Servicedocument Omgevingsprogramma
Tekst van het document
De betreffende gemeenten hebben ook nagenoeg geen ontwikkelingsruimte voor nieuwe detailhandelsontwikkelingen. De combinatie van deze factoren zorgt ervoor dat het (toekomstig) functioneren van deze groep centra onder druk staat. Detailhandel is een belangrijke drager voor de aantrekkelijkheid en levendigheid van deze centra. Doordat de functie van detailhandel in deze centra terugloopt, dreigt ook de vitaliteit en aantrekkelijkheid, en daarmee de sociaalmaatschappelijke functie van deze centra terug te lopen. De belangrijkste (ruimtelijke) opgaven liggen voor alle betrokken partijen (overheden en markt) dan ook bij deze categorie centra. Het winkelbestand in deze centra zou daarom bij voorkeur niet moeten uitbreiden, zich primair moeten richten op de eigen
63
bewoners en geen of heel beperkte regionale ambities nastreven. Mocht het eigen inwonertal in aanzienlijke mate toenemen, dan kan het winkelaanbod hierop afgestemd worden. Soms kan ook intensivering op een plek aan de orde zijn, gevolgd door sanering of transformatie elders. Een belangrijke opgave ligt in het terugdringen van winkelleegstand, o.a. door transformatie naar andere functies. Toevoeging van andere publieksfuncties, zowel maatschappelijk als commercieel van aard, kan de aantrekkelijkheid van deze centra verhogen. Het gaat hierbij om een maatwerkopgave per centrum. Overige centra De overige centra (circa 450 centra, en niet specifiek benoemd) vervullen een lokale functie, zijn belangrijk voor de bereikbaarheid van het dagelijks aanbod en hebben een meerwaarde voor de leefbaarheid van kleine kernen, wijken en buurten. Het toekomstperspectief is divers: sommige centra functioneren goed, andere centra komen in aanmerking voor een facelift, herprofilering, (gedeeltelijke) transformatie of samenvoeging. Voor deze categorie centra kan eventuele beperkte groei van het winkeloppervlak aan de orde zijn om de dynamiek in de dagelijkse sector te faciliteren.
Beperkte groei van het aanbod in de overige centra is ook mogelijk indien dit aanbod geen gelijke tred houdt met een sterke bevolkingsgroei die recent heeft plaatsgevonden, of aanstaande is, bij achterstand in het voorzieningenniveau of bij feitelijke en planologische saldering van aanwezige detailhandel uit hetzelfde verzorgingsgebied. Indien het draagvlak van een verzorgingsgebied te klein is voor een compleet winkelcentrum, kan een supermarkt de functie van centrale aankoopplaats vervullen. Herallocatie overig centrum Een winkelconcentratie kan op een andere centrale en goed bereikbare locatie binnen hetzelfde verzorgingsgebied geaccommodeerd worden indien bij de achterblijvende locatie sprake is van sanering van detailhandel. Hier zou sprake van kunnen zijn op het moment dat meerdere locaties worden samengevoegd op een nieuwe locatie of bij opheffing en verplaatsing van een slecht functionerende aankoopplaats. Herallocatie zal in de praktijk alleen aan de orde zijn bij ‘overige centra’. Er gelden wel een aantal voorwaarden. Voor de achterblijvende locatie dient er zicht te zijn op zowel feitelijke als planologische sanering van detailhandel.
Indien er als gevolg van de verplaatsing bovengemeentelijke effecten optreden, of er is per saldo sprake van een toename van het winkelareaal, gelden dezelfde toelichtingsvereisten voor het omgevingsplan zoals beschreven onder ‘toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen’. Dagelijks aanbod (supermarkt) buiten winkelconcentratie in kleine kern Leefbaarheid in en van kleine kernen hangt in veel gevallen samen met de beschikbaarheid en bereikbaarheid van dagelijks winkelaanbod. In deze sector zien de provincie een tendens naar schaalvergroting van supermarkten. In sommige gevallen zal het echter niet mogelijk zijn een toekomstbestendige supermarkt in een winkelconcentratie van een kleine kern onder te brengen omdat er geen geschikte ruimte te vinden is voor de benodigde omvang van de supermarkt. Via lokaal maatwerk wordt daarom de mogelijkheid geboden voor de vestiging of uitbreiding van een toekomstbestendige supermarkt in een kleine kern net buiten het winkelconcentratiegebied. Er moet dan aangetoond worden dat de supermarkt niet in of aansluitend aan het winkelconcentratiegebied gerealiseerd kan worden. Ook dient aangetoond te worden dat de leefbaarheid in de kern onder druk staat vanwege het ontbreken van een toekomstbestendige supermarkt.
De omvang van het totale aanbod aan dagelijkse goederen dient wel in overeenstemming te zijn met het draagvlak van het verzorgingsgebied ( de kleine kern) en er dienen geen (blijvende) negatieve effecten op te treden op de bestaande detailhandelsstructuur. PDV-locaties voor woongerelateerde detailhandel Naast de reguliere detailhandelsstructuur zijn er zijn 31 opvanglocaties aangewezen waar zich grootschalige detailhandel in meubelen (inclusief In ondergeschikte mate woninginrichting) en detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s kan vestigen. Deze zogenaamde PDV-locaties (Perifere Detailhandels Vestigingen) zijn aangeduid in de Omgevingsverordening. De PDVlocaties verschillen nogal in functioneren en verschijningsvorm. Een aantal van deze locaties heeft een regionale aantrekkingskracht en andere bedienen vooral een lokale markt. Sommige zijn als ‘woonboulevard’ ontwikkeld en vormen een stedenbouwkundig geheel. Andere locaties zijn in feite gemengde bedrijventerreinen waar woongerelateerde detailhandel zich heeft gevestigd. Er is in Zuid-Holland een overschot aan woongerelateerde detailhandel waardoor veel PDV-locaties niet optimaal functioneren. Voor de meeste PDV- locaties is kwantitatieve versterking daarom niet gewenst.
GDV-locaties: Megastores en Alexandrium 2 In Zuid-Holland zijn twee locaties voor Grootschalige Detailhandels Vestigingen (GDV) aangewezen: Alexandrium II en een deel van Haaglanden Megastores. Een GDV-locatie heeft meerdere grootschalige
64
vestigingen, waarbij de branchebeperkingen van het perifere detailhandelsbeleid niet gelden. In de jaren 90 ontstond behoefte om goed bereikbare locaties buiten de bestaande centra aan te wijzen voor grootschalige detailhandel zonder branchebeperkingen. Door de forse toename in online bestedingen en de afname van het aantal winkels en vloeroppervlak, is de behoefte aan dit soort locaties sterk afgenomen. De provincie gaat nu juist uit van behoud en versterking van de bestaande ruimtelijke detailhandelsstructuur en handhaaft het aantal GDV-locaties in Zuid-Holland daarom tot de bestaande twee. Er is op dit moment geen aanleiding om beleid en regels voor de GDV-locaties aan te passen. In Bijlage IX (onderdeel C) van de Omgevingsverordening is een tabel opgenomen waarin duidelijk wordt welke centra tot welk type centra van de provinciale detailhandelsstructuur behoort. Daarnaast zijn in de tabel de PDV- en GDV-locaties opgenomen. Functioneren detailhandelsstructuur Het functioneren van de detailhandelsstructuur staat op onderdelen onder druk. Er zijn echter ook locaties en gebieden waar de detailhandel op dit moment goed functioneert en kansen bestaan voor versterking. De provincie heeft inzicht gegeven in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, door een berekening te maken die dit indicatief in beeld brengt.
Tabel: Kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden op sub regionale schaal tot 2030 in winkelvloeroppervlak (wvo). Momentopname 24 mei 2022.
Bovenstaande tabel laat de kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden (exclusief huidige leegstand) tot 2030 op sub regionale schaal zien. Het betreft modelmatige marktruimteberekeningen op basis van een aantal traceerbare cijfers/bronnen (huidige aanbod, vraag, koopstromen, omzetcijfers, marktaandeel online) en modelmatige aannames voor de toekomst (bevolkingsprognose, marktaandeel online,). Het model houdt bewust geen rekening met beleidsmatige ambities, keuzes of ingrepen (beleidsneutraal). De tabel is bedoeld om kwantitatief gevoel te krijgen wat het doorzetten van een aantal ontwikkelingen betekent voor de kwalitatieve en ruimtelijke provinciale beleidsopgave in centrumgebieden en daarbuiten. De tabel heeft niet als doel als ‘norm’ te dienen voor de lokale haalbaarheid van bepaalde detailhandelsontwikkelingen. Op basis van specifieke lokale omstandigheden zou voor een specifieke branche of winkel een meer locatie-specifieke berekening of afweging kunnen worden gemaakt. Daarbij dient echter wel steeds kritisch te worden gekeken naar de uitgangspunten om te voorkomen dat men zich rijk rekent en rekening wordt gehouden met (verdringings)effecten elders. Deze tabel maakt duidelijk dat in de dagelijkse sector (levensmiddelen en persoonlijke verzorging) voor uitvoering van de harde en zachte plannen er een overaanbod is voor dagelijks winkelaanbod.
Alleen in het sterk verstedelijkte gebied van de MRDH is er beperkte uitbreidingsruimte mogelijk. De uitbreidingsruimte is voor een groot deel gebaseerd op de toename van het aantal inwoners in 2030 en het effect van het online boodschappen doen.
65
De niet-dagelijkse sector (mode & luxe, vrije tijd, in en om het huis, overig) laat een wisselend beeld zien, zowel tussen regio’s als productgroepen. In totaal is er nu voor uitvoering van plannen een uitbreidingsruimte van 81.500 m2 wvo op provinciale schaal. De uitbreidingsruimte is ten opzichte van 2018 met zo’n 60.000 m2 toegenomen. Ook hier is deze uitbreidingsruimte gebaseerd op een verwachte toename van de bevolking (+7,5%) tot 2030. Als deze toename niet van de grond komt, is er geen ruimte voor uitbreidingsruimte. Daarnaast is er nog een planvoorraad van bijna 330.000 m2 wvo. Na uitvoering van harde en zachte plannen laat alleen de regio MRDH nog een positieve ontwikkelingsruimte zien tot 2030, voor niet-dagelijkse artikelen. In de overige gebieden is dan sprake van overaanbod voor alle productgroepen. Het gegeven dat momenteel in sommige regio’s voor sommige branche ontwikkelingsruimte aanwezig is, wil niet wil zeggen dat het locatiebeleid voor detailhandel niet van toepassing is. Toevoeging van detailhandel dient plaats te vinden op de juiste plek, in beginsel in de centra zodat er synergievoordelen behaald kunnen worden door geclusterd aanbod om deze gebieden en de kernen te versterken. Toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de centra Aan nieuwe detailhandelsontwikkelingen verbindt de provincie voorwaarden op het gebied van toelaatbaarheid.
Ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard, moeten in de toelichting op het omgevingsplan onderbouwd worden via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet o.a. inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand, de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het verzorgingsgebied, ontwrichting van het voorzieningenniveau alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering. Daarnaast kan een advies van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland nodig zijn. Dit advies is nodig bij nieuwe ontwikkelingen binnen de centra vanaf 2000 m2 bruto vloeroppervlak (binnensteden Rotterdam en Den Haag vanaf 4000 m2 bruto vloeroppervlak) en buiten de centra vanaf 1000 m2 bruto vloeroppervlak. De adviescommissie valideert objectief de onderbouwing van de nieuwe detailhandelsontwikkeling. Het gaat dan om de (regionale) kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de ruimtelijke effecten van de nieuwe detailhandel (zoals woon- en leefklimaat, ruimtelijke kwaliteit en leegstand). Regionale afstemming Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Hierbij dienen gemeenten het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen.
Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. De Adviescommissie Detailhandel kan hierbij een advies uitbrengen over de door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden. De provincie beoordeelt vervolgens de toelichting op het omgevingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. Realiseren juiste kantoor op de juiste plek De provincie Zuid-Holland streeft naar voldoende kantoren in Zuid-Holland waarbij vraag en aanbod in balans zijn. Het is belangrijk dat de kantoren van de goede kwaliteit zijn. Ook moeten de kantoren op de juiste locatie staan of op een juiste locatie komen te staan. Dit vraagt aan de ene kant om een aantal sterke kantorenclusters. Aan de andere kant vraagt het om (beperkte) ruimte voor kleine kantoren in een lokaal gebied. Met sturing via ruimtelijk beleid (bv. Omgevingsverordening en kantorenstructuur), regionale afstemming (bv. regionale kantorenvisies), monitoring (bv. behoefteraming, kwalitatieve monitor en dashboard), en onderzoek en kennisdeling werkt de provincie naar een goede kwantitatieve en kwalitatieve match van vraag en (plan- en bestaand) aanbod.
Ook gaat de provincie ongewenste nieuwbouw tegen door omgevingsplannen te beoordelen. Hiermee streeft de provincie naar een welvarend ZuidHolland met voldoende toekomstbestendige ruimte voor ondernemen ten behoeve van een toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat. Nieuwe kantorenontwikkelingen concentreren zich bij voorkeur op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken. Daarnaast is er een opgave om kantoren te reduceren (zowel fysiek als qua plancapaciteit) op minder kansrijke locaties en wordt waar mogelijk de transformatie van leegstaande kantoren naar andere functies (wonen) mogelijk gemaakt. Provinciale Kantorenstructuur
66
De provincie hanteert onderstaande hoofdstructuur voor kantoren. Deze hoofdstructuur is gebaseerd op de ‘behoefteraming kantoorruimte provincie Zuid-Holland’ uit 2018 en is geactualiseerd naar aanleiding van de behoefteraming kantoorruimte provincie Zuid-Holland uit 2023. Het saldo per gemeente voor nieuwbouwvraagramingen kantoren hebben betrekking op de tijdsperiode 2023-2035. De strategie dient binnen de kaders van de meest recente behoefteraming kantoren te zijn (bijlagen VIII t/m XIII behoefteraming kantoren 2023). Locaties
Reikwijdte
Strategie (binnen kader meest recente behoefteraming kantoren)
Grootstedelijke toplocaties / centrumlocaties Den Haag CID (Nieuw Centraal, Nieuw Centrum, Beatrixkwartier, Utrechtsebaan, Nieuw-Laakhaven HS en binnenstad) Rotterdam CBD (Central District, incl. Centrum – Blaak).
(Inter)nationaal: Grootstedelijke toplocaties (eersteklas, moderne kantoorlocaties in het topsegment) aangevuld met direct omliggende centrumlocaties in Rotterdam en Den Haag. Hier zijn meerdere (inter)nationale hoofdkantoren te vinden
Groei
CID Den Haag en CBD Rotterdam zijn zeer dominant binnen de provinciale kantorenmarkt qua omvang en opnamevolume. Op deze locaties bevinden zich bovendien meerdere (inter)nationale hoofdkantoren. OV-knooppuntlocaties en centrum/ (intercity)stationslocaties (Beperkte) Groei op: Leiden Centraal (en (deel) binnenstad), Rotterdam Alexander, Kop van Zuid (Rotterdam). Spoorzone Delft (en (deel) binnenstad). Spoorzone Gouda (en (deel) binnenstad) Behoud of afname op: Dordrecht stationsomgeving (en (deel) binnenstad), Alphen aan den Rijn stationsomgeving, Schiedam stationsomgeving
Provinciaal: Het gaat hier om OV-knooppuntlocaties die zowel per intercity én per auto uitstekend bereikbaar zijn (<5 min snelweg) en multifunctionaliteit (mix van functies, incl. voorzieningen). Daarnaast betreft het centrum/(intercity)stationslocaties in de grotere kantoorgemeenten in Zuid-Holland. Feitelijk gaat het daarmee om locaties, die na de grootstedelijke toplocaties in Den Haag en Rotterdam, de meeste toekomstpotentie hebben. De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van deze locaties is dan ook bovengemiddeld.
Afname en/of behoud, én beperkte groei op enkele locaties
Snelweglocaties, ov-knooppuntlocaties en overige, zoals Brainpark (Rotterdam), Fascinatio (Capelle aan den IJssel), Vijfsluizen (Vlaardingen), Amstelwijck (Dordrecht), Plaspoelpolder (Rijswijk), Rokkeveen Campus / Afrikaweg-Boerhaavelaan (Zoetermeer), Meerburgpolder (Zoeterwoude), Stationsomgeving Zwijndrecht, Bleizo (Lansingerland), Vierzicht (Leiderdorp), Stationsgebied Gorinchem, Stationspark (Sliedrecht) et cetera.
Regionaal: Het gaat om snelweglocaties, ov-knooppuntlocaties (zonder intercity bereikbaarheid) en overige locaties met een gemeentegrens overschrijdend profiel. Gemiddeld genomen zijn op deze locaties vooral bedrijven met een regionale reikwijdte gevestigd. Daarbij gaat het om een mix van kleinschalige en (middel)grote eindgebruikers (vaak in een multi-tenant omgeving). Deze locaties kenmerken zich momenteel veelal door bovengemiddelde leegstand, beperkte multifunctionaliteit en/of zijn terug te vinden in gemeenten met een beperkte kantorenvoorraad. Het onderscheidend vermogen van deze locaties is vaak beperkt.
Fors verdunnen
Kleinschalige kantoorruimte (in omgevingsplannen) in kleinere kantoorgemeenten en/of op bedrijventerreinen.
Lokaal: In deze categorie vinden we vooral kantoorgebruikers met een gemiddeld lokale reikwijdte. Het gaat vaak om kleinere (of middelgrote) eindgebruikers op bedrijventerreinen of in de kleinere kantoorgemeenten.
Verdunnen met ruimte voor lokaal maatwerk
(afname planaanbod én bestaand aanbod)
Voor bijzondere locaties die geen onderdeel uitmaken van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties (Bio Science Park (Leiden), TU Delft Campus Zuid (Delft), Estec en Space Business Park (Noordwijk) en Erasmus Hoboken en Woudenstein (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag) en World Horti Center (Westland), wordt geadviseerd vooral te kijken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke functies/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur. Bedrijfskantoren (solitaire kantoorpanden op bedrijventerreinen) maken wel onderdeel uit van de behoefteraming, maar niet van de structuur voor de reguliere kantorenmarkt.
67
De bovenstaande tabel betekent niet dat harde plancapaciteit op de snelweglocaties, ov-knooppuntlocaties en overige en de kleinschalige kantoorruimte niet meer gerealiseerd kan worden. Omgevingsplannen kunnen worden uitgevoerd. Aanpassing daarvan is pas aan de orde indien de locaties niet zijn opgenomen in een actuele regionale visie die is aanvaard door Gedeputeerde Staten. Nieuwbouwvraagramingen kantoren
De cijfers in de bovenstaande tabel zijn de cijfers per regio voor uitbreidingsvraag en vervangingsvraag met een minimaal en maximaal scenario. Deze scenario’s zijn voornamelijk gebaseerd om trends en ontwikkelingen waarbij de verwachte kantoor quotiënt (kantoorruimte per werkzame persoon) een belangrijk rol speelt. Door de grote invloed van deze quotiënt op de ruimtevraag is er continue monitoring van de provincie naar welke richting de kantorenmarkt beweegt. In deze methodiek is gekozen voor een hoofdstructuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende locaties en daar bijhorende strategieën. Regionale kantorenvisies Met regionale visies voor kantoren stemmen gemeenten in regionaal verband het planaanbod af op de vraag. De schaal van deze regionale visies is afgestemd op de markt voor de desbetreffende functie. De provincie is betrokken bij de totstandkoming van deze visies en committeert zich aan de afspraken in de door haar aanvaarde regionale visies. Het is gewenst de regionale visies actueel te houden.
68
De regio’s, gemeenten, experts en andere partners zijn in het voortraject nauw betrokken geweest bij het opstellen van nieuwe behoefteramingen kantoren, die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld. Vervolgens heeft Gedeputeerde Staten de uitvraag aan de regio’s voor ‘actualisatie regionale kantorenvisies’ vastgesteld. In deze uitvraag staan behoefteramingcijfers per gemeente en de regio. De provincie acht het wenselijk dat regionale visies voor kantoren afgestemd worden op deze behoefteramingen. Aanvullend kan het Programma ruimte ook kwalitatieve- en locatiecriteria formuleren als uitgangspunten voor de regionale visies. In de uitvraag aan de regio’s heeft de provincie Zuid-Holland de regio’s gevraagd om in te gaan op: 1. Visie op kwaliteit en kwantiteit van de bestaande kantorenvoorraad, inclusief aanpak leegstand 2. Gevolgen van de visie op de bestaande kantorenvoorraad voor toekomstige kwaliteit en kwantiteit en benodigde plancapaciteit, met inachtneming van het kwantitatieve kader zoals opgenomen in de Behoefteraming kantoren Zuid-Holland (Cushman & Wakefield, 2023) 3. Speciale kantorenlocaties vanuit ruimtelijk beleid 4. Visie op duurzaamheid (bijvoorbeeld energieverbruik van kantoren). De provincie heeft een verwijzing naar de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in de Verordening ruimte.
De onderbouwing conform de Ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van regionale visies. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van Gedeputeerde Staten, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen. Naast het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de provincie de ruimte beter benutten door in te zetten op transformeren, herstructureren en verdichten bij voorkeur binnen de invloed gebieden van de stations en haltes van Stedenbaan. De provincie hanteert een vijfjaarstermijn voor de actualisatie van de regionale kantorenvisies. Op dit moment heeft Gedeputeerde de geactualiseerde regionale kantorenvisies van alle regio’s aanvaard tot 1 juli 2025. Heroverwegen van onbenutte plancapaciteit De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwerken van de regionale visie wonen, kantoren, bedrijventerreinen en –indien van toepassing – detailhandel.
De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat de samenwerkende gemeenten zelf hun verantwoordelijkheid nemen en zo nodig bestaande plancapaciteit voor stedelijke ontwikkelingen die niet (langer) in overeenstemming is met een regionale visie, zullen weg- of herbestemmen. In het overleg met gemeenten of bij de beoordeling van omgevingsplannen, zal de provincie hier aandacht voor vragen. Mocht het provinciaal belang dat noodzakelijk maken, dan kan de provincie alsnog overwegen om generieke of specifieke maatregelen te treffen, gericht op het schrappen van onbenutte plancapaciteit. De provincie kan in dat geval regels in de verordening opnemen, een (proactieve) aanwijzing geven of een inpassingsplan maken. Behoefteramingen en monitoring De kantorenbehoefteramingen zijn de basis voor het beleid en de kantorenstructuur. Middels monitoring zal gekeken worden in hoeverre de behoefteramingen nog aansluiten op de ontwikkelingen in de kantorenmarkt. Indien nodig zullen onderdelen van het provinciaal beleid hierop worden aangepast. Onderzoeken en kennisdeling Belangrijke onderwerpen waar de provincie meer inzicht in wil hebben zijn duurzaamheid/energie, kantoren in nieuwe gebiedsontwikkelingen, en kantoorontwikkelingen naar aanleiding van COVID-19.
Goede monitoring en rapportages kunnen hier bij helpen maar eventueel kan ook aanvullend onderzoek nodig zijn om deze ontwikkelingen in de kantorenmarkt beter in beeld te krijgen. Middels het organiseren en bijwonen van bijeenkomsten zal de provincie samen met haar partners meer inzicht krijgen in de meest urgente opgaves en oplossingen, zodat er samen naar een nog gezondere kantorenmarkt kan worden toegewerkt.
4.1.7.1 Het ondersteunen van de uitvoering van de Human Capital Agenda Zuid-Holland Wat gaat de provincie doen? De aanwezigheid van voldoende en goed geschoold personeel is een belangrijke randvoorwaarde voor een goed functionerende regionale economie en het slagen van de maatschappelijke transities (energie, circulair, digitalisering). De provincie draagt bij aan het versterken van human capital door de Human
69
Capital Agenda Zuid-Holland (HCA) uit te voeren waarbij de provinciale subsidieregeling geld beschikbaar stelt voor deelakkoorden human capital.
Rol Presterend
Uitwerking Met een provinciale subsidieregeling ondersteunt de provincie partijen die samenwerken aan het realiseren van de (kwantitatieve) doelstellingen van de Human Capital Agenda Zuid-Holland. Vooral het zogenaamde loopvermogen, de coördinatie en ontwikkelkosten, die niet aan reguliere taken of scholingsmiddelen kunnen worden toegewezen, komen voor subsidie in aanmerking. Tevens stimuleert de provincie kennisuitwisseling tussen uitvoerders van kwartiermakers en projectleiders van de gesubsidieerde projecten (learning community). Ook stimuleert de provincie de samenwerking met en tussen de arbeidsmarktregio’s, UWV, opleiders (mbo, hbo), brancheorganisaties en bedrijven om de leercultuur in de provincie te bevorderen, leven lang ontwikkelen (LLO) te stimuleren en onderlinge verbindingen tot stand te brengen.
Beleidsdoel 4.2 Erfgoed en cultuur 4.2 Erfgoed en cultuur De kwaliteit van de leefomgeving hangt onlosmakelijk samen met het erfgoed en de cultuur(beleving) in Zuid-Holland. De provincie is hier zuinig op en wil dan ook dat ons erfgoed beschermd is en samen met de cultuur die onze provincie rijk is door iedereen beleefd en benut kan worden. Zij brengt de geschiedenis van Zuid-Holland in beeld en maakt dit beleefbaar. Daarbij is er vanuit diverse perspectieven aandacht voor de pijnlijke aspecten uit het verleden. Hierbij: • blijft de kern van het erfgoedbeleid het beschermen van het provinciale erfgoed waar vanuit de provincie werkt aan een beter beleefd en benut erfgoed. De provincie zet zich daarbij in voor onze provinciale kroonjuwelen, stimulering van restauratie, herbestemmen en verduurzamen van rijksmonumenten, onderhoud van historische windmolens en de erfgoedlijnen. • zet de provincie zich in op het beschermen, benutten, en beleven van de archeologische waarden om een breed publiek hiervan te laten genieten. Het gaat dan om bekende terreinen van provinciaal archeologisch belang, om de bekende en in Unesco-verband vastgestelde waarden van de Romeinse Limes, en om de vondsten die de provincie bewaart in haar archeologisch depot. • is cultuureducatie in Zuid-Holland belangrijk voor de gezondheid, sociale verbinding en het vestigingsklimaat.
Iedereen in Zuid-Holland heeft toegang tot culturele voorzieningen, zodat men van cultuur kan genieten of cultuur kan maken, met name jongeren. Iedereen in Zuid-Holland heeft toegang tot goed bereikbare en volwaardige bibliotheken en is welkom om zich te ontwikkelen en anderen te ontmoeten.
Maatregelen van 4.2 Erfgoed en cultuur 4.2.2.1 Stimuleren en faciliteren bij restaureren en herbestemmen rijksmonumenten en stimuleren bij (groot) onderhoud molens Wat gaat de provincie doen? Met de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten Zuid-Holland 2013 wil de provincie Zuid-Holland eigenaren stimuleren om hun rijksmonument (incl. molens) te restaureren en om hun rijksmonument bij herbestemming toegankelijk te maken voor een breed publiek en te verduurzamen. Met de adviezen op maat herbestemming wil de provincie partijen stimuleren om te komen tot een goede (her)bestemming van rijksmonumenten. Met het aanjagen van herbestemming speelt de provincie een faciliterende rol door eigenaren te helpen een goede herbestemming te vinden voor hun rijksmonument. Met de Subsidieregeling Molens Zuid-Holland 2013 wil de provincie Zuid-Holland eigenaren stimuleren om hun rijksmonument te onderhouden zodat een (duurdere) restauratie kan worden voorkomen.
Rol Rechtmatig
70
4.2.3.1 Samenwerken bij erfgoedlijnen Wat gaat de provincie doen? De provincie Zuid-Holland heeft een samenwerkende rol bij het ontwikkelen van erfgoedlijnen. Het ontwikkelen van erfgoedlijnen is een complexe opgave die de provincie samen met andere partijen wil realiseren. Er wordt in co-creatie samengewerkt met vele in- en externe partijen. Rond elke erfgoedlijn is een erfgoedtafel gevormd, waar deze partijen in wisselende samenstelling aanzitten. De erfgoedtafels staan open voor iedereen en worden voorgezeten door onafhankelijke voorzitters. De provincie is ambtelijk vertegenwoordigd in deze erfgoedtafels. Eén keer per jaar heeft de gedeputeerde een intervisieoverleg met de voorzitters van de erfgoedtafels. De erfgoedtafels hebben voor hun eigen erfgoedlijn een ambitie vastgesteld en een bijbehorend afwegingskader voor de beoordeling van uitvoeringsprojecten. Op basis van de ambitie en met behulp van het afwegingskader geven de erfgoedtafels een zwaarwegend advies aan de provincie over de te subsidiëren projecten. Op basis van deze adviezen stellen Gedeputeerde Staten het Maatregelenpakket erfgoedlijnen vast.
Rol Samenwerkend
4.2.4.1 Beschermen, beleven en benutten van archeologische waarden Wat gaat de provincie doen? • • •
Archeologie behouden voor toekomstige generaties (Verdrag van Malta). Draagvlak voor archeologie creëren (politiek en maatschappelijk) Stimuleren wetenschappelijk onderzoek en kennisagenda's
Rolkeuze 1. onder 1 is de rolkeuze: Rechtmatig 2. onder 2 is de rolkeuze: Rechtmatig 3. onder 3 is de rolkeuze: Responsief
Rol Rechtmatig
Uitwerking Beschermen, benutten en beleven van archeologische waarden vormen de kern van het archeologiebeleid van Zuid-Holland en worden gerealiseerd door: 1. Actueel houden van de onderliggende onderzoeksinformatie en kaarten ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en archeologisch onderzoek 2. Het archeologisch depot Zuid-Holland (voor het bewaren, de benutting en de beleving van archeologische vondsten en achterliggende gegevens); 3. Het stimuleren van het draagvlak voor de archeologie in Zuid-Holland (in lijn met de verdragen van Malta en Faro)
Beleidsdoel 5.1 Gezonde natuur 5.1 Gezonde natuur Zuid-Holland heeft landschappen met natuurwaarden die in heel Europa bijzonder zijn: de duinen, de delta en het veenweidegebied. De provincie streeft naar vitale natuur en fraaie landschappen die beginnen bij de voordeur en zich uitstrekken tot de kernen van onze natuur- en groengebieden, verbonden met water en erfgoed. Door overal natuur- en landschapswaarden te versterken, wordt gewerkt aan het behoud en herstel van de biodiversiteit en aan een aantrekkelijke omgeving.
71
De biodiversiteit, de belangrijkste graadmeter voor de kwaliteit van de natuur, daalde de afgelopen decennia sterk. Om te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitats in de provincie, is het hebben van voldoende natuur van goede kwaliteit een vereiste. Dit is niet alleen belangrijk voor de natuur zelf, maar ook voor onze gezondheid, voedselzekerheid, om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en om de bijdrage van natuur aan brede welvaart en leefbaarheid zeker te stellen. Het beschermen van biodiversiteit is daarom vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Per 2030 geldt de opgave om het VHR-doelbereik met 30% te verhogen. Om de gunstige staat te behalen, is realisatie, beheer en bescherming van een robuust netwerk van natuurgebieden nodig, evenals het wegnemen van drukfactoren. Specifiek voor Natura 2000-gebieden geldt dat dit door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen (instandhoudingsdoelen) zijn. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn omschreven in termen van behoud, verbetering van kwaliteit en behoud en uitbreiding van oppervlak. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelen. Uit de KRW volgt dat de (waterkwaliteits-)eisen vanuit Natura 2000 leidend zijn voor de KRW-doelen. Dit betekent dat per 2027 de hydrologische situatie in de Natura 2000-gebieden op orde is.
Ook buiten deze natuurgebieden zijn gezonde, aantrekkelijke landschappen en steden van belang voor het halen van het VHR-doelbereik. De provincie verbindt hierbij natuurwaarden met andere functies, zoals landbouw en wonen. Tegelijkertijd heeft de provincie aandacht voor gezond evenwicht in populaties van planten en dieren, waardoor ingrijpen soms nodig is. Om stappen te zetten richting een natuurinclusieve samenleving in 2050 ondersteunt en stimuleert de provincie de uitvoering van de Groeiagenda natuurinclusief Zuid-Holland 2024-2027. Deze agenda is gericht op draagvlak, adaptatie en internalisering van het thema natuurinclusief. Met als doel om natuurbelangen integraal mee te nemen in andere opgaven, zoals bijvoorbeeld waterkwaliteit, landbouw en verstedelijking.
Maatregelen van 5.1 Gezonde natuur 5.1.1.1 Realiseren begrensde natuur Wat gaat de provincie doen? Realisatie van natuur is een belangrijk middel om specifieke soorten en habitatten te beschermen en in de zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen. Dit wil de provincie bereiken door een robuust netwerk van natuurgebieden, bestaande uit kerngebieden met verbindingszones daartussen te realiseren. De nieuwe natuur wordt ingericht door middel van zelfrealisatie of verwerving, in samenwerking met terrein beherende organisaties, waterschappen, natuurorganisaties, inwoners en ondernemers. Op deze manier wordt samengewerkt aan een samenhangend en verbindend netwerk van duurzaam behouden natuurgebieden. De provincie vult deze rol in door de regie te nemen op de realisatie en als verbinder tussen partijen te bewegen.
Rol Presterend
Uitwerking Natura 2000-gebieden zijn door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen en brengen een wettelijke en Europese verplichting tot realisatie met zich mee. Het NNN is door het Rijk ingevoerd om Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten te beschermen door leefgebieden te behouden en uit te breiden. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelen die betrekking hebben op behoud, verbetering van kwaliteit en uitbreiding van oppervlak van de leefgebieden van soorten. Met het Rijk zijn in het kader van Natuurpact hectaren in te richten NNN afgesproken die eind 2027 gereed moeten zijn. Met de uitvoeringsprogramma's Krimpenerwaard, Gouwe Wiericke, Natuurnetwerk-Zuid Holland (NNZH) en Natura 2000 geeft de provincie hier invulling aan. Dit betreft niet altijd gehele nieuwe verbindingen of gebieden, maar kan ook om cruciale laatste onderdelen (percelen) gaan waardoor de instandhoudings-doelstellingen nu niet bereikt worden. Daarnaast realiseert de provincie in het Buijtenland van Rhoon een gebied met 600 hectare akkernatuur en natuurinclusieve landbouw, inclusief recreatieve voorzieningen en recreatieve poorten.
72
5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden Wat gaat de provincie doen? De provincie wil de natuur- en landschapswaarden zowel binnen als buiten begrensde natuurgebieden behouden en versterken. Voor het behalen van de wettelijke verplichting tot het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn is ook buiten de begrensde natuurgebieden geschikt leefgebied nodig. Daarom werkt de provincie aan: • Soortenbeleid: de provincie stelde 40 icoonsoorten vast die staan voor de diverse kenmerkende natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. De provincie versterkt het leefgebied van deze soorten, ook buiten natuurgebieden. Hiermee geeft zij invulling aan haar wettelijke taak om planten en dieren te beschermen en de staat van instandhouding te verbeteren. • Bos en bomen: De provincie geeft invulling aan de Motie de Spade de grond in en de Motie Duurzaam Bos- en bomenbeleid en start met realisatie van de doelen voor bosuitbreiding van 400 ha zoals genoemd in het Ruimtelijk voorstel, zoals klimaat en biodiversiteit. • Boerenlandvogels: met de acties vanuit het actieplan boerenlandvogels en het aanvalsplan grutto en de inzet van agrariërs via het agrarisch natuurbeheer, zet de provincie in op herstel van de populaties van boerenlandvogels.
• Groenblauwe dooradering: De provincie werkt aan de realisatie van groenblauwe dooradering (10% in 2050 en de helft van het gat tussen de bestaande GBDA en de 10% als tussendoel in 2030). Hiermee draagt zij bij aan de een breed palet aan doelen waaronder biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat.
Rol Rechtmatig
Uitwerking Algemeen Een goed functionerend natuurlijk systeem is een belangrijke randvoorwaarde voor een gezonde en duurzame economie, ruimtelijke ontwikkeling en leefomgeving. Daarom zet Zuid-Holland provincie breed in op een goede kwaliteit van de natuur en het landschap. De provincie werkt met haar partners toe naar een provincie dekkend en fijnmazig systeem van natuur. Hiermee worden de bestaande natuur-, recreatie- en andere groengebieden ondersteund en verbonden en de natuur versterkt in met name het landelijk gebied. Het versterken van natuur- en landschapswaarden levert een belangrijke bijdrage aan de doelen op het vlak van natuur, klimaat, water en landbouw. Om dit proces te ondersteunen worden subsidieregelingen gericht op icoonsoorten, landschapselementen en bosuitbreiding opengesteld. Daarnaast wordt er een bosmakelaar ingezet en afspraken gemaakt over bosuitbreiding in recreatiegebieden. Boerenlandvogels Zuid-Holland is een belangrijke provincie voor boerenlandvogels zoals de grutto, kievit, veldleeuwerik en patrijs. Omdat Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft voor met name de weidevogels stelt de provincie een stijging van het aantal broedparen van de grutto, als vlaggenschip en indicatorsoort voor de weidevogels, met circa 3.500 broedparen als doel. En voor akker- en bollenvogels een stijging van circa 300 paar patrijzen.
Uitgangspunt is hierbij een stijging ten opzichte van het jaar 2019. Deze aantallen kunnen indicatief vertaald worden naar een kwantitatieve opgave van 11.000 extra hectare inzet in het agrarisch natuurbeheer voor weidevogels en 1.900 extra hectare voor akkervogels. Hierbij moet worden opgemerkt dat indien er meer kwaliteit wordt gerealiseerd op bestaand oppervlak agrarisch natuurbeheer of weidevogelreservaat, het benodigd extra aantal hectaren lager zal uitvallen. De extra nationale middelen die per 2026 beschikbaar komen voor Agrarisch Natuurbeheer zullen worden ingezet om hierin samen met boeren stappen te zetten. Waar nodig onderzoekt de provincie de mogelijkheden voor de inzet van aanvullend instrumentarium. Tot slot onderzoekt de provincie hoe de monitoringsinspanningen in verhouding kunnen worden gebracht met de beleidsvragen. Bos en Bomen De provincie wil kansen benutten en creëren voor de uitbreiding van bos en bomen. Bossen leveren veel ecosysteemdiensten en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan veel van de provinciale opgaven zoals recreatie, gezondheid (onder andere door versterken immuunsysteem en verminderen van stress),
73
CO₂-opslag, biodiversiteit en klimaatadaptatie (tegengaan hittestress en opvang overmatige neerslag). Deze bosuitbreidingsambitie is ook onderdeel van het Ruimtelijk Voorstel en komt voort uit afspraken in het kader van het klimaatakkoord. De 400 ha bosuitbreiding in 2030, is globaal onder te verdelen in 150 ha binnen NNN, 150 ha binnen recreatiegebieden en 100 ha daarbuiten. Groenblauwe dooradering Een aaneengesloten afwisseling van water en begroeiing wordt gezien als groenblauwe dooradering. Deze landschapselementen zijn de drager van natuurwaarden in het landelijk gebied en bepalen de regionale identiteit en recreatieve aantrekkelijkheid. Dit netwerk bevordert een natuurlijke verbinding in het landelijk gebied, waardoor planten en dieren kunnen migreren. Deze is nodig voor het benutten en verrijken van natuur voor VHR-soorten en KRW-doelen. De ambitie is gericht op biodiversiteitsherstel, verbetering van de waterkwaliteit, vastleggen van CO₂, klimaatadaptatie, stikstofvermindering en het bereiken van een goede Basiskwaliteit Natuur (BKN) in landelijk gebied.
Icoonsoorten De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld, waarop zij zich bij haar inspanning focust. De icoonsoorten staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met de Zuid-Hollandse natuur. Icoonsoorten worden ook gebruikt om uit te leggen waarom bepaalde ingrepen in de fysieke leefomgeving worden gedaan ter versterking van de biodiversiteit. De provincie stuurt op het structureel benutten van kansen in de fysieke leefomgeving om het leefgebied van icoonsoorten te verbeteren en de biodiversiteit te bevorderen. Zij maakt hier middelen (zoals capaciteit, informatie en/of financiën) voor vrij. Ook wordt de verbetering van het leefgebied van de icoonsoorten, waar mogelijk en zinvol, integraal meegenomen bij ruimtelijke projecten of relevante beleidsvelden van de Provincie Zuid-Holland. Maatregelen gericht op icoonsoorten bevorderen niet alleen het leefgebied van die ene soort; het geldt als een paraplu voor de leefomstandigheden van vele andere soorten. Door icoonsoorten integraal te koppelen aan andere opgaven kan de biodiversiteit worden versterkt.
Denk hierbij aan natuurinclusieve (land)bouw, waarbij binnen de icoonsoorten de prioriteit ligt bij Vogelen Habitatrichtlijnsoorten (VHR) buiten natuurgebieden, aangevuld met de typische Zuid-Hollandse soorten zoals de zandhommel of begeleidende soorten die typisch Zuid-Hollands zijn maar geen VHRsoort zijn.
Faunavoorzieningen bij provinciale infrastructuur Voor het duurzaam voortbestaan van populaties is uitwisseling met soortgenoten uit de omgeving van belang. Infrastructuur zorgt voor versnippering van de leefgebieden. Met faunapassages kan dit ten dele worden verholpen, waardoor de connectiviteit tussen de gebieden voor diverse icoonsoorten wordt verbeterd. Een groenblauw netwerk van voldoende kwaliteit maakt dit mogelijk. De provincie werkt dus actief aan faunavoorzieningen in gebieden waar het Natuurnetwerk Nederland provinciale infrastructuur kruist. Daarbij draagt de provincie waar mogelijk ook bij aan de passeerbaarheid van fauna waar geen Natuurnetwerk Nederland ligt, maar waar wel een faunapassage gewenst is vanuit natuur of (verkeers-)veiligheid. LIFE IP All4Biodiversity Met het programma LIFE IP All4Biodiversity, is een gebiedsgerichte aanpak ontwikkeld voor stakeholders. Het 6-jarige programma eindigt in maart 2026 en maakt onderdeel uit van de aanpak van de Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Zo heeft All4Biodiversity een toolbox ontwikkeld alsmede een training gebiedsgericht werken. De toolbox en de training maken onderdeel uit van de basiskwaliteit natuur waarvan Deltaplan recent een rapport uitbracht. In de toolbox wordt ingegaan op het concept Basiskwaliteit Natuur, een stappenplan met gemeenschappelijke visie tot maatregelen en monitoring.
Het programma LIFE IP All4Biodiversity werkt nu aan de implementatie en het gebruik van de Toolbox en de training in projecten PPLG landelijk waaronder het ZHPLG, in het bijzonder voor het gebied de Mient Kooltuin/Groene Zone.
74
5.1.1.3 Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) Wat gaat de provincie doen? Voor de opgaven op het vlak van natuurherstel, water en bodem en duurzame landbouw werkt de provincie met een programmatische gebiedsgerichte aanpak. Dit betekent dat zij met gebiedspartners in fasen toewerkt naar een steeds concretere invulling van de opgave door verkenning, planuitwerking en realisatie. De provincie organiseert hiervoor onder andere keukentafelgesprekken, dialoogsessies in deelgebieden en ze heeft regiegroepen op kerngebiedsniveau. Dit gebeurt langjarig en hierbij is de provincie gebiedspartner en gebiedsautoriteit. Partner, omdat de provincie nauw samenwerkt, en gebiedspartner, omdat zij richting geeft aan de te behalen doelen en transparant is over haar rol, taken en verantwoordelijkheden. In het kader van het datagedreven ZH-PLG ontwikkelt de provincie digitale informatieproducten die het ZH-PLG en de daarmee samenhangende opgaven faciliteren. De provincie ondersteunt de gebiedsprocessen en draagt bij aan de maatschappelijk gewenste transparantie.
Rol Samenwerkend
Uitwerking Gezien de opgaven op het vlak van natuurherstel, water en bodem en duurzame landbouw introduceerde het Rijk het Nationaal Programma Landelijk gebied. Zij vroeg alle provincies om hier een provinciale aanpak voor te maken. Het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) is de volgende stap naar een duurzame toekomst voor het landelijk gebied. Het is een aanpak om te komen tot een landelijk gebied waar de kwaliteit van het water op orde is, waar flora en fauna kunnen voortbestaan, en dat een bijdrage levert aan de strijd tegen klimaatverandering. Het landelijk gebied biedt ook ruimte voor agrarische ondernemers met duurzame verdienmodellen. De transitie van het landelijk gebied is noodzakelijk. De provincie is zorgvuldig in haar aanpak en werkt in gezamenlijkheid en op een lerende manier naar de toekomst toe. In het ZHPLG neemt de provincie bestaande doelen op het gebied van natuurherstel, water, klimaat en stikstof als uitgangspunt. De doelen op zich zijn niet nieuw en vloeien voort uit (inter)nationale verplichtingen, die vastliggen in wetgeving en bestuursakkoorden. De kracht van het ZHPLG is de samenhangende aanpak, die toekomstbestendig en gebiedsgericht is. Samenhangend doordat de provincie de doelen op gebied van water, natuur en klimaat in één keer aanpakt.
Dit zodat partners en ondernemers, niet eerst voor het ene doel aan de slag hoeven, en dan voor het andere. Tevens is het ZHPLG toekomstbestendig; De provincie richt zich op de middellange termijn maar houdt ook rekening met de uitdagingen in de verdere toekomst. De crux van het programma is dat zij de doelen gebiedsgericht aanpakt. Een aantal doelen zal hiervoor nog regionaal concreet moeten worden. Zonder een zorgvuldige aanpak in de 3 kerngebieden Veenweiden, Zuid-Hollandse Delta en Kust en Duinen, maar ook in de 16 deelgebieden bereikt de provincie de doelen niet. Er is een actief gebiedsproces waarbij de provincie alle partners, ondernemers, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties nodig heeft.
5.1.2.1 Beschermen natuur en soorten Wat gaat de provincie doen? De provincie wil de gunstige staat van instandhouding van de beschermde flora en faunasoorten bereiken en behouden. Daarvoor is bescherming van de gebieden en flora en fauna soorten nodig. Met deze bescherming wil de provincie handelingen die beschermde gebieden en de populatie van beschermde soorten kunnen aantasten, voorkomen of in ieder geval beperken. Naast het beperken van handelingen zet de provincie ook in op de eliminatie en beheer van invasieve exoten. De provincie wil dat de gunstige staat van instandhouding in de planvormingsfase wordt meegenomen. Op deze wijze kan eventuele aantasting van deze status in de besluitvorming worden meegenomen. Dit gaat de provincie bereiken voor wat de soorten- en houtopstanden bescherming betreft via doelmatige en heldere regels voor vergunningen en vrijstellingen. De ruimtelijke bescherming van het Natuurnetwerk
75
Nederland (inclusief de Natura2000 gebieden) en de belangrijke en kansrijke weidevogelgebieden wordt in helder beleid en regels voor bescherming en compensatie bepaald. De provincie onderzoekt hoe zij programma’s kan opstellen en vaststellen voor het aanwijzen van vergunningvrije gevallen voor flora- en fauna-activiteiten. Deze programma’s zijn erop gericht om populaties van soorten te behouden en waar mogelijk te versterken en hebben tevens tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarden mogelijk te maken.
Rol Rechtmatig
Uitwerking Natuur is niet iets dat zich exclusief afspeelt in de beschermde natuurgebieden. Ook de stedelijke en landelijke omgeving in Zuid-Holland vervult een belangrijke waarde voor flora- en faunasoorten. Actieve soortenbescherming vormt daarmee een noodzakelijke en wettelijk vastgelegde aanvulling op de gebiedsbescherming, want de provincie is sinds 2017 verantwoordelijk voor de natuur binnen en buiten natuurgebieden.
Exotenbestrijding Exoten zijn dieren, planten, schimmels of micro-organismen die door menselijk handelen terechtkomen in een gebied waar ze van oorsprong niet voorkwamen, maar zich wel handhaven. Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in zijn nieuwe omgeving. Deze soorten kunnen zich vestigen in de natuur en zich snel vermeerderen. Dit zijn de zogenaamde invasieve exoten. Deze exoten kunnen inheemse soorten verdringen of op een andere manier de omgeving voor deze soorten ongeschikt maken. Daarmee kunnen deze exoten een gevaar vormen voor de biodiversiteit en de wettelijke N2000-doelen. Ook kunnen sommige exoten leiden tot grote economische schade. De provincie vindt de introductie en het vestigen van (nieuwe) exoten binnen de provincie niet wenselijk. De provincie zet in op bestrijding en beheersing van de (invasieve) exoten door middel van preventie, eliminatie en beheer. Wanneer (invasieve) exoten inheemse beschermde flora en fauna schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid, neemt de provincie maatregelen. In toenemende mate krijgt de provincie Zuid-Holland te maken met (al dan niet invasieve) exoten. De schade die invasieve exoten aanbrengen aan de lokale biodiversiteit is op Europees niveau erkend als een gezamenlijk probleem.
Om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan is er daarom een Europese verordening tot stand gekomen die de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor exoten die zijn geplaatst op de zogenaamde Unielijst. De implementatie van EU-exotenverordening (Unielijst) in nationale wetgeving heeft plaatsgevonden door vaststelling van een ministeriële regeling. De provincie is verantwoordelijk voor het bestrijden en beheersen van een aantal exoten zoals benoemd in Bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL. Daarnaast treft de provincie maatregelen tegen invasieve exoten waar de provincie geen wettelijke verplichting voor heeft, als deze inheemse beschermde flora en fauna schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid. Voor het elimineren dan wel beheersen van een tweetal soorten (beverrat en muskusrat) zijn de waterschappen verantwoordelijk. Voor een zestal soorten (de Chinese wolhandkrab en de vijf Amerikaanse rivierkreeften) houdt het Rijk de verantwoordelijkheid. De inzet op de bestrijding en beheersing van invasieve exoten vindt plaats door middel van preventie, eliminatie en beheer. Preventie Het voorkomen dat invasieve soorten in Nederland worden geïntroduceerd en zich vestigen is primair een rol van de Rijksoverheid. De provincie zet zich waar mogelijk in om verdere verspreiding tegen te gaan en daarmee natuurschade te voorkomen.
Eliminatie
76
Als de preventie van de introductie van invasieve uitheemse soorten niet is gelukt en de populatie van deze soort nog klein en beheersbaar is, dan moet snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan ter bescherming van de inheemse flora en fauna noodzakelijk zijn, om de stand van deze exoten tot nul te reduceren om grotere schade in de toekomst te voorkomen. Voor de soorten die zich nog niet hebben gevestigd in Zuid-Holland, zal bij vroegtijdige detectie daarom actief worden ingezet op eliminatie van de betreffende soort. Het tijdig ingrijpen voorkomt in een later stadium een eventuele grotere beheerinspanning. Beheer Voor invasieve exoten die al gevestigd en ruim verspreid zijn, en niet in redelijkheid uit te roeien zijn, worden beheersmaatregelen getroffen. De te treffen maatregelen kunnen variëren van het elimineren in geïsoleerde gebieden of wateren, naar beheersen in de meest kwetsbare gebieden en habitats of tot alleen beheersen daar waar deze soorten ook andere belangen schaden. Bij de aanpak van deze wijdverspreide, niet meer uit te roeien soorten, heeft de provincie een grotere mate van beleidsvrijheid dan bij de nog niet gevestigde en beperkt verspreide, nog uitroeibare soorten. De Europese Exotenverordening is primair bedoeld om schade aan de inheemse beschermde flora en fauna te voorkomen.
Daarom is het uitgangspunt bij exotenbeheer dat de provincie alleen mogelijk zal bijdragen aan de kosten van beheermaatregelen ter bestrijding van wijdverspreide invasieve exoten, indien er (ook) een concreet biodiversiteitsbelang in het geding is. Dit houdt in dat de provincie invasieve exoten beheert die wijdverspreid zijn, maar alleen in en rond eigen gebieden, NNN en N2000-gebieden of als deze soorten een belangrijke populatie Vogel- of Habitatrichtlijnsoorten in het buitengebied bedreigen. Daar waar bestrijding van deze niet meer uitroeibare/ wijdverspreide exoten samenvalt met een publieke taak van een andere overheid dan de provincie en niet of in zeer beperkte mate met het provinciale beschermde biodiversiteitsbelang, ligt het initiatief en de verantwoordelijkheid naar de mening van de provincie bij het betreffende bestuursorgaan. Indien een ander bestuursorgaan of particulier een wijdverspreide exoot wil verwijderen op eigen gronden met beperkt beschermd biodiversiteitsbelang, dan zijn de met bestrijding samenhangende kosten primair voor diens rekening. De keuze voor eliminatie of beheer, wordt bepaald door de mate van vestiging van de invasieve exoot. Nog niet gevestigde invasieve exoten (Unielijst artikel 17-soorten) Exoten die zich nog niet in Nederland gevestigd hebben. Zodra er een populatie is of gaat ontstaan, moet deze volledig worden verwijderd.
Voor deze soorten heeft de provincie de verantwoordelijkheid om deze populaties te verwijderen. Bij melding van een nog uit te roeien soort benadert de provincie de terreineigenaren. De terreineigenaar kan uitroeiingsmaatregelen treffen of de provincie geeft een derde partij opdracht dat te doen. De kosten voor eliminatie, indien de eliminatie niet meegenomen kan worden bij het reguliere beheer, worden door de provincie gedragen. Gevestigde invasieve exoten (Unielijst artikel 19-soorten) Exoten die al in ons land gevestigd waren op het moment van plaatsing op de Unielijst. De maatregelen kunnen gericht zijn op uitroeien, beheersen of indammen. Daarbij is landelijk er een onderscheid gemaakt tussen: 1. Uitroeibare soorten (artikel 19a-soorten): exoten die zich al in ons land hebben gevestigd maar nog maar op één of enkele locaties voor komen. Dergelijke soorten kunnen met de nodige inspanningen nog volledig worden uitgeroeid. Voor de aanpak van deze exoten neemt de provincie het initiatief en maakt afspraken met stakeholders over uitroeiing van deze soorten. 2. Wijdverspreide soorten (artikel 19b-soorten): deze exoten hebben zich in ons land gevestigd en zijn inmiddels zo wijdverspreid dat volledige uitroeiing in heel Nederland niet meer tot de mogelijkheden behoort.
Bij de aanpak van deze wijdverspreide, niet meer uitroeibare soorten, heeft de provincie een grotere mate van beleidsvrijheid dan bij de nog niet gevestigde en beperkt verspreide, nog uitroeibare soorten. Er mag geprioriteerd worden. Andere overheden en terreineigenaren hebben een medeverantwoordelijkheid voor hun publieke taak en/of privaat eigendom. Daar waar bestrijding/beheer van wijdverspreide exoten samenvalt met een publieke taak van een andere overheid, en niet of in zeer beperkte mate met het provinciale beschermde biodiversiteitsbelang, ligt het initiatief en de verantwoordelijkheid bij het betreffende bestuursorgaan en komen de met de bestrijding en samenhangende kosten komen in dat geval voor diens rekening. Hetzelfde geldt voor particulieren of particuliere organisaties. Dit sluit een bijdrage van de provincie in de kosten op voorhand niet uit, mits er (ook) een biodiversiteitsbelang in het geding is. Het provinciale biodiversiteitsbelang ligt vooral in de hiertoe aangewezen Natura 2000-gebieden, de wezenlijke kenmerken en
77
waarden van het Natuurnetwerk Nederland, ter bescherming van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten of rode lijst soorten buiten deze gebieden. Exoten die niet in bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL staan Naast de maatregelen om een verdere verspreiding van de Unielijstsoorten tegen te gaan, kan de provincie maatregelen nemen tegen invasieve exoten die niet in bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL staan, hierbij hanteert de provincie dezelfde aanpak als bij beheersbare soorten (artikel 19b-soorten). Om schade aan landbouw gewassen te beperken dan wel te voorkomen maakt de provincie het mogelijk voor zo ver het fauna betreft om maatregelen te nemen tegen een exoot indien deze schade veroorzaakt aan landbouwgewassen.
Plan van aanpak invasieve exoten De eliminatie of beheer van invasieve exoten wordt verder uitgewerkt in een plan van aanpak invasieve exoten in samenwerking met een vertegenwoordiging van o.a. terrein beherende organisaties waaronder; natuurbeheerders, gemeenten en waterschappen. Wildopvang Ook dierenopvang betreft (beschermde) diersoorten. Het gaat hier echter over zorg voor individuele exemplaren en dient daarmee een ander doel dan de wettelijke taak van de provincie ten aanzien van behoud van natuur en biodiversiteit. Dierenopvang vervult vooral een maatschappelijke functie en draagt niet bij aan de bescherming of het verbeteren van het leefgebied van beschermde inheemse soorten noch aan de gunstige staat van instandhouding van beschermde diersoorten. Dierenopvang-organisaties maken geen onderscheid tussen dieren. Dit betekent dat deze organisaties bijvoorbeeld ook (al dan niet invasieve) exoten opvangen en weer uitzetten, evenals soorten waarvan de populatie in Zuid-Holland beheerd wordt in verband met schade aan de biodiversiteit, landbouw of risico's op de veiligheid. Dierenopvang wordt dan ook niet vanuit het soortenbeleid ondersteund.
Bescherming en compensatie Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelgebieden De provincie is verantwoordelijk voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van het NNN en heeft zich als doel gesteld de weidevogelstand te verbeteren onder andere door de belangrijke en kansrijke weidevogelgebieden te beschermen. De provincie ziet erop toe dat er geen omgevingsplannen binnen deze beschermde gebieden worden aangewezen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten of beperken. De provincie maakt voor het NNN een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden. Een duidelijke beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden oftewel de belangrijkste kenmerken en natuurwaarden voor de verschillende natuurgebieden kan als input worden gebruikt bij de ontwikkeling van de natuurgebieden en helpt de gemeente bij het toetsen van de effecten van ruimtelijke plannen. Door deze beschrijving toegankelijk te maken hebben gemeente en initiatiefnemer snel inzicht in de waarden van de natuurgebieden en beter inzicht of een ontwikkeling binnen de beschermde gebieden mogelijk is zonder de gebieden aan te tasten. Dit voorkomt onnodige inspanning en handelingen bij zowel de overheid als de initiatiefnemers. Daarnaast wordt onnodige aantasting van de gebieden voorkomen.
In de agrarische graslandgebieden in de provincie zijn gebieden waar hoge aantallen weidevogels voorkomen. Daarnaast zijn er ook (potentieel) waardevolle gebieden met lagere aantallen weidevogels waar nu extra wordt geïnvesteerd om de kwaliteit van de gebieden voor weidevogels te verbeteren. Om deze gebieden te behouden en versterken, is het nodig deze te beschermen tegen aantasting door ontwikkelingen. De provincie heeft deze gebieden aangeduid als belangrijk weidevogelgebied en kansrijk weidevogelgebied. In belangrijke weidevogelgebieden bevinden zich hoge aantallen broedende weidevogels en hier zijn we kritisch op ontwikkelingen. In de kansrijke gebieden liggen de aantallen broedende weidevogels lager en hier is bijvoorbeeld meer ruimte voor ontwikkelingen binnen de agrarische sector. In beide typen gebieden geldt dat wanneer bepaalde ontwikkelingen leiden tot een significante aantasting, dit moet worden gecompenseerd. Compensatie In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. Als na afweging van alle belangen een ingreep in de gebieden onvermijdelijk is, moet er worden gecompenseerd zodat de natuurwaarden per saldo niet afnemen. De provincie