CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Servicedocument Omgevingsprogramma

Oriënterende raad 27 november 2025, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Zienswijze herziening provinciaal omgevingsbeleid - meningsvormende bespreking54.527 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

78

heeft de ambitie de compensatiegebieden digitaal te ontsluiten zodat voor iedereen inzichtelijk is waar de compensatie wordt ingevuld en het behoud van het oppervlak en samenhang van de gebieden is geborgd. VTH-taken op activiteiten die de natuur betreffen De provincie stuurt met soortbescherming op naleving van de wettelijke taak voor het beschermen van in het wild levende inheemse plant- en diersoorten. Een andere wettelijke taak is de bescherming van het bosareaal (houtopstanden). Omgevingsdiensten Haaglanden en Zuid-Holland Zuid hebben namens de provincie het mandaat voor vergunningverlening, toezicht en handhaving aangaande activiteiten die de natuur betreffen. Door het maken van een zorgvuldige afweging bij het verlenen van vergunningen kan de balans tussen soortbescherming en andere (maatschappelijke)belangen worden gewaarborgd. Met de inzet van toezicht en handhaving wordt er gecontroleerd om men zich aan de regels houdt en wordt er ingegrepen bij overtredingen. Specifiek is er vanuit deze taak aandacht voor de effecten van de woningbouw- en energieopgaven op de beschermde soorten in de stedelijke omgeving. Voor de wettelijk beschermde flora- en faunasoorten bestaat een landelijke lijst. Provincies mogen hier beargumenteerd generiek van afwijken door vergunningsvrije gevallen aan te wijzen.

De provincie onderzoekt voor de algemeen voorkomende soorten, per soort in hoeverre het mogelijk is om de onderzoeklast te verlagen als bijvoorbeeld ruimhartig wordt geïnvesteerd in het leefgebied van die soort vanuit het betreffende project. De provincie staat aan de lat voor het beschermen van populaties. De focus binnen het huidige systeem van passieve soortenbescherming ligt daarentegen op niveau van het individu. In de huidige werkwijze wordt er veel tijd en geld gestopt in het inventariseren van de huidige situatie en beperken van de effecten op het individu tijdens de uitvoering. Dit terwijl de provincie juist kansen ziet voor het optimaliseren van de toekomstige (gerealiseerde) situatie voor de populatie. De huidige inspanningen en beoordelingswijze richten zich dan ook met name op de eventuele effecten van activiteiten op het beschermde individu in plaats van op de te nemen maatregelen om de populatie/leefgebieden van beschermde soorten te versterken. De provincie wil bij ruimtelijke- en natuurontwikkelingen de focus (bij algemeen voorkomende soorten) op het individu loslaten en zich meer richten op de bescherming van de populaties met de daarbij behorende kritische verblijfplaatsen.

Dit schept meer mogelijkheden voor de doorgang van ruimtelijke en natuurontwikkelingen gezien de ontwikkelingen een tijdelijk negatief effect kunnen hebben op enkele individuen, maar in de realisatiefase met de juiste (natuurinclusieve) maatregelen juist een gunstige bijdrage leveren voor de populatie. De afweging ten aanzien van de gunstige staat van instandhouding van soorten in relatie tot individuele vergunningsaanvragen kan makkelijker worden, als bekend is in hoeverre deze soorten al in een gunstige staat verkeren. Met soortmanagementplannen kan gebiedsspecifiek worden gekeken naar de kansen en bedreigingen van de betreffende soorten in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie spreekt de ambitie uit om met soortmanagementplannen te willen werken en verleent goedkeuring aan soortmanagementplannen. Zij neemt een actieve rol in het verzamelen en ontsluiten van data en biedt ondersteuning aan gemeenten inzake het opstellen van soortmanagementplannen. Er is een grote blinde vlek ten aanzien van activiteiten die negatief effect hebben op de beschermde soorten en waar geen omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteiten voor wordt aangevraagd en nagenoeg onopgemerkt blijven: naar verwachting krijgt de provincie nu 10% van het mogelijk aantal vergunningsaanvragen binnen.

Het wettelijk kader is strikt en leidt in sommige gevallen tot het illegaal uitvoeren van projecten. Door onderzoek naar de juridische mogelijkheden tot aanpassing van de vergunningverlening verwacht de provincie tot een aanpak te komen die met minder kosten meer effect voor de beschermde soorten oplevert. Ook voor de bescherming van houtopstanden (bossen) heeft de provincie specifieke regels binnen de verordening opgenomen. Voorafgaand aan een kapmelding moet er een compensatieplan ingediend en goedgekeurd worden en ook gelden er regels voor oude bossen (bos dat er al is sinds 1850), A-locaties bossen en bosreservaten. Voor boerenlandvogels wordt gekeken of de naleving van de wettelijke zorgplicht verbeterd kan worden. Daarvoor zal eerst de zorgplicht worden uitgewerkt en onder de aandacht van betrokkenen worden gebracht. Daardoor wordt het voor grondgebruikers duidelijk welke maatregelen zij kunnen treffen om maaislachtoffers onder weidevogels zoveel mogelijk te voorkomen.

79

5.1.2.2 Balans en behoud draagvlak door faunabeheer Wat gaat de provincie doen? De aanwezigheid van dieren staat soms op gespannen voet met andere (maatschappelijke) belangen. Denk aan openbare veiligheid, volksgezondheid, landbouw of belangen van flora en fauna zelf. Dieren kunnen zorgen voor overlast, schade en onveilige situaties in het agrarische gebied, in de stad, in de haven en zelfs in natuur- en recreatiegebieden. Om conflicten tussen de aanwezigheid van dieren en andere belangen te voorkomen én om draagvlak te behouden voor natuur grijpt de provincie bij bepaalde populaties in om daarmee schade/risico’s te beperken. De provincie reguleert dit met behulp van vrijstelling, vergunningen en het verlenen van tegemoetkomingen voor geleden schade door natuurlijk in het wild levende en inheemse beschermde dieren. Daarnaast worden de door de stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland vastgestelde faunabeheerplannen, door de provincie beoordeeld en goedgekeurd.

Rol Presterend

Uitwerking De provincie streeft bij faunabeheer naar een gezond evenwicht in populaties en weegt zorgvuldig de belangen van natuur en samenleving af. Het beheer wordt dus niet uitgevoerd om de natuur te bedwingen, maar om te zorgen voor balans. Waar nodig worden maatregelen getroffen, bijvoorbeeld ten behoeve van bescherming van flora en fauna, openbare veiligheid en volksgezondheid alsmede beperking van (landbouw)schade of andere wettelijke belangen. Ondanks de forse verstedelijking, het kunstmatige landschap en het intensief gebruikte wegennet doet een aantal diersoorten binnen de provincie Zuid-Holland het goed en komen zij in steeds grotere aantallen voor. De aanwezigheid van dieren draagt bij aan de biodiversiteit en vergroot de natuurbeleving. Veel inwoners en recreanten genieten hiervan. Echter de aanwezigheid van bepaalde dieren staat ook op gespannen voet met andere belangen. Denk aan openbare veiligheid, volksgezondheid, landbouw of de belangen van flora en fauna. Dieren kunnen zorgen voor overlast, schade en onveilige situaties in het agrarische gebied, in de stad, in de haven en zelfs in natuur- en recreatiegebieden. Populatiebeheer t.b.v. balans soorten en maatschappelijke belangen Op grond van de Omgevingswet zijn de meeste inheemse zoogdieren en alle inheemse vogels beschermd.

Binnen de kaders van de wet hebben de provincies enige vrijheid in de mate van bescherming van deze diersoorten ofwel de bereidheid om in te grijpen, c.q. te reguleren in de ontwikkeling van dierpopulaties (omvang en verspreiding). Dit speelt met name bij diersoorten die in verspreiding en/of populatie toenemen en impact hebben op de wettelijke belangen van landbouw, verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid en flora en fauna. Een klein deel van de verantwoordelijkheid ligt nog bij het Rijk (ministerie van LNV). Provinciale Staten stelt middels de Omgevingsverordening regels waaraan de wildbeheereenheden (WBE’s), de Faunabeheereenheid Zuid-Holland (FBE) en de door de FBE vastgestelde faunabeheerplannen in elk geval moeten voldoen. Gedeputeerde Staten toetsen daarbij de door het bestuur van de FBE vastgestelde faunabeheerplannen en keuren deze goed. De provincie maakt uitvoering van faunabeheer mogelijk door middel van vrijstelling (PS) en vergunning (GS). Ook stellen Gedeputeerde Staten beleidsregels vast voor het verlenen van tegemoetkomingen in de schade. Het faunabeheer in Zuid-Holland wordt uitgevoerd door de FBE en de WBE’s. De FBE heeft als wettelijke taak om faunabeheerplannen op te stellen met als doel de gecoördineerde uitvoering van het provinciale beleid. De uitvoering in het veld gebeurt door de lokale bij wet aangewezen WBE’s.

De werkwijze van de FBE en de WBE’s en de faunabeheerplannen zijn gebonden aan regels die de provincie stelt in de Omgevingsverordening. Daarnaast is er een Beleidsregel, waarin onder andere beschreven staat, hoe wordt omgegaan met tegemoetkoming in de schade die door in het wild levende beschermde dieren is veroorzaakt. Bij de uitvoering van faunabeheer is aandacht voor het dierenwelzijn op de lange en korte termijn. Dat betekent dat in eerste instantie gekeken wordt naar diervriendelijke, niet-dodelijke maatregelen om conflicten in de vorm van schade, overlast of veiligheidsrisico’s te voorkomen. Als dergelijke maatregelen niet haalbaar zijn of onvoldoende effect hebben kan het doden van dieren worden toegestaan. Daarbij moet ook de afweging worden gemaakt of het doden van een klein aantal dieren op korte termijn kan

80

voorkomen dat een bepaald probleem escaleert en er op lange termijn veel meer dieren moeten worden gedood. Preventief ingrijpen is een aantasting van het dierenwelzijn op de korte termijn maar kan op de langere termijn juist bijdragen aan het dierenwelzijn en de biodiversiteit. Toestemmingen voor faunabeheer De provincie is het bevoegde gezag op grond van de Omgevingswet als het voor het nemen van diverse besluiten en het stellen van regels die samenhangen met faunabeleid. Zo moet de provincie regels stellen waar de Faunabeheereenheid en de faunabeheerplannen aan moeten voldoen, maar ook staat de provincie aan de lat om in voorkomende gevallen een tegemoetkoming te verlenen wanneer een ondernemer schade lijdt door in het wild levende inheemse dieren. De provincie zet faunabeheer ook in als hier uiteindelijk dieren bij gedood moeten worden. Hierbij is het streven om, in geval van (dreigende) schade of overlast, in eerste instantie gebruik te maken van diervriendelijke methodes, zoals weren, verplaatsen of verjagen. Een ontheffing voor het doden van een soort is de laatste optie op de zogenoemde escalatieladder. Als het gaat om enkel economische schade verleent de provincie geen toestemming voor faunabeheer bij een dreigende schade met een totale omvang die lager is dan €20.000,- in de gehele provincie.

Deze dreigende schade kan in ieder geval blijken uit de taxaties van de reeds opgetreden schade. Een vrijstelling kan worden verleend door Provinciale Staten en wordt opgenomen in de Omgevingsverordening. Onder de Omgevingswet spreekt men van het aanwijzen van vergunning vrije activiteiten. Dit is een generieke toestemming om bepaalde handelingen uit te voeren. De vrijstelling kent relatief weinig voorschriften en voorwaarden en is in de gehele provincie of een groot deel daarvan van kracht. Met de vrijstelling krijgt de grondgebruiker de mogelijkheid om faunabeheer in te zetten om schade op zijn percelen te voorkomen. Uitvoering van de vrijstelling is wel gebonden aan een goedgekeurd faunabeheerplan. Een vergunning kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Een vergunning is maatwerk, wordt in beginsel alleen aan de FBE verstrekt en kent meerdere, specifieke en op de betreffende situatie toegesneden voorwaarden. De FBE machtigt de leden van een Wildbeheereenheid om uitvoering te geven aan de vergunningen en daarmee aan het faunabeheerplan. Vergunningen worden in principe gebaseerd op een faunabeheerplan. Daarnaast kan een vergunning verleend worden aan een specifieke groep personen en gericht op een specifieke populatie. Hierbij kan bijvoorbeeld ook toestemming worden gegeven om andermans gronden te betreden.

Faunabeheerplannen worden opgesteld en vastgesteld door de FBE en moeten worden goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Een faunabeheerplan geeft uitvoering aan het beleid en zet in op planmatig beheer van dieren met oog op instandhouding van de populatie ten behoeve van de bescherming van andere belangen. Een faunabeheerplan heeft daarmee meerdere functies: de nadere uitwerking en uitvoering van een vrijstelling, maar ook de onderbouwing van een vergunning. (Grote) Populaties al dan niet beschermde diersoorten kunnen schade veroorzaken aan de Natura 2000doelen. Denk hierbij aan de populatie damherten in de Noord en Zuid-Hollandse duinen maar ook aan ganzen die schade veroorzaken aan rietvegetatie, waardoor er een negatief effect ontstaat op aangewezen doelen van het Natura 2000-gebied. De provincie is van mening dat faunabeheer binnen de Natura 2000gebieden o.a. ook nodig kan zijn om doelen van het gebied te realiseren of om de doelstanden voor de standganzen te behalen. Faunabeheer binnen de Natura 2000-gebieden is wettelijk toegestaan indien het niet de aangewezen natuurdoelen van het gebied schaadt. In het kader van de integraliteit neemt de provincie faunabeheer mee in de Natura 2000- beheerplannen.

Door faunabeheer te toetsen binnen de Natura 2000-beheerplannen wordt de vergunningverlening ontlast en ontstaat er duidelijkheid over wat wel en niet wenselijk is ten opzichte van de doelen van het gebied. Ondersteuning organisatie en uitvoering faunabeheer Faunabeheer in Zuid-Holland wordt gecoördineerd door de stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland (FBE), de uitvoering in het veld gebeurt door de 15 wildbeheereenheden (WBE). De bekostiging van de FBE vindt volledig plaats door middel van een subsidie door de provincie. Daarnaast faciliteert de provincie de wildbeheereenheden zodat zij zich verder kunnen professionaliseren en ondersteund worden in de uitvoering van hun wettelijke en maatschappelijke taken. Op basis van de omgevingswet stellen Provinciale Staten middels de Omgevingsverordening regels waaraan de wildbeheereenheden (WBE), de faunabeheereenheid (FBE) en de door de FBE vastgestelde faunabeheerplannen in elk geval moeten voldoen. De FBE wordt volledig gefinancierd door de provincie. Dat is in alle provincies het geval. Vanuit de provinciale verordening zijn regels gesteld aan de bestuurssamenstelling en de onafhankelijke voorzitter van de FBE. In het bestuur van de FBE zit ten minste een vertegenwoordiger van agrariërs, particuliere grondeigenaren, terrein beherende organisaties, vereniging van jachtaktehouders en van een of meer

81

maatschappelijke organisaties die het doel nastreeft van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zuid-Holland. De voorzitter van de FBE is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de hier voor genoemde organisaties. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland heeft op grond van de Omgevingswet o.a. de taak om invulling te geven aan planmatig faunabeheer, bestaande uit: het planmatig beheer van diersoorten én het voorkomen en bestrijden van schade aangericht door dieren. Hiervoor stelt zij faunabeheerplannen en rapportages op over de uitvoering van het faunabeheer. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door een organisatie die bestaat uit enkele betaalde beroepskrachten. De FBE legt de door haar uit te voeren werkzaamheden vast in een werkplan voor minimaal drie en maximaal 6 jaren. De 15 WBE’s in Zuid-Holland bestaan qua leden hoofdzakelijk uit vrijwillige jachtaktehouders en worden geleid door vrijwillige bestuurders. De wettelijke taak van de wildbeheereenheden is de uitvoering van de diverse faunabeheerplannen en daarmee de voorkoming en beperking van allerlei vormen van schade en of risico's.

Ten behoeve van een professionele en uniforme uitvoering binnen Zuid-Holland, en gelet op het toenemende aantal taken en de complexiteit daarvan, ondersteunt de provincie in samenwerking met de FBE de vijftien WBE’s om zich verder te ontwikkelen en te professionaliseren o.a. door het verstrekken van middelen/subsidies. Omgaan met bevers in Zuid-Holland De provincie maakt het mogelijk om, onder voorwaarden, bevers te verjagen, verblijfs- en voortplantingsplaatsen van bevers te verwijderen en in het uiterste geval bevers te doden. Bijvoorbeeld ter bescherming van diverse belangen waaronder de openbare veiligheid. Het gaat de beverpopulatie in Zuid-Holland, evenals in de rest van Nederland, voor de wind. De bever is een beschermde diersoort en één van de icoonsoorten van Zuid-Holland. Het dier spreekt tot de verbeelding, vervult een ecologische sleutelrol en is een voorbeeld van succesvol natuurherstel. Helaas gaat de toename van de aantallen bevers gepaard met enkele problemen waardoor actie is vereist. Zo kunnen door bevers gegraven gangen en holen in waterkeringen en onder wegen grote en ernstige gevolgen hebben voor de openbare veiligheid. Door de bever aangelegde dammen kunnen o.a. gevolgen hebben voor de openbare veiligheid maar ook schade veroorzaken aan de flora en fauna.

Ingrijpen zal in de nodige gevallen onontkoombaar zijn om grote risico’s en ernstige schade als gevolg van deze beveractiviteiten te voorkomen. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kunnen beveractiviteiten wel of niet acceptabel zijn. Bevers verspreiden zich binnen de provincie van nature. Het verplaatsen van een op een risicolocatie gevangen bever vindt de provincie geen reële optie vanwege de onderstaande redenen: • Verplaatsen kan alleen naar gebieden waar nog geen bevers leven; • Vanwege het sterke territoriale karakter van het dier leidt verplaatsen tot veel stress, gevechten en sterfte onder bevers; • De meeste geschikte leefgebieden in Zuid-Holland zijn bezet; • De nog niet-bezette geschikte gebieden zullen binnen afzienbare tijd langs de natuurlijke weg door de bever bezet worden; • In de gebieden onder zeeniveau vormt de bever een ernstig veiligheidsrisico; • Een enkele bever die uitgezet wordt, kan zich over tientallen kilometers verplaatsen alvorens zich te vestigen. Ingrijpen bij de bever vindt, net zoals bij andere diersoorten, plaats op basis van de escalatieladder. Dit heeft tot gevolg dat doden pas wordt toegestaan als duidelijk is dat minder ingrijpende maatregelen de door bevers veroorzaakte problemen niet goed kunnen oplossen.

Dit betekent dat proactief doden van bevers niet kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld wanneer preventieve maatregelen technisch niet kunnen worden genomen, onvoldoende werken of wanneer deze maatregelen financieel buitenproportioneel zijn. Beheer ganzenpopulaties Binnen Zuid-Holland komen diverse soorten ganzen voor. De meest voorkomende zijn de grauwe gans, brandgans, kolgans, Canadese gans en nijlgans. Canadese gans en nijlgans zijn zowel exoten als standvogels, zonder trekgedrag tussen broedlocaties en overwinteringslocaties. De kolgans is bijna alleen in de winter aanwezig in Zuid-Holland: broeden doet deze soort in noordelijker streken. Voor de grauwe gans en brandgans geldt dat een deel hier het hele jaar verblijft en dat een deel jaarlijks in het voorjaar wegtrekt om in het noorden van Europa te broeden en de zomer door te brengen.

82

Zuid-Holland heeft een belangrijke verantwoordelijkheid voor de trekkende ganzen (grauwe gans, brandgans, kolgans) vanwege de belangrijke natuurwaarde: in Europees verband zijn afspraken gemaakt over de bescherming ten aanzien van trekkende vogels en hebben lidstaten een inspanningsverplichting voor een duurzame instandhouding. Om de trekkende ganzen te beschermen zijn binnen de provincie een aantal Natura 2000-gebieden als rust- en foerageergebied voor deze soorten aangewezen en daarnaast zijn er ook ganzenrustgebieden aangewezen waarbinnen de ganzen in de winterperiode met rustgelaten worden. Met de genoemde ganzen soorten gaat het goed: afgelopen twintig jaar zijn de populaties (zeer) fors gegroeid. Vooral de jaarrond verblijvende ganzen zijn explosief in aantal toegenomen. De groei van deze populaties heeft ook een keerzijde, de ganzen veroorzaken forse schade aan de landbouwgewassen en natuurlijke vegetatie binnen Natura-2000 gebieden, zoals rietvegetatie, waardoor habitat van zeldzame broedvogels verdwijnt. Ook vormen de ganzen risico's voor het (vlieg)verkeer en de (zwem)waterkwaliteit. De veroorzaakte schade aan landbouwgewassen van grauwe ganzen neemt de afgelopen jaren fors toe. In de Omgevingswet is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende en beschermde dieren.

De provincie wil de inheemse ganzenpopulaties in Zuid-Holland duurzaam in stand houden, waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen: - De omvang van de van nature voorkomende populaties ganzen, in relatie tot; - De veiligheid en volksgezondheid; - De schade aan flora en fauna (natuurwaarden); - De schade aan landbouwgewassen; - De beschikbare financiën voor schadetegemoetkomingen. De provincie zet zich jaarrond actief in om de populatie standganzen binnen de provincie te reduceren tot op een niveau waarbij de schade acceptabel en de populatie beheersbaar is. Daarnaast is van groot belang dat ganzen met alle geschikte middelen, inclusief afschot, worden verjaagd van plaatsen waar ernstige schade kan ontstaan. Gedurende de winterperiode wordt rekening gehouden met de rust binnen de voor ganzen aangewezen Natura 2000-gebieden en met de aangewezen ganzenrustgebieden. Beheer van reeën en damherten De ree hoort in het Zuid-Hollandse landschap en wordt sterk gewaardeerd door mensen. Het gaat goed met de reeën en populatie neemt toe waardoor de reeën op steeds meer plekken binnen de provincie voorkomen. De reeën populatie binnen de drukbevolkte provincie zorgen voor risico’s voor het verkeer, schade aan landbouwgewassen en overlast en schade aan particuliere eigendommen. De provincie neemt maatregelen, waaronder het toestaan van beheer van de reeënpopulatie in het kader van o.a.

het belang verkeersveiligheid en ter voorkoming en ter beperking van belangrijke schade aan landbouwgewassen. In de Noord- en Zuid-Hollandse duingebieden (tussen IJmuiden en Den Haag) komen veel damherten voor. De populatie in de regio heeft zich ontwikkeld van enkele uitgezette en ontsnapte dieren in de vijftiger jaren, tot een piek van meer dan 5500 dieren in 2016. Doordat de herten ook regelmatig de duingebieden verlaten, zorgen ze ook voor (dreigende) schade in het verkeer, aan landbouwgewassen (hoofdzakelijk bollenvelden) en voor overlast en schade aan particuliere eigendommen. Verder veroorzaken de damherten in het Natura 2000-gebied ook aanzienlijke schade aan natuurwaarden. Zuid-Holland zet in op een gezonde populatie damherten in het huidige leefgebied in de duinen (Kennemerland-Zuid) waarbij wordt gestreefd naar een evenwicht met de belangen verkeersveiligheid, schade aan gewassen en aan de inheemse flora en fauna. Buiten de eerdergenoemde duingebieden vindt de provincie het vestigen van nieuwe (populaties) (verwilderde) damherten niet wenselijk. Beheer van (on)beschermde diersoorten in de stedelijke/industriële omgeving In het verstedelijkte Zuid-Holland trekken de dieren steeds meer de stad in. Deze veroorzaken in sommige gevallen veel overlast, schade of risico’s voor de openbare veiligheid of volksgezondheid. Denk aan bruine ratten en verwilderde duiven.

Maar ook beschermde dieren waaronder steenmarters die schade en geluids- en stankoverlast veroorzaken, meeuwen die broeden op de daken en daar voor overlast zorgen

83

voor bewoners of konijnen die risico vormen voor de veiligheid in de haven- en industriegebieden of schade veroorzaken aan sportvelden, begraafplaatsen en taluds van wegen en spoorwegen. Het wegvangen of beheren van deze soorten mag op dit moment enkel als ze bijvoorbeeld de volksgezondheid in gevaar brengen of ernstige economische schade veroorzaken. Overlast is geen belang volgens de Omgevingswet. Vanuit de ernst van de overlast ontstaat vanuit de stad wel steeds meer een roep om eerder in te kunnen grijpen bij overlast. Op grond van de Omgevingswet kunnen Provinciale Staten een vrijstelling uitgegeven voor (beschermde) diersoorten voor het bestrijden van overlast binnen de bebouwde kom door gemeenten. Wel wordt verwacht van gemeenten dat zij eerst andere (preventieve)middelen hebben ingezet om de overlast zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. De provincie kan de gemeenten waar mogelijk ondersteunen bij de onderbouwing van de problematiek van overlast veroorzakende fauna binnen het stedelijk gebied en maakt het nemen van passende maatregelen mogelijk, bijvoorbeeld door middel van het verlenen van een vrijstelling. Bij het nemen van maatregelen bij steenmarters is de provincie van mening dat elders uitzetten van deze soort binnen de provincie niet wenselijk is gezien het effect van deze soort op andere kwetsbare soorten.

De Provincie maakt het mogelijk - mits dit geen effect heeft op de staat van instandhouding - maatregelen te treffen om risico's in het kader van de veiligheid en volksgezondheid van broedende meeuwen te beperken, waarbij van de initiatiefnemer wordt verlangd om compenserende al dan niet mitigerende maatregelen uit te voeren. Meeuwen horen bij deze provincie en de provincie onderzoekt of het mogelijk is om de broedende meeuwen zoveel mogelijk in de buiten stedelijke (predatievrije) broedkolonies te houden of naar nieuwe (predatie- en verstoringsvrije) broedkolonies te verplaatsen waarbij dit niet conflicteert met broedgelegenheid van andere kustbroedvogels. Voorkomen dan wel beperken van de predatie ter bescherming van kwetsbare soorten waaronder grond broedende vogels Ter bescherming van kwetsbare soorten waaronder grond-broedende vogels zoals weidevogels en kustbroedvogels, zet de provincie in op het voorkomen dan wel beperken van predatie door bijvoorbeeld de vos en (verwilderde) huiskatten. Waar mogelijk zet de provincie zich specifiek in om de populatie vossen zo laag mogelijk te houden in gebieden of locaties waar de vos nog niet voorkomt of tot voorkort nog niet voorkwam ter bescherming van grondbroeders. In de weidegebieden, kust en Natura 2000-gebieden broeden diverse grondbroeders waaronder weidevogels en kustbroedvogels.

Deze zijn beschermd en iconisch voor het Zuid-Hollandse landschap. Deze soorten gaan echter hard achteruit en op verschillende manieren zet de provincie in op bescherming en herstel (zie ook eerder in dit beleidskader). Naast factoren als landgebruik en verstoring door de mens, vormen ook predatoren zoals de vos, kraai, steenmarter en verwilderde katten een bedreiging voor deze grondbroeders. Dit speelt met name als een van de predatoren eerder niet (van nature) voorkwam in het gebied met grondbroeders en zich daar nieuw vestigt en vermeerdert. Zo duiken vossen binnen de provincie op steeds meer plaatsen op, waaronder in de polders en het stedelijk gebied, waar negatieve effecten op grondbroeders zichtbaar worden. Zeker wanneer deze predatoren ook beschermde soorten zijn zorgt dit in het beheer voor een moreel en ecologisch dilemma. De provincie kan vergunning verlenen voor de TNRC (Trap (vangen), Neuter (castreren/steriliseren), Return/Relocate (herplaatsen of als het echt niet anders kan terugplaatsen) en Care (structureel monitoren en nazorg verlenen) methode binnen Zuid-Holland i.r.t. de verwilderde katten. Dit gebeurt alleen wanneer verwilderde katten worden vrijgelaten op de locatie waar ze gevangen zijn.

Met uitzondering als het gaat om gebieden met N2000-status, Natuurnetwerk Nederland, weidevogelbescherming, gebieden in eigendom van een terrein beherende organisatie of andere locaties in het buitengebied waar verwilderde katten een negatief effect kunnen hebben op de inheemse fauna. Daarbij onderzoekt de provincie welke mogelijkheden er zijn om verwilderde katten niet meer uit te zetten ter bescherming van de inheemse fauna. Ganzenrustgebieden voor de overwinterende inheemse ganzen De provincie heeft ganzenrustgebieden aangewezen waarbij overwinterende beschermde inheemse ganzen ongestoorde foerageermogelijkheden hebben gedurende de periode 1 november tot 1 april. Provincie Zuid-Holland heeft naast een aantal Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen als foerageergebied en of slaap- en rustplaats voor ganzen in de winter, ook ganzenrustgebieden aangewezen. Met de ganzenrustgebieden wordt doormiddel van een subsidieregeling getracht de schade zoveel mogelijk te concentreren binnen deze gebieden zodat de schadedruk buiten deze gebieden vermindert. De deelne-

84

mende agrariërs binnen deze gebieden hebben recht op een 100% tegemoetkoming voor de gewasschade en een aanvullende subsidie per hectare beschadigd grasland. Voorwaarde is wel dat de ganzen op de deelnemende percelen gedurende de winterperiode met rust worden gelaten. In de huidige situatie werken de ganzenrustgebieden niet optimaal. Ook buiten deze gebieden bevinden zich ’s winters namelijk nog veel ganzen en veroorzaken de ganzen aanzienlijke schade. Dit komt door het ontbreken van consistente rust binnen de foerageergebieden, de voortgaande groei van een aantal van de ganzenpopulaties en onvoldoende intensieve en consistente inspanning om ganzen buiten ganzenrustgebieden te verjagen. De provincie gaat de werking en de locaties van de ganzenrustgebieden evalueren en op basis daarvan aanpassen indien dit wenselijk is.

5.1.2.3 Beheer van begrensde en agrarische natuur Wat gaat de provincie doen? De provincie wil een samenhangend en duurzaam geborgd natuurnetwerk tot stand brengen. Dit natuurnetwerk bestaat uit Natura 2000-gebieden die verbonden worden via het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wanneer de samenhang tussen natuurgebieden wordt geborgd kunnen de ecologische systemen op orde worden gebracht en gehouden. Samenhang en het op orde brengen van de ecologische systemen begint bij goed beheer van de natuur binnen Natura 2000-gebieden, de overige natuurgebieden alsmede de ecologische verbindingen tussen de gebieden. De provincie beschrijft in het Natuurbeheerplan en in de Natura 2000-beheerplannen de te bereiken natuurdoelen en stelt vast hoe deze doelen bereikt moeten worden. De beheerders van deze gebieden worden ondersteund zodat zij het natuurbeheer op een gedegen manier kunnen uitvoeren. De provincie draagt zorg voor een gecoördineerde aanpak van Natuurbrandbeheersing en de doorwerking daarvan in ruimtelijke plannen. In het landelijke gebied zijn daarnaast leefgebieden aangeduid voor beheer van agrarische natuur, bijvoorbeeld het leefgebied open grasland voor met name de weidevogels en het leefgebied dooradering. Ook daar streeft de provincie naar zo hoog mogelijke natuurwaarden.

De provincie stuurt op het halen van de natuurdoelen via subsidies, monitoring, periodieke gesprekken met terreinbeheerders en veldbezoeken. De inzet is dat beheer en eventueel aangevuld met tussentijdse kwaliteitsimpulsen maximaal bijdragen aan het halen van de natuurdoelen.

Rol Presterend

Uitwerking In Natura 2000-gebieden ligt de focus op de uitvoer van de Natura 2000-beheerplannen. In onder meer het natuurpact en het programma natuur zijn hier afspraken over gemaakt. Het Programma Natuur is een gezamenlijk programma van Rijk en provincies. In dit programma worden maatregelen uitgevoerd voor natuurversterking, in samenspraak met andere overheden, natuurbeheerders en maatschappelijke partners. Als onderdeel van het overkoepelende Programma Natuur richt het Uitvoeringsprogramma Natuur (UPN) zich op natuurmaatregelen in en rond Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), met de focus op stikstofgevoelige en met stikstof overbelaste natuurwaarden. In het landelijke stelsel voor natuur- en landschapsbeheer, waarmee het natuurbeheer wordt gesubsidieerd, is een kwaliteitsbeoordelingssystematiek ontwikkeld. Vanuit deze systematiek kunnen met monitoringsgegevens de kwaliteitsniveaus hoog, midden en laag bepaald worden. Voor NNN-gebieden in het algemeen geldt dat de provincie wil dat de natuurgebieden uiteindelijk het kwaliteitsniveau ‘hoog’ scoren. Uitzondering hierop is de noordrand van de Krimpenerwaard, waar met zelfrealisatoren is afgesproken dat er enige mate van agrarische medegebruik mag blijven voortbestaan waardoor de verwachting is, dat het kwaliteitsniveau midden het hoogst haalbaar is.

Buiten de natuurgebieden stimuleert de provincie beheermaatregelen voor een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit. Denk hierbij aan beheer voor boerenlandvogels in weide- en akkergebieden en het beheer van droge en natte dooradering, ook wel groenblauwe dooradering genoemd.

85

5.1.2.4 Integrale versterking Nationale Parken Wat gaat de provincie doen? Zuid-Holland is trots op haar Nationale Parken zoals het Nationaal Park Hollandse Duinen en Nationaal Park de Biesbosch. Op maar weinig plekken ter wereld vind je zoveel diversiteit aan natuur zo dicht bij de stad als in Zuid-Holland. Deze parken dragen niet alleen bij aan een betere biodiversiteit maar kunnen door bezoekers ook bezocht en ervaren worden. Op deze manier dragen de Nationale Parken bij aan natuureducatie en aan draagvlak voor natuur. De provincie wil de natuur en de beleving van de Nationale parken versterken.

Rol Samenwerkend

Uitwerking De natuur en de beleving daarvan versterken vraagt om een goede balans tussen natuurbeleving en natuurbescherming. Samen met de provinciale partners (de Nationaal Park-organisaties, terreinbeheerders, gemeenten, waterschappen, ondernemers, belangenvertegenwoordigers, etc.) werkt de provincie aan maatregelen die deze balans verbeteren. De maatregelen variëren van het versterken van de natuurwaarden tot het verbeteren van de recreatieve zonering door een stelsel van toegangspoorten en recreatieve routes en van het ontwikkelen van aantrekkelijke bestemmingen buiten de meest kwetsbare natuur tot aan bewustwordingscampagnes.

5.1.3.1 Bevorderen Basiskwaliteit Natuur voor een natuurinclusief en gezond Zuid-Holland Wat gaat de provincie doen? De provincie wil een gezonde leefomgeving voor haar inwoners en toekomstige generaties. Basiskwaliteit natuur is het concept om biodiversiteit te bevorderen in landelijk en stedelijk gebied en op die manier te zorgen dat algemene soorten algemeen blijven voorkomen. De provincie stimuleert verdere uitwerking van dit begrip voor toepassing in Zuid-Holland. Hiermee draagt zij bij aan ontwikkeling van instrumentarium om te sturen op milieucondities van een gezonde leefomgeving voor mens, plant en dier.

Rol Samenwerkend

Uitwerking Basiskwaliteit Natuur is een centraal begrip in de landelijke Agenda Natuurinclusief en de Contouragenda natuurinclusief Zuid-Holland. Samen met het Rijk, onderzoeksinstellingen en een aantal gemeenten wordt gewerkt aan een nadere invulling en praktische toepassing van dit begrip. Daarnaast wordt er ervaring opgedaan met het toepassen van Basiskwaliteit Natuur op verschillende inspiratielocaties. Hiermee verwacht de provincie beter te kunnen sturen op het verbeteren van milieucondities en dat de effecten beter kunnen worden gemonitord. Hiermee wordt bijgedragen aan een transitie naar een natuurinclusieve samenleving met een gezonde leefomgeving.

5.1.3.2 Natuurinclusieve kennis en instrumentarium ontwikkelen Wat gaat de provincie doen? De provincie onderzoekt en ontwikkelt natuurinclusieve kennis en instrumentarium om biodiversiteit structureel onderdeel te maken van ruimtelijke, economische en sociale afwegingen. De provincie draagt zo bij aan verdere invulling van het begrip van natuurinclusief en bevordert natuurinclusief werken. Natuurinclusieve principes worden uitgewerkt, om deze te kunnen borgen in de werkprocessen en zo op termijn in iedere fase van een ontwikkeling praktische handvatten te bieden om met natuurinclusief aan de slag te gaan.

Rol Presterend

86

Uitwerking De provincie wil natuurinclusief werken faciliteren en laagdrempelig maken. Door natuurinclusieve kennis en instrumentarium te verzamelen, ontsluiten en toe te spitsen op de behoeften van partners stimuleert de provincie structurele ruimtelijke, economische en sociale afwegingen rondom biodiversiteit.

5.1.3.3 Realiseren van natuurinclusieve inspiratielocaties Wat gaat de provincie doen? De provincie wil dat maatschappelijke stakeholders hun norm voor natuurinclusieve ontwikkelingen verhogen en dit ook feitelijk toepassen. Medeoverheden en gebiedspartners gaan met hulp van de provincie natuurinclusief realiseren op inspiratielocaties en betrekken daarbij de samenleving. De provincie geeft zelf het goede voorbeeld, bijvoorbeeld rond de provinciale infrastructuur. De inspiratielocaties maken zichtbaar wat natuurinclusief is en voor de samenleving oplevert. De provincie zet de inspiratielocaties in de schijnwerpers en draagt daarmee bij aan inspiratie, bewustwording en draagvlak.

Rol Samenwerkend

Uitwerking De provincie staat aan het begin van de natuurinclusieve transitie. De inspiratielocaties worden gebruikt om effectief de basiskwaliteit natuur ter plekke te versterken en te leren natuurinclusief samen te werken. De provincie neemt het voortouw in het ontwikkelen van een natuurinclusieve aanpak voor verschillende domeinen. De inspiratielocaties zijn onderdeel van de Agenda natuurinclusief en geven door middel van reguliere updates inzicht in kansen, bedreigingen, sterktes en zwaktes.

5.1.4.1 Ammoniakreductie voor natuurherstel Wat gaat de provincie doen? De provincie wil ammoniak (NH3) reductie realiseren voor natuurherstel. De provincie heeft als doel om de ammoniakemissies uit de landbouw sterk te verlagen om zo een bijdrage te leveren aan de reductie die landelijk nodig is (42-46% emissiereductie in 2035 ten opzichte van 2019). Deze reductie draagt bij aan het natuurherstel van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Rol Presterend

Uitwerking De provincie Zuid-Holland werkt aan het invoeren van een doelsturingsytematiek in de landbouw. De provincie Zuid-Holland onderzoekt op welke manier per 2035 een geborgd systeem van emissiereductie kan worden gerealiseerd. Dit met als doel een verlaging van de emissie van de melkveehouderij op gebiedsniveau naar gemiddeld tussen de 35 en 45 kg per hectare. De randvoorwaarden voor invoering zijn onder andere: • Een (juridisch) geborgd systeem waarbij de bedrijfsemissie (stal- en veldemissie) van bedrijven goed in kaart gebracht kan worden waarbij de gerealiseerde reductie volledig meegeteld wordt (dus ook reductie door bijvoorbeeld voer- en managementmaatregelen). • Handelingsperspectief voor agrariërs om binnen het plafond een duurzaam en rendabel bedrijfsmodel te kunnen • De ontwikkelingen op landelijke schaal aansluiten bij de invoering van een dergelijk systeem. De provincie Zuid-Holland sluit daarbij zo veel mogelijk aan bij de landelijke ontwikkelingen rondom doelsturing. Het ministerie van LVVN werkt met een aantal provincies en de Wageningen Universiteit aan een nieuwe landelijke KPI-set die de standaard moet worden voor publieke en private beloningssystemen. Dit moet ertoe leiden dat er een “menukaart” ontstaat met mogelijkheden per bedrijf voor emissiereductie.

87

Om innovatie in de landbouw te stimuleren, verstrekt de provincie subsidies ter ondersteuning van initiatieven die gericht zijn op het verminderen van ammoniakemissies. Dit kan onder andere gerealiseerd worden door middel van proefprojecten en pilots in samenspraak met gebiedspartijen en medeoverheden. Ook wil de provincie inzicht krijgen in de mate waarin de reductiedoelen voor ammoniak behaald worden en of het provinciaal beleid doelgericht is, door bij te houden hoeveel ammoniakemissies er op jaarbasis gereduceerd wordt ter vergelijking met het referentiejaar 2019. Daarnaast werkt de provincie naar het verkrijgen van inzicht in de stikstofdepositie die neerdaalt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, om vast te stellen in hoeverre de stikstofdepositie de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschrijdt.

5.1.4.2 Stikstofoxidenreductie voor natuurherstel Wat gaat de provincie doen? De provincie wil bijdragen aan stikstofoxiden (NOx) reductie voor natuurherstel. Voor NOx-reductie zijn er landelijke reductiedoelstellingen voor de sectoren mobiliteit (incl. bouw) en industrie van 50% in 2035 ten opzichte van 2019. De reductiedoelen zijn Rijksdoelen, de provincie draagt bij aan het behalen van de doelen. De NOx-reductie draagt onder andere bij aan het natuurherstel van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Rol Presterend

Uitwerking De provincie draagt bij aan de Rijks-maatwerkafspraken voor industriële piekbelasters, waar mogelijk ondertekent de provincie mede de overeenkomst. De provincie stuurt op afspraken over de reductie van stikstofoxiden emissies in de overeenkomsten die door het Rijk en de bedrijven worden gesloten. Ook is de provincie bevoegd gezag bij vergunningverlening voor de industriële piekbelasters. Hiermee wil de provincie bijdragen aan stikstofoxiden reductie vanuit de industrie samen met gebiedspartijen en medeoverheden. De provincie analyseert de NOx emissies door middel van een jaarlijkse NOx-monitor. De provincie wil daarmee inzicht krijgen in de mate waarin de NOx-reductie plaatsvindt. Daarnaast streeft de provincie naar het verkrijgen van inzicht in de stikstofdepositie die neerdaalt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, om vast te stellen in hoeverre de stikstofdepositie de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschrijdt.

5.1.4.3 Vergunningverlening maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk houden Wat gaat de provincie doen? De provincie zet zich in om vergunningverlening voor maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te houden zoals woningbouw, energietransitie en mobiliteit. Ook zet de provincie zich in voor de legalisatie van PAS-melders. De legalisatie van PAS melders is een Rijksverantwoordelijkheid maar wegens de nijpende situatie van PAS melders draagt de provincie bij aan de legalisatie.

Rol Samenwerkend

Uitwerking De provincie zet zich in voor het mogelijk houden van maatschappelijke ontwikkelingen samen met gebiedspartijen en medeoverheden. De stikstofdepositiebanken, waarvan de provincie bevoegd gezag is, ondersteunen het mogelijk houden van vergunningverlening voor maatschappelijke ontwikkelingen. De provincies zet zich ook in voor de legalisatie van PAS-melders. Daarvoor verifieert de Omgevingsdienst Haaglanden de bedrijven die zich hebben aangemeld voor het legalisatietraject namens de provincie. Ook helpt de provincie bij het zoeken naar oplossingsrichtingen voor legalisatie. Hiermee wil de provincie eraan bijdragen dat de PAS melders een legale vergunde situatie hebben.

Beleidsdoel 5.2 Toekomstbestendige landbouw

88

5.2 Toekomstbestendige landbouw Om een toekomstbestendige landbouw te realiseren kiest de provincie ervoor om te werken aan een veerkrachtige landbouw. Een landbouwsector met het vermogen om zich snel genoeg aan te passen en die robuust genoeg is om staande te blijven in een veranderende wereld. Een sector die in staat is om de nodige transitie in te gaan, doelen van water, natuur en klimaat te behalen en ook in de toekomst wendbaar en toonaangevend te blijven. Akkerbouw en veehouderij hebben baat bij een duurzame bodemvruchtbaarheid, het actief toepassen van ecosysteemdiensten en het verminderen van externe input (krachtvoer, kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen). Inspanningen die ook natuur-, water- en klimaatdoelstellingen ten goede komen en zo natuur en landbouw weer in balans brengen. De provincie zet zich ervoor in dat de ondernemers in Zuid-Holland mee kunnen bewegen naar de toekomst, zowel in een faciliterende rol als door te werken aan randvoorwaarden en kaders. De provincie ziet de waarde van een vitale landbouwsector en wil die waarde ook in de toekomst behouden. Daarom kiest de provincie ervoor om de veerkracht en het aanpassingsvermogen van de landbouw te vergroten zodat deze, ondanks toekomstige uitdagingen, van waarde kan zijn.

De provincie streeft naar een divers en vitaal bestand aan agrariërs - hoogtechnologisch, natuurinclusief, multifunctioneel - zodat zij ook in de toekomst, waarde kunnen leveren voor voedselvoorziening, landschap, ecologie en hun sociale en economische rol in het landelijk gebied. De provincie gaat de sector stimuleren en faciliteren met kennis, netwerken en financiële middelen. Vergroting van de veerkracht van de sector in combinatie met realistische doelen, voorkomt verlamming en zorgt uiteindelijk voor versnelling en vergroting van de beweging. De provincie stimuleert medeoverheden, ondernemers en ketenpartners om kennis op te bouwen, te delen en te borgen. Daarmee versterkt zij het aanpassingsvermogen van de sector. Samen met de sector en kennisinstellingen brengt de provincie in kaart waar de doelen liggen, gaandeweg stuurt en beloont zij op beweging richting deze doelen. De provincie monitort de voortgang in de toekomstbestendigheid van de sector én op de mate van doelbereik.

Maatregelen van 5.2 Toekomstbestendige landbouw 5.2.1.1 Ruimte voor toekomstbestendige landbouw Wat gaat de provincie doen? De provincie wil voldoende ruimte houden voor een toekomstbestendige agrarische sector. Daarbij streeft de provincie naar een goede balans tussen toekomstbestendig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit en ruimte voor agrarische ontwikkelingen die passen bij een toekomstbestendige landbouw. De provincie streeft naar de beschikbaarheid van voldoende kwalitatief goede landbouwgrond voor een realistische extensiveringsopgave, voedselproductie en agrarisch natuur- en landschapsbeheer en neemt een flexibele houding aan bij het toestaan van experimenten voor multifunctionele en nieuwe vormen van landbouw.

Rol Rechtmatig

Uitwerking •

•

• •

• •

89

Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige landschappelijke kenmerken en waarden. Nieuw-vestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan. Voor glastuinbouw, boom- en sierteelt en bollenteelt zijn speciale gebieden aangewezen, buiten die gebieden gelden beperkingen. De provincie wil duurzame, productieve landbouwgronden en -gebieden beter beschermen en onderzoekt daartoe de waarde en geschiktheid van landbouwgrond voor toekomstbestendige landbouw. Samen met de gebieden en de sector geeft de provincie hier per gebied invulling aan. De provincie maakt inzichtelijk welke soorten landbouw op welke plek toekomstbestendig kunnen, rekening houdend met opgaven voor voedselproductie, water, bodem, klimaat en natuurherstel. De provincie onderzoekt hoe ze functieverandering van landbouwgrond kan beperken. Zij betrekt daarin ook de mogelijkheden van functiecombinaties en agrarisch (mede)gebruik.

• • •

•

De provincie verkent de mogelijkheden van nieuwe ruimtelijke functies zoals veenlandbouw en landschapsgrond. De provincie spant zich in om knellende wet- en regelgeving die de landbouwtransitie in de weg staan te reduceren. De provincie geeft ruimte aan multifunctionele landbouw en toekomstbestendige agrarische bedrijfsvormen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (afwijking, ontheffing). De ervaring die hiermee wordt opgedaan zal benut worden bij de heroverweging van beleid en regels voor agrarische bedrijven. De provincie onderzoekt met de omgevingsdiensten welke raakvlakken het nieuwe landbouwbeleid heeft met handhaving en toezicht.

5.2.1.2 Versterken economisch duurzame en vitale landbouwbedrijven Wat gaat de provincie doen? De provincie wil bedrijven in de landbouwsector helpen om toekomstbestendig te worden. De provincie werkt met de sector samen om helder te worden over waar we naartoe bewegen en hoe daarin stappen te zetten. Daarbij helpt de provincie agrarische bedrijven met het maken van plannen voor de toekomst en de bijpassende investeringen. Samen met de sector geeft de provincie inzicht in de prestaties en voortgang.

Rol Samenwerkend

Uitwerking •

•

• • •

•

•

• • • •

• • •

90

De provincie kiest voor doelsturing en stelt een aantal kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) op, inclusief een voorstel om deze KPI’s te verwerken in beleid en over hoe te monitoren. Denk daarbij aan een streefwaarde voor een ammoniak- emissieplafond. Hierbij werkt de provincie met realistische bandbreedtes en doeljaren zodat boeren toe kunnen werken naar huidige en toekomstige normeringen. Zo beoogt de provincie beweging te stimuleren in de richting van de integrale doelen. Daar waar nodig schrijft de provincie op termijn ook maatregelen voor. De provincie zet beschikbare middelen voor de verduurzaming van bedrijven in via verschillende instrumenten zoals subsidies en opdrachten. Daarbij ligt de focus op maatregelen die de veerkracht van de bedrijven en de sector op lange termijn verbeteren. De inzet is daarbij dat subsidies, bijvoorbeeld voor groenblauwe diensten, op zijn minst kostendekkend moeten zijn. De provincie werkt met andere overheden aan een landbouwportaal waar ondernemers laagdrempelig inzicht en toegang kunnen krijgen tot beschikbare ondersteuning. De provincie ontwikkelt een datastrategie hoe we verantwoord omgaan met de data van individuele bedrijven. De provincie draagt bij aan de opbouw van data op gebieds- en bedrijfsniveau en maken die inzichtelijk voor de agrariërs en andere partners.

Daarbij wordt aangesloten bij beschikbare instrumenten als de ZH-PLG-gebiedsviewer en ontwikkelen die waar nodig door. De provincie werkt aan een kwantitatieve aanpak die inzichtelijk maakt hoe veehouderij en akkerbouw gedurende een langere periode kunnen verduurzamen en wat financieel nodig is om de aanpassingen stapsgewijs te kunnen maken. De provincie voert het Nederlands Nationaal Strategisch Plan onder het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU 2023-2027 (GLB-NSP) uit. De doelen van GLB-NSP hebben betrekking op een slimme veerkrachtige landbouw, bodem, water, lucht, biodiversiteit en klimaat en dierenwelzijn en brede plattelandsontwikkeling. De provincie werkt aan de uitvoering van het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer), waaronder de doorontwikkeling van de agrarische collectieven. De provincie onderzoekt hoe grondbeleid ingezet kan worden om toekomstbestendige landbouw te faciliteren. De provincie werkt met gebiedspartijen actief samen aan het sluiten van regionale en lokale grondstofstromen en het verbeteren van een vruchtbare bodem. De provincie ontwikkelt instrumenten om natuurinclusieve landbouw te stimuleren. Dit doet zij vanuit de verkenning Natuurinclusieve landbouw uit 2023. Verder zet zij in op het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor landschapsdiensten zoals koolstofvastlegging of landschapselementen en biodiversiteit.

Binnen de zoetwateropgave brengt de provincie in kaart welke behoeften en kansen er zijn voor toekomstbestendige landbouw. De provincie stimuleert diverse ontwikkelpaden (hoogtechnologisch, natuurinclusief en multifunctioneel). De provincie stimuleert studiegroepen, coaching en het opstellen van bedrijfsontwikkelplannen.

5.2.1.3 Versterken en versnellen (keten)innovaties landbouw Wat gaat de provincie doen? De weg naar een toekomstbestendige landbouw is nog niet precies uitgestippeld. Samen met de sector wil de provincie kennis opbouwen en innovaties inzetten om uit te vinden welke wegen goed begaanbaar zijn of worden. Daarbij is samenwerking met ketenpartners essentieel. De afgelopen jaren heeft de provincie geïnvesteerd in ketensamenwerking in Groene Cirkels en verschillende innovatieve projecten via Interbestuurlijk Programma’s en subsidieregelingen. Daarbij komen de projecten voor Samenwerken voor Innovaties (GLB-NSP). De provincie voorziet dat er regie nodig is om het netwerk te vergroten en het leervermogen te versnellen en te verbreden. Voor het bereiken van doelgroepen is een kennissysteem ontwikkeld om kennis en inzichten te delen. De komende tijd verbreedt de provincie het netwerk naar de meer reguliere landbouwbedrijven en de voorlopers daar.

Rol Presterend

Uitwerking • •

• • •

De provincie ondersteunt via fieldlabs en subsidieregelingen de innovatie op en doorontwikkeling van landbouwbedrijven. De provincie versterkt het netwerk van 'voorlopers' in de landbouwtransitie en verbindt hen aan de “middengroep”. Daarbij is oog voor voorlopers in de diverse transitiepaden door kennisbijeenkomsten te organiseren en kennis actief beschikbaar te stellen. De provincie ontwikkelt via groene Cirkels vitale netwerken , werkt samen aan kennis en innovatie en vergroot de realisatiekracht in de keten en de regio. De provincie ontwikkelt samen met de sector en kennispartners kennis en inzicht in het functioneren van bedrijven in gebieden en de effecten van verschillende scenario’s daarin. De provincie zet in op het vergroten van de vraag naar en aanbod van regionaal voedsel, omdat dit kansen biedt voor een veerkrachtig voedselsysteem, een sterkere verbinding tussen consument en producent en een eerlijker verdienmodel voor voedselproducenten. De provincie doet dit onder andere middels het opzetten van een bioregio met een focus op biologische producenten en Groene Cirkel Tuin van Holland, met een focus op natuurinclusieve seizoensgebonden producten. In de komende jaren wordt er met verschillende netwerken gekeken hoe hier verder invulling aan gegeven kan worden.

Beleidsdoel 5.3 Leven met water 5.3 Leven met water Zuid-Holland bestaat voor een zesde deel uit water. Dat water vervult een belangrijke rol in onze provincie. De provincie benut het water voor haar drinkwatervoorziening, industrie, land- en tuinbouw, natuur, recreatie, transport en om te voorkomen dat veendijken en veenbodems droogvallen. Zuid-Holland werkt samen met de waterschappen aan de versterking van het water- en bodemsysteem. Een robuust water- en bodemsysteem is de basis voor brede welvaart en economisch verdienvermogen nu en voor toekomstige generaties. Belangrijke onderdelen daarvan zijn waterkwaliteit (Kaderrichtlijn water) en waterbeschikbaarheid. Er kan sprake zijn van te weinig water, bijvoorbeeld door droogte, of juist van te veel water door hevige regenbuien. Daarom werkt de provincie aan het beschermen van ZuidHolland tegen watertekort, -overlast en overstromingen. De opgaven voor water (waterveiligheid, -tekort, -overlast, -kwaliteit en -beschikbaarheid) worden steeds groter en urgenter. Dat komt onder andere door klimaatverandering, druk op de waterkwaliteit door verontreinigingen uit de landbouw, industrie en huishoudens, en de toenemende zoetwater- en drinkwaterbehoefte door bijvoorbeeld bevolkingsgroei en economische ontwikkelingen.

Sleutelopgaven voor versterken van het water- en bodemsysteem in Zuid-Holland betreffen: verbeteren van de kwaliteit van ons oppervlakte- en grondwater, beschikbaarheid van voldoende drinkwaterbronnen, optimaliseren van de aanvoer van zoetwater en ruimte voor waterberging, versterking van boezemsystemen, dijken en keringen en het nat houden van de veenweidegebieden. Op veel plekken in Zuid-Holland zullen veranderingen in de condities ten aanzien van o.a. waterbeschikbaarheid, verzilting, wateroverlast, waterveiligheid, bodemdaling en de toelevering van drinkwater, ondanks versterkingen en optimaliseringen van het water- en bodemsysteem, onvermijdbaar zijn. Dit heeft impact op verdienvermogen en de volhoudbaarheid van functies en landgebruik. Via de principes van Water en

91

Bodem Sturend en klimaatadaptatie werkt de provincie toe naar een klimaatbestendige, waterrobuuste inrichting van de leefomgeving. Deze grote vraagstukken kan de provincie niet alleen oplossen. Het vereist gezamenlijke inzet van en samenwerking met verschillende overheden en andere organisaties, zoals het Rijk, waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven. Binnen de provincie Zuid-Holland moeten deze organisaties blijven samenwerken aan oplossingen voor de wateropgaven, om zo ook andere provinciale opgaven die raken aan water te kunnen realiseren. Denk aan woningbouw, land- en tuinbouw en industrie, het versterken van natuur en biodiversiteit of de energietransitie. Water vraagt - in het belang van onze toekomstige bestaanszekerheid - ook om ruimte voor o.a. voor waterkeringen/dijkversterkingen, waterberging, grondwaterbeschermingsgebieden en aanpassingen van de regionale water- en bodemsystemen. Het water- en bodemsysteem is daarmee een belangrijk sturend element voor ruimtelijke keuzes in onze provincie. Voor waterkwaliteit en –beschikbaarheid zijn in Europees verband specifieke afspraken gemaakt over hoe een duurzame bescherming van oppervlaktewater en grondwater gewaarborgd moet worden. De provincie beheert grondwatermeetnetten waarmee zij de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit in alle grondwaterlichamen monitort.

De provincie heeft een actieve rol en verantwoordelijkheid bij het voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-West is het platform waar de provincie met de partners in dit Stroomgebied beleid en inzet afstemt, en de voortgang op maatregelen en doelbereik evalueert.

Maatregelen van 5.3 Leven met water 5.3.1.1 Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden Wat gaat de provincie doen? De regio Rijnmond-Drechtsteden is volop in ontwikkeling (economisch en demografisch) en moet inspelen op opgaven als zeespiegelstijging en bodemdaling. De provincie zet hierbij in op het verbinden van waterveiligheid en ruimtelijke inrichting. Bij alle projecten gaat het om samenwerking tussen verschillende overheden. Bij een aantal projecten en studies is de provincie Zuid-Holland de trekker, bij andere is ze een van de deelnemende partijen.

Rol Samenwerkend

Uitwerking Samenwerken aan waterveiligheid De provincie werkt in het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden samen met het Rijk en andere regionale en lokale overheden, zoals de gemeenten Rotterdam en Dordrecht. In dit Deltaprogramma komen verschillende opgaven voor waterveiligheid en ruimtelijke adaptatie samen. De sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkeling in Rijnmond-Drechtsteden vraagt niet alleen om een goede toegang tot de zee en de rivieren, maar ook om goede bescherming tégen deze wateren. Het Deltaprogramma RijnmondDrechtsteden zet zich hiervoor in. Overstromingsbewuste ruimtelijke inrichting Preventie (overstromingen voorkomen) is de basis van de voorkeursstrategie van het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden. Omdat een overstroming nooit volledig is uit te sluiten, richt het Deltaprogramma zich niet alleen op bescherming tegen overstroming, maar ook op het beperken van de gevolgen van een overstroming en het overstromingsbewust inrichten van binnen- en buitendijkse gebieden. De komende jaren krijgt het overstromingsbewust inrichten van nieuwe woongebieden en (nieuwe) vitale infrastructuur bijzondere aandacht. Een deel van Rijnmond-Drechtsteden is nu al dichtbevolkt en de komende decennia moet hier een verdere verstedelijking gerealiseerd worden. Daarbij is het een uitdaging toekomstige dijkversterkingen mogelijk te houden.

Dit vergt afstemming in een zo vroeg mogelijk stadium, goede samenwerking en integratie van opgaven voor dijken en ruimtelijke ontwikkelingen.

92

Werkgebied deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden

5.3.1.2 Goedkeuren projectbesluiten (dijkversterkingsplannen) Wat gaat de provincie doen? De provincie moet zorgen voor de goedkeuring van alle projectbesluiten die de waterschappen moeten nemen voor de aanleg, verlegging, versterking of andere verbeteringen van primaire waterkeringen (dijkversterkingsplannen). Het waterschap kan ook voor regionale waterkeringen en andere waterstaatswerken een projectbesluit nemen. Het waterschap kan voor andere benodigde omgevingsvergunning er voor kiezen of zij dat via een projectbesluit willen regelen of dat zij de provincie vragen dit te coördineren waarbij toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.5 van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Rol Rechtmatig

Uitwerking Landschappelijke inpassing Als de provincie de voorbereidings- en goedkeuringsprocedure moet volgen, beoordeelt ze onder andere of de landschappelijke, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden) voldoende in het verbeterplan van het waterschap zijn meegenomen, zodat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft of verbetert. Zo is in de verordening onder ruimtelijke kwaliteit opgenomen dat dijken een belangrijke bijdrage leveren aan de ZuidHollandse landschappen. In het Omgevingsprogramma wordt per dijktypologie aangegeven om welke karakteristieken het gaat. Op deze manier draagt de provincie bij aan een goede landschappelijke inpassing van dijken. Naast formele beoordeling bekijkt de provincie of er kansen zijn om provinciale opgaven te koppelen aan de dijkversterking (meekoppelkansen). Daarbij is te denken aan kansen voor recreatieve verbindingen, natuurontwikkeling of het vergroten en verbeteren van de biodiversiteit, voorbeeld is de bijdrage van dijkvegetatie aan biodiversiteit. M.e.r. en inspraak De provincie zorgt er ook voor dat milieueffecten en de inbreng van belanghebbenden een volwaardige plaats in de besluitvorming krijgen. Omdat Gedeputeerde Staten het projectbesluit van het waterschap moeten goedkeuren, is de provincie vanzelf ook het bevoegd gezag voor de milieueffectrapportages (m.e.r.) en zorgt ze voor inspraak en juridisch correcte uitvoeringsvergunningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=20de9d4c-95b1-45de-acd2-ca9658b9fd31