RES - Handreiking besluitvorming.pdf
Tekst van het document
Handreiking besluitvorming Bedoeld als basis voor voorstel aan DB’s en AB’s Regionale Energiestrategie 1.0
1. Beslispunten •
Het college besluit o de RES voor te leggen aan de Raad/Staten/AB, met positief advies op de volgende bijbehorende beslispunten ▪ de RES vast te stellen als uitwerking van eerdere afspraken waarin de gemeente/provincie/waterschap deel heeft, waaronder: • het Energieakkoord Holland Rijnland uit 2017 waarin de ambitie is opgenomen om in 2050 energieneutraal te zijn • het Nationale Klimaatakkoord, met daarin de CO2-reductie doelstelling voor 2030. ▪ te inventariseren uiterlijk 1 oktober 2021 welke acties nodig zijn om verder invulling te geven aan de RES ▪ de RES uit te werken in het lokaal (omgevings-)beleid, in afstemming met de Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland o het PHO+ Energie als bestuurlijk afstemplatform van de RES Holland Rijnland te verzoeken een procesplan RES 2.0 op te stellen dat voorziet in verdere concretisering, uitwerking van de RES 1.0 tot RES 2.0.
•
Raad/Staten/AB o besluit(en) de RES vast te stellen o geeft/geven het college de opdracht de RES uit te werken en verankeren in het lokaal (omgevings-)beleid, in afstemming met de Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland
2. Inleiding en context De RES als onderdeel van het Klimaatakkoord en bestuurlijke samenwerking In 2019 is het Klimaatakkoord gepresenteerd. Nederland gaf hiermee invulling aan de internationale klimaatafspraken van Parijs. Daarin maakten 195 landen afspraken om de CO 2-uitstoot te verminderen en zo de wereldwijde temperatuurstijging tot 2 graden Celsius te beperken. Het Nationale Klimaatakkoord is zowel door het Kabinet als de decentrale overheden onderschreven. Dat laatste is gebeurd via de koepelorganisaties VNG, IPO, UvW, waarbij aanvullende voorwaarden gesteld zijn. In het Klimaatakkoord staat onder meer dat dertig energieregio’s in Nederland onderzoeken waar en hoe ze kunnen bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. Ze leggen dit vast in een eigen Regionale Energie Strategie (RES). De RES 1.0 is dus geen doel op zich, maar een middel om onderdelen van het Nationale Klimaatakkoord te realiseren. De RES 1.0 is een belangrijke tussenstap op weg naar 2030 (49% CO2 reductie) en uiteindelijk 2050 (95% CO2 reductie). Per 1 juli 2021 wordt elke regio gevraagd de RES 1.0 aan het NP RES te leveren. De RES wordt tweejaarlijks geactualiseerd, waarbij ruimte bestaat voor nadere uitwerking en aanpassingen. De RES maakt onderdeel uit van het Nationaal Programma RES, een gezamenlijke interbestuurlijk programma van Rijk en decentrale overheden, inclusief de VNG.
Het NP RES vraagt alle regio´s de
1 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
RES 1.0 per 1 juli 2021 aan te leveren. Holland Rijnland is één van die dertig regio’s. De RES kent zijn basis onder meer in het Regionale Energieakkoord uit 2017. Hierin is door de samenwerkende overheden in Holland Rijnland uitgesproken om in 2050 energieneutraal te zijn. De RES gaat in elk geval in op opwek van hernieuwbare elektriciteit en warmte. Vanuit de gezamenlijke ambitie zijn besparing en mobiliteit ook onderdeel van de RES Holland Rijnland. De RES Holland Rijnland is een product van samenwerking tussen 13 gemeenten, de provincie, twee waterschappen en netbeheerder Liander 1. Tevens zijn via een intensief proces vele andere lokale en regionale partijen, inwoners en bedrijven betrokken. Besluitvorming over de RES vindt plaats in de volksvertegenwoordigende organen van de deelnemende overheden: de Raden, Staten en Algemene Besturen van de Waterschappen. De RES 1.0 is een belangrijke tussenstap op weg naar de ambities voor 2030, en vervolgens 2050. Gedurende de komende jaren zal de RES verder ontwikkeld en uitgewerkt worden, waarbij nieuwe inzichten en kansen een plek zullen krijgen. Dit betekent ook dat de RES geen blauwdruk is als basis voor uitvoering. Het is een gezamenlijke regionale richtinggevende strategie, als basis voor nadere uitwerking (zie ook paragraaf 4). Doorvertaling en verankering van de RES naar beleid is voorbehouden aan de individuele overheden.
Inhoud en afbakening RES De RES gaat minimaal in op de onderwerpen elektriciteit en warmte. De RES Holland Rijnland beschouwt daarnaast ook de onderwerpen mobiliteit en besparing (zie ook paragraaf 3). Voor elektriciteit is deze gericht op realisatie van zonne- en windenergie in 2030, waarvoor de vergunningen per 2025 verleend moeten zijn. De RES wordt geacht inzicht te geven in de regionale bijdrage aan de nationale opgave van 35 TWh aan grootschalige duurzame opwek van elektriciteit per 20302. Deze bestaat uit bijdragen aan elektriciteit vanuit: 1. Zonnepanelen op grote daken 2. Zonnevelden 3. Wind op land In het Klimaatakkoord zijn daarnaast ook afspraken gemaakt over wind op zee (49 TWh) en kleine daken (7 TWh). Deze kleine daken3 passen ook in de ambitie van de regio, maar tellen niet mee in de bijdrage aan de nationale opgave voor grootschalige opwek van 35 TWh. Inzet op innovatie door de regio kan uiteraard onderdeel zijn van de inzet, maar alleen bewezen technieken (zon en wind) tellen mee in de bijdrage aan de nationale opgave voor elektriciteit.
1
De RES is geen product van de gemeenschappelijke regeling Holland Rijnland. De GR Holland Rijnland heeft geen formele rol in de besluitvorming van de RES 1.0. 2 Er is geen relatie aangebracht tussen de elektriciteitsopwek en verwarming van de gebouwde omgeving. Ofwel: Inzet op besparing vanuit verwarming telt niet als bijdrage aan de elektriciteitsopgave. 3 Grens ligt bij 15 kWp = ca. 50 panelen
2 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
In alle RES-regio’s is de afgelopen periode hard gewerkt aan bijdragen aan de nationale opgave. Analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op basis van de Concept RES’en leren dat Nederland op koers ligt, maar dat de speling beperkt is. Voor warmte is de RES 1.0 gericht op keuzes over de regionale warmtestructuur in 2023 (RES 2.0), waaronder de koppeling van vraag en bovenlokale bronnen. Dit om in 2030, in lijn met de ambities uit het Klimaatakkoord, voldoende woningen en andere gebouwen op een andere manier dan met aardgas te voorzien van warmte. Voor de periode na 2030 zullen naar verwachting ook andere energiebronnen en -technieken dan zon en wind grootschalig inzetbaar zijn. Hierbij wordt in elk geval gekeken naar de toepassing van waterstof, eventueel naar kernenergie en wellicht andere vormen van opwek die we nu niet kennen. Grootschalige inzet hiervan voor 2030 is niet realistisch. Zo wordt er ten aanzien van kernenergie een landelijke marktconsultatie uitgevoerd om in beeld te brengen of en onder welke voorwaarden marktpartijen bereid zijn hierin te investeren.
3. Ambitie Bij instemming over de RES wordt een belangrijke stap in de regionale energietransitie binnen Holland Rijnland gezet. De RES geeft richting om verdere stappen te zetten, op lokaal niveau, en ook in regionale samenhang. In het vervolg en de verdere uitwerking is nadrukkelijk ruimte voor het verwerken van nieuwe inzichten. Op weg naar 2030, en zeker naar 2050, zullen onderdelen toegevoegd worden, afvallen, onder meer aan de hand van nieuwe inzichten, kansen en barrières. Voor de periode na 2030 geldt dat ook de mogelijkheid bestaat dat andere, nu mogelijk nog nieuwe technieken, een plek in de strategie kunnen krijgen. Hierbij kan worden gedacht aan toepassing van waterstof, kernenergie, maar mogelijk ook nu nog onbekende technieken. Daarbij geldt: onze regionale ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn staat. De ambitie voor 2030 is in lijn met de doelstellingen uit het Regionale Energieakkoord uit 2017. We zetten in op een gebalanceerde combinatie van inzet op besparing, mobiliteit, warmtevoorziening in de gebouwde omgeving en opwek van hernieuwbare elektriciteit. De laatste twee zijn standaard onderwerpen in de RES. Vanuit de gezamenlijke ambitie uit het Energieakkoord, zijn ook de onderwerpen energiebesparing en duurzame mobiliteit onderdeel van de RES. Besparen is essentieel: wat niet gebruikt wordt, hoeft niet opgewekt te worden, en beperkt ruimteclaims.
4 Mobiliteit zorgt voor aanzienlijk verbruik van energie en heeft daarmee grote invloed op het energiesysteem. Op deze manier sluit de RES aan op de bestaande uitvoeringslijnen uit het Regionale Energieakkoord. Paragraaf 6 licht deze ambities nader toe. Het waarmaken van deze ambitie is een grote opgave. De opgave en de bijbehorende lusten en lasten, waaronder die van de opwek van hernieuwbare elektriciteit, wordt evenredig verdeeld over de regio, rekening houdend met de mogelijkheden van elke gemeente. Dit is een belangrijke bestuurlijke afspraak.
4
Hiermee lopen we vooruit op de landelijke trend: de motie Dik-Faber en Van der Lee (Kamerstuk 32 813, nr. 814) verzoekt de regering te bevorderen dat in de RES’en ook aandacht wordt besteed aan de energiebesparingsopgave in de gebouwde omgeving, en die ook inzichtelijk te maken.
3 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
De invulling van de ambitie vraagt om invulling van voorwaarden, waarbij de samenwerkende partijen afhankelijk zijn van anderen en met name het Rijk. Ondersteuning vanuit het Rijk met passende financiële en andersoortige middelen is onontbeerlijk voor het verdere proces en met name in de uitvoering. Voldoende sturingsmiddelen en instrumenten zijn nodig om de ambities kracht bij te zetten. Hierbij is in het bijzonder de Wet Collectieve Warmtevoorzieningen (Warmtewet 2.0) van belang. Hierin worden de borging en sturingsmogelijkheden op leveringszekerheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van het toekomstige warmtesysteem geregeld. Ook kan worden gedacht aan mogelijkheden om te kunnen sturen op besparing en zon op dak. Dit laatste is ook vanuit de acceptatie voor zon en wind in buitengebied van groot belang. Ook is op onderdelen continuering, aanpassing of uitbreiding van (stimulerings)maatregelen nodig. Hierbij kan worden gedacht aan de salderingsregeling, postcoderoosregeling en SDE++ regeling. Maar ook aan ondersteuning van inzet van aardgasvervangers om ook op prijs te kunnen concurreren voor warmtevoorziening, en landelijke stimuleringsmaatregelen voor technologische ontwikkelingen voor bijvoorbeeld mobiliteit.
4. Status en doorwerking van de RES De RES is een politiek-bestuurlijk document dat keuzes markeert en richting geeft, oftewel een strategische verkenning. De RES kent geen binding richting derden, en het is in die zin geen ‘plan’ of beleidsdocument. De RES vraagt om vertaling naar (lokale en bovenlokale) projecten en (ruimtelijk) beleid om tot realisatie te kunnen komen. De individuele RES-partners zijn hiervoor aan zet: zij bepalen hoe de RES verder wordt uitgewerkt en vertaald wordt naar beleid. De RES vormt een bouwsteen voor aanpassing van het omgevings- of ruimtelijke beleid. Dat gebeurt bijvoorbeeld in structuur- of omgevingsvisies en/of in ander beleid (omgevings-, ruimtelijk, duurzaamheids-, energiebeleid of andersoortig). Dat kan leiden tot bijvoorbeeld aanpassing van beleid of het organiseren van het samenspel tussen marktpartijen, overheden, maatschappelijke partijen en bewoners. Integrale afweging van de ruimtelijke effecten ten opzichte van andere toekomstige ruimteclaims zal plaatsvinden in de Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland, dat in de zomer van 2021 door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland zal worden vastgesteld. De aard van de opgave vraagt daarbij om opvolging in regionaal verband: Juist in de bovenlokale afstemming zit meerwaarde.
Alleen in onderlinge samenhang tussen de partijen kan worden bekeken hoe met de (boven)lokale inzet de overkoepelende ambitie en inzet van de gezamenlijke partijen behaald wordt. En welke bijsturing eventueel nodig is. Door de RES vast te stellen scharen de samenwerkende partijen zich achter de ambitie. En is het een herbevestiging van de gezamenlijke opgave en de bijbehorende bovenlokale kansen en onderlinge afhankelijkheid. En spreken ze uit zich verder in onderlinge samenwerking in te zetten om de ambities te realiseren. De RES omvat hiermee niet slechts gezamenlijke constateringen. De strategie geeft richting door regionale keuzes te markeren. Met het vaststellen van de RES committeren de partners (overheden) zich aan de inhoudelijke keuzes (paragraaf 6) en aan een gezamenlijk vervolg: (proces)afspraken over de doorwerking en uitwerking, inclusief de benodigde bovenlokale afstemming (paragraaf 8).
5. Proces en participatie Op 27 september 2017 ondertekenden achttien partijen het Energieakkoord Holland Rijnland. Dit waren de - destijds nog veertien - gemeenten van de regio Holland Rijnland, de provincie ZuidHolland, de Omgevingsdienst West-Holland, het Hoogheemraadschap van Rijnland en het
4 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
samenwerkingsverband Holland Rijnland. Sinds 2017 werken deze partijen samen aan de regionale ambitie om in 2050 een energieneutrale regio te zijn. Het Energieakkoord stelt concrete tussendoelen voor 2025. Hoe we deze tussendoelen bereiken, staat in een uitvoeringsprogramma dat we jaarlijks evalueren. Bij de ontwikkeling van het nationale Klimaatakkoord bleek in 2018 dat 30 regio’s een RES moesten opstellen. Daarin geeft elke regio aan wat haar ambities zijn gericht op 2030, met een doorkijk naar 2050. In 2019 en de eerste helft van 2020 is gewerkt aan de Concept RES. Die is tot stand gekomen in een intensief samenwerkingsproces tussen publieke partners, de netbeheerder en brede belanghebbenden. Het document is medio 2020 voorgelegd aan de dagelijkse besturen (DB) van de overheidspartners (gemeenten, provincie en waterschappen). Elk DB heeft er voor gekozen om dit te behandelen in haar eigen Raad, de Staten of de Verenigde Vergadering, waarbij zij wensen en bedenkingen konden indienen. Ook de Programmaraad, een adviserend orgaan waarin het bedrijfsleven en maatschappelijke partners zijn vertegenwoordigd, heeft wensen en bedenkingen ingediend. Op basis hiervan heeft de voorzitter van de Stuurgroep eind september 2020 de Concept RES met de ontvangen wensen en bedenkingen aan het NP RES aangeboden.
In de periode daarna is volop ingezet op enerzijds participatie met inwoners en anderzijds op verdere uitwerking van de inhoudelijke thema’s. Basis hiervoor was enerzijds de inhoud van de Concept RES en anderzijds de verzamelde wensen en bedenkingen. Participatie met inwoners heeft eind 2020 (doorlopend naar begin 2021) plaatsgevonden over de energietransitie en de RES in het bijzonder. Dat gebeurde op regionaal en lokaal niveau, op velerlei manieren en daarbij zoekend naar de juiste wijze, rekening houdend met de beperkingen door de Covid-pandemie. In totaal zijn meer dan 10.000 inwoners betrokken, via webinars, enquêtes, straatgesprekken en op andere wijze. De nadruk daarbij lag op lokale activiteiten. Het lijkt erop dat veel inwoners zich bewust zijn van de noodzaak dat er verduurzaamt moet worden en dat daarvoor ook flink wat dient te gebeuren. Deze eerste activiteiten en opbrengsten zijn de eerste stap in een langdurig participatieproces over de energietransitie. Ook hebben diverse bijeenkomsten met volksvertegenwoordigers plaatsgevonden. De inhoudelijke uitwerking heeft plaatsgevonden in diverse (ambtelijke) werkgroepen waarin alle gemeenten deel konden nemen. Daarna volgde terugkoppelingen en overleg op bestuurlijk niveau. De opbrengst van het participatieproces is in januari 2021 verzameld, en is meegenomen en verwerkt in de voorliggende RES.
6. Besluitvorming in regionale samenhang Op 31 maart 2021 heeft het overleg van de betrokken bestuurders (Portefeuillehoudersoverleg +, kortweg PHO+) de RES 1.0 vrijgegeven voor besluitvorming. Deze besluitvorming over de RES vindt plaats in de volksvertegenwoordigende organen van de individuele samenwerkende overheden. Besluitvorming vindt zo veel als mogelijk geharmoniseerd (met dezelfde besluiten en met standaard teksten) plaats, waarbij een bepaalde mate van maatwerk mogelijk is mits de kern van het besluit overeind blijft.
5 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
De RES is één gezamenlijk document van alle samenwerkende partijen, dat breed gedragen wordt. Het is identiek voor alle partijen. Verschillen van inzicht omtrent de RES leiden niet tot aanpassing van de RES zelf, maar kunnen doorwerken in de verdere uitwerking of vertaling naar beleid van de betreffende overheid. Eventuele moties kunnen worden ingediend bij het eigen college van de individuele overheden. Aangezien de RES een samenwerking is van verschillende organisaties, kan deze zelf geen moties ontvangen of hieraan opvolging geven. Effecten van moties krijgen hun beslag in de lokale uitwerking (verankering in beleid) en kunnen voor wat betreft het document RES op zijn vroegst in de RES 2.0 verwerkt worden. Amendementen kunnen een (complicerende) invloed hebben op de besluitvorming van de RES. Mogelijke gevolgen hiervan zijn niet bij voorbaat inzichtelijk te maken. Een amendement (wijziging van de RES-tekst) kan alleen tot aanpassing van de RES 1.0 leiden als alle RES-partners dit steunen. Indien dit niet het geval is, dan zal het amendement worden meegenomen voor uitwerking in de ontwikkeling van de RES 2.0.
7. Richting en keuzes per thema in de RES 7.1 Energiebesparing Als eerste moeten we besparen. Want wat niet wordt gebruikt, hoeft niet te worden opgewekt. De ambitie voor besparing is minimaal 1,1 TWh in 2030 oftewel 11 procent minder dan in 2014. Dat doen we door 11 procent te besparen op mobiliteit en 15 procent op de gebouwde omgeving. In woningen kunnen we vooral besparen op warmte. Bij diensten doen we dat ook ook op elektriciteit. Besparing is een gemeentelijke verantwoordelijkheid en taak. Focus van besparing ligt op de gebouwde omgeving (warmte in woningen, elektriciteit en warmte in utiliteiten). In regioverband wordt ook voor mobiliteit actief ingezet op besparing. Besparing gericht op de land- en tuinbouw en industrie kan onderwerp van kennis- en informatie uitwisseling zijn in de regio en mogelijke nadere samenwerking op subregionaal verband.
7.2 Duurzame mobiliteit Wij zetten in op schonere, slimmere en andere mobiliteit. Dit leidt tot de volgende twee concrete doelen: • Reductie van de CO2 uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland met 22 procent in 2030 ten opzichte van 1990 • Reductie van het energieverbruik door mobiliteit in Holland Rijnland met minimaal 11 procent in 2030 ten opzichte van 2014 Er is in kaart gebracht welke maatregelen bijdragen aan het behalen van deze doelen. Verdere uitwerking hiervan vindt plaats na vaststelling van de RES 1.0 en de Regionale Strategie Mobiliteit.
7.3 Warmte De voorkeursvolgorde van warmtebronnen, de zogenaamde warmteladder, is als volgt: 1: Restwarmte 2: Geothermie 3: Aquathermie (i.c.m.Warmte- en Koudeopslag WKO)
6 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
4: Open WKO's 5: Warmtepompen en all-electric oplossingen 6: Groen Gas 7: Biomassa Deze ladder is onder andere gebaseerd op het principe dat we elektrificatie van de warmtevraag zoveel mogelijk proberen te voorkomen. We volgen de mogelijkheden voor toepassing van waterstof5 als techniek in de gebouwde omgeving met belangstelling. De huidige verwachting is dat dit nog geen rol van betekenis zal vervullen voor 2030. Daarbij geldt dat groene waterstof leidt tot aanvullend benodigde opwek van hernieuwbare elektriciteit (windmolens en zonnepanelen). Collectieve warmtesystemen, oftewel warmtenetten, lijken voor een groot deel van de regio de meest geschikte manier voor verwarming. Om beter zicht te krijgen op de bronnen die het warmtenet gaan voeden, zijn er verschillende nieuwe onderzoeken gedaan naar bijvoorbeeld restwarmte, geothermie en aquathermie. Ruimte bestaat daarbij voor oplossingen die de gedeeltelijke elektrificatie van de warmtevraag met zich meebrengen (zoals bijvoorbeeld aquathermie en hybride warmtepompen); De verwachting is dat waarschijnlijk voldoende duurzame bronnen (restwarmte, geothermie, aquathermie, groen gas) beschikbaar kunnen zijn om in 2050 de gebouwde omgeving te verwarmen. Voorwaarden hierbij zijn: • Minimaal 15 procent besparing op warmte. Vooral door woningen te isoleren tot minimaal label D en bedrijven en utiliteitsgebouwen tot label B.
• Er restwarmte komt uit Rotterdam (via WarmtelinQ). • Goede samenwerking tussen de RES-partners om bovenlokale kansen te identificeren, af te stemmen en zo mogelijk te realiseren. Als regisseur van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving werkt elke gemeente aan een Transitievisie Warmte (TVW). Optimale afstemming van lokale vraag en warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie vragen afstemming en samenwerking tussen gemeenten. Op basis van de RES 1.0 gaat gewerkt worden aan regionale principes over warmteinzet (koppelen vraag en aanbod en de benodigde bovenlokale infrastructuur).
7.4 Elektriciteit De regionale ambitie is om in 2030 1,05 TWh aanvullende opwek van hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd te hebben. Dit is een passende inzet voor de regio en in lijn met de ambities uit het Regionale Energieakkoord en de nationale opgave van 35 TWh. Deze inzet wordt opgewekt door een combinatie van zonnepanelen op (grote) daken en zonnevelden en windturbines. Om in 2030 de opwek gerealiseerd te hebben, moeten begin 2025 de benodigde vergunningen verleend zijn. Dit vraagt om voortvarende verdere uitwerking en concretisering van de ambities. De RES 1.0 is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de regionale netbeheerder Liander. De ontwikkelingen en plannen voor de regio Holland Rijnland leiden onder meer tot stevige groei van de vraag naar elektriciteit. Denk bijvoorbeeld aan de verwachte toename van elektrisch vervoer en warmtepompen, en de woningbouwplannen. Dit betekent dat Liander de komende jaren de 5
Waterstof is geen bron, maar een energiedrager. Groene (duurzame) waterstof wordt geproduceerd met groene (duurzame) elektriciteit.
7 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
elektriciteitsnetten fors moet uitbreiden. Daarmee worden direct 'stopcontacten' gecreëerd, waarop latere lokale wind of zon projecten kunnen worden aangesloten. Dat zijn no-regret investeringen die hoe dan ook nodig zijn om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen. De verhouding tussen opwek via zon en via wind is opgenomen in de analyses. Door deze samenwerking hebben we alle plannen integraal kunnen beoordelen. Zo wordt o.a. voorkomen dat extra elektriciteitsstations moeten worden gebouwd met verder oplopende kosten tot gevolg. Zon op Daken We zetten zoveel mogelijk in op het opwekken van zonne-energie op daken, ook om de ruimtelijke claims op het buitengebied te beperken. Die inzet doen we binnen de marges van de netcapaciteit en de optimale verhouding in opgesteld vermogen voor wind- en zonne-energie. Concreet gaat dit om 0,25 TWh aan elektriciteit op grote daken. Ook voor de opwek van elektriciteit op kleine daken is de regionale inzet stevig: 0,24 TWh (deze telt niet mee in de regionale bijdrage aan de nationale opgave). Het realiseren van de betreffende opwek is een taak en verantwoordelijkheid van gemeenten. In hun lokale beleid richten gemeenten zich onder meer op het wegnemen van specifieke belemmeringen voor specifieke doelgroepen.
In regionaal verband wordt kennis uitgewisseld en bovendien worden de vorderingen regulier gemonitord als basis voor mogelijke bijsturing. Zonnevelden en windturbines Voor invulling van de ambitie van dit deel (0,8 TWh) zijn zoekgebieden bepaald. De Concept RES bevatte op dit onderwerp twee denkrichtingen als basis voor verdere uitwerking. Aan de hand van onder meer bestuurlijke weging van de wensen en bedenkingen zijn deze samengebracht tot één kansenkaart. Deze kansenkaart vormde de basis voor de verdere (lokale) participatie rondom dit onderwerp. Op basis daarvan heeft een nadere gezamenlijke beschouwing plaatsgevonden van mogelijke gebieden. Hierbij is gekeken naar (on)mogelijkheden vanuit het elektriciteitsnetwerk, de ruimtelijke kwaliteit en het bestuurlijke en maatschappelijke draagvlak. Daarbij zijn zogenaamde ‘niet te mitigeren restricties’ voor milieu en veiligheid verwerkt. De (bestuurlijke) duiding van (lokale) participatie is hierin ook nadrukkelijk verwerkt, hetgeen veelal heeft geleid tot het verkleinen van de potentiele grotere zoekgebieden. De zoekgebieden zijn ruimtelijk geduid en bevinden zich voor een groot deel langs (rijks)infrastructuur. De kaart in het document RES 1.0 markeert deze zoekgebieden.
Het betreft gebieden die voldoende kansrijk worden geacht een bijdrage te leveren aan de regionale ambitie, om nader uit te werken en te concretiseren richting de RES 2.0. De gemarkeerde gebieden kunnen allemaal bijdragen aan de regionale ambitie. In een gemarkeerd gebied wordt gezocht naar mogelijkheden voor duurzame opwek. Om deze bijdrage te concretiseren, is de komende periode aanvullende (lokale of bovenlokale) uitwerking nodig. In een gemarkeerd gebied wordt gezocht naar mogelijkheden voor opwek van hernieuwbare elektriciteit. Ook de PlanMER die momenteel wordt opgesteld, zal hierbij worden meegenomen. Op dit moment kan nog niet worden gezegd welke of welk deel van de zoekgebieden uiteindelijk gerealiseerd wordt. De gemarkeerde zoekgebieden dekken theoretisch de genoemde ambitie. Wanneer gedurende de uitwerking blijkt dat de regionale ambitie niet gehaald wordt, dan zal in eerste instantie binnen de
8 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)
reservezoekgebieden worden gezocht naar mogelijkheden. De deelnemers aan de RES zien het tevens het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de komende periode op zoek te gaan naar aanvullende kansen en zoekgebieden voor duurzame opwek. Ook gaat elke deelnemende overheid aan de slag met inventarisatie van de benodigde aanpassingen van beleid.
8. Vervolg Terugmelding van de besluitvorming in de individuele overheden vindt plaats voor 1 juli 2021 in het PHO+, via de Stuurgroep. Hierna biedt de Stuurgroep de RES 1.0 (per brief) aan namens de regiopartners aan het NP RES. Elke deelnemende partij zet zich in om de ambitie van de RES 1.0 te realiseren en werkt verder aan uitwerking, voorbereiding en realisatie van de benodigde maatregelen. Dit gebeurt in elk geval in de vorm van een inventarisatie van benodigde aanpassingen van beleid, uitwerking van zoekgebieden en afstemming in het kader van de regionale structuur warmte. Om de ambities uit te werken en waar te maken, is verdere samenwerking nodig. Opvolging van de RES vraagt in ieder geval om een regulier regionaal bestuurlijk gesprek over de voortgang en het doelbereik: liggen we op koers voor onze ambities? Als basis hiervoor wordt op regionale schaal door de RES-organisatie de voortgang gemonitord op basis van informatie die door de deelnemende overheden wordt aangeleverd. Aanvullend vraagt de opvolging om bovenlokale afstemming van de concretisering van de plannen, kennisuitwisseling, maar ook het gezamenlijk ontwikkelen van de RES 2.0. Welke activiteiten en verantwoordelijkheden daarbij lokaal, of regionaal belegd worden, zal worden uitgewerkt in het procesplan voor de RES 2.0.
Dat is een separaat document, dat dit najaar wordt voorgelegd aan colleges ter vaststelling. Op dit moment is de toekomst van de programmastructuur van NP RES en de financiering nog onvoldoende duidelijk.
9 Oplegger besluitvorming RES 1.0 Holland Rijnland (6 april 2021)