Ontwerpbestemmingsplan Zuideinde 3B1 en achter 3C_3D, Nieuwkoop, toelichting en regels, versie 29-03-2022
Tekst van het document
Bestemmingsplan ZUIDEINDE 3C EN ACHTER 3D/3E, NIEUWKOOP Gemeente Nieuwkoop
STATUS:
ONTWERP
DATUM:
29 maart 2022
IMRO IDN:
NL.IMRO.0569.NKPzuideinde3c-on01
OPDRACHTNEMER IntROview B.V. Sterrenlaan 24 2743 LS Waddinxveen telefoon 0182 630480 info@introview.nl www.introview.nl
OPDRACHTGEVER de heer W.J. Beijeman Zuideinde 17F 2421 AA Nieuwkoop
STATUS Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
DATUM 28 april 2021 18 augustus 2021 29 maart 2022
VERSIE 2e versie 1e versie 1e versie
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Toelichting
Toelichting
3
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
4
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk2 Bestaande situatie 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur 2.2 Bestaande situatie plangebied
9 9 9
Hoofdstuk3 Planbeschrijving 3.1 Ontwikkelingen 3.2 Nieuwe situatie 3.3 Verkeer en parkeren
11 11 11 13
Hoofdstuk4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
15 15 17 21 23
Hoofdstuk5 Water 5.1 Inleiding 5.2 Beleidskader 5.3 Waterhuishouding
27 27 27 29
Hoofdstuk6 Milieu en omgevingsaspecten 6.1 Milieu 6.2 Archeologie en cultuurhistorie 6.3 Flora en fauna 6.4 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
31 31 40 43 45
Hoofdstuk7 Juridische opzet 7.1 Algemeen 7.2 Verbeelding 7.3 Regels 7.4 Handhaving bestemmingsplan
47 47 47 47 49
Hoofdstuk8 Economische uitvoerbaarheid 8.1 Financiële haalbaarheid
51 51
Hoofdstuk9 Maatschappelijke betrokkenheid 9.1 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro 9.2 Communicatie 9.3 Zienswijzen
53 53 53 53
Regels
55
Toelichting
5
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
56 56 61
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Tuin Water Wonen Waarde - Archeologie 1 Waterstaat - Waterkering
62 62 64 66 70 72
Hoofdstuk3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
74 74 75 77 78 79
Hoofdstuk4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
80 80 81
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 2
Nader bodemonderzoek
Bijlage 3
Onderzoek archeologie
Bijlage 4
Notitie stikstofberekeningen
Bijlage 5
Ecologisch onderzoek
6
Inhoudsopgave
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In de tweedelijns bebouwing achter het Zuideinde 3a t/m 3e in Nieuwkoop vinden op huisnummer 3c bedrijfsmatige activiteiten plaats, waaronder caravanstalling en opslag van boten. Op het terrein staat verspreid staande bebouwing met twee ligplaatsen voor woonboten. Het geheel maakt een rommelige indruk dat goed zichtbaar is vanaf Achttienkavels en het noordelijk gelegen fietspad. De eigenaar heeft het voornemen de bestaande bedrijfsmatige activiteiten te staken, de woonboten te verwijderen en alle (agrarische) bedrijfsbebouwing, zoals voormalige veestallen op nummers 3d/3e, een hooiberg en diverse overige bouwwerken te slopen. In de plaats hiervan worden drie vrijstaande woningen in de tweedelijns bebouwing voorgestaan. De aansluitende gronden hierachter blijven vrij van bebouwing, zodat de openheid van het gebied tot de Ringvaart wordt hersteld. Hiermee wordt een ruimtelijke en duurzame kwaliteitswinst bereikt. De te realiseren woningen dragen bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van het bebouwingslint. Om deze woningbouwontwikkeling mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het meest westelijke gedeelte van de kern Nieuwkoop aan het dubbelzijdige bebouwingslint van het Zuideinde. In noordelijke richting ligt de ringvaart met aansluitend het buitengebied. De planbegrenzing wordt in oostelijke en westelijke richting gevormd door watergangen met aansluitend woonpercelen. Het zuidelijke deel grenst aan erven van bestaande woningen aan het Zuideinde. In figuur 1 is een situatietekening van het plangebied en omgeving opgenomen.
Figuur 1: Plattegrond plangebied (rood gestreept omlijnd) en omgeving.
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Voor onderhavig plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:
Toelichting
7
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Bestemmingsplan “Kern Nieuwkoop" "Kern Nieuwkoop, 1e herziening"
Raadsbesluit 30 mei 2013 9 maart 2017
Uitspraak ABRvS 28 januari 2015
De gronden achter Zuideinde 3c zijn bestemd voor 'Agrarisch' met een bouwvlak. Het perceel heeft hier de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – mostrekker'. De percelen achter Zuideinde 3d en 3e hebben de bestemming 'Wonen' zonder bouwvlak (figuur 2). Binnen de bestemming 'Water' zijn twee aanduidingen opgenomen waar een woonschip is toegestaan. Voor het gehele plangebied geldt verder de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1'. Het gebied ten zuiden van het fietspad met de bestemming 'Water' heeft daarnaast de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering. Het oprichten van drie woningen is hiermee in strijd. De Uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft geen betrekking gehad op onderhavig plangebied.
Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Kern Nieuwkoop (plangebied rood omlijnd).
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 9 wordt tenslotte ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
8
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie
Ruimtelijke en functionele structuur
Nieuwkoop maakt onderdeel uit van het Groene Hart en kenmerkt zich door de karakteristieke veenpolders en droogmakerijen. Het gebied als totaal heeft een landelijk karakter met van oudsher landen tuinbouwfunctie. Nieuwkoop ligt centraal ten opzichte van de grote steden Utrecht, Alphen aan den Rijn, Leiden, Amsterdam en Rotterdam. Het plangebied ligt aan het Zuideinde in de nabijheid van de gemeentegrens. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door het historische bebouwingslint van het Zuideinde. De relatie met het buitengebied wordt benadrukt met de achter de woonpercelen gelegen Ringvaart, het fietspad en aansluitende droogmakerij. In westelijke richting ligt het buitengebied van Aarlanderveen. Het historische lint is van oudsher een multifunctioneel gebied waar wonen, bedrijvigheid en detailhandel elkaar afwisselen. Aan het einde van het Zuideinde staan voornamelijk woningen in het dubbele bebouwingslint met enkele horecagelegenheden en bedrijven. Woning aan Zuideinde 3.
De hierachter gelegen woning op nummer 1a.
De woning Zuideinde 3b met rechts de te slopen bedrijfsloods met de nummers 3d/3e.
Ringvaart aan noordzijde plangebied.
2.2
Bestaande situatie plangebied
Het plangebied ligt in de tweedelijns bebouwing achter een woning op nummer 3b en twee voormalige veestallen op nummer 3d/3e. In het plangebied is op nummer 3c een bedrijfsloods voor opslag en reparatie van machines gevestigd. Verder staat er diverse verouderde bedrijfsbebouwing, waaronder loodsen, een hooiberg en voormalige veestallen (nummers 3d/3e). In totaal wordt 857 m² aan bebouwing gesloopt. Op het open terrein liggen diverse boten op het land en langs de waterkant. In de bestemming 'Water' zijn voorts twee ligplaatsen voor woonboten aanwezig, waarvan er momenteel één in gebruik is. Het terrein is goed zichtbaar vanaf Achttienkavels en het noordelijk gelegen fietspad langs de Ringvaart. Het geheel maakt een verrommelde indruk. In figuur 3 is de bestaande situatie weergegeven.
Toelichting
9
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Figuur 3: bestaande situatie. De te slopen loods met nummer 3c.
Links woonboot en overige te slopen bouwwerken.
Te slopen hooiberg langs Achttienkavels.
Plangebied vanaf Achttienkavels.
10
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Ontwikkelingen
Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – mostrekker'. De percelen achter Zuideinde 3d en 3e hebben de bestemming 'Wonen' zonder bouwvlak. De overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Voorts worden de twee woonboten verwijderd. In de plaats hiervan worden 3 grondgebonden woningen in het plangebied gerealiseerd, die bijdragen aan het behoud van voorzieningen en de leefbaarheid van Nieuwkoop.
3.2
Nieuwe situatie
3.2.1 Planopzet Om een ruimtelijke kwaliteitswinst te bewerkstelligen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: Een vervolgfunctie naar wonen is toegestaan, omdat voortzetting van een agrarische functie tussen woonpercelen niet meer mogelijk is; Alle (voormalige agrarische) bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van totaal 857 m² (zie figuur 3) moet worden gesloopt om drie woningen mogelijk te maken. De sanering/ sloop van de bebouwing mag niet gefaseerd plaatsvinden. De woningen mogen niet eerder gebouwd worden dan nadat volledige sanering heeft plaatsgevonden. De ligplaatsen van de twee woonboten worden beëindigd en de nog aanwezige boten worden verwijderd, voordat de woningen worden gebouwd. De achterste bebouwingsgrens op het perceel Zuideinde 3c komt te liggen op 5 meter achter de nu bestaande loods. De achterste bebouwingsgrens op het perceel Zuideinde achter 3d/ 3e komt te liggen ter hoogte van de achtergevel van de woning Zuideinde 7. Er dient aandacht te worden besteed aan de maat, de schaal en de richting van het landschap, waarbij de bouwvolumes landschappelijk worden ingepast. Ten behoeve hiervan dient het gebied tussen de bouwkavels en de Ringsloot te worden bestemd en ingericht als 'Tuin - onbebouwd' dan wel middels een gelijkwaardige oplossing.
Met inachtneming van de gemeentelijke uitgangspunten is een verkavelingsplan opgesteld voor het oprichten van 3 vrijstaande woningen op een plangebied (inclusief water) van afgerond 5.900 m². De overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De woningen worden ontsloten op het Zuideinde. De maximum goot- en bouwhoogte van de woningen is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan bepaald op respectievelijk 6 en 10 meter. De verkavelingstekening is opgenomen in figuur 4.
Toelichting
11
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Figuur 4: Impressie verkavelingsplan (indicatief). 3.2.2 Woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma bestaat uit 3 vrijstaande woningen. Deze woningen zijn bestemd voor de doelgroep doorstromers. De nieuwbouw wordt gerealiseerd in de dure financieringscategorie.
12
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
3.3
Verkeer en parkeren
Verkeer De ruimtelijke structuur wordt bepaald door de verkeersader aan het bebouwingslint van het Zuideinde. Deze weg vormt de basis van het verderop in oostelijke richting gelegen dorp. In westelijke richting liggen de Ziendeweg richting Aarlanderveen en Achttienkavels richting de Nieuwkoopseweg (N231). De woningen worden ontsloten via bestaande uitritten op het Zuideinde. Zuideinde.
Huidige inrit naar plangebied.
Achttienkavels.
Weg voor bestemmingsverkeer ten noorden van plangebied.
Parkeren Voor de woningen worden de parkeernormen aangehouden overeenkomstig de door de gemeenteraad op 8 juli 2021 vastgestelde 'Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021'. De relevante parkeernormen zijn opgenomen in tabel 3.1. In tabel 3.2 is aangegeven in welke mate het aanbod aan parkeerplaatsen op eigen terrein bij de functie 'Wonen' wordt meegeteld bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Tabel 3.1 Parkeernormen grondgebonden Parkeernorm waarvan aandeel aantal woning bezoekers woningen 1 80-130 m² 2,3 0,3 pp 0 > 130 m² 2,5 0,3 pp1 3 Totaal 3 1 Bij alle woningen moet minimaal 0,3 pp openbaar toegankelijk zijn.
Toelichting
totaal aantal parkeerplaatsen 7,5 7,5 pp
13
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Tabel 3.2 Berekening parkeervoorziening Parkeervoorziening Theorie Enkele oprit 1 Lange oprit zonder garage of carport 2 Dubbele oprit 2 Garage zonder oprit (bij woning) 1 Garagebox (niet bij woning) 1 Garage met enkele oprit 2 Garage met lange oprit 3 Garage met dubbele oprit 3
Berekening 1,0 1,0 2,0 0,0 0,0 1,0 1,0 2,0
Opmerkingen oprit min. 5,0 m diep oprti min. 10,0 m diep oprit min. 5,0 m breed
oprit min. 5,0 m diep oprit min. 10,0 m diep oprit min. 5,0 m breed
Parkeerbalans nieuwe situatie Op eigen terrein worden per woonperceel 3 parkeerplaatsen aangelegd, zodat dit plan kan voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Bij uitwerking van bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm. In de Overige regels van het bestemmingsplan, artikel 12.1 Parkeren, wordt dit geborgd.
14
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Drie afwegingsprincipes Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.
Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie tot het bestemmingsplan In de uitwerking van prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling
Toelichting
15
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
voorziet in de herontwikkeling van een perceel in bestaand stedelijk gebied met 3 woningen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de nieuwe Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij onder andere om rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen en ecologische hoofdstructuur (EHS), thans Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (2017) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog de 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.
Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking De belangrijkste motiveringsplicht van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Bij het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd: Ad behoefte Er is sprake van een behoefte. Dit blijkt onder andere uit paragrafen 4.2.2 en 4.3.2 De invulling van het plangebied met 3 woningen voor de doelgroep doorstromers sluit aan bij de provinciale en gemeentelijke ambitie, waarbij gestreefd wordt naar duurzame woningen in de woonkern. De gewenste ontwikkeling voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte.
Ad bestaand stedelijk gebied Bestaand stedelijk gebied wordt in de Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom (binnen de bebouwde ruimte) van Nieuwkoop. De invulling van het plangebied met woningen levert vanuit de verstedelijkingsladder geen belemmering op. In paragraaf 4.2.2 wordt hierop nader ingegaan. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De woningbouw is voorts in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.
16
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 7 augustus 2021 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen.
Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden. Verstedelijking en wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. Bouwen naar behoefte De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd.
Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen. De provincie wil dat de Ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Regionale woonvisie Gemeenten stellen in regionaal verband woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Gemeenten en provincie spreken in gezamenlijkheid af welke uitgangspunten en randvoorwaarden voor de woonvisie gelden. De woonvisie bevat tenminste een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgave op korte en lange termijn en een onderbouwing van de behoefte die regionaal is afgestemd. De regionale woonvisie vormt het kwalitatieve en kwantitatieve kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie. Zie hiervoor verder paragraaf 4.3.2.
Toelichting
17
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Omgevingskwaliteit Verbetering omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie maakt het plangebied op kaart 59 onderdeel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied 2018 (figuur 5). Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht.
De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptatie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening. Kwaliteitskaart Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De Laag van de ondergrond (eerste laag) van het plangebied wordt gevormd door veen. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Als richtpunt geldt dat ontwikkelingen in het veenlandschap zorg dragen voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.
In de laag van cultuur- en natuurlandschappen maakt het plangebied onderdeel uit van een droogmakerijenlandschap (klei en veen). Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Als richtpunt wordt onder andere aangehouden het behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. Het plangebied is hier voorts aangeduid als lint. Op de Laag van de stedelijke occupatie maakt het plangebied onderdeel uit van 'steden en dorpen' in de 'stads- of dorpsrand' (figuur 5). Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Als richtpunt wordt onder andere aangehouden dat ontwikkelingen bijdragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
In de Laag van de beleving is het plangebied niet specifiek aangeduid. Het buitengebied ten westen van de Ziendeweg en Achttienkavels maakt onderdeel uit van het Kroonjuweel Aarlanderveen en molenviergang. Toetsing aan kwaliteitskaarten Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen' en 'stads- en dorpsrand' in een 'lint', terwijl het plangebied op kaart 59 van de Omgevingsvisie onderdeel uitmaakt van bestaand stadsen dorpsgebied. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen
18
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Deze ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van een passende overgangskwaliteit aan de dorpsrand. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte en wordt opgenomen in de Regionale Woon Agenda.
Figuur 5: Uitsnede Kwaliteitskaart (linker kaart) en Kaart 59 'Bestaand stads- en dorpsgebied 2018' (rechter kaart) van Omgevingsvisie. Het plangebied is met een zwarte omlijning aangeduid. Conclusie De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. Het toevoegen van drie woningen is in overeenstemming met de opgaven wonen, ruimte en verstedelijking, omdat het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied ligt, waarbij de richtpunten niet in het geding zijn. Het plan is niet in strijd met de provinciale Omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. De geconsolideerde versie is op 7 augustus 2021 in werking getreden. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht. Ladder voor duurzame verstedelijking De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 3 woningen mogelijk. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Het oprichten van zes woningen in een dorp, dat voornamelijk uit lintbebouwing bestaat (waarvan drie woningen rechtstreeks en drie door middel van een wijzigingsbevoegdheid), wordt niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling
Toelichting
19
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
(ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen. Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan dient te zijn onderbouwd. De behoefte naar deze woningtypologie is volop aanwezig, zoals beschreven in paragraaf 4.3.2 terwijl deze herontwikkeling vanuit een goede ruimtelijke ordening inpasbaar is, omdat de woningen landschappelijk worden ingepast achter het bebouwingslint en de bouwmassa per saldo afneemt. Een verdere toetsing aan de Ladder is niet nodig. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. In lid 2 van voornoemd artikel is bepaald dat ruimtelijke ontwikkelingen voor een gebied met beschermingscategorie 2 niet kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als genoemd onder c (transformeren). Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Een toetsing aan ruimtelijke kwaliteit vormt een integraal onderdeel van de planvorming en afweging.
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen' en 'stads- en dorpsrand' in een 'lint'. Als richtpunt voor 'steden en dorpen' wordt onder andere het volgende aangehouden: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De planontwikkeling versterkt het dubbelzijdige bebouwingslint van het Zuideinde. Voor ontwikkelingen in het polderlint geldt als richtpunt dat de bebouwing op één niveau met de omgeving ligt. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Deze herontwikkeling versterkt het bebouwingslint, omdat verouderde bedrijfsbebouwing wordt verwijderd, terwijl er alleen drie woningen worden teruggebouwd in de tweedelijns bebouwing.
De openheid van het gebied langs de Ringvaart wordt hierdoor hersteld. Deze planontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al in de directe omgeving aan het Zuideinde waar nagenoeg alleen nog woningen staan. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan.
20
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Risico's van klimaatverandering In paragraaf 6.2.11 van de herziening van het Provinciaal omgevingsbeleid 2020 (zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 16 juni 2021) is in artikel 6.50 een nieuw artikel toegevoegd over de gevolgen van de risico's van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.4.3 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering is omgegaan. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt een herontwikkeling mogelijk om drie woningen op te richten binnen het bestaand dorpsgebied. Deze ruimtelijke ontwikkeling valt onder de noemer 'inpassing', waarbij de ruimtelijke kwaliteit tenminste gelijk blijft. Over deze ontwikkeling heeft regionale afstemming plaatsgevonden met het Holland Rijnland. De planontwikkeling wordt opgenomen in de Regionale Woon Agenda (zie paragraaf 4.3.2). Voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Resumerend kan worden geconcludeerd dat: het plan in overeenstemming is met artikel 6.10 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (Ladder); het plan in overeenstemming is met artikel 6.9, lid 1 sub a (inpassen) en lid 4 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (ruimtelijke kwaliteit). Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland De gemeenten in de Rijnstreek, waaronder gemeente Nieuwkoop, zijn vanaf 1 april 2010 aangesloten bij het Samenwerkingsverband Holland Rijnland. In verband hiermede is de eerste partiële herziening van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld door het Algemeen Bestuur Holland Rijnland, waarin de Regionaal Strategische Agenda van het voormalige Rijnstreekberaad, de Transformatievisie Oude Rijnzone en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Boskoop/ Rijnwoude vanuit de Rijnstreek zijn ingebracht. Deze visie is het gemeenschappelijke toetsingskader van alle Holland Rijnland-gemeenten, waartoe nu ook Nieuwkoop behoort. Op basis hiervan worden de ruimtelijke ontwikkelingen in Holland Rijnland tot 2020 getoetst. De regionale structuurvisie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie van stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; de Bollenstreek, Veenweide en de Plassen blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenport; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
De woningbouwontwikkeling aan het Zuideinde in de woonkern Nieuwkoop levert een bijdrage aan uitwerking van de eerstgenoemde kernbeslissing om in de regio tot 2020 netto 33.000 woningen te bouwen. De woningen worden gebouwd binnen de Aaneengesloten Stedelijke Agglomeratie. Op de visiekaart ligt het plangebied in het 'Stedelijk gebied' (figuur 6). Conclusie De drie woningen leveren een bijdrage aan het woningbouwprogramma in de regio Holland Rijnland, waarin wordt ingespeeld op de behoefte aan dure woonmilieus. Het planinitiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland.
Toelichting
21
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Figuur 6: Uitsnede Regionale Structuurvisie. 4.3.2 Regionale Woon Agenda 2017 In het kader van de woningbouwprogrammering heeft Holland Rijnland de Regionale Woon Agenda 2017 (RWA) opgesteld. In deze visie zijn de woningbouwbehoeften en de woningbouwlocaties met de aantallen woningen in regionaal verband beschouwd. Het doel van de RWA is tweeledig enerzijds willen partijen inzicht hebben in de behoefte naar woningen in Holland Rijnland en hun (gezamenlijke) woningbouwprogramma daar op af te stemmen. Anderzijds heeft de provincie verzocht op regionaal niveau inzicht te geven in de woningbouwbehoefte en het -programma. Tot op heden was dit vooral gericht op afstemming van het aantal te bouwen woningen. Met deze RWA voegt de regio daar de gewenste kwalitatieve richting aan toe. Enerzijds vraagt dit een goed evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt, mede ten behoeve van de opgave om 30.000 huishoudens extra te huisvesten in de regio. Als onderbouwing voor de RWA is de werking van de regionale woningmarkt in beeld gebracht, waarmee er zicht is op mechanismen die de toekomstige vraag op de woningmarkt bepalen.
Dit vormt de basis voor een programmering waarmee de regio adequaat kan inspelen op de veranderende vraag: uitgaande van trends voor de korte en lange termijn, de woningbehoefte van de diverse inkomensgroepen, de behoefte onder bijzondere doelgroepen en tot slot de ontwikkeling van de behoefte aan woonmilieus. De RWA helpt gemeenten bij de juiste woning op de juiste plek, en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Daarmee biedt dit een onderbouwing voor plannen, passend bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. De woningbouwontwikkeling in dit bestemmingsplan beperkt zich tot 3 woningen. Gelijktijdig vervallen twee ligplaatsen voor woonboten. Het plan wordt toegevoegd aan het regionale woningbouwprogramma. Conclusie Het toevoegen van 3 woningen in de dure koopsector levert een bijdrage aan het voorzien in de vraag naar woningen in Nieuwkoop voor de doelgroep doorstromers. Volgens de afspraken hoeft dit plan gezien de omvang (3 woningen) niet te worden afgestemd met de Regio, maar alleen te worden gemeld voor de regionale monitor. Het plan past binnen de regionale woningbouwafspraken en de Regionale Woon Agenda.
22
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Nieuwkoop De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 8 juli 2021 de 'Omgevingsvisie Nieuwkoop' vastgesteld. De omgevingsvisie voorziet in een integrale, samenhangende visie op de toekomst van de gemeente Nieuwkoop. Deze geeft op basis van gezamenlijk geformuleerde waarden richting en ruimte aan opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is volledig tot stand gekomen via intensieve samenwerking en participatie met de Nieuwkoopse samenleving en dus echt ‘van buiten naar binnen’. Deze aanpak leidt zonder meer tot een zeer positief maatschappelijk effect: herkenning, meerwaarde, draagvlak en commitment. Een stevige basis voor échte samenwerking met de samenleving. Nieuwkoopse drijfveren De gemeente wil ‘zeven Nieuwkoopse drijfveren’ in de toekomst behouden en versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen in de dorpen en in het landschap dien rekening te worden gehouden met deze drijfveren. Het betreft: 1. rust en ruimte 2. weids landschap 3. bijzondere natuur 4. centrale ligging 5. dorps karakter 6. levendige dorpen 7. saamhorigheid. Sterke dorpen Visie: compacte groei met behoud van karakter De gemeente wil dat mensen hier goed en betaalbaar kunnen wonen. Daarom wordt ruimte geboden voor groei, op een manier en schaal die bij de gemeente past.
Zo kunnen jongeren, starters en jonge gezinnen hier (blijven) wonen en blijft de bevolkingsopbouw evenwichtig en gezond. Dat is belangrijk: meer (jonge) inwoners en meer bezoekers zorgen voor levendigheid in de winkelgebieden, voorzieningen en verenigingen. Dat wil de gemeente graag stimuleren. De bouw van nieuwe woningen vindt verspreid over alle dorpen én allereerst binnen de bestaande dorpsgrenzen plaats. Zo wordt het landschap opengehouden en is in de dorpen alles dicht bij de hand. Maar om genoeg woningen toe te voegen, moet de gemeente soms ook aan de randen van de dorpen bouwen. Dan bekijkt de gemeente zorgvuldig waar dat kan. De gemeente ziet de invulling van de woningbouwopgave als motor voor andere opgaven, zoals het voorzieningenniveau, duurzaamheid of gezondheid. Daarbij wordt niet de historie, relatie met het landschap en bijzondere kwaliteiten uit het oog verloren. Duurzaamheidsaspecten Een visie op de toekomst van de gemeente Nieuwkoop en de fysieke leefomgeving is vanzelfsprekend doorspekt met duurzaamheid (in de breedste betekenis van het woord). Net zoals bij een groot aantal andere, meer ‘sectorale’ beleids- en visietrajecten, heeft rond duurzaamheid voortdurend afstemming plaatsgevonden en is steeds sprake geweest van wederzijdse input. Gezondheid Voor het thema gezondheid geldt hetzelfde als bij duurzaamheid, ook qua afstemming en wederzijdse input.
Wat zich in het fysieke domein openbaart, is geworteld in het sociaal-maatschappelijke domein. Daarom moet gezondheid onder de nieuwe Omgevingswet nadrukkelijk in samenhang worden gezien met de fysieke leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan mantelzorg en de mogelijkheid om dit ‘dichtbij huis’ te houden, het belang van een groene en schone leefomgeving, een uitnodigende buitenruimte waar mensen gestimuleerd worden om te bewegen en/of elkaar te ontmoeten, prettig kunnen wonen, het belang van werk voor iemands identiteit en eigenwaarde, woningen en zelfredzaamheid dankzij voldoende voorzieningen (zorg, openbaar vervoer) in de buurt. Toetsing planinitiatief aan Nieuwkoopse drijfveren Voor deze planontwikkeling is drijfveer 5 'dorps karakter' van toepassing. De 13 dorpskernen kennen een
Toelichting
23
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
eigen historie en karakter. Ruimtelijke kenmerken van de kernen zijn kleinschaligheid en overzichtelijkheid: een dorpse leefomgeving. Hier is sprake van een mix van historische en nieuwe bebouwing. Er wordt in principe zoveel mogelijk gebouwd op vrijkomende locaties binnen dorpsgrenzen. In de Omgevingsvisie wordt niet ingegaan op een nieuwe invulling op perceelsniveau, zoals aan het Zuideinde 3c en achter 3d/3e in Nieuwkoop wordt beoogd. Deze planontwikkeling draagt bij aan het versterken van een bebouwingslint, waarin verouderde bebouwing en twee woonschepen plaats maken voor 3 grondgebonden woningen voor de doelgroep doorstromers. Duurzaamheid wordt beschreven in paragraaf 4.4.3. Conclusie De woningbouw levert een bijdrage aan het behoud van het voorzieningenniveau in de kern in een bestaand bebouwingslint voor de doelgroep doorstromers. De woningbouwontwikkeling wordt passend geacht binnen de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 4.4.2 Woonvisie De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 6 oktober 2016 de Woonvisie Nieuwkoop 2016 - 2025 met als motto 'Woningbouw gericht op de behoefte; nu en in de toekomst' vastgesteld. Deze is tot stand gekomen op basis van een woningmarktonderzoek, de veranderingen in de woningmarkt en de input van de verschillende stakeholders.
De nieuwe woonvisie brengt de voornaamste ontwikkelingen in de gemeente in beeld en beschrijft het gekozen woonbeleid. De belangrijkste beleidsaspecten in de woonvisie zijn: Het bestaande kernenbeleid blijft het uitgangspunt in de gemeente; Kansen scheppen voor jongeren die de wens hebben om in de gemeente te blijven wonen; Het benutten van de aantrekkingskracht op jonge gezinnen; Het vergroten van de voorraad sociale huurvoorraad; Het vergroten van het aanbod van vrije-sector huurwoningen; Verduurzamen van de woningvoorraad; Stimuleren/creëren van mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te wonen; Voldoende woonmogelijkheden bieden voor mensen met een zorgvraag. De Woonvisie geeft richting aan de gemeentelijke inzet rond ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en het grondbeleid met als resultaat een woningaanbod dat ook in de toekomst blijft passen bij de bevolking van onze gemeente. Daarnaast stimuleert een gedragen Woonvisie ook andere partijen in de gemeente om een bijdrage te leveren aan het wonen in Nieuwkoop. Nieuwbouw De Woningbehoefteraming (WBR) 2016, opgesteld door de Provincie Zuid-Holland, laat zien dat in de gemeente tot en met 2025 een behoefte is aan ongeveer 1.100 woningen. De 1.100 woningen zijn nodig om de autonome bevolkingsgroei op te vangen. Het huidige bouwprogramma in de gemeente is ruim 800 woningen.
Dit laat zien dat de vraag naar woningen (1.100) groter is dan het aanbod (800). De behoefte aan/ de ruimte voor nieuwe plannen benut de gemeente zo veel mogelijk door samen met andere partijen de verschillende volkshuisvestelijke opgaven te realiseren. Het blijft hierbij de voorkeur om nieuwbouw te realiseren in de grotere kernen en binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Naast de woningen ten behoeve van de groei van de eigen bevolking voorziet de gemeente in de (boven)regionale opgave met de bouw van 330 woningen boven de behoefteraming. De opgaven samen betekenen een bouwopgave van 1.430 (1.100 + 330) woningen tot en met 2025. De beschikbare ruimte tussen de Woningbehoefteraming (WBR) en het bouwprogramma vraagt om nadere invulling. De beschikbare ruimte krijgt invulling vanuit de volkshuisvestelijke opgaven en de onbenutte bouwmogelijkheden. Er zijn binnen de gemeente namelijk nog onbenutte bouwmogelijkheden die buiten het huidige bouwprogramma vallen. Deze bestaande capaciteit bestaat onder andere uit nog niet gerealiseerde bedrijfswoningen en ruimte-voor-ruimte woningen. Woonfonds Op grond van de Woonvisie kan de gemeente nadere eisen stellen ten aanzien van de nieuwbouw van koop- en huurwoningen dat minimaal 35% van de woningen in de sociale woningbouw wordt gerealiseerd.
Daar waar dit niet wordt gerealiseerd dient initiatiefnemer op grond van de 'Verordening Woonfonds Nieuwkoop 2020, herziening 2020' een storting te doen in het Fonds sociale woningbouw als bijdrage ruimtelijke ontwikkeling sociale woningbouw om elders voldoende sociale huurwoningen te
24
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
kunnen bouwen. De gemeente bevordert het bouwen van voldoende betaalbare woningen via het Woonfonds. Zodra een ontwikkelaar minder huurwoningen bouwt dan door de gemeente is vastgesteld, dan betaalt de ontwikkelaar een bedrag aan het Woonfonds. Bouwt een ontwikkelaar meer sociale huurwoningen, dan krijgt hij een bedrag uit het Woonfonds. De komende jaren blijft de gemeente het Woonfonds als stimulans inzetten. Toetsing planinitiatief In de vier grote A-kernen waaronder de kern Nieuwkoop, streeft de gemeente naar een voorzieningenniveau waar ook de inwoners van de B- en C-kernen gebruik van maken. Om dit voorzieningenniveau in stand te houden, concentreert de gemeente woningbouwlocaties in de vier A-kernen. De bevolkingsgroei wordt dan ook vooral opgevangen in de dorpen Nieuwkoop, Ter Aar, Langeraar en Nieuwveen. Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van 3 grondgebonden koopwoningen mogelijk in het hogere segment in de kern Nieuwkoop. De behoefte naar koopwoningen in deze financieringscategorie is groot. Er is hier sprake van een herontwikkeling na sanering van bedrijfsactiviteiten, zodat deze ontwikkeling is vrijgesteld van afdracht in het Woonfonds. Conclusie In de Woonvisie wordt beperkt ingegaan op particuliere initiatieven.
Geconstateerd wordt dat de gemeente niet de enige is die woningen bouwt in de gemeente, maar dat ook woningcorporaties een deel voor hun rekening nemen alsmede diverse particuliere initiatieven. Deze planontwikkeling levert een bijdrage aan de uitvoering van de Woonvisie om voldoende woningen in de dure koopsector te realiseren voor de doelgroep doorstromers in een A-kern. 4.4.3 Gemeentelijk milieubeleid Duurzaamheidsagenda 2015-2018 Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidsagenda. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, als ook voor het klimaat en energiebesparing, gebaseerd op het werkprogramma Schoon en Zuinig van het Kabinet. Voor bepaalde milieuaspecten is het milieubeleid nader uitgewerkt. Hierop wordt in Hoofdstuk 6 (omgevingsaspecten) nader ingegaan. Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie.
Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaatatlas van het Hoogheemraadschap van Rijnland (www.rijnland.klimaatatlas.net). Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Bij deze nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water bij regenval niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van
Toelichting
25
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
schaduw en groen deze verlaagt. Op de kaart Hittestress is het noordelijke deel van plangebied als 'neutraal' aangeduid. Rondom de bebouwing is het terrein aangeduid als 'Warmer'. De voormalige bedrijfsbebouwing wordt verwijderd. In de plaats hiervan komen alleen enkele woningen met veel groen. Deze maatregelen hebben een positief effect om hittestress tegen te gaan. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte (bron: klimaateffectatlas Zuid-Holland). De nieuwe bebouwing daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Conclusie De woningen voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd en voorzien van zonnepanelen. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht, warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater en opvang en recyclen van regenwater. Bij uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten van het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaam bouwen.
26
Toelichting
bestemmingsplan Zuideinde 3c en achter 3d/3e, Nieuwkoop
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem.