Reactie op technische vragen van VVD over raadsvoorstel zienswijze RIA HR
Tekst van het document
Reactie op technische vragen van de VVD over raadsvoorstel zienswijze RIA Holland Rijnland geagendeerd voor de MR van 24-10.
In het algemeen kan worden opgemerkt dat de ontwikkelingen van de verordening, ook na het ter visie leggen, niet hebben stilgelegen. Ambtelijk is gewoon doorgewerkt en zijn een hele boel ambtelijk gemaakt opmerkingen al verwerkt. Hierdoor is de zienswijze gebaseerd op een ‘oudere versie’. In de zienswijze wordt onder het kopje tussentijdse beëindiging van een project opgemerkt dat een gemeentebestuur eenzijdig kan besluiten tot het stoppen zonder dat hier consequenties aan zijn verbonden. Vraag: ziet u het voor eigen rekening nemen van een tekort als daarvan bij een beëindiging (art. 2 lid 4) sprake is niet als een (afdoende) consequentie? En is een motivering van de beëindiging door die gemeente aan het DB (art. 2 lid 2) niet voldoende? Graag beide antwoorden toelichten. Vraag: welke criteria acht u relevant bij het kunnen beëindigen van een project? Kunnen daarbij overmacht of externe factoren ook een rol van betekenis spelen?
De mogelijkheid tot het eenzijdig door een gemeentebestuur besluiten om een project – waarin HR mee-financiert – is in haar geheel uit de verordening verdwenen. Daarmee komt HR met tegemoet aan de eerder door ons (ambtelijk) ingebracht bedenkingen en is dit stukje van de zienswijze al gehonoreerd. Op het onderdeel financiering prioritaire projecten vanuit themafondsen merkt u in de zienswijze op, dat prioritaire projecten (mede) gefinancierd kunnen worden vanuit thematische fondsen. Vraag: waaruit (welk artikel in de verordening) maakt u op dat dit het geval is?
Het blijkt niet direct uit een artikel, maar in de verordening is dit ook niet uitgesloten. Ook in doorontwikkelde versies van de verordening kan dit nog en in een werkgroep die zich bezighoudt met het nader invullen van de regels (zeg maar handboek RIA) wordt dit niet als mogelijk, maar zelfs als wenselijk beschouwd. Hierbij moet worden opgemerkt dat op dit moment wordt gewerkt aan een regel voor financiering vanuit een thematisch fonds waarmee maximaal 25% van een prioritair project vanuit een thematisch fonds kan worden gefinancierd, met een maximum van 100.000. Hiermee is dus wel veiliggesteld dat een van de doelen van de prioritaire projecten een multiplier-effect is. Daar komt dat deze financiering altijd via een aanvragende gemeente loopt dit zich niet meer zomaar kan terugtrekken (zie vorige punt). De kans bestaat dat er geen cofinanciering voor een project wordt gevonden. In artikel 3.6 lid 2 staat dit beschreven. Vraag: vindt u het een tekortkoming dat in dat artikel niet is benoemd welk gevolg het ontbreken van cofinanciering (en daarmee de multiplier) voor het project heeft? Kan dat project dan wel doorgang vinden, anders dan als de betrokken gemeenten zelf voor de nodige financiering zorgen?
De multiplier wordt voornamelijk voor de P1 (uitvoeringsprojecten) gezocht. Uiteindelijk geldt (of gaat gelden) dat een P2 project (ontwikkeling) eindigt met een projectplan (inclusief financiering) van het P1 project. Het P1 project zelf heeft Holland Rijnland dan geen rechtstreekse bemoeienis meer mee. Het is dan aan de aan het projectdeelnemende gemeenten te bepalen of zij het project gaan opstarten (dus ook beoordelen of het projectplan voldoende is, de financiering zeker genoeg is en de risico’s acceptabel).