simon van Capelweg zijn eveneens geschikt als overwinteringsplaats van de ringslang. De bosschage blijft behouden en er vinden geen fysieke werkzaamheden in desbetreffende bosschage. De omliggende dijkdelen welke geschikt zijn als overwinteringsplaats van de ringslang bevinden zich eveneens buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De aanwezigheid van de overwinteringsplaatsen van de ringslang in de directe omgeving van het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. In Hoofdstuk 5 zullen de gevolgen van het voorgenomen inrichtingsplan in het plangebied op eventueel aanwezige reptielen (ringslang) en de vervolgstappen uiteen gezet worden.
Blad 16 van 27